CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-912 Bijlage B9 Juridisch advies geurcontour

Raadsvergadering 26 februari 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: Positief bindend advies voor het verlenen van de omgevingsvergunning-BOPA 1e fase voor het Kindcentrum (w.o. basisschool Sancta Maria) Sportweg 1 in Lettele4.555 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Hekkelman Advocaten N.V.

Postbus 1094

Oranjesingel 1

6501 BB Nijmegen

6511 NJ Nijmegen

T 024 - 382 83 84

www.hekkelman.nl

advocatuur@hel<kelman.nl

ma

advocaten I notarissen

Gemeente Deventer Team Projecten, Realisatie en ontwikkeling

Postbus 5000 7400 GC Deventer

Uitsluitend per e-mail Uitsluitend per e-mail

: h.meerbeek@deventer.nl : jw.stegeman@deventer.nl

Nijmegen, 17 oktober 2024 Ons kenmerk

Telefoonnummer

Uw kenmerk

Gemeente Deventer/Advies verplaatsing 024 - 382 83 77 school (onderdeel geur) 20241484 - 2999876/2 - PG/SK

uw verzoek om advies

E-mail

Faxnummer

Betreft

p.goumans@hekkelman.nl s.keywani@hekkelman.nl

024 - 382 83 88

verplaatsing basisschool Lettele

ADVIES

Geachte Bij e-mail van woensdag 9 oktober 2024 hebt u ons kantoor vragen voorgelegd over kort weergegeven - de voorgenomen verplaatsing van basisschool Sancta Maria naar de locatie Sportweg 1 te Lettele en de gevolgen daarvan voor de nabij gelegen melkveehouderij aan de Bathmenseweg 45A te Lettele. Graag informeren wij u over onze bevindingen. 1. Inleiding en vraagstelling Uit de door u aangereikte stukken leiden wij het volgende af. Het voornemen bestaat om met een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een kindcentruml mogelijk te maken aan de locatie de Sportweg 1 te Lettele (hierna: 'de locatie'). Het initiatief is hieronder weergegeven:

1 In het door u aangereikte document `Nota van uitgangspunten, Locatie nieuwbouw kindcentrum Sacta Maria en realisatie kunstgrasveld' d.d. 9 juli 2024 staat dat het gaat om een `kindcentrum'. Volgens dit document is een kindcentrum een plek waar voorzieningen voor kinderen van 0-13 jaar, zoals een basisschool en kinderopvang, samen optrekken.

Hekkelman advocaten en notarissen is de handelsnaam waaronder Hekkelman Advocaten N.V. (KvK nr. 09170462) en Hekkelman Notarissen N.V. (KvK nr. 09170507), beide statutair gevestigd te Nijmegen, ieder voor eigen rekening werken. Op onze dienstverlening zijn van toepassing de algemene voorwaarden (zie www.hekkelman.nl) waarin onder andere een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen.

)-tekkel M

Pagina

2/13

Figuur 1. Bron: Nota van uitgangspunten, Locatie nieuwbouw kindcentrum Sacta Maria en realisatie kunstgrasveld' d. d. 9 juli 2024

De locatie is op dit moment onbebouwd. Ten noorden van de locatie, direct grenzend daaraan, is een sportcomplex en multifunctioneel centrum aanwezig. Verder is ten westen van de locatie, aan de Bathmenseweg 45a te Lettele, een (nietvergunningplichtige) melkveehouderij gevestigd (hierna: `de Melkveehouderij'). In verband met de `geurcontour' van de Melkveehouderij hebt u ons de volgende vragen voorgelegd: 1. Het betreft de problematiek die wij als gemeente ervaren bij het willen verplaatsen van een basisschool naar de locatie van de sportvelden in Lettele, in het bijzonder vanwege geurregelgeving, het bestaande agrarisch bedrijf aan de Bathmenseweg 45A én de bestaande sporthal (die voor meerdere (geurgevoelige) doeleinden wordt/zal worden gebruikt). De vraag is of de school en de sporthal dan beiden tot de 'bebouwde kom' gaan behoren en of het bouwvlak van de bestaande sporthal daardoor een belemmering voor de agrariër vormt. Qua inrichting van de ontsluiting is er inmiddels een andere variant, maar dat is voor de nu voorliggende problematiek volgens mij niet relevant. Kern is dat de schoolverplaatsing wenselijk is, maar belemmering van de agrarische bedrijfsvoering niet. 2.

