CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-11-13 Beantwoording Technische vragen Deventer Belang - Ontwerp Omgevingsvisie

Raadsvergadering 17 december 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvisie + Omgevingseffectrapportage (OER)5.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen Deventer Belang – Ontwerp Omgevingsvisie 2040 Hieronder enkele (eerste) vragen over de ontwerp omgevingsvisie namens de fractie van Deventer Belang. Deze technische vragen zijn ambtelijk beantwoord. Vragen aan het college die ambtelijk beantwoord konden worden, zijn beantwoord. Binnenstad & Rivierengebied De visie stuurt op een levendige binnenstad waar meer gewoond wordt, met ruimte voor cultuur, ontmoeting en kleinschalige bedrijvigheid. De IJsselzone vormt het natuurlijke visitekaartje van Deventer, met nadruk op toerisme, waterveiligheid en vergroening. Vragen: 1. Waar in de ontwerpvisie voorziet het college oplossingen voor toenemende verkeer- en parkeerproblemen in de binnenstad? In de ontwerpvisie worden integrale doelstellingen vastgelegd, zoals het principe van het verbeteren van de leefkwaliteit. Tegelijkertijd worden uitspraken gedaan over het op peil houden van de bereikbaarheid. De uitwerking van deze integrale uitspraken vindt plaats in omgevingsprogramma’s. Daarnaast is het opstellen van een nota parkeerbeleid gaande, waarin een richtinggevende uitspraak van de raad over parkeerbeleid is voorzien.

Inhoudelijk is – ook reeds in recente raadsbesluiten zoals die over de hoofdwegenstructuur en het mobiliteitsplan binnenstad en periferie – in de uitwerking van belang, dat gezocht wordt naar maatregelen die een zogenaamde ‘win-win’ vormen voor beide vraagstukken, dus zowel de leefkwaliteit verbeteren als de bereikbaarheid dienen. Een goed voorbeeld hiervan is het inzetten op integrale bereikbaarheid, dus niet alleen privé auto maar met name bij woonwerk bewegingen stimuleren van fiets en OV. 2. Voorziet de ontwerpomgevingsvisie in oplossingen zoals randparkeren en transferia om bewoners en ondernemers bereikbaar te laten blijven? Zoals onder 1 hierboven genoemd, gaat de ontwerp omgevingsvisie uit van een bredere interpretatie van bereikbaarheid, dus het betrekken van alternatieven voor de privé auto en het toevoegen van innovatieve beleidsconcepten zoals mobiliteitshubs. Het tussenproduct mobiliteitsplan binnenstad en periferie, dat door uw raad is vastgesteld, bevat reeds concrete locaties voor een tweetal hubs en drie zoeklocaties om vanuit alle delen van de binnenstad een mobiliteitshub op redelijke afstand te realiseren. Specifiek voor ondernemers is aangegeven dat de kracht van Deventer ligt in haar economisch en recreatief aantrekkelijke (binnen)stad.

Bij het uitwerken en inkaderen van maatregelen geldt daarmee het liefst verbeteren en in ieder geval niet verminderen van bereikbaarheid voor bezoekers en bevoorrading en andere logistieke bewegingen die voor goed functioneren van de lokale economie van belang zijn. 3. Blijft in de toekomst de IJsselzone openbaar toegankelijk volgens de ontwerp omgevingsvisie, zodat inwoners gebruik kunnen blijven maken van dit gebied?

Ja het gebied van de IJssel en de uiterwaarden in de directe nabijheid van de stad, is een belangrijk gebied om te recreëren. De doelen vanuit het Natura 2000 gebied maken het wel nodig om een recreatieve zonering te hebben met meer en minder toegankelijke gebieden. Woonwijken & Verdichting De visie stuurt op het toevoegen van circa 11.500 woningen tot 2040, vooral binnen de bestaande stad. Verdichting, gemengd gebruik en verduurzaaming zijn sleutelwoorden. Vragen 1. Hoe wordt de betaalbaarheid van woningen voor starters en ouderen gegarandeerd in de ontwerp omgevingsvisie? Bij nieuwbouw van woningen sturen we op betaalbaarheid van het aanbod. In de omgevingsvisie is opgenomen dat we staan voor een evenwichtig en gevarieerd woningaanbod waarbij uitgegaan wordt van het 30-40-30 principe (30% sociale huur, 40% middelduur (betaalbare koop en middenhuur) en 30% vrije sector (koop en huur). Daarnaast is opgenomen dat 30% van de nieuwe woningen ouderengeschikt moet zijn. Doorvertaling naar de uitvoering gebeurt in concrete plannen, waarbij de programmering wordt vastgelegd in anterieure overeenkomsten en/of in het omgevingsplan. Daarnaast zal via het volkshuisvestingsprogramma worden gekeken naar een passend instrumentarium om bij te dragen aan de betaalbaarheid van woningen. 2.

Wat is het plan als woningbouw volgens de visie stagneert door (landelijke) ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld stikstof, archelogie, energie etc.? In een vroegtijdig stadium wordt een nieuw initiatief getoetst aan de hierboven genoemde thema's. Daardoor kan de haalbaarheid van een plan goed ingeschat worden en welke mogelijkheden er liggen om tot een goede oplossing te komen. Daarnaast wordt in onze groeiambitie rekening gehouden met 30% planuitval (wat dus ook betekent dat je strategisch overprogrammeert om die uitval vanuit noodzakelijke bouwcontinuïteit op te vangen), zodat er bij stagnatie ook voldoende andere plannen zijn om de woningbouwproductie te continueren. 3. Op welke wijze wordt gemeten of het woningbouwprogramma op schema ligt, en wat gebeurt bij achterstand? En komt deze informatie beschikbaar via een openbaar dashboard met duidelijke KPI’s? Deze informatie is beschikbaar via een dashboard dat door de samenwerkende partners van Platform Wonen Deventer (PWD) wordt beheerd: Planning woningbouw projecten. Dit is een openbaar dashboard die periodiek wordt geactualiseerd en besproken wordt besproken met de ontwikkelende partijen uit het PWD. 4.

