2024-721 Verzamelnota Belastingverordeningen 2025
Tekst van het document
Tekst Verzamelnota Belastingverordeningen Deventer 2025 Algemeen Het team belastingen Deventer participeert voor de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) in het samenwerkingsverband DOWR. De belastingverordeningen van de DOWR-gemeenten zijn ten aanzien van de uitvoering zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. De gemeente Deventer bepaalt altijd zelf haar beleid, de tarieven en de uitgangspunten van de verordeningen. In een aantal verordeningen zijn tekstuele aanpassingen opgenomen die de strekking van de tot nu toe geldende verordeningen onveranderd laten. De bijzonderheden zijn per verordening opgenomen in onderstaand overzicht. Inflatie De te volgen beleidslijn voor de belastingheffing vindt haar basis in de begrotingsrichtlijn 2025. De tarieven voor de belastingen en rechten stijgen als gevolg van de trendmatige aanpassing met 4,30% ten opzichte van 2024. Kostenonderbouwing algemeen In de paragraaf lokale heffingen is een overzicht van baten en lasten voor de heffingen opgenomen waarbij er sprake is van het verhalen van kosten. Voor de diverse heffingen die hoogstens kostendekkend mogen zijn moet inzichtelijk worden gemaakt dat de geraamde baten de ter zake geraamde lasten niet worden overschreden.
Er wordt aangesloten bij de nieuwe regels van het BBV alsmede de beleidsuitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen en hoe deze bij de tariefstelling worden gehanteerd.
Leges De modelverordening van de VNG heeft als basis gediend voor het opstellen van de legesverordening 2025. I. Kostendekkendheid legesverordening Op grond van artikel 229 b van de Gemeentewet geldt dat de opbrengsten uit leges op verordening niveau maximaal 100 % kostendekkend mogen zijn. Binnen hoofdstuk 1 is kruissubsidiëring (kruissubsidiëring = verlies op de ene dienst compenseren met een overdekking op een andere dienst) mogelijk tussen de verschillende hoofdstukken. Hetzelfde geldt voor hoofdstuk 2. De EDR (Europese dienstenrichtlijn) maakt slechts kruissubsidiëring mogelijk binnen een cluster van samenhangende vergunningstelsels binnen hoofdstuk 3 van de tarieventabel. II. Onderzoek kostendekkendheid 2025 Resultaten onderzoek Voor het verwerken van de verzamelde informatie is gebruikgemaakt van het rekenmodel zoals dat beschikbaar is gesteld door de ministeries VROM / BZK, de VNG en IPO voor de onderbouwing van de kosten van de leges. Conform de begrotingsrichtlijnen 2025 bedraagt de trendmatige verhoging van de tarieven 4,30%. Met uitzondering van artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) en artikel 2.6 omgevingsplanactiviteit: bouwactiviteit, in stand houden of gebruiken bouwwerk (ruimtelijk deel). Deze percentages blijven gelijk. Dit heeft de volgende resultaten t.a.v.
de kostendekkendheid opgeleverd: Hoofdstuk 1: 61 % Hoofdstuk 2: 98 % Hoofdstuk 3: 23 % Er vindt geen kruissubsidiëring tussen de verschillende hoofdstukken van de tarieventabel plaats. Verder is er geen kruissubsidiëring tussen de verschillende hoofdstukken van titel 3 geconstateerd.
