CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-855 Nieuwe statuten Zinder

Hamerraad 15 november 2023, gemeente DeventerBij agendapunt: Statutenwijziging Zinder6.546 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Statuten van de Stichting Zinder, tekst van de thans geldende statuten, met daarin zichtbaar de voorgestelde wijziging STATUTEN INHOUDSOPGAVE AFDELING A, ALGEMEEN Artikel 1, Naam. Artikel 2, Begripsbepalingen. Artikel 3, Zetel en tijdsduur. Artikel 4, Doel. AFDELING B, ORGANEN Artikel 5, Organen. Hoofdstuk B1, Over het college van bestuur Artikel 6, Benoeming leden college van bestuur. Artikel 7, Onverenigbaarheden met het lidmaatschap van het college van bestuur. Artikel 8, Vacatures in het college van bestuur, ontstentenis of belet. Artikel 9, Functioneren, defungeren, schorsing en ontslag van leden van het college van bestuur. Artikel 10, Taak en bevoegdheden college van bestuur. Artikel 11, Werkwijze college van bestuur. Artikel 12, Vertegenwoordiging. Hoofdstuk B2, Over de raad van toezicht. Artikel 13, Benoeming leden van de raad van toezicht en functieverdeling. Artikel 14, Onverenigbaarheden met het lidmaatschap van de raad van toezicht. Artikel 15, Zittingsduur leden raad van toezicht en vacatures. Artikel 16, Defungeren leden raad van toezicht, schorsing en ontslag. Artikel 17, Ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht. Artikel 18, Taak en bevoegdheden raad van toezicht; beloning. Artikel 19, Werkwijze raad van toezicht. Artikel 20, Informatieverstrekking aan de raad van toezicht. AFDELING C, FINANCIEN Artikel 21, Financiële middelen.

Artikel 22, Boekjaar, jaarstukken. Artikel 23, Begroting. Artikel 24, Vrijwaring en vrijtekening. AFDELING D, OVERIGE LOGISTIEK Artikel 25, Statutenwijziging. Artikel 26, Ontbinding en vereffening. Artikel 27, Geheimhouding van stukken. AFDELING A, ALGEMEEN Naam Artikel 1 De stichting draagt de naam: Stichting Zinder. Zij wordt ook ‘Zinder’ genoemd.

Begripsbepalingen Artikel 2 In deze statuten wordt verstaan onder: a. gemeente: de gemeente Deventer; b. gemeenteraad: de gemeenteraad van Deventer; c. College van Burgemeester en Wethouders: het College van Burgemeester en Wethouders van Deventer; d. bestuur: het orgaan van de stichting dat belast is met het bestuur en beheer van de stichting; e. Raad van Toezicht: het orgaan van de stichting dat toezicht houdt op het bestuur van de stichting als bedoeld in artikel 17a van de wet; f. stichting: Stichting Zinder; g. scholen: de scholen die door de stichting in stand worden gehouden; h. wet: de Wet op het primair onderwijs. Daar waar in deze statuten voor een persoon, functie of hoedanigheid de mannelijk benaming is gebruikt, kan ook de vrouwelijke vorm worden gelezen en omgekeerd. Zetel en tijdsduur Artikel 3 1. De stichting is gevestigd in de gemeente Deventer. 2. De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de stichting in ieder geval in stand wordt gehouden tot één juli tweeduizend zesentwintig. Doel Artikel 4 1. Het doel van de stichting is het in stand houden van openbaar primair onderwijs en het doen geven van onderwijs aan de scholen die onder haar gezag vallen, met inachtneming van artikel 46 van de wet. 2.

Het doel van de stichting is voorts de instandhouding van algemeen bijzonder primair onderwijs en het doen geven van onderwijs aan de betreffende scholen die onder haar gezag vallen naar de beginselen en werkwijze van Maria Montessori 3. Om het doel te verwezenlijken kan de stichting gebruikmaken van alle wettige middelen die daaraan dienstbaar zijn. 4. De stichting schept een goed onderwijs- en begeleidingsklimaat voor de leerlingen, een goed werkklimaat voor de medewerkers van de stichting en is zich bewust van het publieke belang van kwalitatief hoogstaand onderwijs. 5. De stichting beoogt niet het maken van winst. AFDELING B, ORGANEN Organen Artikel 5 1. De stichting kent de volgende organen: a. Het college van bestuur. b. De raad van toezicht. 2. Alleen natuurlijke personen kunnen lid zijn van deze organen. Beide in de vorige volzin genoemde organen bezitten op grond van de wet en/of deze statuten afzonderlijke bevoegdheden. 3. Het college van bestuur, de raad van toezicht, en de leden van deze organen richten zich bij de vervulling van hun taak naar het belang van de stichting, de daarvan uitgaande scholen en het belang van de samenleving. leder lid van het college van bestuur en van de raad van toezicht is daarbij tegenover de stichting gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak.