Op welke wijze wordt type en aanbod aan woningen uitgelijnd op de vraag van (nieuwe) inwoners? Hoe wordt voorkomen dan we op kwantiteit in plaats van kwaliteit inzetten? Leidend voor ons woningbouwprogramma zijn de uitkomsten van het woningbehoefte onderzoek "Groei en Ambitie, woningmarktonderzoek Deventer” (KAW, 2021). Daaruit

komt een gewenst woningbouwprogramma. Hieraan spiegelen we de woningbouwplannen en sturen we bij indien gewenst.

5. Waarom kiezen we voor een ambitie van autonome groei en groei daarboven op? Kan dat onderbouwd worden? Groei is geen doel op zich, maar een middel om binnen de regio een sterk eigen profiel te houden en onze brede welvaart minimaal vast te houden, maar liever nog te versterken. Bij een groeiopgave met circa 13.000 woningen in de periode van 2021 tot 2040 (waarvan er inmiddels 1.500 zijn gerealiseerd in de periode 2021-2024) is het mogelijk om onze gemeente door te ontwikkelen en sociaaleconomisch vitaler te maken en verder te bouwen aan brede welvaart. Dorpen & Leefbaarheid De visie geeft aan dat de dorpen hun identiteit behouden. Groei is beperkt en gericht op lokale behoefte. Leefbaarheid, voorzieningen en bereikbaarheid zijn speerpunten. Vragen: 1. Op welke wijze worden dorpen betrokken bij hun eigen gebiedsagenda’s en mogen zij bepalen welke groei past? In de praktijk zien we dat dorpen zelf initiatief nemen bij bijvoorbeeld het opstellen van dorpsplannen/ dorpsvisies. Een onderdeel kan zijn de eventuele groeiwens van een dorp. Vervolgens wordt dit met de gemeente afgestemd. Een goed voorbeeld is Bathmen. Dit dorp heeft een aantal jaren duidelijk voor een groeiambitie gekozen. Ook Lettele heeft in haar dorpsvisie gekozen voor een groeiambitie, passend bij de schaal en maat van het dorp.

Of we als gemeente (volledig) mee kunnen gaan in een eventuele groeibehoefte van een dorp is onderdeel van gesprek en afhankelijk van meerdere facetten. Denk daarbij aan het al aanwezige voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en de lokale en stedelijke woningbehoefte etc.

2. Op welke wijze garandeert het college het behoud van basisvoorzieningen zoals winkels, scholen en openbaar vervoer? Het college spant zich in voor het behoud van de basisvoorzieningen in onze dorpen. Zo kan groei kansen bieden om de vitaliteit in dorpen en het platteland te behouden. Garanties kan het college niet geven. Voor het behoud van winkels geldt dat we zorgvuldig omgaan met het behoud van winkelruimtes door terughoudend te zijn met transformatie (naar bijvoorbeeld wonen). Helemaal beschermen en voorkomen dat de genoemde functies verdwijnen kan het college helaas niet. Winkels hebben een commercieel karakter en het is aan ondernemers om te beslissen of zij een winkel openen of in stand houden of niet. De bevoegdheid om over te gaan tot sluiting van een school ligt bij onderwijs en niet bij een gemeente. Voor wat betreft het openbaar vervoer: de provincie verzorgt de concessies en niet de gemeente. Om deze redenen kan het college niet verplichten dat deze functies koste wat het kost blijven bestaan. Wel zet het college zich in voor behoud van deze voorzieningen door waar mogelijk te faciliteren. We zetten in op een systeemwijziging richting collectief vervoer met als doel verbetering van de bereikbaarheid met openbaar vervoer

3. Hoe wordt de verkeersveiligheid in en rondom dorpen verbeterd bij groei?

Bij groei door bijvoorbeeld woningbouw, is dit een integraal onderdeel van de planvorming. Verkeersaspecten, waaronder verkeersveiligheid, zijn een belangrijk thema bij gebiedsontwikkelingen. Zo kijken we naar de bestaande wegenstructuur en het draagvermogen ervan en welke verkeersmaatregelen (zoals herinrichting van wegen) noodzakelijk zijn voor een zo optimaal mogelijke verkeerssituatie. Hierin zoeken wij ook de samenwerking met bewoners waarbij we zorgvuldig kijken naar de ervaringen en input vanuit de dorpen.

