CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-12-02 Beantwoording Technische vragen D66 omgevingsvisie 261125

Raadsvergadering 17 december 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvisie + Omgevingseffectrapportage (OER)1.022 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen D66 - 261125 1. Hoe wordt gewaarborgd dat bij verdichting dit niet ten koste gaat van vergroening of groen in de buurt? Antwoord: Dat wordt meegegeven als kader bij een verkenning van een verdichtings- inbreidingsinitiatief. Verdichting en vergroening kunnen hand in hand gaan door compacter te bouwen, meervoudig ruimtegebruik toe te passen en bestaand groen te versterken (bijvoorbeeld door dit beter toegankelijk en beleefbaar te maken), of door ze nadrukkelijk een dubbelfunctie te geven, zoals ten behoeve van klimaatadaptatie (opvang piekbuien, tegengaan hittestress). Hierbij wordt onder meer gebruikt gemaakt van de ‘groen-blauwe waarden’ zoals die in de groen-blauwe hoofdstructuur zijn beschreven. In de ontwerp-omgevingsvisie is ook een aantal gebieden aangegeven waar geen verdichting voorzien is, om bestaande groene kwaliteiten te handhaven. 2.

Pagina 89 "Daarom onderzoeken we de financiële haalbaarheid van een parkeergarage onder de buitengracht" -> moeten we niet de totale haalbaarheid van een parkeergarage daar onderzoeken? En in hoeverre is er nu een probleem met de parkeerdruk? Hadden we niet in het verleden cijfers gekregen dat de parkeerdruk eigenlijk best wel meevalt, juist ook vergeleken met vergelijkbare steden? (ik kan het niet terugvinden in het RIS) En in hoeverre gaat die parkeerdruk juist niet afnemen, vanwege het STOMP beleid, extra inzet op fietsparkeren etc? Er is op basis van de aangenomen motie (Motie 5.2 versnellingsgelden centrumschil) in eerste instantie een advies over de ruimtelijke inpasbaarheid ingewonnen. De volgende stap is nu om het beeld qua realisatie en exploitatie op hetzelfde niveau te krijgen. Daarmee ontstaat een nieuwe (bestuurlijk) beslismoment. In vervolgfasen komen vervolgens weer verdiepingen en andere aspecten die tot een totaaladvies gaan leiden. Parkeerdruk Er is zicht op de ruimtelijke ontwikkelingen in het centrum en de centrumschil. Verwacht wordt dat de garage Stationsplein de openbare functie verliest i.v.m. ontwikkeling Topicus carré en dat de Verzetslaan parkeerruimte een parkfunctie krijgt (ontwikkeling De Kien). Daarnaast is er krapte in het segment voor bewoners van de binnenstad.

De verwachte parkeerhub de Kien zal vooralsnog maximaal 15 jaar kunnen functioneren. Daarmee is er voldoende aanleiding om de parkeergarage onder de buitengracht nader te onderzoeken. Andersom gezegd zal bij een grote ontwikkeling als deze ook sprake zijn van een sprong vooruit, in de zin dat nagedacht kan worden over wijzigen van het parkeeraanbod op andere locaties in de binnenstad. Dat wordt onderdeel van een integraal beslismoment.

We herkennen niet het beeld dat de parkeerdruk in Deventer wezenlijk afwijkt van andere steden met een historische binnenstad. Wel is van belang dat het parkeerareaal in principe afdoende is, maar dat er diverse punten zijn waar de parkeerdruk (te) hoog is. Dit wordt onder meer aangegeven in de tweejaarlijkse parkeermonitor zoals die op onze website wordt gepubliceerd (Versie 2025 staat hier: Parkeermonitor Deventer en schilwijken 2025 | Kennisportaal Deventer . Door het uitvoeren van maatregelen ten behoeve van STOMP (zoals het creëren van meer fietsparkeren), werken we aan wijziging van de balans tussen privé autogebruik en gebruik van andere mobiliteitsopties. In absolute aantallen hebben we in Deventer echter nog altijd te maken met een afvlakking van de groei van bijvoorbeeld autobezit, nog niet met een daadwerkelijk daling. Daarnaast wordt de parkeercapaciteit gedimensioneerd op de piekmomenten, veranderingen in de overige momenten hebben relatief weinig invloed op de nodige capaciteit op het piekmoment.