2

HOOFDSTUK B1, Over het college van bestuur Benoeming leden college van bestuur Artikel 6 1. Het college van bestuur van de stichting bestaat uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal personen. Indien het college van bestuur bestaat uit één persoon voert deze de titel van ‘voorzitter van het college van bestuur’. Indien het college van bestuur uit meerdere personen bestaat, stelt de raad van toezicht vast wie binnen dit college de titel ‘voorzitter van het college van bestuur’ voert. In geval van een vacature behoudt het college van bestuur zijn bevoegdheden. 2. Het lid of de leden van het college van bestuur wordt of worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht. 3. De benoeming van een lid van het college van bestuur geschiedt met inachtneming van een door de raad van toezicht opgestelde profielschets waarin de noodzakelijke competenties van de leden van het college van bestuur zijn beschreven. De profielschets wordt vooraf openbaar gemaakt. Bij het ontstaan van een vacature kan de profielschets door de raad van toezicht nader worden ingevuld. 4. Een lid van het college van bestuur wordt voor bepaalde of onbepaalde tijd benoemd. De vaststelling van het salaris en de regeling van de overige arbeidsvoorwaarden van een lid van het college van bestuur geschieden door de raad van toezicht.

Onverenigbaarheden met het lidmaatschap van het college van bestuur Artikel 7 1. De volgende personen kunnen niet worden benoemd als lid van het college van bestuur: a. personen die tegelijkertijd in een ander dienstverband bij de stichting werkzaam zijn; b. personen die tegelijkertijd anderszins werkzaamheden verrichten voor rekening van de stichting, dan wel daaraan diensten verlenen en/of goederen leveren; c. personen die tegelijkertijd deel uitmaken van een medezeggenschapsorgaan van de stichting; d. personen waarmee een in dienstverband bij de stichting werkzame persoon een duurzame huishouding voert; e. bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad van de onder sub a. tot en met sub c. bedoelde personen. f. personen die tegelijkertijd verbonden zijn aan of in dienst van een organisatie die pleegt betrokken te zijn bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de medewerkers; g. personen die lid zijn van de raad van toezicht van de stichting of dat op enig moment in een periode van vier jaar voorafgaand aan de benoeming zijn geweest; h. personen die zitting hebben in een college van burgemeester en wethouders of lid zijn van de gemeenteraad van een gemeente waarin de stichting openbare scholen instandhoudt; of i.

personen die een andere functie of hoedanigheid bekleden waarvan de bekleding redelijkerwijs leidt tot vermenging van belangen met de belangen van de stichting of tot aantasting van de goede naam en eer van de stichting; j. personen voor wie op grond van de geldende code voor goed bestuur en de daarin opgenomen uitgangspunten een benoemingsonmogelijkheid geldt. 2. Indien een persoon als lid van het college van bestuur is benoemd en nadien doet zich een omstandigheid voor als bedoeld in het vorig lid, beëindigt het betreffende lid op zo kort mogelijke termijn deze omstandigheid, tenzij de raad van toezicht besluit dat die omstandigheid mag blijven voortduren. Vacatures in het college van bestuur, ontstentenis of belet Artikel 8 1. In een vacature in het college van bestuur wordt zo spoedig mogelijk voorzien. 2. Bij ontstentenis of belet van één of meer leden van het college van bestuur, berust het bestuur tijdelijk bij het overblijvende lid of de overblijvende leden van het college van bestuur. Ingeval van ontstentenis of belet van alle leden of het enige lid van het college van bestuur berust het bestuur tijdelijk bij één of meer door de raad van toezicht - niet uit diens midden - aan te wijzen personen. Gaat de raad van

3

toezicht niet binnen twee weken tot een zodanige aanwijzing over dan wordt het bestuur waargenomen door de persoon die daartoe, op verzoek van één of meer belanghebbende(n), door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting statutair is gevestigd, is of wordt aangewezen. Functioneren, defungeren, schorsing en ontslag van leden van het college van bestuur Artikel 9 1. De raad van toezicht gaat met de leden van het college van bestuur periodiek in gesprek over hun functioneren. De wijze waarop deze gesprekken plaatsvinden, wordt uitgewerkt in het vast te stellen bestuurs- en toezichtsreglement. 2. Een lid van het college van bestuur defungeert: a. door zijn overlijden; b. door zijn ondercuratelestelling, alsmede door een rechterlijke beslissing waarbij als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand een bewind over één of meer van zijn goederen wordt ingesteld; c. door het eindigen van de benoemingsduur; d. door de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst of zijn tewerkstelling; e. door zijn ontslag verleend door de raad van toezicht; f. door zijn ontslag door de rechtbank; g. door het zich voordoen van een onverenigbaarheid als bedoeld in artikel 7 van deze statuten. 3. De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd een lid van het college van bestuur te schorsen.