4. Op welke wijze wordt ‘noaberschap’ en sociale cohesie versterkt in dorpen met toenemende vergrijzing? Dit zien we vooral als een samenspel tussen de lokale gemeenschap en de gemeente. Lokale initiatieven om noaberschap en sociale cohesie te versterken, zijn hierbij van essentieel belang. Als gemeente faciliteren we waar mogelijk deze initiatieven. Het college is van mening dat met de juiste fysieke en sociale infrastructuur de randvoorwaarden worden gecreëerd om noaberschap en sociale cohesie in onze dorpen te versterken, ook met het oog op de toenemende vergrijzing. Voorbeelden hiervan zijn: − Bij de (her)inrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met de verschillende gebruikers, waaronder ouderen. We zetten in op een gebruiksvriendelijke omgeving waarbij ontmoeting tussen onze inwoners gestimuleerd wordt; − We faciliteren en stimuleren waar mogelijk initiatieven vanuit de dorpen die bijdragen aan het versterken van de leefbaarheid en sociale cohesie. Een voorbeeld is onze eigen subsidieregeling Vitaal Platteland voor initiatieven die een duurzame bijdrage leveren aan de vitaliteit en leefbaarheid van het buitengebied en de dorpen. Een ander voorbeeld zijn de dorpsondersteuners voor de dorpen Bathmen, Lettele en Okkenbroek. De dorpsondersteuners zijn het contactpunt voor inwoners en organisaties met hulpvragen en ideeën.

Zij vormen hiermee de verbindende schakel tussen mensen, organisatie en verenigingen in de dorpen; − Met het project Toekomstbestendige wijken bouwen we aan de versterking van de sociale basisinfrastructuur in onze gemeente. Hiermee bereiken we dat o.a. mensen in de dorpen elkaar nog beter kunnen vinden, helpen en ondersteunen; Een belangrijk uitgangspunt bij woningbouwontwikkelingen is de inzet op een ongedeelde en inclusieve, toekomstbestendige samenleving. Dat wil zeggen een gemengde bevolkingssamenstelling met bijpassend gevarieerd woningaanbod. We streven ernaar dat ouderen zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen. We zijn van mening dat een gemengde bevolkingssamenstelling (bijv. jong en oud) bijdraagt aan het versterken van de leefbaarheid en sociale cohesie in onze dorpen.

Werkgebieden & Economie De visie geeft aan dat Deventer zich profileert als economische motor binnen de regio, met focus op innovatie, kennis en circulaire economie. De haven en bedrijventerreinen spelen hierbij een rol. 1. Waarom verschuift de nadruk naar circulaire en biobased economie terwijl bestaande sectoren goed functioneren? De transitie van de ‘oude’ naar circulaire economie is geen correctie op falende sectoren of volledige vervanging van nu bestaande sectoren, maar een noodzakelijke koerswijziging c.q. transitie die ook ons bedrijfsleven door moet maken lettende op (toekomstige) grondstoffenschaarste, geopolitieke instabiliteit (prijsschommelingen en leveringsproblemen), netcongestie, milieudruk, klimaatdoelen etc.

Sectoren die nu goed functioneren in Deventer, kunnen juist profiteren en blijven toekomstbestendig als ze tijdig meebewegen. Tegelijkertijd bieden productie, verwerking en hergebruik van grondstoffen, tussen- en eindproducten en hieraan gekoppeld onderzoek en innovatie nieuwe marktkansen en werkgelegenheid. 2. Wat is de visie op bereikbaarheid van bedrijventerreinen via weg en spoor? Hoewel het spoor (richting Zutphen) langs een deel van het Deventer bedrijventerrein loopt, is het hier niet direct op aangesloten. Goederen kunnen dus niet direct middels het spoor worden aan- of afgevoerd. Dit wordt ook niet als haalbare ambitie gezien. Wel is de nabijheid van station(s) en goede verbindingen tussen station(s) en bedrijventerreinen belangrijk voor woon-werkverkeer en daarmee het stimuleren van fiets- of OV-gebruik i.p.v. de auto door werknemers en daarmee ook het bevorderen van de aantrekkelijkheid van bedrijventerreinen t.b.v. werven personeel. Hiertoe is het realiseren van een vierde perron bij station Deventer dan ook belangrijk. Belang van bereikbaarheid over de weg is evident en blijft cruciaal t.b.v. in- en verkoop, logistiek en distributie op de bedrijventerreinen, net als voor zakelijk- en woonwerkverkeer.

Door inzet op betere, veiligere fiets- en ov-verbindingen en het zo veel mogelijk scheiden van vracht-, en 'regulier’ verkeer verbeteren we naast de bereikbaarheid ook de verkeersveiligheid op de bedrijventerreinen. Bij meerjarige onderhoudsplannen en herstructurering kijken we naar koppelkansen om de bereikbaarheid en verkeersveiligheid te versterken. 3. Op welke wijze wordt lokale ondernemersparticipatie gestimuleerd bij nieuwe projecten? Gemeentebreed blijven we middels ondernemersondersteuning en in samenwerkingsverbanden met het bedrijfsleven en vertegenwoordigende organisaties werken aan toekomstbestendige werklocaties. Het bedrijfsleven hebben we hierbij ook hard nodig, want m.u.v. de openbare ruimte heeft de gemeente relatief weinig grond in bezit. Dit maakt dat we o.a. in het kader van het project Toekomstbestendige Bedrijventerreinen (TBBT) in belangrijke mate inzetten op stimuleren en faciliteren van ondernemers/het bedrijfsleven zelf, bijvoorbeeld om de eigen kavel te vergroenen. Door als gemeente zelf het goede voorbeeld te geven (aanpakken openbare ruimte), bereid te zijn om mee te investeren (in tijd, kennis en middelen) en stakeholders goed te informeren, wordt voor ondernemers de stap kleiner om mee te doen in projecten.

Als met ‘nieuwe projecten’ wordt gedoeld op de ontwikkeling en uitgifte van nieuwe bedrijfskavels (zoals op een nieuw bedrijventerrein), willen we hier – net als bij het A1 bedrijvenpark – een zekere mate van ‘participatie’ verplicht stellen. Denk bijvoorbeeld aan deelname aan bedrijvenparkmanagement, BIZ en/of een energiehub.

