2023-100 Notitie Reikwijdte en Detailniveau RES 2.0
Tekst van het document
Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER Herijking RES 2.0 West-Overijssel MER RES West-Overijssel 14 december 2022
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Verantwoording Titel
Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER Herijking RES 2.0 West-Overijssel
Opdrachtgever
Provincie Overijssel
Projectleider
Joost de Jong
Auteur(s)
Gijs Fijen
Tweede lezers
Marieke van der Linde – van Persie, Joost de Jong
Projectnummer
1288105
Aantal pagina’s
21
Datum
14 december 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Inhoud Inhoud ............................................................................................................................................... 3 1
2
3
4
5
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding .......................................................................................................................... 4
1.2
Doel Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) .................................................................. 4
1.3
Een PlanMER voor de RES 2.0 West-Overijssel ............................................................... 4
1.4
Leeswijzer .......................................................................................................................... 6
Scope milieueffectrapport Herijking RES 2.0 West-Overijssel .................................................. 6 2.1
Regionale Energiestrategie West-Overijssel ...................................................................... 6
2.2
Plangebied ......................................................................................................................... 8
2.3
Raakvlakken met andere m.e.r.-trajecten .......................................................................... 9
Relevante beleidskaders ......................................................................................................... 10 3.1
Nationaal .......................................................................................................................... 10
3.2
Provinciaal ........................................................................................................................ 11
3.3
Lokaal ............................................................................................................................... 12
Aanpak milieuonderzoek ......................................................................................................... 12 4.1
Stappen PlanMER ............................................................................................................ 12
4.2
Beoordelingskader milieu effecten onderzoek ................................................................. 14
4.3
Scope onderzoeken ......................................................................................................... 16
4.4
Te onderzoeken alternatieven .......................................................................................... 19
De m.e.r.-procedure ................................................................................................................ 20 5.1
Kennisgeving en raadpleging ........................................................................................... 20
5.2
Opstellen PlanMER en Nota van beantwoording ............................................................. 20
5.3
Terinzagelegging PlanMER ............................................................................................. 21
5.4
Besluit en vervolg ............................................................................................................. 21
3/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De regio West-Overijssel werkt aan het opstellen van een Regionale Energiestrategie (RES) 2.0. Een RES biedt de regio en provincie een beeld van hoe het energielandschap van WestOverijssel zich in de brede zin van het woord gaat ontwikkelen tot en met 2030 en is een instrument om regionale keuzes te maken in samenwerking met de samenleving. Voor het herijkingsdeel van de RES 2.0 geldt een planm.e.r.-plicht. Onderdeel van de m.e.r.-procedure is het opstellen van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD).
1.2
Doel Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)
Deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau is de eerste stap in het proces om tot een PlanMER voor de herijking RES 2.0 te komen. De NRD heeft als doel om inzicht te geven in de stappen die ten behoeve van het PlanMER doorlopen worden. De NRD beschrijft welke thema’s en milieueffecten in de m.e.r.-procedure onderzocht worden. Dat wordt de reikwijdte genoemd. Daarnaast geeft de NRD informatie over de manier waarop de effecten van de RES 2.0 onderzocht zullen worden en met welke diepgang. Dit wordt het detailniveau genoemd. De reikwijdte en het detailniveau worden nader toegelicht in hoofdstuk 5 van dit document. De publicatie van de NRD markeert de start van de m.e.r.-procedure. De NRD beoogt om alle betrokkenen en geïnteresseerde partijen te informeren over de achtergrond en de aard van de voorgenomen activiteiten. De NRD wordt daarom ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld zienswijzen kenbaar te maken op het voornemen van het opstellen van een PlanMER.