De schorsing van het betreffende lid vervalt indien de raad van toezicht niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot opheffing of handhaving van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden gehandhaafd, ingaande op de datum waarop het besluit tot handhaving van schorsing werd genomen. Het betreffende lid van het college van bestuur wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich juridisch doen bijstaan. 4. De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd een lid van het college van bestuur te ontslaan, ook wanneer hij voor bepaalde tijd is benoemd. Het betreffende lid van het college van bestuur wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin het ontslag aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich juridisch doen bijstaan. 5. Een besluit tot schorsing of ontslag van een lid van het college van bestuur wordt genomen met een stemmenmeerderheid van ten minste twee/derde van de geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering van de raad van toezicht waarin ten minste twee/derde deel van de leden aanwezig is.

Wordt aan dit aanwezigheidscriterium niet voldaan, dan kan binnen twee weken na de eerste vergadering een nieuwe vergadering worden gehouden waarin een besluit kan worden genomen met een twee/derde meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen van de raad van toezicht, ongeacht het aantal aanwezigen. Taak en bevoegdheden college van bestuur Artikel 10 1. Het college van bestuur is belast met het besturen van de stichting. 2. De stichting oefent, met inachtneming van het bepaalde in het derde lid van dit artikel, alle taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het bevoegd gezag van scholen toekomen. 3. Ingeval van een meerhoofdig college van bestuur stelt het college van bestuur een taakverdeling voor de leden van het college van bestuur vast na voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht. 4. Het college van bestuur heeft voorafgaande goedkeuring casu quo instemming van de raad van toezicht en gemeenteraad nodig voor besluiten tot: a. het wijzigen van de statuten van de stichting; b. het ontbinden van de stichting; c. het opheffen van een openbare school en het overdragen van een openbare school aan een ander bevoegd gezag van scholen voor openbaar onderwijs.

4

5.

6.

7.

8.

Het college van bestuur heeft voorts voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig voor besluiten tot: a. het opheffen van een bijzondere school en het overdragen van een bijzondere school aan een ander bevoegd gezag van scholen voor bijzonder onderwijs; b. de vaststelling van de begroting; c. de vaststelling van de jaarrekening en het jaarverslag; d. de vaststelling van het strategisch beleidsplan; e. het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, alsmede tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt; f. het aangaan van financiële verplichtingen en samenwerkingsovereenkomsten welke niet binnen de begroting zijn opgenomen en waarvan het belang meer bedraagt dan een door de raad van toezicht vast te stellen en aan het college van bestuur mee te delen bedrag; g. de beëindiging van de dienstbetrekking van een aanmerkelijk aantal werknemers tegelijkertijd of binnen een kort tijdbestek; h. een ingrijpende wijziging van de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers in dienst van de stichting; i. een aanvraag tot faillissement of van surséance van betaling; j.

de opheffing of afsplitsing van (een deel van) door de stichting in stand gehouden scholen; k. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de stichting of de in stand te houden scholen. De raad van toezicht is bevoegd ook andere besluiten dan in lid 4 en 5 zijn genoemd aan zijn goedkeuring, advies of consultatie vooraf te onderwerpen. Die andere besluiten dienen duidelijk omschreven te worden en schriftelijk aan het college van bestuur te worden medegedeeld. Het ontbreken van de goedkeuring van de raad van toezicht laat onverlet de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het college van bestuur. Het college van bestuur kan al dan niet uit zijn midden commissies instellen, die onder verantwoordelijkheid van het college van bestuur belast kunnen worden met aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college van bestuur behoren. Een commissie is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur. De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het college van bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, bevoegd de maatregelen te treffen die hij nodig acht om de continuïteit van het openbaar onderwijs te waarborgen.