Groen, Duurzaamheid & Buitengebied De visie mikt op 55% CO2-reductie in 2030, circulaire economie en klimaatbestendigheid in 2050. Het buitengebied krijgt een multifunctionele rol (landbouw, natuur, recreatie, energie).

Vragen: 1. Heeft het college een beeld van de financiële impact voor inwoners en ondernemers met het streven naar 100% circulair in 2040? Het doel is 100% circulair in 2050. De verwachting is dat er in 2050 een economie is ontstaan waarin zogeheten externe kosten worden doorberekend in producten en diensten: zo zal de ontstane CO2 uitstoot van delving en transport worden doorberekend, evenals de uiteindelijke afvalverwerking. Dit leidt tot een verhoging van de kosten voor niet-circulaire producten en diensten. Tegelijkertijd worden grondstoffen schaarser. Deze schaarste wordt nu al ingezet in de geopolitiek. Het inkopen en toepassen van zogeheten ‘virgin’ grondstoffen zal door deze schaarste duurder zijn geworden en uiteindelijk financieel minder aantrekkelijk zijn en afnemen. Het werken en leven met circulaire diensten en producten zal -in vergelijking met lineaire diensten- financieel voordeel opleveren. Bij het realiseren van een circulaire economie worden de komende 25 jaar logistieke ketens geoptimaliseerd, worden producten ontworpen om te worden gerepareerd, gedeeld en uiteindelijk gedemonteerd om als secundaire grondstoffen opnieuw gebruikt te worden. Zo betalen we uiteindelijk vooral voor het gebruik van de producten en steeds minder voor de virgin grondstoffen die nodig waren voor de productie. 2.

Op welke wijze wordt geïnvesteerd in de energietransitie (warmtenetten, waterstof)? De gemeente investeert op verschillende manieren in de energietransitie (zie ook de Deventer Energievisie, d.d. 20 maart 2024). Specifiek voor waterstof wordt er in het havengebied van Deventer gewerkt aan de lokale productie van groene waterstof binnen het project GROHW. Daarnaast investeert de gemeente in de grootschalige beschikbaarheid van waterstof voor de energiezekerheid van het bedrijfsleven. De mogelijkheden voor het gebruik van waterstof bij het verwarmen van de historische binnenstad en als brandstof voor de pieken van warmtenetten in de winter worden onderzocht. In de warmtetransitie wordt geïnvesteerd door onder andere de ontwikkeling van Slim Warmtenet Zandweerd, de ondersteuning van inwoners en bedrijven om te verduurzamen en de gebiedsgerichte aanpak met de uitvoering van warmteplannen per wijk of dorp. Daarnaast biedt het beleidskader Ondersteuning lokale energie-initiatieven hulp bij het ontwikkelen van lokale energieprojecten. 3. Is het college bereid bij tegenvallende resultaten de duurzaamheidsambities bij te stellen? Technische vragen worden door ambtenaren beantwoord. Dit is een beeldvormende bestuurlijke vraag. Ambtelijk kunnen we hier het volgende over zeggen: Gemeente Deventer draagt bij aan de landelijke klimaatdoelstellingen.

Dit betekent dat we in 2030 55% minder broeikasgassen willen uitstoten vergeleken met 1990. En in 2050 dragen we bij aan een klimaatneutraal Nederland. Het is belangrijk om de vaart erin te houden om het halen van deze doelen in zicht te houden. De emissies die het laatst overblijven zijn immers het moeilijkst om te reduceren. Dit is in lijn met het recent gepubliceerde nationale Klimaatplan 2035-2035, waarin de tussendoelstelling van 90%

CO2-reductie voor 2040 is opgenomen. 4. Op welke wijze voorkomt het college in deze visie dat zonne- en windparken het landschap aantasten? Nieuwe zonneparken op landbouwgrond zijn op dit moment niet mogelijk onder het beleid van provincie Overijssel. Mocht hier in de toekomst verandering in komen, dan gelden de Deventer Uitgangspunten voor Zonnevelden. Onderdeel van dit kader zijn de voorwaarden om zonneparken zo goed mogelijk in te passen in het landschap met zo min mogelijk ecologische impact. Voor wind heeft de raad het zoekgebied voor windmolens langs de A1 vastgesteld (raadbesluit Regie op wind d.d. 11 oktober 2023). In de omgevingsvisie is dit zoekgebied overgenomen. Windparken boven de 15 MW vallen onder de bevoegdheid van provincie Overijssel. Zij toetst windprojecten op haar beleid, waar de inpassing van windturbines in het landschap een belangrijk onderdeel van uit maakt. 5. Op welke wijze voorkomt het college in deze visie schade aan de gezondheid van inwoners door windparken? De gezondheidseffecten op mens en dier worden meegenomen in de verplichte m.e.r.procedure per windproject. Onderdeel van een m.e.r.-procedure is het opstellen van een NRD (Notitie Reikwijdte en Detailniveau). De NRD beschrijft welke thema’s in de MER aan de orde komen en op welke manier daar onderzoek naar wordt gedaan. Gezondheid is hierbij een belangrijk thema. 6.

