2025-11-14 Beantwoording technische vragen GL - ontwerp omgevingsvisie
Tekst van het document
Antwoorden Technische vragen GroenLinks 1-Blz.80 luchtkwaliteit. het is onduidelijk wat er ambitieus is wat is voorgesteld, we volgen gewoon de wettelijke verplichtingen, geen plus daarop. Is er discussie geweest over houtstookvrije nieuwe wijken? (geen houtkachels bij nieuwbouwwijken zoals andere ambitieuze gemeenten wel doen). Met ons commitment aan het Schone Lucht Akkoord gaan we verder dan wettelijke verplichtingen. We streven naar ambitieuze advieswaarden voor luchtkwaliteit van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO, èn sturen op een "gezondheidswinst" van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Het Schone Lucht Akkoord Deventer Uitvoeringsplan 2025 bevat de lijst met projecten en maatregelen die wij uitvoeren, onder andere op het gebied van mobiliteit, mobiele werktuigen, industrie, woningen en houtstook en binnenvaart en havens. We monitoren de voortgang van deze SLA projecten en maatregelen. De doelen voor luchtkwaliteit richting advieswaarden van de WHO monitoren we door een combinatie van genormeerde metingen door het RIVM (landelijk) en indicatieve metingen door de Gemeente Deventer op stikstofdioxide en fijnstof (lokaal). De lokale metingen hebben als nevendoel om de bewustwording en betrokkenheid van inwoners te vergroten en signalen en trends te detecteren. De gezondheidswinst wordt gemonitord door berekening van het ‘levensduurverlies’.
Dit is het aantal maanden dat elke persoon in Nederland gemiddeld korter leeft door luchtverontreiniging. Voor het Schone Lucht Akkoord berekent het RIVM elke twee jaar het te verwachten levensduurverlies in het jaar 2030 op basis van de maatregelen van EU en Nederland en de extra maatregelen door de SLA deelnemers. Door het levensduurverlies in 2030 te vergelijken met 2016 wordt de gezondheidswinst gekwantificeerd. Het levensduurverlies in het jaar 2016 was in Deventer gemiddeld 7,3 maanden. Voor 2030 wordt verwacht dat dit met de landelijke en SLA maatregelen in 2030 zal zijn gedaald tot 3,3 maanden. We koersen daarmee af op een gezondheidswinst van bijna 55%. Het ziet er dus naar uit dat we de doelstelling van tenminste 50% gezondheidswinst gaan halen.
Voor wat betreft de aanwezigheid van houtkachels kunnen we deze als gemeente niet verbieden. Wel kunnen we sturen op het gebruik ervan. Wij sturen door te werken aan bewustwording en geleidelijke verbetering en (nog) niet op een stookverbod. Deze aanpak is voldoende om de doelen van het Schone Lucht Akkoord voor 2030 binnen bereik te houden. Nadeel van een houtstookverbod is dat hierdoor het draagvlak voor andere milieu- en klimaatmaatregelen kan worden ondermijnd. Bovendien is het houden van toezicht op een stookverbod gecompliceerd: het raakt de privacy, bewijsvoering is moeilijk (heterdaad), er is een weersafhankelijkheid (als stookverbod bij code rook stookwijzer) en de capaciteit voor toezicht is beperkt. 2-Wat is "terughoudend" met het toestaan van biomassa bij bedrijven of warmtenetten? Op welke manier kan de gemeente dit reguleren (verbod of % biomassa opleggen?) De inzet van biomassa voor energie- of warmteproductie is geen duurzame oplossing. Daarom wordt in het warmteprogramma het verbranden van biomassa niet meegenomen als bron voor de toekomstige warmtevoorziening. Let op, de inzet van biogas of groengas is wel duurzaam. In
uitzonderlijke situaties kan biomassa een tijdelijke oplossing bieden in de overgang naar een duurzame eindoplossing. Dit betreft maatwerk en wordt per situatie zorgvuldig afgewogen. Kortom, biomassa zal geen grote rol spelen in de energie- en warmtevoorziening van Deventer, zeker niet in de stedelijke omgeving. 3-Blz. 81 Geurhinder. Klopt het dat er een beoordelingskader voor het terugdringen van geurhinder komt? Wanneer? Wordt dit een omgevingsprogramma? Wordt met "geurregels in het omgevingsplan" hetzelfde bedoeld met het beoordelingskader? Voor milieubelastende activiteiten die aanzienlijke geuremissie veroorzaken willen we in het omgevingsplan regels gaan stellen aan de hoeveelheid geur die op een bepaalde plek wordt toegestaan. Door deze regels scherp te stellen willen we geurhinder terugdringen. Bij het opstellen van deze regels gaan we gebruik maken van bestaande beoordelingskaders voor geur, zoals de recente Handreiking Geur Industrie 2025 en de provinciale beleidsregel geur. Dit lokale geurbeleid willen we gaan opstellen als onderdeel van een omgevingsprogramma. De geurregels die uitvoering geven aan dit lokale geurbeleid worden opgenomen in het omgevingsplan en vormen inderdaad het “beoordelingskader” waaraan gerefereerd wordt in de ontwerp omgevingsvisie. 4.