Werkwijze college van bestuur Artikel 11 1. In geval van een meerhoofdig college van bestuur wordt de werkwijze van het college van bestuur nader geregeld in een door de raad van toezicht, na verkregen schriftelijk advies van het college van bestuur, vast te stellen bestuurs- en toezichtsreglement. 2. Een lid van het college van bestuur neemt niet deel aan de beraadslaging of de besluitvorming over een aangelegenheid indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in artikel 5 lid 3 van deze statuten. Indien het college van bestuur, als gevolg van het bepaalde in de vorige volzin, geen besluit kan nemen, wordt het besluit over deze aangelegenheid genomen door de raad van toezicht. Vertegenwoordiging Artikel 12 1. Het college van bestuur vertegenwoordigt de stichting, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. 2. De voorzitter van de raad van toezicht, dan wel een door de raad van toezicht aan te wijzen ander lid van deze raad, vertegenwoordigt de stichting in gevallen waarbij de raad van toezicht handelt als de

5

3.

werkgever van het college van bestuur en voorts als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 11, tweede lid, laatste volzin. Het college van bestuur kan besluiten tot de verlening van volmacht aan derden om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.

HOOFDSTUK B2, Over de raad van toezicht Benoeming leden van de raad van toezicht en functieverdeling Artikel 13 1. De raad van toezicht bestaat uit een door de raad van toezicht te bepalen aantal van vijf tot zeven personen. 2. De leden van de raad van toezicht worden, op voordracht vanuit de raad van toezicht, benoemd door de raad van toezicht, onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid. 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt één lid van de raad van toezicht benoemd door de gemeenteraad van Deventer, op bindende voordracht van de raad van toezicht. 4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt voorts één lid van de raad van toezicht benoemd door de raad van toezicht, op bindende voordracht van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de stichting. 5. Benoeming van alle leden van de raad van toezicht geschiedt met inachtneming van een door de raad van toezicht opgestelde profielschets waarin de noodzakelijke competenties van de raad van toezicht en de afzonderlijke leden van de raad van toezicht worden beschreven. De proflelschets wordt vooraf openbaar gemaakt. Bij het ontstaan van een vacature kan de profielschets door de raad van toezicht nader worden ingevuld. 6. De raad van toezicht wijst uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter aan.

Onverminderd de collectieve verantwoordelijkheid kan de raad van toezicht besluiten tot een onderlinge verdeling van taken en bevoegdheden. Onverenigbaarheden met het lidmaatschap van de raad van toezicht Artikel 14 Tot lid van de raad van toezicht kunnen niet worden benoemd: a. personen die in dienstverband bij de stichting werkzaam zijn, dan wel anderszins werkzaamheden verrichten voor rekening van de stichting dan wel daaraan diensten verlenen of goederen leveren; b. personen die deel uitmaken van een medezeggenschapsorgaan van de stichting; c. personeelsleden en/of leden van het college van bestuur van de stichting; d. personen waarmee een in dienstverband bij de stichting werkzame persoon een duurzame huishouding voert; e. bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad van de onder sub a. tot en met d. bedoelde personen; f. personen die zitting hebben in een college van burgemeester en wethouders of lid zijn van de gemeenteraad van een gemeente waarin de stichting scholen instandhoudt; g. personen die direct of indirect betrokken zijn bij de vaststelling van de voor de medewerkers geldende collectieve arbeidsovereenkomst; h. personen waarvoor anderszins een in de van toepassing zijnde code voor goed bestuur of code voor goed toezicht benoemingsonmogelijkheid geldt. Zittingsduur leden raad van toezicht en vacatures Artikel 15 1.

Leden van de raad van toezicht treden uiterlijk vier jaar na hun benoeming af volgens een door de raad van toezicht op te stellen rooster van aftreden. De in een tussentijdse vacature benoemde neemt op het rooster de plaats in van degene in wiens vacature hij werd benoemd. Een volgens rooster aftredend lid van de raad van toezicht is terstond herbenoembaar. Herbenoeming is slechts tweemaal mogelijk, met dien verstande dat de maximale zittingsduur van een lid van de raad van toezicht acht jaar is.

6

2.

In geval van vacatures behoudt de raad van toezicht zijn bevoegdheden onverminderd de verplichting om onverwijld maatregelen tot aanvulling van zijn ledental te nemen.