1.3
Een PlanMER voor de RES 2.0 West-Overijssel
Zoals beschreven vormt de publicatie van de NRD de start van de m.e.r.-procedure. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld. M.e.r. staat voor ‘milieueffectrapportage’ en is de procedure waarbinnen een MER wordt opgesteld. MER staat voor ‘Milieueffectrapport’ en bevat de resultaten van het onderzoek naar de(milieu)effecten binnen een m.e.r. De toevoeging ‘Plan’ (PlanMER) wil zeggen dat het om een MER voor een strategisch beleidsplan gaat, zoals een RES. Het PlanMER helpt om het milieubelang volwaardig mee te nemen in de afweging van locaties voor de opwek van duurzame energie binnen de Herijking RES 2.0 W-O. Op deze manier voedt het PlanMER de Herijking RES 2.0 W-O. Het PlanMER wordt samen met de Herijking RES 2.0 W-O ter inzage gelegd. Het kader op pagina 5 geeft een nadere toelichting op de m.e.r.-plicht voor de RES 2.0, figuur 1.1 toont de milieueffectrapportage in het RES proces. Tijdens het ambtelijk platform op 8 december is een brede consensus bereikt dat een eventueel uitstel van de Omgevingsvisie niet leidt tot uitstel van de RES 2.0 en het bijbehorende PlanMER.
4/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Toelichting m.e.r plicht Voor de totstandkoming van de RES 1.0 was een plan-m.e.r. niet verplicht. Een RES 1.0 is onder de huidige wet- en regelgeving namelijk geen ‘programma’. Bij het in werking treden van de Omgevingswet krijgt het ‘programma’ een positie van kerninstrument in de wet. Daardoor worden meer documenten, zoals de RES 2.0, plan-m.e.r plichtig dan bij het huidige recht. RES 2.0 Het Nationaal Programma RES maakt voor het vervolg van de RES onderscheid in het RES voortgangsdocument 2.0 en het RES herijkingsdocument 2.0. Het Voortgangsdocument gaat in op monitoring en de verantwoording ten opzichte van de RES 1.0. Het document bevat geen nieuwe keuzes en er vindt geen besluitvorming plaats. Het Voortgangsdocument is daardoor niet kaderstellend en niet m.e.r.-plichtig. Het RES Herijkingsdocument 2.0 wordt daarentegen wel ter besluitvorming voorgelegd en kan wel nieuwe keuzes bevatten. Het document is een herijking van nieuwe kaders, nieuwe inzichten, nieuwe verhoudingen, nieuwe ambities en/of andere ruimteclaims. De RES Herijking 2.0 kan het karakter hebben van een uitwerking van beleid of kan een set aan maatregelen bevatten om doelstellingen voor de leefomgeving te bereiken. Onder de Omgevingswet wordt een RES daarom als programma bestempeld. Het programma RES Herijking 2.0 kan een kader voor zogenaamde m.e.r.-plichtige activiteiten omvatten.
Dat betekent dat het verplicht is voor zulke activiteiten een milieueffectrapportage op te stellen (hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer). Het gaat hierbij om bedrijven en activiteiten die op de C of D lijst staan van het besluit m.e.r. Herijking RES 2.0 W-O Voor de regio West-Overijssel geldt dat het RES herijkingsdocument 2.0 een uitwerking is van de gemaakte afspraken in de RES 1.0 waarin nog niet alle zoekgebieden zijn vastgesteld en waarin de verhouding wind/zon nader wordt geoptimaliseerd. Dit maakt de Herijking RES 2.0 W-O m.e.r.plichtig. Het Herijkingsdocument wordt op advies van NP RES vastgesteld door volksvertegenwoordigers op lokaal niveau. Passende Beoordeling Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat ontwikkelingen zoals opgenomen in de RES 2.0 significante gevolgen hebben voor Natura-2000 gebieden. Daarom is mogelijk een Passende Beoordeling nodig. Volgens de wet milieubeheer zijn plannen waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt m.e.r.-plichtig. De Passende Beoordeling is een document waarin dieper wordt ingegaan op de gevolgen voor Natura-2000 gebieden. Het detailniveau van de Passende beoordeling moet passen bij het detailniveau van het plan. Omdat het in dit geval om een RES 2.0 gaat, zal een eventuele Passende Beoordeling ook een meer abstract karakter hebben.
Wanneer een Passende Beoordeling wordt opgesteld zal deze integraal onderdeel uitmaken van het MER.