Hoe wordt de agrarische sector beschermd tegen verdrukking door woningbouw, natuurontwikkeling, energietransitie en recreatie? Met het oog op de waarde van het landschap en landelijk gebied (waar ook de landbouw inherent onderdeel van is) kiezen we ervoor om stedelijke groei zoveel mogelijk binnen de bestaande stad en dorpen op te vangen. Bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied is ‘goede landbouwgrond’ één van de aspecten die wordt meegenomen in de afwegingen. Daarnaast is het zo dat nieuwe ontwikkelingen rekening dienen te houden met de agrarische bedrijfszekerheid in de omgeving. Het versterken, uitbreiden en het verbinden van ecologische netwerken in het buitengebied willen we zoveel mogelijk samen met agrariërs en andere grondeigenaren doen. Dit gaat op basis van vrijwilligheid en we benutten de kansen die zich voordoen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De energietransitie vraagt ruimte binnen en buiten de bebouwde kom. We bieden ruimte voor zon op land binnen de provinciale kaders. Concreet betekent dit momenteel dat er geen grootschalige nieuwe initiatieven voor zonnevelden op land in behandeling worden genomen. Anderzijds biedt de energietransitie ook kansen voor de agrarische sector: agrariërs kunnen producenten worden van energie, zoals wind, zon, bio- en groengas door middel van kleinschalige mono-mestvergisting.

7. Welke invloed heeft de capaciteit van het elektriciteitsnet op de voorgestelde ontwikkelingen en ambities in de ontwerp omgevingsvisie?

De (beperkte) capaciteit op het elektriciteitsnetwerk is randvoorwaardelijk voor de beschreven ontwikkelingen in de Ontwerp Omgevingsvisie. Dit heeft zowel ruimtelijke als economische consequenties: •

•

Ruimtelijke consequenties: Het verzwaren van het net vraagt om extra kabels, transformatorhuisjes, middenspanningsstations en zelfs een nieuw hoogspanningsstation. Dit legt beslag op ondergrondse én bovengrondse ruimte, wat invloed heeft op woningbouw, mobiliteit en groenstructuren. Economische ontwikkeling: Zonder voldoende netcapaciteit kunnen nieuwe bedrijventerreinen, woningbouwprojecten en laadinfrastructuur niet tijdig worden gerealiseerd. Dit kan vertragingen veroorzaken in de uitvoering van de Omgevingsvisie. De Ontwerp Omgevingsvisie stuurt op netbewust bouwen en collectieve energieoplossingen om de belasting van het net te beperken en daarmee zo veel mogelijk ruimte te bieden aan de beoogde ontwikkelingen. Bij de locatiekeuze van nieuwe ontwikkelingen wordt het energiesysteem als zwaarwegend criterium meegenomen. Bij inbreiding wordt ruimte gereserveerd voor energie-infrastructuur en opslag. Daarnaast werken we met innovaties: Smart energy hubs, waterstofontwikkeling en batterijen zijn oplossingen om piekbelasting van het elektriciteitsnet te verminderen en flexibiliteit te vergroten.

8. Wat wordt bedoeld met duurzame bouw, transformatie en inrichting en beheer van de openbare ruimte? Wat is dan de koers die college voor ogen heeft met deze termen? Het hele jaar door investeren we in onze openbare ruimte. Bij de aanleg en het beheer ervan kunnen we grote stappen zetten als het gaat om circulariteit. Zo worden er riolen vervangen en delen van de openbare ruimte opnieuw ingericht, met materialen zoals beton, asfalt, klinkers, stoeptegels, straatmeubilair. Bij al deze werkzaamheden is een circulaire aanpak mogelijk. Dit doen we door de grondstoffen en materialen toe te passen met het oog op hergebruik in de toekomst en waar nodig te vervangen door materialen die hergebruikt zijn of door biobased materialen. Om ervoor te zorgen dat deze materialen in toenemende mate beschikbaar zijn, werken we de komende jaren aan bijvoorbeeld het materialendepot. Het college heeft de ambitie en de maatregelen vastgelegd in de Routekaart Circulair. Mobiliteit & Bereikbaarheid De visie zet in op duurzame mobiliteit: lopen, fietsen en OV met autoverkeer vooral aan de randen. De A1 en IJsselbrug zijn belangrijke schakels. Vragen: 1. Hoe wordt de bereikbaarheid van bedrijventerreinen en dorpen gegarandeerd als de nadruk ligt op fiets en OV? Een goede bereikbaarheid, ook met de privéauto, blijft een belangrijk uitgangspunt. Zo blijft de bereikbaarheid over de weg cruciaal t.b.v.

in- en verkoop, logistiek en distributie op de bedrijventerreinen, net als voor zakelijk- en woon-werkverkeer. Wel is een versnelde transitie naar duurzamere mobiliteitsvormen gewenst om daarmee de leefbaarheid en verkeersveiligheid ook in de toekomst te garanderen.

2. Wat zijn de mogelijke gevolgen van de Zero Emissiezone voor lokale ondernemers en logistiek? In de omgevingsvisie wordt in algemene zin aangegeven dat bevoorrading en doorgaande logistiek onderdeel is van de economische kracht van Deventer. In de uitwerking van het definitieve mobiliteitsplan binnenstad en periferie is toegezegd dat een netwerk voor logistiek en bevoorrading wordt vastgesteld, waarbij met name voor de binnenstad een helder beeld ontstaat van wegen die qua vormgeving blijvend aan gebruik door vracht- bestelverkeer dienen te voldoen. Specifiek in relatie tot de nul emissiezone is - mede dankzij de inmiddels ingevoerde zones in andere steden – een helder en uitgewerkt systeem van randvoorwaarden en ontheffingen beschikbaar. Doel hiervan is om ondernemers te stimuleren, zonder hen voor keuzes te stellen die tot inbreuk op het economisch rendement van activiteiten leidt. In het komende verkeerbesluit en de nadere uitwerking en voorbereiding wordt enerzijds rekening gehouden met goede blijvende bereikbaarheid, maar wordt tegelijkertijd aandacht besteed aan het kunnen bieden van mogelijkheden tot overladen op andere distributievormen voor de ‘last mile’ als optie. Tenslotte zijn in samenwerking met regio en provincie twee mobiliteitsmakelaars beschikbaar die in overleg met ondernemers advies kunnen geven over diverse oplossingsmogelijkheden. 3.