Defungeren leden raad van toezicht, schorsing en ontslag Artikel 16 1. Een lid van de raad van toezicht defungeert: a. door zijn overlijden; b. door zijn ondercuratelestelling, alsmede door een rechterlijke beslissing waarbij als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand een bewind over één of meer van zijn goederen wordt ingesteld; c. door het verstrijken van de termijn vermeld in het rooster van aftreden; d. door zijn vrijwillig aftreden (bedanken); e. door zijn ontslag verleend door de raad van toezicht; f. onverminderd het bepaalde in sub e. van dit artikellid: door zijn ontslag door de gemeenteraad indien het betreft het lid van de raad van toezicht dat is benoemd door de gemeenteraad; g. door het verkrijgen van een onverenigbare betrekking of hoedanigheid als bedoeld in artikel 14 van deze statuten. 2. Een lid van de raad van toezicht kan te allen tijde worden geschorst en/of ontslagen door de raad van toezicht. Het lid van de raad van toezicht dat is benoemd door de gemeenteraad kan voorts worden geschorst door de gemeenteraad. Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in de vergadering van de raad van toezicht, dan wel van de gemeenteraad, waarin schorsing aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich juridisch doen bijstaan.

De schorsing van het betrokken lid vervalt, indien de raad van toezicht dan wel de gemeenteraad niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot opheffing of handhaving van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden gehandhaafd, ingaande op de datum waarop het besluit tot handhaving van de schorsing werd genomen. 3. Een lid van de raad van toezicht kan worden ontslagen wegens onder meer: a. verwaarlozing van zijn taak of onvoldoende functioneren; b. onverenigbaarheid van functies of belangen; c. wijziging van de omstandigheden of andere redenen op grond waarvan zijn handhaving als lid redelijkerwijs niet van de stichting kan worden verlangd. Ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht Artikel 17 1. In geval van ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht zal door de rechtbank van het arrondissement waar de stichting is gevestigd een beletfunctionaris worden benoemd. Het verzoek daartoe aan de rechtbank kan door iedere belanghebbende bij de stichting worden gedaan. 2.

In geval van ontstentenis van alle leden van de raad van toezicht heeft de beletfunctionaris bedoeld in het vorige lid, naast de uitoefening van de taken van de raad van toezicht, de taak op zo kort mogelijke termijn een nieuwe raad van toezicht samen te stellen, die voldoet aan de bepalingen van deze statuten en de daarbij behorende reglementen. Taak en bevoegdheden raad van toezicht; beloning Artikel 18 1. De raad van toezicht heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van de organisatie en de algemene gang van zaken in de stichting. De raad van toezicht fungeert waar nodig als stimulerende sparringpartner voor het college van bestuur. 2. Naast hetgeen overigens in deze statuten ten aanzien van de raad van toezicht is bepaald, is de raad van toezicht tenminste belast met: a. het benoemen, schorsen en/of ontslaan van leden van het college van bestuur; b. het goedkeuren van de begroting, het jaarverslag en het strategisch beleidsplan;

7

c.

3.

4. 5.

6.

het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen, de code voor goed bestuur en eventuele afwijkingen van die code; d. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de scholen verkregen op grond van de Wet op het primair onderwijs; e. het aanwijzen van de accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad van toezicht; f. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder sub b tot en met e van dit lid, in het jaarverslag. De raad van toezicht is bevoegd een besluit of maatregel van het college van bestuur te schorsen wegens strijd met enig geldende regeling en/of wegens mogelijke schade aan de belangen van de stichting, dan wel diens scholen. Een besluit tot schorsing wordt genomen uiterlijk acht dagen nadat dit besluit aan de voorzitter van de raad van toezicht ter kennis is gebracht. Van een besluit tot schorsing wordt terstond mededeling gedaan aan het college van bestuur, dat daarna mitsdien geen uitvoering zal geven aan het geschorste besluit.

Uiterlijk veertien dagen nadat een besluit tot schorsing is genomen moet het college van bestuur schriftelijk aan de raad van toezicht laten weten of het geschorste besluit zal worden ingetrokken. Indien zwaarwegende belangen in het geding zijn, is de raad van toezicht bevoegd de termijn van veertien dagen éénmalig met veertien dagen te verlengen. De raad van toezicht kan zich, na overleg met het college van bestuur, voor rekening van de stichting, in de uitoefening van zijn taak doen bijstaan door één of meer deskundigen. De raad van toezicht is bevoegd om uit zijn midden commissies in te stellen en, indien gewenst, op te heffen. De raad van toezicht kan voor deze commissies separate reglementen vaststellen, welke reglementen ook door de raad van toezicht kunnen worden gewijzigd en ingetrokken. De leden van de raad van toezicht kunnen voor hun werkzaamheden een beloning ontvangen. De hoogte hiervan wordt vastgesteld door de raad van toezicht en is maximaal gelijk aan het bedrag dat door de brancheorganisatie van toezichthouders in het onderwijs is vastgesteld of geadviseerd. De hoogte van de vergoedingen worden in het jaarverslag opgenomen.