Welke juridisch/ruimtelijke consequenties heeft het aan elkaar bouwen van de school en het multifunctioneel centrum?

Alvorens wij antwoord geven op deze beide vragen, staan wij kort stil bij het ter plaatse van de locatie vigerende omgevingsplan.

2999876/2

1-lekkel Pagina

3/13

2. Het vigerende omgevingsplan Tot 1 januari 2024 gold voor de locatie het bestemmingsplan ‘Chw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel D'. Dit bestemmingsplan is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 onderdeel geworden van het omgevingsplan `Omgevingsplan gemeente Deventer' (verder: `het Omgevingsplan'). Op grond van het Omgevingsplan rusten op de locatie de enkelbestemmingen `Sport', `Maatschappelijk', `Bouwregel-30', de dubbelbestemming `Waarde - Archeologie -3' en enkele gebiedsaanduidingen, maar ontbreekt een bouwvlak. Op de kaart ziet dat er als volgt uit (de locatie is met een rode druppel aangegeven): • f ft.+++ tt+tf +++ • +++ • +

+++++++

44

f +++++ +++4-+ +++++ tfl lttf +++ ++

•1 4 19141941491914411449# +++4-44++++ f ++++++ ++++ +++ + ++++++++++++++++++++ ++++ 444+4.++++++++++++++++ tf f f f 411f +++++94+4+444*f ► 4'1+1444 #1441#144141.4411144#1## 4++++++++++++++++++++ +++++++1 ++++++ + ++++++++++++++++++++ ++++++++ + +++++++++++++++++++++ 4+4 1441+4 , 44#+4444+1++441144#14 41+1,111#4.4 - 141+111+.111#1+1114+++ t+++++++ 1+ • +++++++++++++++++ + ++++++++++++++ 1441.4 +44 4+411+4

I

►~

Figuur 2. Bron: www.ruimtelijkeplannen.n1

Het kindcentrum past binnen de toegelaten functies, maar bouwen is niet toegestaan omdat het bouwvlak daarvoor ontbreekt. Zolang het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van rechtswege geldt, gelden de regels van de Bruidsschat. En daarmee ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 Bruidsschat). Dat betekent dat op dit moment nog niet wordt aangesloten bij de begrippen `geurgevoelig gebouw' en geurgevoelige locatie' en de bebouwingscontour uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 3. Bebouwde kom (beantwoording vraag 1) 3.1 U wilt weten of met de realisering van het kindcentrum de bebouwde kom `opschuift' naar het kindcentrum en het sportcomplex. De beantwoording van deze vraag dient vanuit de regels van de Bruidsschat plaats te vinden. 3.2 Op een luchtfoto ziet het omgevingsgebied van de vestigingslocatie er als volgt uit:

2999876/2

1- 1

kke

Efl Pagina

4/13

Figuur 3. Omgevingsgebied Bathmenseweg en Sportweg (Bron: www.google.nl/maps)

Volgens u en de Omgevingsdienst IJsselland ligt de locatie en het gebied daaromheen in de huidige situatie buiten de bebouwde kom. Wij nemen dit standpunt als uitgangspunt voor het advies. Gezien de aard en omgeving van het gebied lijkt ons dit standpunt juist. De vraag is of na realisering van het kindcentrum de aard van het gebied zodanig verandert dat van bebouwde kom moet worden gesproken. 3.3 In de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'de Afdeling bestuursrechtspraak') wordt het begrip `bebouwde kom', onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet geurhinder en veehouderij2, omschreven als het gebied dat door aangesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde om wordt volgens de Afdeling bestuursrechtspraak niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar door de aard en de omgeving.3 Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur.4 Met de realisatie van het kindcentrum wordt aan het betrokken gebied bebouwing toegevoegd. Op basis van die toevoeging moet vervolgens worden beoordeeld of al dan niet een bebouwde kom-situatie ontstaat. De beantwoording van de vraagstelling is dus casuïstisch.

Om die reden betrekken wij bij de beantwoording van uw vraag de relevante rechtspraak.