III. Afrondingen
De tarieven zijn waar mogelijk rekenkundig afgerond. Een tarief tot 20 euro is afgerond op € 0,05, een tarief tussen 20 en 100 euro is afgerond op € 0,50 cent en een tarief boven 100 euro wordt afgerond op € 1,00. IV. Vertaling begrotingsrichtlijnen en wijzigingen in de tarieventabel Het algemene uitgangspunt vanuit de Begrotingsrichtlijnen 2025 is dat alle tarieven met 4,30% stijgen ten opzichte van belastingjaar 2024. Er zijn echter uitzonderingen op de algemene regel. Deze uitzonderingen volgen hieronder. Hoofdstuk 1 Ten aanzien van paragraaf 1.2, 1.3, 1.8, 1.7 artikel 1.23 a en paragraaf 1.9 artikel 1.31, van de tarieventabel In de tarieven voor leges reisdocumenten, rijbewijzen, kadastrale en hypothecaire informatie en de leges op grond van de Wet op de kansspelen is een onderdeel voor een van rijkswege vastgestelde component verwerkt. Deze component wijzigt onafhankelijk van de gemeentelijke lijn, maar is een onderdeel van de tariefstelling. In de tarieventabel zijn de tarieven voor rijksleges reisdocumenten en rijbewijzen opgenomen als ‘wettelijk maximum tarief’. Door deze benaming hoeft niet bij elke van rijkswege vastgestelde wijziging van deze tarieven de verordening opnieuw vastgesteld te worden.
Ten aanzien van paragraaf 1.8 Gemeentearchief, artikel 1.29 naspeuringen in het gemeentearchief Het tarief naspeuringen gemeentearchief per 15 minuten sluit niet aan bij de kosten die gemaakt worden. De tarieven zijn hierop aangepast en geharmoniseerd met de tarieven van nabij gelegen gemeenten. Hoofdstuk 2 Invoering Omgevingswet De invoering van de Omgevingswet (Ow) per 1 januari 2024 en de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) per 1 januari 2024 hebben in belastingjaar 2024 geleid tot wijzigingen in de legesverordening. De modelverordening van de VNG kent een ver doorgevoerde modulaire opbouw. Dit kenmerkt zich door apart opgevoerde leges voor bijvoorbeeld de welstandstoets, beoordeling van aanvullende gegevens of diverse onderzoeksrapporten. Binnen Deventer zitten deze kosten voor aparte beoordelings- of toets vragen in de basisleges voor een activiteit opgenomen. De door de VNG voorgestelde modulaire opbouw is daarom overgenomen voor zover dit aansloot bij de huidige werkwijze en tariefsopbouw. Dit betekent geen afzonderlijke leges voor bijvoorbeeld de welstandstoets of beoordeling van aanvullende gegevens. De leges voor onderzoeksrapporten is beperkt tot hetgeen in de huidige tarieventabel is opgenomen. Verder is de modulaire opbouw overgenomen voor zover die te maken heeft met het toepassen van de uitgebreide procedure.
Standaard is de reguliere procedure. Daar waar de initiatiefnemer of het college reden zien voor de toepassing van de uitgebreide procedure worden extra leges in rekening gebracht. Kostenonderbouwing De door de VNG voorgestelde modulaire opbouw is overgenomen voor zover dit aansloot bij de huidige werkwijze en tariefsopbouw. De opbouw van de legestarieven is beleidsneutraal ingevuld. De legesinkomsten van hoofdstuk twee van de tarieventabel steunen van oudsher sterk op de opbrengsten van de bouwleges. Via kruissubsidiëring binnen het hoofdstuk wordt de winst op de bouwleges verrekend met het verlies op de leges voor de overige activiteiten. De nu voorgestelde tarieventabel brengt daarin geen verandering. De leges-inkomsten zijn bepaald op basis van een inschatting voor 2025 van bouwactiviteiten bij woningbouwlocaties en bedrijventerreinen. De voorziene kostendekkendheid van de bouwactiviteit gaat richting de 125%. De overige activiteiten kennen een kostendekkendheid variërend van 15% tot 50%, met uitzondering van monumenten die niet boven de 5% komt. Het is een bewuste keuze om de leges voor de monumentenactiviteiten net als in 2024 laag te houden en de initiatiefnemer niet extra te belasten. Deze activiteit wordt doorgaans gecombineerd met een bouwactiviteit.