Werkwijze raad van toezicht Artikel 19 1. In de vergaderingen van de raad van toezicht heeft ieder lid één stem. Alle besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen. 2. De raad van toezicht kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte meerderheid van het aantal leden zich vóór het voorstel heeft verklaard. Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld. 3. Vergaderingen van de raad van toezicht worden tenminste vijf maal per jaar gehouden en voorts zo dikwijls de voorzitter of twee van zijn leden dat verlangen. 4. De bijeenroeping van de vergaderingen van de raad van toezicht geschiedt door middel van een brief of een langs elektronische weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht op een termijn van ten minste zeven dagen, onder opgave van de te behandelen onderwerpen. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, kan de termijn van oproeping worden beperkt tot ten minste vierentwintig uur.

De vergaderingen worden gehouden ter plaatse binnen Nederland, bij voorkeur in de gemeente Deventer, te bepalen door degene die de vergadering bijeen riep, dan wel deed bijeenroepen. Indien werd gehandeld in strijd met het hiervoor in dit lid bepaalde, kan de raad van toezicht niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige leden vóór het tijdstip van de vergadering hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten. 5. De vergaderingen van de raad van toezicht zijn openbaar tenzij en voor zover de raad van toezicht besluit dat het belang van de stichting, de door de stichting in standgehouden scholen of de privacy

8

van betrokkenen zich daartegen verzet. Een vergadering waarin het eigen functioneren van de raad van toezicht en/of het functioneren van het college van bestuur worden besproken zal in ieder geval besloten zijn. Van een besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij de raad van toezicht anders beslist. 6. De voorzitter leidt de vergaderingen van de raad van toezicht. Bij zijn afwezigheid treedt de vicevoorzitter in zijn plaats. De raad van toezicht benoemt uit of buiten zijn midden een notulist, die de notulen van de vergadering houdt. De raad van toezicht stelt de notulen in dezelfde of in zijn eerstvolgende vergadering vast. 7. Een lid van de raad van toezicht neemt niet deel aan de beraadslaging of besluitvorming over een aangelegenheid waarbij hij een persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang genoemd in artikel 5 lid 3. Indien de raad van toezicht als gevolg hiervan geen besluit kan nemen, neemt het dat besluit toch, onder vastlegging van alle overwegingen die aan dit besluit ten grondslag liggen, in de notulen. 8. De voorzitter bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden gehouden, met dien verstande, dat indien één of meer leden zulks verlangen, stemmingen over personen schriftelijk geschieden. 9.

Het door de voorzitter ter vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van de stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel. 10. De leden van het college van bestuur zijn, indien zij daartoe worden uitgenodigd, verplicht de vergaderingen van de raad van toezicht bij te wonen. 11. De raad van toezicht treedt als eenheid naar buiten. 12. De raad van toezicht kan zijn werkwijze nader regelen in het door de raad van toezicht vast te stellen bestuurs- en toezichtsreglement. De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd dit reglement te wijzigen of in te trekken. Informatieverstrekking aan de raad van toezicht Artikel 20 1. Het college van bestuur verschaft de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden noodzakelijke gegevens en voorts aan ieder lid van de raad van toezicht alle inlichtingen betreffende de aangelegenheden van de stichting die deze uit hoofde van zijn functie als lid van de raad van toezicht, dan wel de binnen de raad van toezicht geldende verdeling van taken en bevoegdheden, mocht verlangen. 2.

De raad van toezicht is bevoegd inzage te nemen en te doen nemen van alle boeken, bescheiden, overige gegevensdragers en correspondentie van de stichting indien en voor zover de raad van toezicht gemotiveerd oordeelt dat dit van belang is voor de uitoefening van zijn taak en dit voorts op grond van andere regelgeving is toegestaan. 3. Indien de raad van toezicht dit geboden acht kan de raad van toezicht, in overleg met het college van bestuur, informatie inwinnen van functionarissen en externe adviseurs van de stichting. De raad van toezicht kan verlangen dat bepaalde functionarissen en externe adviseurs bij zijn vergaderingen aanwezig zijn. De interne controller van de stichting heeft rechtstreeks toegang tot de voorzitter van de raad van toezicht wanneer hij een vermoeden van een misstand heeft, als bedoeld in de Wet Huis voor klokkenluiders, voor zover die vermoede misstand betrekking heeft op zijn taak als interne controller. AFDELING C, FINANCIEN Financiële middelen Artikel 21 1. Het vermogen van de stichting wordt gevormd door: a. het aanwezige afgezonderde vermogen van de stichting; b. verkrijgingen krachtens erfstellingen, schenkingen, giften of legaten; c. al hetgeen anderszins mag worden toegevoegd.