Waarbij in het Activiteitenbesluit milieubeheer is aangesloten en in de Bruidsschat is overgenomen. Zie bijvoorbeeld AbRS 25 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1073, r.o. 5.2; AbRS 7 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1515, r.o. 2.2. 4 Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, p. 17 en 18. 2

3

2999876/2

liekkel Pagina

5/13

Een (enigszins) vergelijkbaar geval deed zich voor in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 18 november 20155. Het ging in die zaak om een bestemmingsplan dat voorzag in de bouw van elf woningen op vier locaties in een buurtschap waarin reeds 20 à 25 vrijstaande woningen op ruime kavels aanwezig waren. De bestaande bebouwing werd onderbroken door stroken groen en er bestond doorzicht op de achterliggende agrarische cultuurgronden. Een veehouder stelde te vrezen dat hij door de in het plan voorziene ontwikkelingen in zijn bedrijfsvoering zou worden belemmerd, doordat het buurtschap na de bouw van de elf extra woningen zou moeten worden aangemerkt als bebouwde kom. Hij wees er daarbij op dat gelet op de reeds aanwezige bebouwing een samenhangende structuur in de buurtschap zou ontstaan met weinig doorkijk naar achterliggende cultuurgronden. De raad daarentegen stelde dat ook na verwezenlijking van de woningbouw doorzichten en open gedeelten in het in het buitengebied liggende buurtschap aanwezig zouden blijven. Het plan voorzag - aldus de raad - in woningen verspreid over de lintbebouwing in het buurtschap. Openheid zou blijven bestaan doordat de woningen op afstand van elkaar zouden worden gebouwd op ruime kavels.

Bovendien wees de raad erop dat ook na de verwezenlijking van de woningbouw, in het buurtschap niet alleen woon- en verblijffuncties aanwezig zouden zijn, maar ook detailhandel en bedrijfsfuncties. De raad concludeerde dan ook dat de bebouwing in het buurtschap, welke was gelegen in een overigens agrarische omgeving, na de verwezenlijking van het plan niet een zodanig geconcentreerde samenhangende structuur zou vormen, zodat het moet worden beschouwd als een bebouwde kom. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog hierover het volgende: "3.5. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het standpunt van de raad dat ook na de verwezenlijking van de voorziene woningbouw de buurtschap geen bebouwde kom is zoals omschreven in de Wgv, onjuist is. Hoewel het aantal woningen en daarmee de concentratie van bebouwing en bevolking door de in het plan voorziene ontwikkelingen toeneemt, is deze toename gelet op de hiervoor door de raad genoemde omstandigheden naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig dat een samenhangende structuur ontstaat die is aan te merken als aaneengesloten bebouwing die het gebied een overwegende woon- en verblijfsfunctie geeft.

Daarbij betrekt de Afdeling dat in de omgeving van de buurtschap voornamelijk agrarische cultuurgronden liggen, de afstand tot de meest nabijgelegen dorpskern Lunteren meer dan twee kilometer bedraagt en diverse door het plan mogelijk gemaakte woningen zijn voorzien op locaties waar bestaande bebouwing wordt gesloopt. Voor zover [appellant] wijst op de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2011, in zaak nr. 201009877/1/H1), wordt overwogen dat de in die zaak aan de orde zijnde situatie verschilt van de situatie die thans aan de orde is, reeds omdat het daarin ging om een aaneengesloten gebied van geconcentreerde bebouwing met weinig doorzichten, bestaande uit woningen die dicht op elkaar stonden."(onderstrepingen onzerzijds, PG en SK). De verbeelding bij dat bestemmingsplan zag er als volgt uit:

5

ECLI:NL:RVS:2015:3546.

2999876/2

liekkel M

Pagina

6/13

Figuur 4. Verbeelding bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, Lunteren, buurtschap Nederwoud" (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

Een ander (mogelijk) vergelijkbaar geval deed zich voor in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 13 januari 20216. Hierin was (wederom) sprake van de vaststelling van een bestemmingsplan dat bij recht én door middel van uit te werken woonbestemmingen een woonwijk met maximaal 880 woningen mogelijk maakte op voormalige agrarische gronden in een buurtschap. Een varkenshouder kwam daartegen op, omdat hij vreesde dat door de realisatie van de voorziene woonwijk de omgeving van het plangebied zou wijzigen van buiten de bebouwde kom naar bebouwde kom. Daardoor zou hij niet meer kunnen voldoen aan de afstandsnorm van 100 meter op een nabijgelegen voormalige agrarische bedrijfswoning7. De raad stelde zich op het standpunt dat de woning (die in die betreffende omgeving lag) niet tot de bebouwde kom zou gaan behoren, nu de oriëntatie van de bestaande woningen aan de Aarleseweg geheel anders zou zijn dan die van de voorziene woningen in het plangebied. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog het volgende: "Nu de woning op het perceel [locatie 1] ligt op geruime afstand van de in het plan voorziene woningen en in de omgeving van het betreffende perceel veelal agrarische bedrijven liggen,.