Totaal resulteert dit voor hoofdstuk 2 dienstverlening en besluiten in het kader van de omgevingswet in een kostendekkendheid van 98%. Bewaking begroting 2025 ten opzichte tot realisatie door werkgroep Met inachtneming van bovenstaande zijn we ons ook bewust van onzekerheden omtrent de gemeentelijke inkomsten en uitgaven bij de bouwleges, zoals: · Effecten vanuit de Wet Kwaliteitsborging met een getrapte inwerkingtreding. · Inkomsten uit de bouwleges bij bedrijventerreinen en woningbouw zijn gevoelig voor o.a. bestemmingsplanprocedures en algehele projectvoortgang.
Bovenstaande onzekerheden bewaken wij binnen de gemeente vanuit de werkgroep bouwleges. We bewaken daarbij de begroting 2025 in relatie tot de realisatie, binnen de kaders van de gemeentelijke P&C cyclus. Daar waar nodig wordt via geëigende processen bijgestuurd Leges activiteit bouw De Wet kwaliteitsborging regelt dat de gemeente voor een gedeelte van de bouwwerken niet meer preventief toetst en toeziet op naleving van het bouwbesluit bij de totstandkoming van het bouwwerk. Deze rol wordt overgenomen door het stelsel van private kwaliteitsborging ingevoerd per 1.1.2024. Dit betekent dat de gemeente voor dit deel van de bouwactiviteit bij deze bouwwerken dus ook geen leges meer kan heffen. Er is in 2024 een knip aangebracht bij de activiteit bouwen. Er is een technische activiteit en een ruimtelijke activiteit. Bij het opstellen van de nieuwe verordening is gekeken naar de kostendekkendheid van Hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de omgevingswet. Gelet op de woningambitie en het aantal bouwaanvragen van 2024 is er besloten om de tarieven alleen te indexeren met 4,30 % conform de begrotingsrichtlijnen. De Wet Kwaliteitsborging is per 1 januari 2025 nog steeds alleen op bouwwerken in gevolgklasse 1 van toepassing.
Het verbouwen van bouwwerken zou per 1 januari 2025 ook onderdeel uitmaken van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) maar de inwerkingtreding van dit besluit is met een half jaar uitgesteld. Ten aanzien van Paragraaf 2.14 Teruggaaf Er wordt een aanspraak op teruggaaf van 85% van de aanslag leges opgenomen (artikel 2.39.2 Oordeel “verder buiten behandeling gelaten” opgenomen. Op dit moment wordt er geen legesaanslag opgelegd wanneer de aanvraag omgevingsvergunning buiten behandeling wordt gelaten. Dit is niet correct en wordt hersteld. Op het moment dat er een aanvraag wordt ingediend zijn leges verschuldigd. Begroting lokale heffingen Onderstaande tekst wordt gepubliceerd bij de begroting en maakt hier deel van uit: Er is ten aanzien van de Omgevingsvergunningen evenwicht in de opbrengsten van de leges en de hiervoor te verrichten werkzaamheden. De prognose van de opbrengsten 2025 is daarmee in verhouding met de lasten. Dit is in lijn met de wens van de gemeenteraad om richting de 100% van de wettelijk toegestane kosten via de leges door te berekenen. De VNG heeft een modelverordening opgesteld welke als leidraad is gebruikt. Opgemerkt dient te worden dat voor de opbrengstraming er ieder jaar onzekerheden spelen qua hoeveelheden bouwaanvragen die per jaar kunnen leiden tot forse fluctuaties in kosten of opbrengsten.