Spuitzones (blz.81): waarom wordt niet gewoon de afstand van 50 meter als spuitzone benoemd? Hoe kun je "structurele aandacht" uitwerken en wat houdt het onderzoek naar regulering in (er zijn toch al talloze ervaringen in andere gemeenten en Deventer hoeft niet het wiel opnieuw uit te vinden?) Standaard hanteren we inderdaad een spuitzone van 50 meter. Dit is geen wetenschappelijk vastgelegde zoneafstand , maar een afstand die de Raad van State ‘niet onredelijk’ acht en als vuistregel gebruikt. Afwijken van deze afstand is mogelijk, mits goed onderbouwd. In de praktijk blijkt deze onderbouwing zeer lastig omdat er op dit moment geen geaccepteerd rekenmodel is om een kleinere afstand te motiveren. Om die reden wordt in beginsel vastgehouden aan een spuitzone van 50 meter. Gemeenten en sectoren pleiten al langer voor een meer gedifferentieerde benadering waarbij de afstand bijvoorbeeld afhankelijk is van het type gewas, de gebruikte middelen en lokale omstandigheden. Het ministerie van LVVN heeft het RIVM en de Universiteit Wageningen heeft daarom opdracht gegeven voor een wetenschappelijk onderzoek naar de noodzaak van deze afstand en de benodigde breedte van spuitzones voor een gezonde woon- en leefsituatie. De eerste uitkomsten van dit onderzoek worden in 2026 verwacht en kunnen leiden tot aanpassing, verfijning of bevestiging van de afstand van 50 meter.
De zin ‘Structurele aandacht voor dit onderwerp willen we verder uitwerken en voor de mogelijkheden voor regulering op dit punt’ is door alle bewerkingen ongelukkig geformuleerd. De juiste formulering is: ‘we hebben structurele aandacht voor het vraagstuk en de mogelijkheden voor regulering op dit punt’. Deze zullen we als ambtshalve wijziging verwerken in de definitieve omgevingsvisie.
5. Omgevingsveiligheid en geluid (blz.81 e.v.): wat is er ambitieus aan het uitvoeren van wettelijke verplichtingen? Of willen we een stapje extra, bijv. minder geluidgehinderden of minder risico's? Kan uitgelegd worden waar we ons als Deventer willen gaan onderscheiden qua milieuambities?
Onder de Omgevingswet is er een verschuiving gekomen in de benadering van externe veiligheid: van een focus op de kans op een incident naar een focus op de gevolgen van een incident door invoering van risicoaandachtsgebieden. Deze wijziging geeft gemeenten meer beleidsvrijheid maar ook meer verantwoordelijkheid. In de ontwerp omgevingsvisie geven we richting aan de invulling daarvan. Ten eerste door geen zeer kwetsbare gebouwen binnen aandachtsgebieden toe te staan. En daarnaast door aanvullende (bouw)voorwaarden op te nemen voor nieuwe woningen of kwetsbare functies in risicoaandachtsgebieden, zoals bouwdichtheid (aantal woningen), gebouwindeling, gebouworiëntatie, vluchtroutes, of explosieveilig glas. Voor geluid geldt een soortgelijke benadering. Bij hoge gevelbelastingen door geluid binnen geluidaandachtsgebieden bij wegen, spoor, en industrie willen we voor nieuwe en gewijzigde situaties bij wegen, spoor, (zware) industrie in het Omgevingsplan extra belang hechten aan de aanwezigheid van geluidluwe gevels, geluidluwe plekken, gebouwindeling of geluidwering van de gebouwschil. We doen dit door aanvullende voorwaarden op te nemen in het Omgevingsplan.