Bereikbaarheid met de auto ontwikkeld zich negatief, op welke wijze wordt bereikbaarheid geborgd en welke concrete stappen gaat het college daarvoor zetten? De bereikbaarheid per auto van de economische centra (binnenstad, werkgebieden en wijkcentra) is geborgd via de hoofdverkeersassen N348, Hanzetrace en SnipperlingsdijkHolterweg (volgens het dakpan-principe). In de overige gebieden blijft de auto ook welkom, maar streven we naar meer ruimte voor duurzame mobiliteitsvormen. Dit streven komt ten goede aan de verkeersveiligheid en leefbaarheid. Gezondheid, Zorg & Toegankelijkheid De visie koppelt ruimtelijke ontwikkelingen aan gezondheid, welzijn en inclusie. Leefomgevingen moeten uitnodigen tot bewegen, ontmoeten en gezond ouder worden. Vragen toegankelijkheid 1. Hoe borgt het college dat openbare ruimten in alle wijken en dorpen fysiek toegankelijk en bereikbaar zijn voor mensen met een beperking op mobiliteitsvraag? In de Visie Leefomgeving is vastgelegd dat de openbare ruimte schoon, heel en veilig moet zijn en dat we kiezen voor een bewuste inrichting. Zorgen dat de openbare ruimte toegankelijk is voor iedereen is hierin dus ook een belangrijk uitgangspunt. Dit nemen we in onderhoudsprojecten dus altijd mee. 2.

Wordt toegankelijkheid standaard getoetst bij nieuwe gebiedsontwikkelingen? Bij alle ontwerpen in de openbare ruimte wordt een grote hoeveelheid aan aspecten meegenomen, dus ook toegankelijkheid.

3. Op welke wijze wordt de toegankelijkheid van de binnenstad verbeterd voor voetgangers, rolstoelgebruikers en mensen met visuele beperkingen? Ook hier geld dat zodra er aanpassingen worden gedaan in de openbare ruimte hier rekening mee wordt gehouden. Onder andere in het standaard Programma van Eisen wordt hier aandacht aan besteed. Vragen gezondheid & zorg 1. Welke maatregelen verkleinen gezondheidsverschillen tussen wijken? Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwprojecten is het uitgangspunt dat er een evenwichtige mix wordt gerealiseerd van sociale huurwoningen, middeldure huur- en koopwoningen, en duurdere segmenten. Met deze aanpak wordt gestreefd naar gemengde wijken waarin mensen met verschillende sociaaleconomische achtergronden samenleven. Dit draagt bij aan het verkleinen van gezondheidsverschillen. Daarnaast is de inzet binnen het sociaal- en gezondheidsbeleid om maatwerk per wijk te leveren. Door in te spelen op de specifieke behoeften en kenmerken van elke wijk, kunnen gerichte interventies ingezet worden die bijdragen aan het verbeteren van de gezondheid van bewoners en het terugdringen van gezondheidsverschillen. 2. Hoe bevordert de fysieke leefomgeving de mentale gezondheid en ontmoeting? Het gaat om een integrale aanpak van de inrichting van de openbare ruimte. Denk hierbij aan ontmoetingen en de mogelijkheid tot bewegen in de buitenruimte.

Ook het STOMP principe is een belangrijk uitgangspunt. In het gezondheidsbeleid hebben we opgenomen om gezondheidskundige inzichten te gebruiken bij de inrichting van de fysieke leefomgeving. Een groene leefomgeving draagt aantoonbaar bij aan mentale en fysieke gezondheid. Een groene leefomgeving stimuleert beweging en ontspanning Dat draagt bij aan het verminderen van overgewicht, diabetes type 2 en hart- en vaatziekten. Onderzoek wijst tevens op positieve effecten op levensverwachting, geboortegewicht, immuunfunctie en slaapkwaliteit. Bij kinderen bevordert contact met groen bovendien concentratie, geheugen en leerprestaties (RIVM, 2025). 3. Hoe wordt de bereikbaarheid van zorgvoorzieningen gegarandeerd? De voorzieningen in het algemeen en de zorgvoorzieningen in het bijzonder proberen we met verschillende modaliteiten duurzaam bereikbaar te houden. Hierbij hebben we extra aandacht voor mensen met een fysieke beperking. Voor mensen voor wie zelfstandig vervoer geen optie is, stellen we vanuit de WMO hulpmiddelen ter beschikking, zoals het doelgroepenvervoer. 4. Op welke wijze wordt bij woningbouw rekening gehouden met levensloopbestendige en zorgwoningen?