Dat wordt onder andere veroorzaakt door economische ontwikkelingen, stikstofproblematiek en stijgende kosten. Hoofdstuk 3 Ten aanzien van paragraaf 3.1. horeca, artikel 3.10.1 Exploitatievergunning speelautomatenhal Voor het aanvragen van een exploitatievergunning en het wijzigen aanhangsel beheerder bij de exploitatievergunning voor een speelautomatenhal is een aparte tariefbepaling opgenomen. Het nieuw opgenomen tarief 3.10.1.a, exploitatievergunning voor een speelautomaat is gelijk aan artikel 3.10.b een aanvraag tot het verkrijgen van een exploitatievergunning voor een coffeeshop maar is gebaseerd op een ander artikel van de APV. Het nieuw opgenomen tarief 3.10.1.b wijzigen aanhangsel beheerder bij de exploitatievergunning voor een speelautomatenhal is gelijk aan artikel 3.1.3.2a wijziging aanhangsel leidinggevende dranken horecavergunning maar is gebaseerd op een ander artikel van de APV.
Ten aanzien van paragraaf 3.4 Organiseren evenement of markt, artikel 3.13.e het houden van een klein evenement
Er zijn evenementen die niet voldoen aan de voorwaarden voor een melding, maar voor een Aevenement te klein zijn. Dat betekent dat de vergunningverleners het evenement wel in beeld moeten hebben, er wel actie moet worden genomen, zoals bijvoorbeeld alléén verkeersmaatregelen en aandacht voor nooduitgangen, maar waar niet alle elementen van een evenementenvergunning getoetst hoeven te worden. Om voor de organisatoren de kosten te drukken en de evenementen wel in beeld te hebben, is het tarief artikel 3.13.e het houden van een klein evenement toegevoegd. Meer informatie hierover staat in de oplegnotitie portefeuillehoudersoverleg Deze nota is behandeld in het PHO Openbare Orde en Veiligheid van 26-8-24 en in het PHO Cultuur, Evenementen, Erfgoed en Monumentenzorg van 26-08-24.
Onroerendezaakbelastingen Op basis van de jaarlijkse herwaardering en de gewenste opbrengststijging worden de tarieven voor de onroerende- en roerende zaakbelasting jaarlijks berekend. Per september 2024 zijn de conceptwaarden van de herwaardering gebruikt om de tarieven te berekenen voor het heffen van de onroerende- en roerende zaakbelasting in 2025. Op het moment van ramen waren de waarderingen niet afgerond. In de raming is uitgegaan van een gereed percentage taxatiewaarden van 90% voor woningen en 75% van niet woningen. De gemiddelde waardestijging van woningen tussen 1 januari 2023 en 2024 (waarde peildatum) is gemiddeld 3,69%. De gemiddelde stijging van de niet woningen is 3,1%. Alle onroerende zaken worden jaarlijks gewaardeerd. Dit heeft gevolgen voor de jaarlijkse OZBtariefberekeningen. Ook bij het gelijk blijven van de gewenste opbrengst zal het tarief wijzigen. Dit omdat het vastgoed in de gemeente een waardeontwikkeling kent. I Algemeen Voor de vaststelling van de tarieven zijn alle objecten meegenomen die op 1 januari 2024 in de belastingadministratie waren opgenomen. Opvallend is dat voor het jaar 2025 er veel nieuwbouw is gerealiseerd. Panden die in 2024 worden opgeleverd vallen onder het areaal en worden voor de tariefberekening buiten beschouwing gelaten. Ze ontvangen wel een aanslag. II
Tariefberekening en tariefbepalende elementen De geraamde OZB opbrengst voor het jaar 2025 bedraagt € 33.853.895,De totale raming van de per ingangsdatum 1 januari 2025 vastgestelde waarden van de objecten in de gemeente 19.380.476.617 (woningen € 17.025.221.597 en niet woningen € 2.355.255.020). Hierbij moet worden aangetekend dat de algehele hertaxatie nog niet geheel is afgerond, een deel van de waarden is gebaseerd op schattingen. Er is rekening gehouden met de objecten die vrijgesteld zijn van heffing. De getaxeerde waarde van de objecten wordt afgerond op duizendtallen. De belastingaanslagen worden rekenkundig op twee decimalen afgerond. Voor verminderingen (bezwaar) is een taxatiewaarde geraamd van € 115.000,-. Voor de leegstand van de niet-woningen is een taxatiewaarde geraamd van € 100.000,-. Dit in lijn met eerdere jaren. Rekening houdend met vorenstaande factoren kunnen de volgende tarieven als percentage van de heffingsmaatstaf worden berekend: A: voor de gebruikersbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,2701%; B: voor de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1112%; - voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3888%
Lijkbezorgingsrechten De tarieven zijn aangepast met 4,3%. Dit jaar wordt er een onderzoek gedaan naar de tarieven en onderbouwingen. Dit voor alle gemeentelijke begraafplaatsen.
