2025-11-13 Beantwoording Technische vragen PvdA - omgevingsvisie deel 1
Tekst van het document
Technische vragen PvdA – Ontwerp Omgevingsvisie – deel 1 pagina
Subkop/onderwerp
Vraag
4
3. Visie op Deventer 2040
‘In 2100 wil Deventer klaar zijn voor het veranderde klimaat, met een sterk...’. -
Wat betekent dit? Dit is beschreven in paragraaf 3.4 Deventer in 2100.
-
Welke SMART doelstelling is hieraan verbonden? De strategische en tactische doelen die hieraan zijn verbonden zijn opgenomen in het klimaatadaptatieprogramma uit 2021 (KAP). Vooralsnog zijn deze geformuleerd voor de periode tot 2050. De strategische doelen zijn overgenomen in de omgevingsvisie (zie 2.4.2 Fijn wonen en samenleven, pag. 27 : De SMART geformuleerde tactische doelen uit het KAP zijn: Wateroverlast A1. Op basis van de resultaten van het onderzoek (van Tauw) naar wateroverlast worden de grootste problemen bij een bui T=10 aangepakt of accepteren we tijdelijke hinder door water op straat. A2. In 2050 stroomt nog maar de helft van het regenwater van de openbare ruimte via de riolering naar de RWZI. A3. In 2050 komt het regenwater van ongeveer 20% van de daken van bedrijven en particulieren niet meer in het gemengde riool. A4. Het is duidelijk hoe te handelen bij extreme wateroverlast. Hitte B1. In de bebouwde kom de luchttemperatuur verlagen (overdag en ’s nachts) en lokaal koele plekken creëren met een lagere gevoelstemperatuur.
B2. Voorkomen van hittestress wordt bij de herinrichting van openbare gebieden volwaardig meegenomen en particulieren worden gestimuleerd om hun kavel klimaatbestendig in te richten. B3. Het is belangrijk om tijdens een hittegolf de gezondheidsrisico’s van kwetsbare mensen te beperken. Het is duidelijk hoe te handelen tijdens een hittegolf (kwetsbare groepen en evenementen). Droogte C1. Droogteschade wordt zoveel mogelijk voorkomen door regenwater af te koppelen naar het groen en/of te infiltreren in de bodem. C2. In de openbare ruimte wordt rekening gehouden met klimaatbestendige soortenkeuze voor het groen, waarbij streekeigen beplanting de voorkeur heeft; C3. Voor de aanpak van droogte in het landelijk gebied trekken we gezamenlijk met andere gemeenten, waterschappen en provincie op in Rivus-verband. C4. Het is duidelijk hoe te handelen bij extreme droogte. Waterveiligheid D1. Waterveiligheid is primair een taak van partijen zoals het Rijk en waterschappen. Wij denken mee en volgen. D2. Bij ruimtelijke ingrepen ten behoeve van waterveiligheid mogelijkheden benutten voor verbetering van recreatie, biodiversiteit, natuurontwikkeling, economie, cultuurhistorie, enz.
6
5.10 Samenvatting
Wordt met landbouw ook veeteelt bedoeld? Ja, in de ontwerp omgevingsvisie omvat landbouw ook veeteelt.
7
6. Uitvoering en monitoring
‘De plannen helpen om Deventer groener, socialer en duurzamer te maken’ -
Welke SMART doestellingen zijn hieraan verbonden?
Deze zin is een algemene richting en ambities. De specifieke SMART doelstellingen voor vergroening, sociale ambities en verduurzaming, staan uitgewerkt in de paragrafen of worden nader uitgewerkt in actualisaties en omgevingsprogramma’s. 44-45
Mobiliteit
-
Wat zijn de SMART doelstellingen op gebied van 15-minutenstad en duurzame mobiliteit?