Ook willen we de regel opnemen dat nieuwe milieubelastende activiteiten in gebieden waar het relatief stil is (stille woonwijken, landelijk gebied, rivierenlandschap) relatief weinig geluid bij geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) mogen veroorzaken. Dit lokale beleid voor omgevingsveiligheid en geluid willen we gaan opstellen als onderdeel van een omgevingsprogramma. De regels die uitvoering geven aan dit beleid worden opgenomen in het omgevingsplan. 6. Straling (blz.84): Welk voorzorgadvies wordt er bedoeld? (bron), Welke limieten worden precies bedoeld? Kan inzicht worden gegeven in de status en werkingssfeer van Europese limieten voor elektromagnetische velden (zijn dit richtlijnen of harde normen?). Met voorzorgadvies wordt bedoeld het herijkte voorzorgbeleid uit 2023 waarmee het ministerie een advies uitvaardigt aan het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening (gemeenten, provincies en Rijk) en de netbeheerders voor elektriciteit over de vraag hoe om te gaan met de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden van netcomponenten (bovengrondse hoogspanningslijnen, hoogspanningsstations, ondergrondse kabels en transformatorhuisjes). Met betrekking tot de werkingssfeer van Europese blootstellingslimieten vermelden wij dat een internationale commissie blootstellingslimieten heeft opgesteld voor elektromagnetische velden.
Deze International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) beoordeelt hiervoor regelmatig de stand van de wetenschap op het gebied van elektromagnetische velden en gezondheid. Er zijn verschillende blootstellingslimieten voor elektromagnetische velden van verschillende frequenties. De limieten zijn gebaseerd op wetenschappelijk vastgestelde effecten die tijdens of kort na blootstelling kunnen optreden. De Europese Unie heeft alle lidstaten aanbevolen om de blootstellingslimieten van de ICNIRP na te leven ter bescherming van de bevolking. Deze limieten vormen harde normen.
7. Bij de milieu-aspecten mist lichthinder / aantasting van de natuurlijke duisternis. Is dit over het hoofd gezien? Welke ambities heeft Deventer op dit gebied? Het is een omissie dat over het aspect lichthinder niets is opgenomen. Voor dit aspect zijn geen wettelijke kaders vastgesteld. Wel hanteert de gemeente voor ruimtelijke ontwikkelingen waar lichthinder een item kan zijn al geruime tijd de publicatie Lichthinder 2020 van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Hierin zijn richtlijnen opgenomen voor het voorkomen
van lichthinder door lichtuitstraling, ook m.b.t. landelijke (duistere) gebieden. Ook vanuit jurisprudentie wordt deze richtlijn onderschreven. Het is wel goed mogelijk regels op te nemen in het Omgevingsplan ter voorkoming van lichthinder. Het college stelt voor om in de definitieve versie een paragraaf toe te voegen over behoud van duisternis in met name het rivierengebied en buitengebied, door middel van een “donker, tenzij-“ uitgangspunt. Dit uitgangspunt zal vooral inhouden dat bestaande duisternis als waarde dient te worden erkend en dat verlichting dient samen te hangen met noodzakelijke aspecten zoals veiligheid. Nadere uitwerking zal plaatsvinden in een omgevingsprogramma. Gebruik zal worden gemaakt van de genoemde publicatie Lichthinder 2020 van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). 8. Mobiliteit (blz, 68-74): Derde IJsselbrug wordt in verband gebracht met aansluiting op A1/50 en afwaardering van de Wilhelminabrug. De gevolgen worden positief geduid. Zijn de (negatieve) gevolgen van de verkeersaantrekkende werking (met meer verkeer in de stad) ook in beeld? In het algemeen heeft een derde brug aan de noordzijde positieve gevolgen voor de verkeersdruk in de stad Deventer. Uitsluitend in de nabijheid van de brug zal sprake zijn van een verkeerstoename. De negatieve gevolgen (ook buiten onze gemeentegrenzen) zijn ook in beeld.