Toeristenbelasting
De tarieven zijn aangepast met 4,3%. Daarbij zijn de tarieven afgerond naar beneden in het voordeel van de ondernemer voor de uitvoerbaarheid van de heffing.
Havengelden Geen bijzonderheden
Marktprecariobelasting De vergunningen voor de vaste standplaatsen worden voor 1 januari 2025 aangepast. Deze vergunningen zijn niet meer voor onbepaalde tijd, maar voor een periode van maximaal 12 jaar. In de tarieventabel is het woord voorwerp vervangen door voor het innemen van een standplaats, aangezien er per standplaats wordt geheven. De tarieven zijn aangepast met 4,3%.
Precariobelasting De gebiedskaart is vervangen, aangezien we geen midden tarief meer kennen, alleen een hoog en laag tarief. Daarnaast is deze gebiedskaart ook duidelijker, doordat is ingezoomd op het centrum. De tarieven zijn aangepast met 4,3%.
Eenmalig riool aansluitrecht De tarieven zijn aangepast met 4,3%
Rioolheffing De hoofdlijnen van de kostenontwikkeling zijn beschreven in het Gemeentelijk rioleringsprogramma 2022-2026 (GRP) zoals dat in januari 2022 door uw raad is vastgesteld. Vastgesteld is dat het tarief de komende jaren stabiel blijft en alleen wordt gecorrigeerd voor indexering en door areaalaccres. Het areaalaccres houdt min of meer gelijke tred met de toename van het aantal percelen dat wordt aangeslagen voor de rioolheffing en heeft dus een beperkte invloed op de ontwikkeling van het tarief. De volgende zaken werken door in de tariefstelling voor 2025: · Bij vaststelling van het GRP is besloten om vooralsnog geen middelen te reserveren voor de theoretische vervangingsgolf die over 30 tot 40 jaar op lijkt te gaan treden. Deze keuze wordt heroverwogen in een volgende versie van het GRP. De eventuele nieuwe keuze werkt dus door vanaf begrotingsjaar 2027. · De indexering op de kosten is toegepast zoals aangegeven in de begrotingsrichtlijnen (3,3% op kosten derden en 5,3% op loonkosten). Dit levert een toename van de kosten op van € 200.000. · De renteomslag over de investeringen is gewijzigd naar 1,7%. Dit levert een verlaging van de kapitaallasten op van € 82.000. De BTW compensatie is met hetzelfde bedrag opgehoogd zodat dit netto geen mutaties geeft. · De investeringen zoals opgenomen in het MJOP 2024 leidt tot een toename van de kapitaallasten van € 231.000.
· Het aantal huishoudens dat wordt aangeslagen is met 1.396 toegenomen. Dat is relatief veel. Dat is het gevolg van een verlaging van de leegstand en het opvoeren van een groot deel van de nieuwe woonwijk Steenbrugge. · Het areaalaccres is, op dezelfde basis als binnen programma Leefomgeving gebruikelijk, bepaald op € 68.000. · De subsidieregeling voor afkoppelen van particulier dakoppervlakte wordt via de exploitatie van riolering en waterhuishouding gedekt. Hiervoor is dekking aanwezig van € 50.000 per jaar. Vooralsnog wordt dit bedrag op begrotingsbasis gehandhaafd. Mocht er meer beroep op deze regeling worden gedaan waardoor een jaarrekeningtekort ontstaat dan kan dat tekort worden gedekt door te beschikken over de reserve riolering.