De 15-minutenstad houdt in dat de dagelijkse voorzieningen op korte loop,- fiets- en OVafstand bereikbaar zijn. In Deventer bereiken we dat door functies te mengen en het grootste gedeelte van de nieuwe woningen binnenstedelijk te realiseren (verdichten). Duurzame mobiliteit realiseren we door ons in te spannen op drie sporen: het verminderen van de noodzaak tot grote verkeersbewegingen (de 15minutenstadgedachte), het veranderen van de gekozen modaliteit naar gezonde vormen van mobiliteit (Modal shift en STOMP) en het verschonen van de voertuigen (zoals het plaatsen van laadpalen en het invoeren van een ZE-zone). Concreet dient dit te resulteren in een CO2-reductie van tenminste 55% in 2030 t.o.v. 1990. 49
WRS
-
Kan kort toelicht worden wat die verschillende doelgroepen typeert? ‘opstromende gezinnen, stadse topklasse, etc’
Antwoord Jongeren Jongeren hebben geen groot budget en zijn daardoor vaak op sociale huur en eventueel de middenhuur aangewezen. Voor velen is dit de eerste keer dat ze zelfstandig gaan wonen, voor een deel is het een vervolgstap is op ‘traditioneel’ kamerwonen. Ze wonen graag in een stedelijk woonmilieu. De nabijheid van het stadscentrum en de voorzieningen zijn essentieel. In elk geval in een levendige omgeving. Een klein deel van hen heeft voorkeur voor een dorps woonmilieu. Jongeren zijn bereid om kleiner te wonen. Appartementen met goede (eventueel deels gedeelde) voorzieningen izijn gewild.
Jonge toestromers Deze groep is jong en divers. Ongeveer 15-20% zoekt in de sociale huur. De andere groep is gericht op een vrij ‘regulier’ woonproduct. Het betreft instromers vanuit andere regio’s, waaronder de Randstad, die komen voor ruimte en meer waar voor hun geld. Deze groep is vooral gericht op een traditioneel grondgebonden product in de stad. Ongeveer 30% richt zich op een dorps woonmilieu. De groep in de sociale huur is gericht op appartementen. De groep in de koop is nagenoeg volledig op grondgebonden wonen. Sociale huurders (jong) Jonge sociale huurders bestaan vooral uit kleine huishoudens, de helft van hen zoekt naar een plek om een gezin te stichten. Ze hebben een klein budget en focussen zich op de sociale koop en de sociale huursector. Het grootste deel van de doelgroep richt zich op de stad. Er is geen uitgesproken voorkeur voor één van de stedelijke woonmilieus. Een kleiner deel richt zich op de dorpen. Ongeveer 67% van hen zoekt een appartement en 33% een grondgebonden woning. Stedelijke pioniers Dit zijn jongeren, die vaak uit studentenregio’s komen. Het zijn jonge mensen met hun eerste baan en hebben zodoende enig budget. Zij zijn te verleiden met unieke mogelijkheden om te ondernemen of bij nieuwe ondernemers te werken. De vraag van de stedelijke pioniers richt zich op de stad. De nabijheid van het centrum en de voorzieningen is essentieel.
In elk geval in een levendige omgeving, bijvoorbeeld herontwikkelingslocaties, broedplaatsen, campuslocaties. Stedelijke pioniers zijn bereid om kleiner te wonen. Gestapeld met goede (gedeelde) voorzieningen zijn gewild.