5/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Figuur 1.1 Milieueffectrapportage in het RES proces (Bron: Nationaal programma RES)
1.4
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt de scope voor het milieueffectrapport Herijking RES 2.0 W-O besproken. Hierin wordt nader ingegaan op de Herijking RES 2.0 W-O en het bijbehorende plangebied. In Hoofdstuk 3 volgen de relevante beleidskaders die van invloed zijn op de Herijking RES 2.0 W-O en de regio West-Overijssel, daarbij worden ook de raakvlakken met andere m.e.r.-trajecten uitgelicht. In Hoofdstuk 4 volgt het antwoord op de vraag hoe het milieuonderzoek wordt aangepakt aan de hand van een beoordelingskader, referentiesituatie, effectbeoordeling en alternatieven. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 de m.e.r. procedure nader toegelicht.
2 Scope milieueffectrapport Herijking RES 2.0 WestOverijssel 2.1
Regionale Energiestrategie West-Overijssel
Voorafgaand aan een RES 2.0 is een RES 1.0 vastgesteld. De RES 1.0 West-Overijssel (RES 1.0 W-O) is tot stand gekomen na een intensief samenwerkingsproces waarbij gemeenten, provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties en netbeheerders georganiseerd in de adviesgroep RES een bod van 1.8 TWh via wind, zon op veld en zon op dak hebben vastgesteld. Hierbij hebben zij zich intensief laten adviseren door de netbeheerders in de regio. Met de RES 1.0 is een fundament gelegd onder de regionale samenwerking voor de bijdrage aan het landelijke Klimaatakkoord voor de opwek van 35 TWh duurzame energie met wind- en zonne-energie op land. Hiermee geven de bestuurlijke partners in de RES aan wat zij willen bijdragen aan de energietransitie en hoe zij in regionaal verband met inwoners en maatschappelijke organisaties willen samenwerken aan de realisatie van deze doelstellingen. Die doelstellingen geven vorm aan de afspraken rond duurzame opwek van energie en regionale warmtestructuur.
6/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Doelstellingen en afspraken RES 1.0 De RES 1.0 heeft het karakter van een beleidsdocument dat richtinggevend is voor de verdere ontwikkeling van de energiestrategie. In de kern bestaat de RES 1.0 uit zes doelstellingen en zes afspraken. De doelstellingen komen neer op het volgende: 1.
Het bod van de RES 1.0 W-O voor duurzame opwek van elektriciteit in 2030 bedraagt 1,826TWh waarbij regionaal wordt gestreefd naar een verhouding van 60% opwek door windenergie en 40% door zon
2.
Zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden zijn vastgelegd of worden uiterlijk bestuurlijk vastgelegd bij de RES 2.0 zodat een goede verdeling naar de hoog-en middenspanningsstations gemaakt kan worden
3.
Op lokaal en subregionaal niveau wordt de ruimtelijke potentie in de regio verder uitgewerkt op basis van de ontwerpprincipes uit de concept-RES. Bij de RES 2.0 wordt de balans opgemaakt
4.
De maatschappelijke kosten van het netwerk worden beperkt door de ‘knoppen’ te hanteren voor meer wind, grotere clusters en redelijke afstanden tot aansluitpunten om aan de opwek van 60% windenergie en 40% zonne-energie te kunnen voldoen
5.
Voor de realisatie van windmolens en grootschalige zonneparken wordt gestreefd naar een gebiedsgerichte en grensontkennende aanpak Het doel is om minimaal 50% lokaal eigendom in de opwek door wind en grootschalig zon-op-
6.
veld te realiseren De RES 1.0 is in de zomer van 2021 vastgesteld door de elf gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen. Om de energie met windmolens en zonneparken op te kunnen wekken in 2030 moeten uiterlijk begin 2025 de vergunningen hiervoor zijn afgegeven. Dat betekent dat duidelijk moet zijn waar de wind- en zonneparken gerealiseerd kunnen worden en hoe de energie-infrastructuur daarop afgestemd moet worden. Herijking RES 2.0 W-O De doelstellingen en afspraken uit de RES 1.0 worden nader uitgewerkt in de RES 2.0. Het RES herijkingsdocument 2.0 voor West Overijssel is een uitwerking van de gemaakte afspraken in de RES 1.0 waarin nog niet alle zoekgebieden zijn vastgesteld en waarin de verhouding wind/zon nader wordt geoptimaliseerd. Halfjaarlijkse monitoring op het RES-bod Met inzet van het instrument monitoring wordt halfjaarlijks (december en juli) gekeken naar de stand van zaken op het gebied van opwek en andere onderwerpen zoals samenwerking en lokaal eigendom. De betrokken partners bespreken de voortgang en kijken of er herijkingen en nieuwe kaderstellingen nodig zijn om de doelen te kunnen halen. Eind juni is de 'Tussenstand juli 2022' opgeleverd. Daaruit blijkt dat 45% van de totale opgave (1,8 TWh) gerealiseerd (23%) of in ontwikkeling (22%) is.