Afvalstoffenheffing
De afvalstoffenheffing is een bestemmingsheffing en valt voor de lokale heffingen onder de belastingen. De afvalstoffenheffing mag maximaal kostendekkend zijn. De afvalstoffenheffing is verschuldigd voor het gebruik van een perceel waar de gemeente een inzamelplicht heeft voor de huishoudelijke afvalstoffen. De inwoners van Deventer zetten verder in op het recyclen van grondstoffen met behulp van de aanwezige voorzieningen. Ook in 2025 blijven de oorspronkelijke beleidsuitgangspunten van Diftar onverkort van toepassing: · er geldt een 0-tarief voor GFT, PMD, Papier, Glas; · de tarieven zijn maximaal 100% kostendekkend; · er geldt een vast tarief per huishouden en een variabel tarief voor restafval, afhankelijk van het aanbiedvolume; · de literprijs is voor elke container gelijk. Het variabele tarief varieert recht evenredig met het aantal beschikbare liters van de container/ondergrondse container (140, 240, 50 of 25 liter); · de tariefopbouw is zodanig dat geen enkel containervolume benadeeld of bevoordeeld wordt; · voor een 240 liter container of een extra tweede container (ongeacht volume) geldt een toeslag van €36; · Het uitgangspunt blijft dat een huishouden gemiddeld 6 keer per jaar de restafvalcontainer (140 liter) aanbiedt. Op verschillende locaties is het mogelijk om een afvalzak van 25 liter aan te bieden in de ondergrondse containers in 2024.
Het streven is dat alle huishoudens die restafval wegbrengen naar ondergrondse containers in 2025 de mogelijkheid hebben om gebruik te maken van deze optie van het aanbieden van een afvalzak van 25 liter. Voorgesteld wordt de tarieven afvalstoffenheffing 2025 als volgt vast te stellen: Het basistarief afvalstoffenheffing is € 228,96 per perceel per jaar. Het variabele tarief per aanbieding van een afvalzak bestemd voor huishoudelijk restafval van maximaal 50 liter is € 3,35. Het variabele tarief per aanbieding van een afvalzak bestemd voor huishoudelijk restafval van maximaal 25 liter bedraagt € 1,67. Het variabele tarief per aanbieding van een 140 liter container voor restafval is € 9,37 en het variabele tarief per aanbieding van een 240 liter container voor restafval is € 16,07. De variabele tarieven in 2025 zijn hetzelfde als aan de variabele tarieven 2024. Het vaste tarief binnen de afvalstoffenheffing stijgt ten opzichte van 2024 met € 20,04. Bijdrageregeling medisch afval 2025 De bijdrageregeling medisch afval beoogt een tegemoetkoming in de extra kosten, vanwege het aanbieden van medisch afval, afkomstig van een inwoner/belanghebbende, aan Circulus. Belastingplichtigen kunnen een bijdrage van € 129,70 per jaar aanvragen als financiële tegemoetkoming voor de ledigingen afvalstoffenheffing. Het aantal belastingplichtigen dat gebruik maakt van de regeling is 190.