Opstromende gezinnen Opstromende gezinnen zijn huishoudens die vaak al een eerste koophuis hebben. Hun inkomens liggen op of boven modaal. Zij willen een volgende stap op de woningmarkt maken, een grotere woning met voldoende ruimte voor een gezin. Vaak wonen opstromende gezinnen al in de regio, maar steeds vaker gaat het ook om gezinnen uit de Randstad. Van oudsher richt hun vraag zich op de uitbreidingswijken, maar daarnaast heeft een groot deel van hen het oog op meer stedelijke wijken. De ontwikkelgebieden rondom het centrum bieden daarom speciale kansen. Daarnaast is er behoefte aan dorps wonen of een ‘stadse’ variant daarop. Opstromende gezinnen zijn op zoek naar een grondgebonden woning. Vrijwel uitsluitend (middel)dure koopwoningen. Stedelingen Deze groep is bij uitstek gericht op de stad. Het zijn kleine huishoudens met een bovenmodaal inkomen. Het betreft brede leeftijdsklasse van 35-plussers. Vaak zijn kinderen het huis uit of waren er nooit kinderen in het spel. Deze groep is erg gericht op het levendig wonen en maakt ook echt gebruik van de voorzieningen in het centrum. Ze willen op loop- of fietsafstand daarvan wonen en houden van authentieke omgevingen gericht op ontmoeting. Ongeveer een kwart van hen zoekt de reuring van een dorpscentrum. Het merendeel van de stedelingen is op zoek naar een appartement op een A-locatie.
Hier willen en kunnen ze best voor betalen. Om en nabij een derde van de doelgroep is op zoek naar een grondgebonden woning. Stadse topklasse
Dit zijn wat oudere (50-plus) en kleinere huishoudens met een zeer ruim budget. Zij zijn gericht op privacy en luxe. Deze doelgroep is gericht op status en allure. Dit kan meerdere vormen aannemen. Centrum stedelijk wonen is mogelijk in combinatie met zeer hoogwaardige appartementen, maar vaker is een ruimer opgezet woongebied gewenst. Daar zoeken zij grondgebonden vrijstaande woningen. Als tussenvormen zijn ook ‘specials’ denkbaar zoals gestapeld en zeer hoogwaardig aan de rand van de stad, of herenhuizen op herontwikkellocaties. Ruim en groen De doelgroep Ruim en groen is deels een wat oudere doelgroep gericht op de rust en ruimte buiten de stad en deels een gezinsdoelgroep. Beide groepen hebben een bovengemiddeld budget. Het gewenste woonmilieu is de bindende factor binnen deze doelgroep. Ze willen ruim(te) en groen. Dit betekent gecombineerd met het budget: een product buiten de stad. Verder van de voorzieningen af zitten is voor hen geen probleem. De vraag van deze groep richt zich op grondgebonden of soms een vrij kavel.
Dorpse senioren Deze groep is vaak met pensioen of bijna met pensioen. Zij richten zich op een nieuwe woning met alle gemakken met oog op de toekomst. Deze groep is op zichzelf gesteld en gericht op rust in de directe omgeving. Ze hebben een (boven)modaal inkomen en wonen nu in een koopwoning.
De dorpse senior is op zoek naar rust in een dorp of in een rustig woonmilieu in de stad. Zij zijn vaak op zoek naar een comfortabele woning, zoals parkappartementen aan de rand van de stad of een grondgebonden woning. Het is een doorstroomstap maar wel met behoud van leefruimte en kwaliteit. Oudere sociale huurders Oudere sociale huurders zijn voornamelijk kleine huishoudens. Vaak ook met (toekomstige) zorgvraag. Zij hebben een klein budget en hun vraag richt zich op sociale huur. Zij zoeken naar een omgeving met een hoog voorzieningenniveau, dat maakt dat (kleine) dorpen minder geschikt zijn, maar de centrumdorpen zijn wel in beeld. Nabijheid van supermarkt, medische voorzieningen zijn essentieel voor hen. Oudere sociale huurders zijn vaak op zoek naar levensloopbestendige woningen. Ongeveer 75% kiest een appartement. De overige 25% richt zich op kleine grondgebonden woningen. Een uitgebreidere beschrijving van de doelgroepen staat in bijlage I “Doelgroeppaspoorten” van het rapport "Groei en Ambitie, woningmarktonderzoek Deventer” (KAW, 2021).