is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het perceel [locatie 1], als gevolg van realisering van het bestemmingsplan "Aarlesche Erven", geen deel gaat uitmaken van de bebouwde kom.

ECLI:NL:RVS:2021:51. Normaliter gelden voor varkenshouderijen geen afstandsnormen, maar geurnormen. Omdat sprake was van een - kortgezegd - gevoelig object dat vroeger deel uitmaakte van een andere veehouderij, gold op grond van artikel 3, lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste afstand. 6

'

2999876/2

liekkel Pagina

7/13

Gelet hierop moet ook na de realisering van het plan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv een afstand van ten minste 50 m tussen het geurgevoelige object op het perceel [locatie 1] en de veehouderij van Fokkerij Centrum Nederland worden aangehouden. Nu aan die afstand kan worden voldaan heeft de raad terecht gesteld dat de woning op het perceel [locatie 1] maatgevend zal blijven voor de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij en niet de in het plan voorziene woningbouw."(onderstrepingen onzerzijds, PG en SK).

De verbeelding van dit bestemmingsplan zag er als volgt uit (het bedrijf van de varkenshouder is aangeduid met de rode

Figuur 5. Verbeelding bestemmingsplan "Aarlesche Erven" (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

3.4 Uit deze uitspraken kan worden afgeleid dat bij de beoordeling van de vraag of een gebied valt aan te merken als gelegen binnen dan wel buiten de bebouwde kom belang wordt gehecht aan de volgende omstandigheden: 1. of in de omgeving al dan niet voornamelijk agrarische gronden en/of bedrijven liggen; 2. de afstand tot nabijgelegen kernen'; 3. de aan- of afwezigheid van doorzichten; 4. de afstand tussen de woningen. Als we deze rechtspraak vertalen naar de voorgenomen schoolverplaatsing geldt - naar onze inschatting - het volgende. De kern van Lettele is goed afgebakend. Tussen de woonkern en het gebied waarin de sportvelden en de daarbij behorende bebouwing zijn gesitueerd, ontbreekt een

2999876/2

iiekkel m Pagina

8/13

samenhangende structuur. Een dergelijke samenhangende structuur gaat wel ontstaan als tussen de bebouwing op de sportvelden en de kern van Lettele het kindcentrum wordt ingebracht. Het karakter van het gebied verandert en er ontstaat door het opvullen van de open ruimte aaneengesloten bebouwing die volgens onze inschatting als bebouwde kom kwalificeert. 3.5 Deze uitbreiding van de bebouwde kom is van betekenis voor de (nietvergunning plichtige) Melkveehouderij. Door de uitbreiding van de bebouwde kom vlakbij de Melkveehouderij gaan andere afstanden uit subparagraaf 22.3.6.2 van de Bruidsschat gelden. In dit onderdeel van de Bruidsschat zijn vaste afstanden geformuleerd voor verschillende (agrarische) geurbronnen. Zo geldt een afstandsnorm van 100 meter voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor tot een geurgevoelig object8 en vaste afstanden tussen de opslag van agrarische bedrijfsstoffen als vaste mest (100 meter), kuilvoer (niet afgedekt 50 en afgedekt 25 meter) en drijfmest (50 meter) en geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom.9 Of opslag van vaste mest plaats vindt, kunnen wij uit de stukken niet afleiden. Uit geraadpleegde luchtfoto's maken wij op dat aan de voorkant van het perceel, op korte afstand van de Bathmenseweg, kuilvoer wordt opgeslagen en dat drijfmest in een silo achter op het terrein wordt opgeslagen.

Op grond van artikel 22.101 is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor (zoals melkkoeien) de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de onderstaande afstand:'°

Geurgevoelig object

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

Gelegen buiten de bebouwde kom

SC: rn

Waar in de huidige situatie nog een voorgeschreven afstand van 50 meter geldt, zal na de verschuiving' van de bebouwde komgrens een afstandsnorm van 100 meter gelden. In artikel 22.103 Bruidsschat is bovendien een vaste afstand van 50 meter opgenomen tussen de gevel van het dierenverblijf en het geurgevoelig object voor bebouwde kom situaties.