7/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Governance De gemeenten spelen een cruciale rol in het behalen van de RES doelstellingen en werken daarbij samen in subregionaal verband. De afgesproken governance uit de RES 1.0 blijft ook leidend voor in de periode naar de RES 2.0. Dat wil zeggen dat iedere gemeente staat voor het eigen aandeel in het bod en samenwerkt in de subregio met buurgemeenten, ook al liggen die in andere RES-regio’s. Deze samenwerking van gemeenten speelt ook een belangrijke rol door de doelstelling van minimaal 50% lokaal eigendom, hierbij moeten gemeenten een belangrijke bijdrage leveren aan het vergroten van de maatschappelijke acceptatie van de energietransitie in de regio West-Overijssel.
2.2
Plangebied
Het plangebied betreft het gehele grondgebied van het samenwerkingsverband West-Overijssel. Dit zijn de gemeenten: Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle.
Figuur 2.1 Deelnemende gemeenten in de RES-regio West-Overijssel (Bron: RES West-Overijssel)
8/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Het studiegebied voor het PlanMER is in principe gelijk aan het plangebied. Het is echter mogelijk dat het studiegebied, ten gevolge van mogelijke ontwikkelingen aan de randen van het plangebied, groter zal zijn. Voorbeelden van ontwikkelingen en invloeden aan de randen van het plangebied zijn: foerageergebieden van trekvogels, Natura 2000 gebied, Natuurnetwerk Nederland en Bijzonder Provinciaal Landschap. Mochten er ontwikkelingen plaatsvinden die leiden tot effecten buiten het plangebied, dan zal het studiegebied worden aangepast.
2.3
Raakvlakken met andere m.e.r.-trajecten
Er lopen naast het PlanMER voor de Herijking RES 2.0 W-O verschillende andere MER- of OERtrajecten die raakvlakken hebben met elkaar. Tijdens het opstellen van het PlanMER worden de raakvlakken tussen de verschillende trajecten in beeld gebracht en wordt bepaald of en in hoeverre de inhoud en processen van de verschillende trajecten op elkaar afgestemd worden. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van MER trajecten die mogelijk raakvlakken hebben met de PlanMER voor de Herijking RES 2.0 W-O. Dit overzicht wordt bij de start van het opstellen van het PlanMER waar nodig aangevuld en aangescherpt. Dit gebeurt opnieuw voorafgaand aan de afronding van het PlanMER. MER’en en overige documenten waar mogelijk raakvlakken mee op kunnen treden zijn opgenomen in onderstaande tabel. MER
Status MER
MER’en met naar verwachting diverse raakvlakken OER Fase 1 Omgevingsvisie provincie Overijssel, deelrapport Energietransitie
Afgerond
OER Fase 2 Omgevingsvisie provincie Overijssel
Nog niet afgerond
PlanMER’en RES regio’s Provincie Gelderland*
Nog niet afgerond
PlanMER RES Twente
Nog niet afgerond
MER’en met naar verwachting beperkte raakvlakken PlanMER voor Ruimtelijke visie duurzame energie Olst-Wijhe
Afgerond
PlanMER Windenergie gemeente Emmen
Afgerond
OER Omgevingsvisie Zwolle
Afgerond
PlanMER Nationale windturbinebepalingen leefomgeving
Nog niet afgerond
ProjectMER Windpark Pottendijk
Afgerond
ProjectMER Windpark Nieuwleusen
Afgerond
ProjectMER Windpark de Veenwieken
Afgerond
Overige documenten Verkennende Natuurtoets voor windenergie Overijssel
Afgerond
Ruimtelijke Verkenning Energielandschap Zwolle-Staphorst-Zwartewaterland-Dalfsen
Afgerond
* Figuur 2.1 Toont welke m.e.r.-procedures er binnen de Provincie Gelderland lopen
9/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Figuur 2.2 Lopende m.e.r.-procedures in Gelderland (Bron: Provincie Gelderland, 2022)
3 Relevante beleidskaders 3.1
Nationaal