50
Conclusie WRS
‘Bergweide 3 en Stadsland zijn locaties die vanwege..... op de lange termijn’. Ik heb de indruk dat in deze zin een ‘niet’ mist. Ten minste ik interpreteer de rest van dit hoofdstuk als dat er op korte en middenlange termijn geen ontwikkelkansen zijn in dit gebied. Klopt dit? Deze zin is inderdaad niet goed geformuleerd. Dit wordt ambtshalve hersteld in de definitieve omgevingsvisie. Bedoeld wordt dat er voor ontwikkeling op korte en middellange termijn geen kansen worden gezien, maar mogelijk voor de lange termijn (na 2035).
De huidige tekst luidt: “Bergweide 3 en Stadsland zijn locaties die vanwege onzekerheden niet aan de orde zijn voor de korte of middellange termijn (reservering ruimte voor de bypass, ontwikkelingen rond bescherming hoge milieucategorieën). Deze locaties zijn aan de orde voor uitwerking van woningbouw op de lange termijn.” Tekst wordt vervangen door: “Bergweide 3 en Stadsland zijn locaties die vanwege onzekerheden op de korte en middellange termijn (reservering ruimte voor de bypass, ontwikkelingen rond bescherming hoge milieucategorieën) aan de orde zijn voor verdere uitwerking van woningbouw op de lange termijn.”
51
Deventer 2100
Zijn er concrete doelstellingen voor 2100 geformuleerd? (verderop staat in 2050 klimaatneutraal) Antwoord: Nee, daarvoor is 2100 te ver weg en alles wat er nog kan gebeuren te onzeker.
54
Fijn wonen en samenleven
Is er inzichtelijk in welke wijk welk type woning gebouwd moet worden, om deze wijk/gebied een gespreid en divers woningaanbod te maken? Antwoord Op wijkniveau is inzichtelijk hoe de woningvoorraad is opgebouwd naar type, prijs en kwaliteit. Om het woningaanbod in de wijk diverser te maken, streven we ernaar om door nieuwbouw woningen te realiseren die een aanvulling zijn op die bestaande woningvoorraad. Om een betere balans te creëren wordt ook de sociale wijkopbouw betrokken bij de exacte invulling van het programma in concrete planvorming.
55
Duurzame woningvoorraad
‘bij nieuw- en verbouw willen we zoveel mogelijk toewerken naar woningen die integraal duurzaam zijn.’
-
Wat is integraal duurzaam? En is deze ambitie te kwantificeren in een doelstelling?
Antwoord De duurzaamheidsopgave is voor Deventer een belangrijke integrale opgave voor de komende decennia. Integraal duurzaam wil zeggen dat we serieuze stappen willen zetten om te komen tot een duurzame woningvoorraad, een zuinige en duurzaam opgewekte energievoorziening, een circulaire economie en een duurzame en klimaatbestendige leefomgeving waarbij de ecologische kernkwaliteiten geborgd zijn, en die ingericht is tegen wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen. Deze ambitie is niet te kwantificeren in een doelstelling. Per project wordt invulling gegeven aan de ambities vanuit de verschillende duurzaamheidsaspecten. Denk aan natuur inclusief bouwen, biobased bouwen.
55
-
-
Op basis van welk onderzoek kan worden gesteld dat gezinnen waarvan de kinderen het huis uit zijn, binnen de eigen buurt zouden willen verhuizen van een eengezinswoning naar een appartement? Over welke leeftijdsgroep spreken we hier dan specifiek? + Spreken we hierbij over huur of koop?