9. Biodiversiteit (blz. 174): 75% streekeigen en autochtoon plantmateriaal. Waarom is 100% niet haalbaar? Groen in Deventer wordt ingericht op basis van de functie, het gebruik en de ruimtelijke context. Beplanting wordt afgestemd op de gebruikswaarde van de plek: van intensief gebruikte verblijfsplekken tot ecologische zones en klimaatbuffers. Daarbij wordt groen bewust ingezet als identiteitsdrager op stadsentrees (ringen en radialen), als sfeermaker in woonstraten en pleinen, en als versterker van de ruimtelijke kwaliteit in parken en landschappelijke structuren. Kleur, geur, textuur en seizoen beleving dragen bij aan de herkenbaarheid, aantrekkelijkheid én ecologische waarde van de openbare ruimte. Het fundament van dit beleid is dat er voornamelijk streekeigen plantmateriaal wordt toegepast, om lokale ecosystemen te herstellen en te versterken. Buiten de bebouwde kom is inheemse aanplant het uitgangspunt, evenals bij bos- en haagplantsoen binnen de bebouwde kom. Er zijn echter diverse aspecten die dit bemoeilijken, met name binnen de bebouwde kom: Er zijn praktische beperkingen, inheems materiaal is niet altijd praktisch geschikt. Het materiaal leent zich niet altijd goed voor bijvoorbeeld strooizoutbestendigheid, ruimtegebrek of intensieve betreding.
Daarnaast is inheems materiaal niet altijd de meest geschikte soort om hittestress tegen te gaan zoals bijvoorbeeld op hitte eilanden zoals de binnenstad.
10. Poort van Deventer (Bergweide 5, blz. 148). Hier wordt gesproken over innovatie en ruimte voor de hogere milieucategorieën. Wat betekent dit voor het bestaande initiatief voor een distributiecentrum achter de Mc Donalds? Of hoort dit volgens het college ook tot "Next Economy"? Het geldende Omgevingsplan voor de Poort van Deventer/ Bergweide 5 maakt in het zuidelijke deel de vestiging van een distributiecentrum mogelijk. Aanvragen die voor de wijziging van het omgevingsplan worden ingediend en hierin passend zijn kunnen niet worden verworpen op basis van alleen de Omgevingsvisie (deze bindt immers alleen de gemeente zelf). Ook in de economie van morgen zal logistiek en daarmee distributie nog een onmisbare schakel zijn en intrinsiek verbonden aan de hele economische keten. In het traject t.b.v. het ontwikkelperspectief voor
Poort zal moeten worden onderzocht en beoordeeld of deze branche richting de toekomst nog wenselijk is op specifieke plekken binnen Poort van Deventer. 11. RSCC Snippeling (blz. 130). Wat is er precies nieuw ten opzichte van de bestaande mogelijkheden (het is toch al bedoeld voor volumnieuze detailhandel en brancheverbreding?). Moeten de planologische mogelijkheden worden verruimd? Het Runshoppingcentre is specifiek bestemd voor ‘grootschalige volumineuze detailhandel”, winkels moeten zowel volumineuze goederen verkopen én aan een minimaal oppervlak voldoen. Hierbij wordt een limitatieve opsomming gegeven van detailhandel in de ‘in en rondom het huis’ sector. Deze bestemming is restrictiever dan een reguliere volumineuze detailhandelsbestemming. Ook geldt er nu nog een restrictie op het totale vierkante meters voor bruin en witgoed. Zoals aangegeven op p.131 ligt de grootste uitdaging – en daarmee focus – hier echter vooral op het verbeteren van het vastgoed en (de uitstraling van) de openbare ruimte samen met de pand- en grondeigenaren. Voor een verdere uitwerking van de opgaven en visie op het RSC verwijzen we naar de recent aangeboden Horeca en Detailhandelsvisie. 12.
In het voorzien dat er na de vaststelling van de Omgevingsvisie een OER te doen en hoe vaak? Bij actualisaties of herzieningen van een omgevingsvisie moet formeel opnieuw worden beoordeeld of een plan-MER (bij ons ingestoken als OER) procedure doorlopen moet worden. Dit volgt uit de Omgevingswet-structuur waarbij leidend is of het gewijzigde plan opnieuw een kader stelt voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten of mogelijk significante (Natura 2000-)effecten veroorzaakt. Indien dat zo is, is opnieuw een plan-MER vereist, tenzij wordt voldaan aan een plan mer-beoordelingsmarge voor kleine, lokale wijzigingen. Het is dus afhankelijk van de aard en omvang van de wijzigingen die met de actualisatie van de visie worden vastgelegd, of een planMER (OER) opnieuw noodzakelijk is.