De afgelopen jaren is uit controles gebleken dat de medische bijdrage van € 129,70 wordt uitbetaald aan inwoners, terwijl de belastingaanslag die zij ontvangen voor het aantal ledigingen afvalstoffenheffing lager is dan het uitbetaalde bedrag aan medische bijdrage. Naar aanleiding van deze constatering is een onderzoek ingesteld naar de uitwerking van de regeling “bijdrageregeling medisch afval”. Uit dit onderzoek blijkt dat ruim 76% van de burgers met een indicatie bijdrage medisch afval de bijdrage medisch afval ontvangt terwijl het aanslagbedrag voor de ledigingen (veel) lager ligt. In deze gevallen krijgt men dus “geld toe”. De huidige regeling “bijdrage medisch afval” schiet haar doel in ruim 76% van de gevallen voorbij. Om deze reden wordt er een voorstel gedaan de bijdrage ledigingen medisch afval aan te passen naar een procentuele correctie op het aantal aangeboden ledigingen met een maximum bijdrage. Er wordt voorgesteld 50% van de ledigingen te vergoeden tot een maximum van 129,70. Door het toepassen van een percentage is er altijd sprake van een bijdrage. Het is een meer rechtvaardige correctie op basis van wat daadwerkelijk aan afval is aangeboden. Hierdoor is er geen sprake meer van een verdienmodel. Ook sluit de maximum bijdrage van € 129,70 aan bij de huidige
regeling. Door het aantal ledigingen te corrigeren op de aanslag/heffing is dit inzichtelijk voor de burger. De belastingplichtigen die nu volledig worden gecompenseerd betalen in de nieuwe regeling 2025 de helft van het aantal aangeboden ledigingen. De belastingplichtigen zullen door middel van een brief begin 2025 worden geïnformeerd over de wijziging van de regeling.
Parkeren Technische wijzigingen De parkeerverordening en parkeerbelastingverordening is samen met de aanwijsluiten en uitgifteregels weer goed doorgenomen. Er is gekeken of artikelen eenvoudiger beschreven konden worden, maar waren regels opgenomen in de uitwerkingsbesluiten die thuishoren in de verordening. Ook waren vergunning categorieën niet benoemd terwijl hier wel parkeertarieven voor waren vastgesteld. Dat is nu weer gelijkgetrokken. Wijzigen naam jaarkaart naar seizoenkaart Het begrip jaarkaart sluit niet meer aan bij de huidige uitgifte van de kaart. Met de komst van een digitaal parkeervergunningsysteem wordt er geen fysieke kaart meer verstuurd maar bestaat de jaarkaart uit een digitaal parkeerrecht. Daarnaast kan de kaart per ook per kwartaal, halfjaar of jaar worden afgenomen. Voorstel is om de naam aan te passen naar seizoenkaart. Hierdoor is de verwachting dat men iets beter begrijpt dat er een parkeerrecht voor een bepaalde periode wordt gekocht. Opnemen van de categorie dag vergunningen in de verordening Deze vergunning was wel opgenomen in de belastingverordening maar niet in de parkeerverordening opgenomen als categorie. Dat is nu herschreven. De parkeertarieven voor de parkeervergunningen en seizoenkaarten stijgen met 4,55% Deze indexatie is vastgesteld in het MPP 2024. Daar heeft een integrale afweging plaatsgevonden.
De kortparkeertarieven worden vastgesteld per uur. Betalen per minuut wordt mogelijk gemaakt via het belparkeren Sinds 2024 is het niet meer mogelijk om met munten een parkeerkaartje te kopen bij de parkeerautomaat. Daar waar in het verleden de tariefstructuur was aangepast op de minimale inworp van 50 cent, is dat nu niet meer nodig. In de parkeerbelasting verordening zijn de parkeertarieven per uur opgenomen. In het aanwijsbesluit parkeerapparatuur wordt uitgewerkt dat men via het belparkeren achteraf en per minuut kan betalen. Huidige parkeertarieven Zone 1,2 (binnenstad) = 3,33 euro per uur Zone 3 (singels) = 2,73 euro per uur Zone 4,8,9 en 11 (schilwijken) = 1,30 euro per uur Voorgestelde uurtarieven 2025 Zone 1,2 (binnenstad) = 3,48 euro per uur Zone 3 (singels) = 2,85 euro per uur Zone 4,8,9 en 11 (schilwijken) = 1,36 euro per uur De vastgestelde tariefstijging van 4,55% wordt toegepast op alle parkeertarief zones. De hoogte van de naheffingsaanslag wordt vastgesteld op € 78,80