Antwoord Landelijk wordt er periodiek een uitgebreid woonwensenonderzoek uitgevoerd; het WoON(WoonOnderzoekNederland). Daaruit komt naar voren dat een groot deel van de senioren vanuit een eengezinswoning naar een appartement wil verhuizen. Uit diverse onderzoeken, bijvoorbeeld “Woonprofielen van senioren” (Platform31, 2020), komt naar
voren dat veel senioren bij voorkeur in hun eigen wijk verhuizen. Vooral om hun sociale netwerk te behouden. Het gaat om de groep senioren vanaf 55 jaar. Hun interesse gaat zowel uit naar koop- als naar huurwoningen. Bij het stijgen van hun leeftijd verschuift belangstelling meer naar huurappartementen. In het participatietraject voorafgaand aan de ontwerp omgevingsvisie is onder andere gesproken met inwoners en maatschappelijke organisaties die de belangen van ouderen vertegenwoordigen. Het beeld dat wordt geschetst uit de landelijke onderzoeken wordt bevestigd in de gesprekken uit het participatietraject. Onder andere de zorg dat ouderen graag willen verhuizen binnen de eigen wijk of binnen het eigen dorp, maar geen geschikte woning kunnen vinden werd veel gehoord. In de meeste gevallen zal het gaan om huishoudens in de leeftijd vanaf 55 jaar. Ouderen zijn niet te kwantificeren als één homogene doelgroep (zie ook doelgroeppaspoorten KAW, 2021) en is de behoefte verschillend ten aanzien van locatie, type woning en prijscategorie.
55
Doelgroepen
-
Wat betekent ‘we zetten in op passende huisvesting voor deze groep’? Wat betekent ‘we dragen zorg voor voldoende ruimte en mogelijkheden voor wonen voor speciale groepen’ concreet?
Antwoord We bereiken een evenwichtig en gevarieerd woningbouwprogramma met voldoende betaalbare woningen, waarvan we vastleggen/koersen/streven naar 30% van de nieuwbouw ouderengeschikt. Ouderengeschikt betekent in de praktijk: nultreden en geclusterde woningen.
Bestaande voorraad: we zetten in op doorstroming door het toevoegen van levensloopbestendige woningen waardoor ouderen zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen. Bepaalde doelgroepen hebben een specifieke huisvestingsvraag. Hier gaat het om bijvoorbeeld arbeidsmigranten, woonwagenbewoners of groepen met een specifieke zorgvraag. In onze samenleving is er plek voor iedereen. We houden in onze programmering ook rekening met de behoeften van deze speciale doelgroepen. Zo doen we haalbaarheidsonderzoek naar Skaeve Huse. Voor woonwagenstandplaatsen zetten we in op een gestage uitbreiding van de voorraad door bij grotere gebiedsontwikkelingen ruimte te reserveren voor woonwagenstandplaatsen.
56
Dragers van ruimte
‘In plaats van de omgeving aan te passen aan menselijk.... water- bodemsysteem’ -
Hoe gaan we dit realiseren? Bij de locatiekeuze van functies houden we rekening met het water- en bodemsysteem van nu en in de toekomst (invloed van klimaatverandering). We kiezen bij voorkeur voor functies op plekken waarvoor we het water- en bodemsysteem niet of zo min mogelijk aan hoeven te passen en we ruimte houden voor eventuele aanpassingen die nodig zijn in de toekomst (veerkracht/flexibiliteit). We sluiten hiermee aan bij het landelijke en provinciale beleid op dit gebied (bodem- en water sturend). We hebben dit beleid de afgelopen jaren ook al toegepast. Zo zijn bij de zoekgebieden voor woningbouwlocaties in Bathmen de laaggelegen zoekgebieden in het beekdal komen te vervallen. In de ontwerp omgevingsvisie is de locatie Vijfhoek Zuid-Oost niet als beoogde woningbouwlocatie opgenomen mede omdat dit in een nat en laaggelegen
-
57
GBHS
gebied ligt. In Wechelerhoek vindt de concentratie van nieuwe woningen plaats op de hogere delen en wordt de zone langs de Zandwetering vrijgehouden. Dat Iis vanwege een integrale afweging de locatie niet optimaal vanuit het wateren bodemsysteem, dan ontwikkelen we de locatie klimaatadaptief. Dit is overigens op de hogere delen ook nodig, maar vraagt daar over het algemeen minder inspanning. Wat is de concrete doelstelling hier? De doelstelling is om ruimtelijke inrichting af te stemmen op de natuurlijke omstandigheden van water en bodem om Deventer toekomstbestendig en leefbaar te maken en te houden. Dit moet leiden tot meer veerkracht tegen extreem weer, zoals droogte en wateroverlast, en een duurzaam en gezond systeem voor de lange termijn, door natuurlijke processen niet langer te negeren maar juist te benutten.