3. Hoe wordt gezondheid meetbaar gemaakt in ruimtelijke keuzes? Monitoring werken we op dit moment uit ten behoeve van de definitieve omgevingsvisie. We putten daarvoor uit de indicatoren uit de leefomgevingsfoto van de Omgevingseffectrapportage (OER) en kijken naar monitoring van inzet van beleidsmaatregelen.

Voor het vaststellen van de Omgevingsvisie stellen we een Omgevingseffectenrapportage (OER) op. In deze rapportage worden de verwachte omgevingseffecten van de Omgevingsvisie doorgerekend. Onder het thema ‘gezonde leefomgeving’ vallen verschillende aspecten: ervaren gezondheid, gezonde leefstijl, geluid, luchtkwaliteit, geur, hittestress en straling. Deze aspecten zijn ook voor de huidige situatie al gekwantificeerd in de Foto van de Leefomgeving, die daarmee dient als een nulmeting. Om de OER te monitoren, nemen we periodiek een nieuwe ‘foto’ van de leefomgeving. Op die manier monitoren we of de verwachte omgevingseffecten zoals doorgerekend in de OER, kloppen. De data die hiervoor worden gebruikt, zijn afkomstig van o.a. het RIVM, CBS en de Klimaateffectatlas. Naast de verwachte (positieve) omgevingseffecten op het vlak van gezondheid, stellen we in de Omgevingsvisie ook bepaalde ambities vast over gezondheid. Om de ambities in de Omgevingsvisie zichtbaar en meetbaar te maken, gebruiken we een ander raamwerk (het afwegingskader), waarin ‘gezonde leefomgeving’ ook één van de pijlers is. In dit afwegingskader – ook wel de windroos – stellen we voor elk aspect een ambitie vast op een vijfpuntschaal. Voor het thema ‘gezonde leefomgeving’ zijn de drie aspecten: beleefbare

voorzieningen die verbinden, zorgen voor jezelf en voor elkaar, en gezondheidsbescherming. In de gebiedsgerichte uitwerking van de visie is voor elk van de 11 deelgebieden een windroos opgesteld, waarmee de ambitie automatisch ook een ruimtelijk karakter heeft. Momenteel wordt gewerkt aan het plan voor de monitoring van de ambities op deelgebied-niveau. Waar het kan, wordt geput uit dezelfde bronnen als de monitoring van de OER. Voor gezondheid zal dit grotendeels ook het geval zijn. Daar waar we niet gebruik kunnen maken van reeds beschikbare databronnen, maken we de afweging tussen nieuwe data-inwinning en monitoring op inzet.

4. pagina 104: Hoe zetten we in op flexibel inspelen op de ontwikkelingen ten aanzien van dakloosheid en de opvang? Dat wordt hier gesteld, maar ik heb geen idee wat hier beleidsmatig en/of concreet mee wordt bedoeld. Met flexibel bedoelen we dat ons beleid inspeelt op de behoeften van inwoners zodra daar signalen voor zijn. Een concreet voorbeeld hiervan is de opening van de extra opvanglocatie Hanzehaven. Daarnaast willen we kijken of we een of meer permanente locaties kunnen inzetten voor verschillende doelgroepen. Denk bijvoorbeeld aan een locatie waar we, indien nodig, tijdelijk extra opvang voor Oekraïners kunnen realiseren, en die later ook geschikt is voor statushouders of mensen zonder dak boven hun hoofd. Het gaat er dus om dat we een flexibel concept neerzetten, waarbij we niet uitsluitend focussen op één doelgroep zoals asielzoekers, statushouders, Oekraïners of maatschappelijke opvang. Kortom: flexibiliteit betekent dat we locaties kunnen op- en afschalen afhankelijk van de actuele behoefte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16335625/2