8

op grond van artikel 22.101 van de Bruidsschat. op grond van de respectievelijk artikelen 22.104, 22,116 en 22.117 van de Bruidsschat. 1 ° Tabel 22.3.12 van de Bruidsschat.

9

2999876/2

1-11ekkeI Pagina

9/13

De afstand tussen de diverse geurbronnen op de Melkveehouderij en bestaande bebouwing op de voorgenomen projectlocatie voldoet aan de hiervoor aangehaalde regels in de situatie dat geen sprake is van bebouwde kom. Dat is ook niet in discussie. Zolang dus sprake is van geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de afstandsnorm. In die situatie bestaat voor de Melkveehouderij ook nog ruimte om uit te breiden in de richting van de bestaande bebouwing van het sportcomplex en het multifunctioneel centrum. NB: vlakbij de Melkveehouderij ligt de burgerwoning Bathmenseweg 45 te Lettele. U gaf aan dat die woning na 19 maart 2000 is afgesplitst en daarom voor het Melkveebedrijf geen beperkende factor is. Op dit moment lijkt die woning buiten de geldende vaste afstanden te zijn gesitueerd. Uw vraagstelling is om die reden niet op de aanwezigheid van deze woning gericht. Als u hierover vragen hebt, is aanvullende informatie nodig om een en ander te kunnen beoordelen.

Indien de bebouwing op de vestigingslocatie binnen de bebouwde kom komt te liggen, gaat daarvoor dus een afstandsnorm van 100 meter gelden (waar het betreft het houden van melkvee en de opslag van vaste mest).11 Het kindcentrum zal - naar wij begrijpen - op een afstand van 100 meter van het bouwvlak van de Melkveehouderij worden gesitueerd. Die afstand brengt geen beperkingen voor de Melkveehouderij met zich. 3.6 De vraag is echter of de in het omgevingsplan geprojecteerde12 en bestaande bebouwing dat wel doet. Daarover het volgende, waarbij eerst wordt ingegaan op geprojecteerde bebouwing. Artikel 22.90 van de Bruidsschat bepaalt de reikwijdte van paragraaf 22.3.6 (Geur) van de Bruidsschat. Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Een geurgevoelig object is als volgt gedefinieerd: a.

gebouw 1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en; 2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en 3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

Artikel 22.91 lid 2 van de Bruidsschat bepaalt vervolgens dat de vaste afstanden uit subparagraaf 22.3.6.2 van de Bruidsschat niet van toepassing zijn op een geurgevoelig

11 Voor de opslag van kuilvoer is die afstand 50 meter als de opslag niet is afgedekt en anders 25 meter. Voor de opslag van drijfmest geldt een afstand van 50 meter. 12 Het in het omgevingsplan opgenomen bouwvlak laat nog ruimte voor het oprichten van bebouwing nabij de sporthal ten behoeve van de toegelaten functies.

2999876/2

iiekkel Pagina

10/13

gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan wel zou mogen worden gebouwd. Geprojecteerde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024 toegelaten zijn, krijgen dus geen bescherming voor geur.1-3. Aan de ruimte die het bouwvlak bij het sportcomplex nog biedt voor het oprichten van bebouwing, gaan we dus in het nu geldende recht voorbij. Dat het omgevingsplan nog ruimte biedt voor het oprichten van bebouwing is niet relevant bij de beantwoording van de vraagstelling en dat een bebouwingsmogelijkheid bestaat leidt ook niet tot beperkingen voor de Melkveehouderij. 3.7 Hier bespreken we of de bestaande bebouwing vanwege het verschuiven van de bebouwde kom-grens gevolgen heeft voor de melkveehouderij. De relevante bebouwingssituatie nabij de voorgenomen verplaatsingslocatie ziet er als volgt uit:

Figuur 6. Bron: www.google.nl/maps

Binnen een afstand van 100 meter van het bouwvlak van de Melkveehouderij is een sporthal gesitueerd. Die sporthal is aangebouwd aan het mulitifunctioneel centrum. Dit werpt de vraag op of deze bebouwing een geurgevoelig object is. We maken onderscheid tussen het multifunctioneel centrum en de sporthal. Bebouwing die evident een verblijfsfunctie heeft en als geurgevoelig object moet worden gezien (zoals het multifunctioneel centrum) ligt op meer dan 100 meter van het bouwvlak van de Melkveehouderij. De verschuiving van de bebouwde kom-grens blijft

Uit de artikelsgewijze toelichting op de Bruidsschat omgevingsplan geconsolideerde versie 10 juni 2024 volgt dat de gedachte hierachter is dat het tot 1 januari 2024 geldende Activiteitenbesluit milieubeheer geen bescherming voor geur bood aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

13

2999876/2

liekkel Pagina

11/13

voor wat betreft deze bebouwing voor de Melkveehouderij zonder gevolgen voor zowel de bestaande situatie als de mogelijkheden om de Melkveehouderij uit te breiden." Om te bepalen of de sporthal als geurgevoelig object moet worden aangemerkt, is van belang of deze geschikt is voor menselijk verblijf. Bovendien geldt de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor menselijk verblijf wordt gebruikt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat de geurregelgeving alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Zo had de Afdeling bestuursrechtspraak in een uitspraak 14 november 201815 te oordelen over de vraag of een bedrijfsgebouw bij een containerservicebedrijf was aan te merken als een geurgevoelig object. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog als volgt: "Ten aanzien van de vraag of een bedrijfsgebouw voor een containerservicebedrijf als geurgevoelig object in de zin van de Wgv moet worden aangemerkt, is gezien de in artikel 1 van de Wgv opgenomen begripsomschrijving, van belang of de gebouwen bestemd en geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf en de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf wordt gebruikt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen onder 3.9 van haar uitspraak van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1290, biedt de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Op grond van artikel 5, lid 5.4.3, onder b, van de planregels is een kantoor niet toegestaan. Volgens paragraaf 2.2 van de ruimtelijke onderbouwing wordt het bedrijfsgebouw alleen gebruikt voor het laden en lossen en het opslaan van containers. Er is geen baliefunctie en klanten komen niet op de bedrijfslocatie, aldus de ruimtelijke onderbouwing. Omdat het beoogde bedrijfsgebouw alleen zal worden gebruikt voor containeropslag en het daaraan inherente laden en lossen van lege containers, geen sprake is van een baliefunctie en een kantoor niet is toegestaan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het beoogde bedrijfsgebouw niet permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf bestemd is. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet voorziet in het oprichten van een geurgevoelig object.". Uit deze uitspraak valt niet af te leiden hoeveel uren per jaar in het containerservicebedrijf mensen aanwezig waren.

In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 10 februari 202116 werd de discussie beslecht over de vraag of een gebouw van een hondendressuurvereniging was aan te merken als een geurgevoelig object. Volgens appellanten zou het gebouw niet twee maar drie dagdelen per week worden gebruikt en daarnaast nog incidenteel door

14 Hierbij past één kanttekening. Bij de Melkveehouderij liggen twee opslagen van kuilvoer voor een deel buiten het bouwvlak. Het gaat om afgedekte opslagen, waarvoor een afstand van 25 meter geldt. Dit veroorzaakt dus geen knelsituatie. Aan de voorgeschreven afstand kan immers ruimschoots worden voldaan. 15 ECLI:NL:RVS:2018:3725. 16 ECLI:NL:RVS:2021:277.

2999876/2

iiekkel m Pagina

12/13

andere personen waardoor volgens hen sprake was van een geurgevoelig object. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog als volgt:

"3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1290), is voor de kwalificatie van een gebouw als geurgevoelig object bepalend of sprake is van langdurige blootstelling van personen in dat gebouw aan geurhinder. 3.2. Het StAB-advies vermeldt dat bij onderzoek ter plaatse is gebleken dat bij de hondendressuurvereniging vier tot vijf honden worden getraind tot politiehond, dat de trainingen tweemaal per week, te weten op donderdagavond en zondagochtend, plaatsvinden en dat het gebouw dan wordt gebruikt om de bijtbestendige pakken aan te trekken en om koffie te drinken. De trainingen vinden in de buitenlucht plaats. In beroep hebben Mob en anderen aangevoerd dat het StAB-advies op dit punt een onvolledig beeld geeft, omdat het verenigingsgebouw ook wordt gebruikt op dinsdagavonden en incidenteel door grotere groepen. 3.3. Het betoog faalt. Daargelaten of in het StAB-advies een volledig beeld is gegeven van het gebruik van het verenigingsgebouw, is ook in het door Mob en anderen aangevoerde gebruik geen grond gelegen voor het oordeel dat langdurig in dat gebouw wordt verbleven.