Er wordt vaker gesproken over een ‘robuust’ systeem. -
Wat wordt bedoeld met robuust?
Met robuuste Groen Blauwe Hoofdstructuur doelen we op een structuur bestaande uit groene en natte zones, zoals natuurgebieden, bossen, parken groenverbindingen in de stad, de dorpen en het buitengebied, maar ook belangrijke blauwe structuren zoals de IJssel, de weteringen en de beken. Hierbij is zowel de kwaliteit als de kwantiteit van belang. Deze structuur is noodzakelijk voor een gezonde leefomgeving voor mens en dier. Ze vertegenwoordigen belangrijke cultuurhistorische, ecologische, landschappelijk, recreatieve waarden en klimaatopgaven. 58
GBHS
‘het versterken van ecologische structuren doen we ... zowel kwalitatief als kwantiteit’. (laatste zin eerste alinea) -
Ik begrijp eigenlijk niet wat hier staat, kan dit worden uitgelegd?
Het is belangrijk dat we ecologische structuren die er zijn te versterken, bijvoorbeeld door de juiste soortkeuze op de juiste plek, maar ook door deze structuren groter te maken daar waar mogelijk (bijvoorbeeld meer bomen of heggen in bepaalde lanen, om ecologische verbindingen te leggen tussen natuurgebieden.
58
Soortenbescherming
‘het gebruik van bestrijdingsmiddelen langs watergangen en natuurgebieden voorkomen we zoveel mogelijk? -
Wat betekent dit concreet? Wat is de SMART doelstelling om dit te laten afnemen? En met we suggereert dat we dit als gemeente doen, wijst de we naar de gemeente of de grondeigenaren?
Voor percelen die in eigendom van de gemeente zijn en verpacht worden aan derden geldt het volgende: gebruik glyfosaat niet meer toegestaan. Op gronden van derden hebben we de wens om het gebruik te minderen/ te stoppen, maar zijn we afhankelijk van de medewerking van de grondeigenaar. 58
Robuust watersysteem
Wat betekent ‘we onderzoeken of hemelwater herbruikt kan worden’ Technisch is het mogelijk om een tweede watersysteem in de woning aan te leggen voor hergebruik van hemelwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling en de wasmachine. Het onderzoek richt zich daarom op de volgende vragen: -
-
Welke ontwikkelingen vinden er landelijk plaats op dit gebied? Er is een lobby gaande om de verplichting landelijk op te nemen in het Bbl. Dit naar voorbeeld van Vlaanderen, waar deze verplichten al jaren geld. Wat zijn de voor- en nadelen (technisch, juridisch)? Willen we dit in Deventer toe gaan passen en zo ja, op welke schaal? Hoe kunnen we dit in nieuwbouwprojecten meenemen, wat moeten we hiervoor regelen?
- Kunnen we dit verplicht stellen bij nieuwbouw? Als gemeente kunnen we op dit moment in het omgevingsplan een verplichting opnemen voor hergebruik van hemelwater. Bij woningen mag regenwater wettelijke worden gebruikt voor het doorspoelen van toiletten, wassen van kleding en het gebruik van buitenkranen. Bij andere gebouwen, zoals bedrijven, mag regenwater worden gebruikt voor toiletspoeling en irrigatie. Onder het demissionair kabinet liep het STOER-traject, waarbij ook gekeken werd naar een verbod voor gemeenten om extra regels bovenop het Bbl op te leggen. De vraag is hoe het nieuwe kabinet dit traject voortzet en of in de toekomst de verplichting in het Bbl wordt opgenomen of dat we dit als gemeente nog lokaal mogen verplichten.