9

2.

3.

Erfstellingen mogen alleen worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Schenkingen en giften mogen uitsluitend worden aanvaard indien daaraan geen voorwaarden kleven die strijdig zijn met de beginselen van de stichting of die bezwarend zijn voor de realisering van de doelstelling. De inkomsten van de stichting bestaan uit: a. rijksbijdragen en andere subsidies; b. vrijwillige ouder- en andere bijdragen; c. de baten van de exploitatie; d. al hetgeen op wettige wijze wordt verkregen. Het geldelijke vermogen van de stichting mag alleen belegd worden overeenkomstig het door het college van bestuur vast te stellen treasurybeleid.

Boekjaar, jaarstukken Artikel 22 1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar. 2. Het college van bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting zodanige aantekeningen te houden dat daaruit te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. 3. Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de stichting, maakt het college van bestuur een jaarverslag op over dat boekjaar. Bij het opmaken van het jaarverslag houdt het college van bestuur rekening met het bepaalde in artikel 4 (doelstellingen) en schenkt het college van bestuur aandacht aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs als bedoeld in artikel 17 lid 6 van de wet. 4. Het college van bestuur overlegt met de gemeenteraad over de jaarrekening. Dit overleg vindt plaats voordat de jaarrekening ter goedkeuring aan de raad van toezicht wordt gezonden. De gemeenteraad kan dit overleg delegeren aan het College van burgemeester en wethouders. 5. De jaarrekening behoeft de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Na de goedkeuring door de raad van toezicht gaat het college van bestuur over tot de vaststelling van de jaarrekening. 6. De jaarrekening wordt ondertekend door alle leden van het college van bestuur en de voorzitter van de raad van toezicht.

Indien de ondertekening van één of meer van hen ontbreekt, wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt. 7. De raad van toezicht draagt het college van bestuur op de jaarrekening te doen onderzoeken door een door de raad van toezicht aan te wijzen certificerend accountant. De accountant brengt gelijkelijk aan het college van bestuur en de raad van toezicht verslag uit betreffende zijn bevindingen. De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd om een andere certificerend accountant aan te wijzen. 8. Het college van bestuur is verplicht om binnen drie maanden na vaststelling het jaarverslag openbaar te maken. 9. Het college van bestuur is verplicht de in dit artikel bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende tenminste de wettelijke termijn te bewaren. Begroting Artikel 23 1. Het college van bestuur stelt jaarlijks voor vijftien november een begroting op voor het volgende kalenderjaar en legt deze begroting aan de raad van toezicht ter goedkeuring voor. 2. Voordat de begroting ter goedkeuring aan de raad van toezicht wordt gezonden overlegt het college van bestuur met de gemeenteraad over de begroting. De gemeenteraad kan dit overleg laten plaatsvinden door het college van burgemeester en wethouders. 3.

Het college van bestuur stelt de begroting vast na verkregen goedkeuring van de raad van toezicht en nadat hierover de wettelijk vereiste medezeggenschap is uitgevoerd.

10

Vrijwaring en vrijtekening Artikel 24 1. Het college van bestuur zal, in samenspraak met de raad van toezicht, een verzekering op redelijke voorwaarden afsluiten van de aansprakelijkheid van leden van het college van bestuur en de raad van toezicht. Voorts geldt het hierna in dit artikel bepaalde. 2. De stichting stelt iedere persoon die, vanwege het feit dat hij lid van het college van bestuur of van de raad van toezicht van de stichting is of was, als partij betrokken was of is of als partij betrokken dreigt te worden bij een op handen zijnde, aanhangige of beëindigde actie of procedure van welke aard dan ook, door of namens de stichting dan wel door derden ingesteld, schadeloos voor alle nadelige financiële gevolgen, daaronder begrepen kosten en boetes, die hij in werkelijkheid en redelijkerwijze heeft moeten dragen in verband met een dergelijke actie of procedure, mits hij te goeder trouw (zo ruim uitgelegd als juridisch van tijd tot tijd mogelijk) en op een wijze die hij redelijkerwijze kon beschouwen in het belang van of niet tegen de belangen van de stichting te zijn, heeft gehandeld. 3. Een schadeloosstelling door de stichting bedoeld in het vorige lid geschiedt na een vaststelling dat het lid van het college van bestuur of van de raad van toezicht voldaan heeft aan de van toepassing zijnde gedragsnorm genoemd in het vorige lid.