De vergelijking met de tijdelijke leegstand van woningen kan Mob en anderen voorts niet baten, omdat Mob en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het verenigingsgebouw ten tijde van belang door omstandigheden tijdelijk minder intensief werd gebruikt. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het verenigingsgebouw geen geurgevoelig object is als bedoeld in de Wgv en dat de geurbelasting ter plaatse om die reden niet relevant is voor de beoordeling van het geschil.". Van langdurige blootstelling van personen' was volgens de Afdeling bestuursrechtspraak dus geen sprake bij het gebruik van een gebouw voor drie dagdelen per week. Bepalend voor de kwalificatie van een gebouw als geurgevoelig object is dus of sprake is van langdurige blootstelling aan geurhinder in dat gebouw1/. Van langdurig verblijf lijkt geen sprake. Op dit punt hebt u desgevraagd nadere informatie aangereikt. Wij begrijpen dat tijdens schooltijd door de basisschool (en te zijner tijd ook door het kindcentrum) van de sporthal gebruik wordt gemaakt voor gymlessen. De juf of meester begeleidt de leerlingen naar de sporthal en terug. Gymlessen zijn kortdurend. In de avonduren maken verenigingen gebruik van de sporthal voor sportactiviteiten. Dat gebeurt in bloktijden. Er is voor de sporthal geen toezichthouder of beheerder die tijdens het gebruik daarvan steeds aanwezig is.

In dit gebouw is geen kantine aanwezig en al evenmin kleedlokalen. De sporthal is naar onze inschatting dan ook geen geurgevoelig gebouw. Afwijkende rechtspraak hierover hebben wij niet gevonden. 3.8 Dit brengt ons tot de conclusie dat de verschuiving van de bebouwde kom-grens onder het huidige recht geen beperkingen oplevert voor de bedrijfsvoering van de exploitant van de Melkveehouderij en de binnen het omgevingsplan voor de Melkveehouderij bestaande uitbreidingsruimte niet wordt aangetast.

17 Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2024:1065, ECLI:NL:RVS:2015:422 en ECLI:NL:RVS:2019:4299

2999876/2

m Pagina

13/13

4. Aan elkaar bouwen kindcentrum en multifunctioneel centrum (beantwoording vraag 2) Deze vraag zal vanuit het geurperspectief ingegeven zijn door de onzekerheid of de sporthal 'van kleur zou kunnen verschieten' en als geurgevoelig object zou kunnen gaan kwalificeren als het kindcentrum daaraan wordt vastgebouwd. Inderdaad luistert de feitelijke gebruikssituatie en inrichting nauw. Dat volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak met zaaknummer: ECLI:NL:RVS:2015:3055. Hiervoor is al in kaart gebracht of de sporthal als zodanig als geurgevoelig object moet worden gezien. De sporthal is al aangebouwd aan gebouwen met verblijfsfuncties. Een toevoeging daaraan brengt hierin naar onze inschatting geen verandering. Een voor de hand liggende vergelijkbare situatie is die van een garage bij een woning. In beginsel krijgt een dergelijke garage geen bescherming. Ook niet als de garage een vaste constructie vormt met de woning, tenzij deze in open verbinding staat met de woning. 18 Door de aanbouw van het kindcentrum aan de bestaande bebouwing verandert het gebruik van die laatste bebouwing en meer concreet de sporthal niet. Vanzelfsprekend dient natuurlijk wel de vaste afstand van 100 meter te worden aangehouden. 5.

Afsluiting

Wij gaan ervan uit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Als u prijs stelt op een aanvullende mondelinge toelichting of bespreking van ons advies, dan zijn wij daartoe vanzelfsprekend graag bereid. Hoogachtend, Hekkelman Advocaten N.V.

P.J.G. (Peter) Goumans Advocaat

18

ammy) Keywani Advocaat

Zie bijvoorbeeld voor een vergelijkbare situatie: ECLI:NL:RVS:2018:700

2999876/2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15076818/1