59
Ruimte voor de rivier
‘Het rijk zal de waterveiligheidsopgave mogelijk ... een invulling met groenblauwe functies’. -
Past het Rijk haar keuze voor de bypass aan op onze (niet besloten) woningplannen of passen wij/de regio de plannen aan op die van het Rijk? Wat is eerst?
Het Rijk maakt in hun programma Ruimte voor de Rivier 2.0 duidelijk welke ruimtelijke reservering binnendijks nodig is voor een mogelijke realisatie van een Bypass voor de IJssel. Wanneer de realisatie van de Bypass plaatsvindt is nog onduidelijk. Het rijk is hierbij leidend. 62
Evenementenbeleid
Laatste zin. -
Zijn (de zoektocht/verkenning van) nieuwe evenementenlocaties onderdeel van het nieuwe evenementenbeleid? (er staat kan..) Wordt het evenementen beleid een programma binnen de omgevingsvisie?
De verkenning van mogelijke nieuwe evenementenlocaties maken geen deel uit van het nieuwe evenementenbeleid; deze verkenning wordt na behandeling van het herijkte evenementenbeleid uitgevoerd. Hiervoor wordt een voorstel gedaan in het bijbehorende uitvoeringsprogramma. 66
Deventer Circulair
‘In 2040 zijn we op weg richting 100% circulair’ -
Wat is de concrete doelstelling voor 100% circulair of voor 2040?
Deventer heeft 100% circulair in 2050 als doel vastgesteld in het Uitvoeringsprogramma Deventer Circulair (en 50% in 2030). Deventer volgt daarmee de landelijke doelen. Voor 2040 zijn geen concrete doelen gesteld. 69
Mobiliteit
‘waar mogelijk verlagen we de maximum snelheid’. -
Ik lees nergens onder welke omstandigheden dit mogelijk is. Kan dit worden toegelicht? Wat is de concrete doestellingen rondom mobiliteit (groen/veilig/vermindering/verandering/verschonen)?
Conform de richtinggevende uitspraak die uw raad gedaan heeft in februari van dit jaar bij het vaststellen van de basisvoorkeursvariant, bundelen we het verkeer op een aantal hoofdwegen en verlagen we de maximumsnelheid als de weg voldoet aan de richtlijnen die het CROW heeft gesteld aan een GOW30. Sommige wegen kunnen relatief gemakkelijk omgevormd worden. Andere wegen, zoals de Hoge Hondstraat, vragen herinrichting. Dit verkleint het snelheidsverschil tussen fiets, voetganger en auto en verbetert de oversteekbaarheid. Er ontstaat meer ruimte voor andere bestemmingen dan verkeer, zoals groen, water, spelen en ontmoeten. 71
Port of Deventer
-
Wat is de North Sea baltic Corridor? Wat is het Europese logistieke TEN-T netwerk? Wat zijn HMC-industrieën?
(en kan die uitleg in een voetnoot worden toegevoegd?)
-
De North Sea-Baltic Corridor is een van de belangrijkste Europese transportassen die de Noordzeehavens van België, Nederland en Duitsland middels een netwerk van spoorwegen, snelwegen, luchthavens, zeehavens, binnenwateren en overslagpunten via Polen verbindt met de Baltische staten en Oekraïne. Cruciaal voor zowel persoons- als goederenvervoer tussen oost- en west Europa. Deventer heeft door haar ligging en multimodale ontsluiting een strategische positie in dit netwerk.
-
TEN-T staat voor het Trans-European Transport Network: een grootschalig Europees infrastructuurnetwerk dat wegen, spoorlijnen, waterwegen, havens en luchthavens met elkaar verbindt om vervoer binnen de EU sneller, efficiënter en duurzamer te maken. Bovengenoemde North Sea-Baltic Corridor is een onderdeel van dit netwerk.