We weten dat veel ouderen het liefst in hun eigen wijk of dorp willen blijven wonen. Daarom wordt er ingezet op het realiseren van passende woningen en woonomgevingen voor senioren, zodat zij langer zelfstandig kunnen blijven wonen in een vertrouwde omgeving. Het uitgangspunt is dat 30% van de nieuw te realiseren woningen geschikt is voor senioren. Dit betreft woningen in de categorie nultredenwoningen, geclusterde nultredenwoningen met een ontmoetingsruimte op maximaal 100 meter afstand, of zorggeschiktewoningen die geschikt zijn voor het verlenen van zorg (met een hoge zorgindicatie). Vragen veteranen en herdenking 1. Is er in de visie aandacht voor woon- en zorgbehoeften van veteranen en mentale gezondheid? Er bestaan specifieke woonzorgvoorzieningen voor veteranen, waaronder het woonzorgcomplex Bronbeek nabij Arnhem. Dit complex is gericht op het bieden van passende huisvesting en zorg aan veteranen, waarbij rekening wordt gehouden met hun unieke achtergrond en behoeften. Binnen het gemeentelijk beleid van Deventer zijn veteranen momenteel niet benoemd als een afzonderlijke aandachtsgroep in relatie tot woonzorgvoorzieningen. De ondersteuning op het gebied van mentale gezondheid voor veteranen verloopt primair via landelijke instanties, zoals het Ministerie van Defensie en het Veteraneninstituut.

Deze organisaties bieden gespecialiseerde hulpverlening, gebaseerd op landelijk beleid en expertise op het gebied van veteranenzorg. Desondanks hebben gemeenten wel degelijk een rol in de ondersteuning van veteranen. Deze rol richt zich met name in het faciliteren van lokale initiatieven en activiteiten, zoals het organiseren van jaarlijkse veteranenbijeenkomsten en het ondersteunen van maatschappelijke betrokkenheid. Door het bieden van erkenning en het creëren van ontmoetingsmomenten dragen gemeenten bij aan het welzijn van veteranen op lokaal niveau. 2. Wordt bij herinrichting rekening gehouden met herdenkings- of stilteplekken? Bij herinrichting wordt geen rekening gehouden met het inrichten van herdenkings- of stilteplekken. Niet op iedere locatie is hieraan behoefte. Deze plekken kunnen gecreëerd worden op initiatief van bewoners of maatschappelijke organisaties.

Vrijwilligers & Gemeenschapskracht De visie benoemt participatie en betrokkenheid van inwoners als uitgangspunt voor uitvoering en beheer. Vragen 1. Hoe versterkt de gemeente sociale cohesie in wijken met hoge zorgvraag of vergrijzing? Door in te zetten op samenredzaamheid door middel van voorzorgcirkels, goede voorzieningen in de buurt.

De gemeente versterkt sociale cohesie in wijken met een hoge zorgvraag of vergrijzing door in te zetten op samenredzaamheid, onder andere via voorzorgcirkels, ontmoetingsplekken en toegankelijke voorzieningen. Met projecten zoals Toekomstbestendige Wijken wordt de sociale infrastructuur versterkt, zodat bewoners elkaar beter kunnen ondersteunen. Ook wordt bij woningbouw ingezet op gemengde wijken en levensloopbestendige woningen, zodat ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. 2. Hoe worden vrijwilligers ondersteunt bij hun rol? Vrijwilligers in Deventer worden ondersteund via het platform Deventer Doet, waar zij hulp, training en bemiddeling krijgen. De gemeente biedt een collectieve vrijwilligersverzekering, subsidie voor activiteiten, en jaarlijkse waardering via de Vrijwilligersprijs. Uitvoering, Monitoring & Participatie In de visie wordt niet ingegaan op de wijze waarop de uitvoering van de omgevingsvisie gevolgd en bijgestuurd kan worden door raad en inwoners. Er wordt niet gesproken over duidelijke indicatoren, transparante rapportage en invloed van raad en inwoners. Vragen monitoring en sturing 1. Op welke wijze komen indicatoren tot stand om de voortgang per thema en gebied te meten of waar zijn indicatoren te vinden? Dat wordt nader uitgewerkt ten behoeve van de definitieve omgevingsvisie. 2.

Op welke wijze zal gerapporteerd worden over de voortgang en wie is verantwoordelijk voor de evaluatie en op welke wijze krijgt deze vorm? Dat wordt nader uitgewerkt ten behoeve van de definitieve omgevingsvisie. Het college zal de voortgang en evaluatie voorbereiden, maar bijstellen van richting en ambitie is aan degene die het betreffende document (in dit geval de omgevingsvisie) vaststelt (in dit geval de raad). 3. Wat zijn streefwaarden voor woningbouw, biodiversiteit, luchtkwaliteit, bereikbaarheid etc.? Die zijn nog niet overal voor gedefinieerd. Voor woningbouw is de ambities vastgesteld om 11.000 woningen te realiseren tussen 2021 en 2035. In de ontwerp omgevingsvisie wordt voorgesteld die vast te stellen op 11.500 tussen 2025 en 2040, waarbij de verdeling 30-40-30 voor prijs en 30% ouderengeschikt wordt aangehouden. Nadere duiding hiervan is te vinden in het volkshuisvestingsprogramma. Voor biodiversiteit zijn de doelstellingen uit het biodiversiteitsplan overgenomen in de omgevingsvisie in 4.2.3 "Verbetering en versterking van de natuur en biodiversiteit". Voor luchtkwaliteit streven we, samen met de andere deelnemers van het Schone Lucht Akkoord, de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) na die in 2021 zijn aangescherpt. We focussen daarbij op fijnstof ( PM2.5, en PM10) en