De Nederlandse klimaatopgave voor 2050 is bekrachtigd in het internationale Klimaatakkoord (Parijs, 2015). In 2017 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het internationale Klimaatakkoord, waardoor de opgave voor 2050 wettelijk is vastgelegd. De huidige doelstellingen voor de energietransitie komen voort uit de Klimaatwet (2020):
Emissies van broeikasgassen liggen in 2050 95% lager dan in 1990 Emissies van broeikasgassen liggen in 2030 49% lager dan in 1990
In het Nationaal Klimaatakkoord (2019) is uitgewerkt op welke manier Nederland dit wil bereiken. Het Klimaatakkoord vormt het kader voor de RES. In de RES wordt de strategie vastgelegd voor de omschakeling van een maatschappij die draait op voornamelijk fossiele energie naar een energievoorziening met nagenoeg geen CO2-emissie.
10/21
Kenmerk
3.2
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Provinciaal
De provincie Overijssel heeft in de tussentijdse actualisatie van de Omgevingsverordening (21/05/2021) en de Nieuwe Omgevingsvisie Overijssel (15/06/2022) aangegeven hoe zij de inrichting van zonne- en windenergie voor zich zien. De planning is dat Provinciale Staten de Nieuwe Omgevingsvisie in het voorjaar van 2024 vaststellen. Zonne-energie De provincie Overijssel wil zonnepanelen en andere vormen van opwekking van zonne-energie zoveel mogelijk combineren met andere functies, bij voorkeur met bebouwing. Daarom is de toepassing van de zonneladder verplicht bij initiatieven voor zonnevelden in de Groene Omgeving. De zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan bij de verdeling van de opwekopgave voor zonne-energie. Daarom biedt de provincie Overijssel de mogelijkheid om, als uitzondering op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, in de Groene Omgeving tijdelijke zelfstandige opstellingen van zonnepanelen te realiseren. Het gaat daarbij om opstellingen van zonnepanelen voor een periode van niet meer dan 25 jaar op een wijze die omkeerbaar is en waarbij de oorspronkelijke bestemming gehandhaafd blijft.
Deze monofunctionele zonnevelden kunnen alleen geplaatst worden als “stimuleren van de productie van zonne-energie op daken in bebouwd gebied of gebruik maken van te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte” en “combineren van de productie van zonne-energie met gebiedsopgaven in stads- en dorpsranden of gebiedsontwikkelingen in de groene omgeving” niet mogelijk zijn. Gelet op de impact die (ook tijdelijke) veldopstellingen van zonnepanelen kunnen hebben op hun omgeving, zal niet alleen de maatschappelijke meerwaarde van het initiatief moeten worden aangetoond, maar zal er ook compensatie moeten plaatsvinden door extra te investeren in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Meerwaarde kan worden aangetoond vanuit de volgende criteria:
De mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik (combinaties met andere functies) Maatregelen die getroffen worden om de impact te beperken en/of te compenseren De mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied
(gebiedseigen/gebiedsvreemd) Bijdrage aan maatschappelijke doelen (in ieder geval aan de provinciale doelen ten aanzien van duurzaamheid, maar ook aan draagvlak in de omgeving, bijdrage aan maatschappelijke cohesie, (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven, enz.)
Niet in alle gevallen zal de meerwaarde op alle genoemde criteria in gelijke mate te bereiken zijn. Het hangt immers van het geval en de locatie af waar de kansen en opgaven te vinden zijn om maatschappelijke meerwaarde te bereiken. De gemeente zal in de toelichting op het bestemmingsplan moeten onderbouwen dat er sprake is van maatschappelijke meerwaarde die de impact van een zelfstandige opstelling in de Groene Omgeving rechtvaardigt.