Deze vaststelling geschiedt door de raad van toezicht in een voltallige vergadering. 4. Kosten gemaakt voor het voeren van verweer in een actie of procedure kunnen door de stichting worden voorgeschoten in afwachting van de einduitspraak in de actie of procedure en wel krachtens besluit van de raad van toezicht met betrekking tot het desbetreffende geval, na ontvangst van een schriftelijke toezegging door of namens het lid van het college van bestuur dan wel van de raad van toezicht om dit bedrag terug te betalen, tenzij uiteindelijk vastgesteld wordt dat hij het recht heeft door de stichting schadeloos gesteld te worden zoals in dit artikel bepaald. 5. De schadeloosstelling voorzien in dit artikel wordt niet geacht enig recht uit te sluiten dat degene die schadeloosstelling tracht te verkrijgen zou kunnen toekomen krachtens een reglement, overeenkomst of van de niet-belanghebbende leden van het college van bestuur of anderszins, zowel met betrekking tot handelingen in hoedanigheid als met betrekking tot handelingen in een andere hoedanigheid, terwijl hij een voornoemde hoedanigheid bekleedt, en zal blijven gelden voor een persoon die geen lid meer van het college van bestuur of van de raad van toezicht is en zal ook ten goede komen aan de erfgenamen of legatarissen. AFDELING D, OVERIGE LOGISTIEK Statutenwijziging Artikel 25 1.

Het college van bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot statutenwijziging is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad, waarbij de gemeenteraad haar goedkeuring hieraan slechts kan onthouden indien de overheersende invloed van de overheid niet is verzekerd in het bestuur voor zover het openbaar onderwijs betreft. 2. Het besluit van de raad van toezicht tot het verlenen van goedkeuring behoeft twee/derde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Zijn in een vergadering waarin een voorstel als bedoeld in dit lid aan de orde wordt gesteld, niet alle in functie zijnde leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd, dan zal binnen veertien dagen na het houden van de eerste vergadering een tweede vergadering worden bijeengeroepen, waarin alsdan, mits tenminste meer dan de helft van het aantal in functie zijnde leden van de raad van toezicht aanwezig is, met een meerderheid van tenminste twee/derde van de uitgebrachte stemmen besluiten omtrent een zodanig voorstel kunnen worden genomen. 3. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt.

leder lid van het college van bestuur is bevoegd deze akte te doen verlijden. 4. Het college van bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de wijziging en een volledige doorlopende tekst van de gewijzigde statuten neer te leggen op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden Handelsregister.

11

5.

Mutatis mutandis geldt het bepaalde in dit artikel voor het besluit tot juridische fusie of juridische splitsing.

Ontbinding en vereffening Artikel 26 1. Het college van bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het besluit tot ontbinding is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot ontbinding is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad, met dien verstande dat in de regeling tot ontbinding een overheersende invloed van de overheid verzekerd moet zijn voor wat betreft het openbaar onderwijs. 2. Op besluiten omtrent ontbinding van de stichting is het bepaalde in lid 2 van het voorgaande artikel van overeenkomstige toepassing. 3. Tenzij de raad van toezicht anders besluit, is het college van bestuur met de vereffening belast. 4. De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding inschrijving geschiedt op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden Handelsregister. 5. De raad van toezicht stelt de bestemming van het batig liquidatiesaldo vast. Een na vereffening overblijvend liquidatiesaldo van de ontbonden stichting moet worden besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met een soortgelijke doelstelling, of ten behoeve van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke doelstelling heeft. 6. Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit tot de vereffening van haar vermogen nodig is.

Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden "in liquidatie". 7. Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en overige gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende de door de wet bepaalde termijn berusten bij de door de vereffenaars aangewezen persoon. Deze persoon is gehouden zijn aanwijzing ter inschrijving op te geven in het in lid 4 van dit artikel vermelde register. Geheimhouding van stukken Artikel 27 1. De raad van toezicht kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan hem zijn of worden voorgelegd, geheimhouding opleggen. 2. De ingevolge het voorgaande lid opgelegde geheimhouding wordt zowel door degenen die bij de behandeling aanwezig waren, alsmede door degenen die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennisnemen, in acht genomen, totdat de raad van toezicht de geheimhouding opheft. 3. De voorzitter kan omtrent de inhoud van stukken, genoemd in het voorgaande lid 1, voorlopige geheimhouding opleggen. De verplichting tot voorlopige geheimhouding vervalt, indien zij niet in de eerstvolgende vergadering, waarin meer dan de helft van de leden tegenwoordig is, door de raad van toezicht wordt bekrachtigd.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13391378/1