stikstofdioxideDe luchtkwaliteitswaarden zijn terug te vinden op de site van het SLA: https://schoneluchtakkoord.nl/sla/overzicht-luchtkwaliteitswaarden/. Voor bereikbaarheid gaan we uit van de belangrijkste principes op gebied van duurzame mobiliteit, zoals het STOMP-principe, de compacte stad/15 minuten-stad en de Trias Mobilica (verminderen, veranderen en verschonen van mobiliteit). De 15-minutenstad houdt in dat de dagelijkse voorzieningen op korte loop,- fiets- en OV-afstand bereikbaar zijn. In Deventer bereiken we dat door functies te mengen en het grootste gedeelte van de nieuwe woningen binnenstedelijk te realiseren (verdichten). Duurzame mobiliteit realiseren we door ons in te spannen op drie sporen: het verminderen van de noodzaak tot grote verkeersbewegingen (de 15-minutenstadgedachte), het veranderen van de gekozen modaliteit naar gezonde vormen van mobiliteit (Modal shift en STOMP) en het verschonen van de voertuigen (zoals het plaatsen van laadpalen en het invoeren van een ZE-zone). Concreet dient dit te resulteren in een CO2-reductie van tenminste 55% in 2030 t.o.v. 1990. 4. Hoe wordt de effectiviteit van klimaatadaptieve maatregelen geëvalueerd? Dit is opgenomen in het Klimaatadaptatieprogramma uit 2021 (KAP). Indicatoren voor klimaatadaptatie zijn de tactische doelen opgenomen in het KAP.

Evaluatie van de afgelopen jaren wordt opgenomen in de herziening van het klimaatadaptatieprogramma, dat naar verwachting in Q1 voor wensen en bedenkingen aan de raad wordt voorgelegd. Daarin worden waar nodig ook correctiemaatregelen opgenomen. Monitoring vindt onder andere plaats op uitvoering van de maatregelen uit het KAP en door de zes-jarige cyclus van de DPRA-stresstesten. 5. Wat gebeurt er als indicatoren structureel achterblijven? Zijn er correctiemaatregelen of een proces daarvoor? Dan zal dat in de evaluatie naar voren komen en wordt een voorstel gedaan voor ofwel wijziging van inzet of bijstelling van ambities (of beide). Vragen participatie en bestuur 1. Hoe wordt voorkomen dat de visie een papieren werkelijkheid blijft zonder uitvoeringskracht? Het is het toetsingskader voor initiatieven van binnen én buiten. Én het is het kader voor uitwerking in omgevingsprogramma’s waar ook maatregelen worden opgenomen. De omgevingsvisie zal hierna steeds geactualiseerd worden om hem up to date te houden. 2. Wordt de raad actief betrokken bij bijstelling van doelen als ze niet haalbaar blijken? Ja, ambities worden geformuleerd in de omgevingsvisie en als ze niet haalbaar blijken, ook bijgesteld in de omgevingsvisie. Daar besluit de raad over. 3.

Op welke wijze wordt participatie voorzien van inwoners bij bijstellen van visie? Participatie zal worden vormgegeven volgens het participatiebeleid Algemeen 1. Welk beleid is verwerkt in de omgevingsvisie en welk beleid is niet verwerkt? D.w.z. uit welke stukken is geput?

We werken aan een overzicht van de bestaande beleidsstukken en hoe deze zijn meegenomen in de visie. Deze zal naast beantwoording van de technische vragen worden toegestuurd. 2. Van enkele hoofdstukken is bekend dat die nog niet/onvoldoende zijn uitgewerkt, Bijvoorbeeld het thema gezondheid, op welke wijze kan dan de impact van de visie worden bepaald (in positieve en negatieve zin) en kunnen dilemma’s en knelpunten voldoende worden integraal worden afgewogen? Het voornemen wordt beoordeeld. En er wordt bij de beoordeling een kanttekening geplaatst als dat voornemen te vaag is. 3. Tijdens de technische sessies is aangegeven dat bepaalde zaken nader worden uitgewerkt in programma’s. Dat is een verantwoordelijkheid belegd bij het college, op welke wijze wordt de rol van de raad (kaderstellend en toetsend) hierin geborgd? Omgevingsprogramma’s bevinden zich altijd binnen de raadskaders van de omgevingsvisie. De wijze waarop de raad wordt betrokken is vastgelegd in de ‘Uniformere werkwijze voor college en raad bij omgevingsprogramma's'. Hierin staat vastgelegd dat de raad altijd informerend of consulterend wordt betrokken bij een omgevingsprogramma. Zie hiervoor ook de raadsmededeling en bijbehorende Uniforme Werkwijze van d.d. 4 september 2025. 4.

De focus ligt op het ruimtelijk domein conform de omgevingswet, betekent dat ook dat bepaalde zaken mogelijk nog ontbreken in de ontwerp omgevingsvisie? En welke zijn dat dan? De beleidsthema’s die (deels) binnen de scope van de Omgevingswet vallen, zijn meegenomen in deze ontwerp omgevingsvisie. Beleidsthema’s uit het sociaal domein of bedrijfsvoering die geen ruimtelijke vertaling kennen, zijn hierin niet opgenomen. 5. De blik is gericht op de gemeente Deventer (met name de stad), hoe wordt in deze visie gekeken naar ontwikkelingen van buiten zoals landelijk (migratie en woningbouw bijvoorbeeld), provinciaal (energie bijvoorbeeld) en regionaal? En hoe is dat verwerkt in de ontwerp omgevingsvisie? Voorafgaand aan de scenario’s, zijn de trends, ontwikkelingen en opgaven breed geïnventariseerd. Daar is in de scenarioverkenning rekening mee gehouden. Tevens is er ambtelijk afstemming met provincie, buurgemeenten en waterschappen als medeoverheden over de inhoud van de ontwerp omgevingsvisie. Zij hebben ook deelgenomen aan de sessies in maart en september. Vanuit de thema’s wordt ook rekening gehouden met de landelijke ontwikkelingen. Bijlage beleidsdocumenten waaruit geput is t.b.v. ontwerp omgevingsvisie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16228631/1