11/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Windenergie In de voormalige Omgevingsverordening van de provincie Overijssel is opgenomen dat bestemmingsplannen niet voorzien in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden gerekend of gebieden die worden aangemerkt als Nationaal Landschap. Sinds het fundament voor een Nieuwe Omgevingsvisie (2022) is vastgesteld wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN) niet langer aangemerkt als uitsluitingsgebied voor windenergie. “Een generiek verbod op windenergie op voorhand binnen het NNN doet geen recht aan de noodzaak om binnen heel Overijssel op zoek te gaan naar mogelijkheden om lokaal duurzame energie op te wekken”. Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente heeft eerder een herijking van de status uitsluitingsgebied windenergie plaatsgevonden, waarbij zoekgebieden windenergie zijn aangewezen. Voor het Nationaal Landschap IJsseldelta moet deze herijking nog worden uitgevoerd. De Nationale Landschappen blijven uitsluitingsgebied windenergie. Maar in de Omgevingsverordening is geregeld dat het generieke verbod op windenergie niet geldt voor de voorkeursgebieden van de provincie die zijn aangewezen. Het generieke verbod geldt ook niet voor kleine windturbines op agrarische erven die voorzien in de eigen energiebehoefte.
Dat het Natuurnetwerk Nederland (NNN) niet langer wordt aangemerkt als uitsluitingsgebied windenergie betekent niet dat de plaatsing van windturbines overal zonder meer is toegestaan. Na het schrappen van het generieke verbod op het plaatsen van windturbines, blijven de andere provinciale beleidskaders van toepassing. Dit betekent dat locaties die vallen binnen de begrenzing van het NNN, beoordeeld moeten worden op de voorwaarden die de regeling voor het NNN voor nieuwe ontwikkelingen stelt. Verder zal bij de plaatsing van windturbines rechtgedaan moeten worden aan normerende en richtinggevende uitspraken die in de Catalogus Gebiedskenmerken over het landschap worden gedaan. Op de plaatsing van windturbines is altijd de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing.
3.3
Lokaal
Op lokaal niveau zijn er diverse gemeenten die een beleidskader hebben opgesteld voor wind- en/of zonne-energie of daarmee bezig zijn.
4 Aanpak milieuonderzoek Dit hoofdstuk gaat in op de aanpak en inhoud van het PlanMER. Daarbij worden de verschillende stappen in het opstellen van een PlanMER toegelicht en wordt ingegaan op de te onderzoeken thema’s. Daarnaast wordt het beoordelingskader toegelicht, wordt de scope van de onderzoeken gepresenteerd en wordt uiteengezet welke alternatieven in het PlanMER onderzocht worden.
4.1
Stappen PlanMER
In deze paragraaf worden de stappen van het opstellen van het PlanMER kort toegelicht.
12/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Stap 1: In beeld brengen referentiesituatie De eerste stap is het in beeld brengen van de huidige situatie en de verwachte autonome ontwikkelingen (HSAO). Autonome ontwikkeling betekent de te verwachten voortgang van de huidige situatie zonder dat er nieuw beleid van kracht is. De huidige situatie en autonome ontwikkeling tezamen wordt de referentiesituatie genoemd. In deze fase wordt het kwaliteitsniveau voor verschillende vooraf bepaalde thema’s (paragraaf 4.2) beschreven. Hierin worden ook het bestaande beleid en eventueel al bestaande monitoringsgegevens meegenomen. Vervolgens wordt beoordeeld wat het kwaliteitsniveau van een bepaalde indicator (paragraaf 4.3) in de referentiesituatie is. Stap 2: Uitwerken alternatieven In het PlanMER worden de milieugevolgen beschouwd aan de hand van alternatieven. Alternatieven zijn de mogelijke manieren waarop de voorgenomen activiteit kan worden gerealiseerd. Oftewel: de voorgenomen activiteit kan in algemene termen worden geformuleerd, de alternatieven zijn de concrete vertaling daarvan. In het PlanMER worden ‘de redelijkerwijs in beschouwing te nemen’ alternatieven beschreven. Door uiteenlopende alternatieven te gebruiken worden de ‘hoeken van het speelveld’ inzichtelijk en kan een juiste discussie gevoerd worden. Het NRD beschrijft een aanzet van de verschillende soorten alternatieven.