-
HMC staat voor ‘hoge milieu categorieën’. Dit is niet gekoppeld aan een specifieke branche (bedrijfssector), maar aan de milieubelasting c.q.-impact (zonering). Er is (nog) geen landelijke consensus over wanneer er sprake is van HMC. In algemene zin gaat het hier om bedrijven die niet in nabijheid van gevoelige functies (zoals wonen) kunnen staan vanwege geluid, geur of veiligheidsrisico’s. Denk hier aan maak- en productiebedrijven, chemische processen, verwerking van grondstoffen en/of gevaarlijke materialen (zo ook recycling), transportbedrijven e.d. In de programmeringsafspraken van de Regio Stedendriehoek (RPW) worden bedrijventerreinen (kavels) vanaf cat. 4.1., zoals vastgesteld in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', als definitie gehanteerd. De provincie Overijssel zet scherper in en definieert HMC in haar Omgevingsvisie als bedrijfskavels vanaf cat. 3, mede “omdat dit type bedrijventerrein nodig is voor ruimte voor circulaire economie en energietransitie.” De provincie bereidt hiertoe momenteel een Omgevingsverordening (instructieregels) voor.
Deze definities kunnen als ambtshalve wijziging worden toegevoegd (mogelijk beknopter dan hierboven uiteengezet).
73
Zes dimensies positieve gezondheid
-
Wat zijn doelstellingen op deze dimensies?
In het ontwerp omgevingsvisie van de gemeente Deventer gaan we uit van de zes dimensies van Positieve Gezondheid. Deze benadering benadrukt een brede kijk op gezondheid, waarbij niet alleen de afwezigheid van ziekte centraal staat, maar ook aspecten zoals mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, sociale participatie en dagelijks functioneren. Binnen de gemeente Deventer is het gedachtegoed van Positieve Gezondheid geïntegreerd in het beleid van het sociaal domein. Een van de kernopgaven daarbij is het versterken van de sociale basis. Dit houdt in dat we: -
-
Ruimte creëren voor inwoners om elkaar laagdrempelig te ontmoeten, zich te ontwikkelen, te ontspannen en elkaar te ondersteunen. Zorgen voor toegankelijke ondersteuningsvormen, zoals zelfregie- en zelfhulpgroepen, en voorzieningen aanbieden zonder indicatie. De uitgangspunten van positieve gezondheid die zijn opgenomen in het ontwerp omgevingsvisie, vragen om verdere integrale uitwerking. Hoe gaan we dat meten? We monitoren de zes dimensies van positieve gezondheid in de monitor toekomst bestendige wijken: Buurtkijker | De Staat van Deventer De gemeenteraad wordt hierover geïnformeerd; de afstemming hierover is momenteel in voorbereiding.
75
Maatschappelijke voorzieningen
-
Wordt het beleidskader ‘goede voorzieningen in de buurt’ omgezet in een omgevingsprogramma?
De beleidsuitgangspunten vanuit het beleidskader ‘goede voorzieningen in de buurt’ zijn opgenomen in de omgevingsvisie. Een omgevingsprogramma (maatschappelijke) voorzieningen is een logisch instrument om te ontwikkelingen. Dat is wel breder dan het beleidskader ‘goede voorzieningen in de buurt'. Deze richt zich namelijk alleen op buurthuizen, dorpshuizen en speeltuinverenigingen. De uitgangspunten, van de ruimtelijke kant van het beleidskader, zullen dan zeker opgenomen worden in het omgevingsprogramma
MV
-
Wat is een passend of voldoende voorzieningenniveau?
Dit betreft meerdere aspecten. Passende/voldoende voorzieningen bij de behoefte van inwoners, passende/voldoende bij de behoefte van partnerorganisaties, passend binnen de financiële kaders en voldoende voorzieningen volgens streefnormen/richtlijnen/wettelijke kaders. Bijvoorbeeld onderwijs is een wettelijke verplichting dus hebben wij voldoende onderwijsplekken? Bij sport kijken we of er voldoende of te weinig sportruimte is, volgens input van het sportbedrijf en richtlijnen van bijvoorbeeld de sportbond. Maar wat is passend? Dat ligt aan de bewoners en de verenigingen. Voetbal, hockey of andere sport.