In een werksessie bij de start van het PlanMER zullen de alternatieven worden ingevuld. Voor de gebieden waarin in de RES 1.0-fase bleek dat er geen restricties golden, wordt per alternatief een invulling bepaald. Bij restricties kan gedacht worden aan Natura 2000 gebieden of de afstand van windmolens tot woningen. In deze zogenaamde ‘potentiegebieden’ wordt in de werksessie bepaald welk type energieopwekking (zonne- of windenergie of een combinatie hiervan) wordt meegenomen en op welke deel van het potentiegebied. Stap 3: Beoordelen alternatieven en potentiegebieden De effectbeoordeling wordt voor alle thema’s uitgevoerd op het schaalniveau van de alternatieven. Aan elk alternatief worden specifieke potentiegebieden gekoppeld. Daarbij wordt in de keuze voor de combinatie van potentiegebieden gelet op het in beeld brengen van alle hoeken van het speelveld. De effectbeoordeling in het PlanMER voor de Herijking RES 2.0 W-O wordt niet uitgevoerd op het niveau van unieke potentiegebieden. Wel biedt de beoordeling een goede basis voor opvolgende milieueffectstudies zoals voor een projectMER bij een omgevingsvergunning van een windmolenpark en bij ruimtelijke onderbouwingen voor een omgevingsplan(wijziging) voor een zonneweide.
Stap 5: Beschrijven mitigerende en compenserende maatregelen Aan de hand van de effectbeoordeling en de alternatievenafweging worden aanbevelingen opgenomen voor mitigerende maatregelen waarmee problemen of knelpunten verminderd of weggenomen kunnen worden. Mitigeren betekent dan ook verzachten of verminderen. Indien uit de beoordeling blijkt dat er geen verschil is of juist een verbetering optreedt dan wordt aangegeven hoe (positieve) effecten versterkt kunnen worden. Deze maatregelen zullen, bij de betreffende energievorm, in het PlanMER-rapport worden beschreven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan maatregelen in het kader van landschappelijke inpassing en/of extra maatregelen ter beperking van geluidhinder.
13/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Stap 6: Monitoring Het is nodig om het kwaliteitsniveau van de fysieke leefomgeving op gezette tijden en geordend bij te houden. In het PlanMER volgt daarom een aanzet van een systeem voor monitoring en evaluatie. Daarmee wordt eveneens aangesloten bij een van de doelen van de RES 2.0 en de daaropvolgende RES’en, namelijk monitoring en verantwoording. De RES regio West-Overijssel stelt in navolging van het advies van het Nationaal Programma RES een RES Voortgangsdocument op. Het RES Voortgangsdocument beschrijft elke twee jaar de voortgang van het realiseren van de ambities die in de RES 1.0 zijn omschreven. Op deze wijze kan gemonitord worden of de RES regio West Overijssel op koers ligt voor 2030. Dit zorgt naast zicht op de voortgang voor de mogelijkheid om bij te sturen in beleid en/of uitvoering. Het PlanMER levert input voor het RES Voortgangsdocument, onder andere vanuit de beschrijving van de referentiesituatie waarbij is nagedacht over hoe de verschillende effecten gemeten en getoetst kunnen worden.
4.2
Beoordelingskader milieu effecten onderzoek
Het opwekken van duurzame energie heeft naast positieve en negatieve milieueffecten tot gevolg. De aard en omvang van de effecten verschilt. Deze effecten zullen in de PlanMER nader worden uitgewerkt, getoetst en beoordeeld. Vast onderdeel van het PlanMER is een beoordelingskader op basis waarvan de effecten op de leefomgeving in beeld worden gebracht. De vijf te onderzoeken thema’s (paragraaf 4.2) vormen de het uitgangspunt voor het beoordelingskader. De thema’s die onderzocht worden in het PlanMER zijn: Landschap
Natuur Leefbaarheid Veiligheid
Maatschappelijke kosten Netinfrastructuur
Per hoofdthema zijn verschillende indicatoren opgenomen waarvoor het kwaliteitsniveau van de referentiesituatie wordt bepaald. Dit wordt gedaan aan de hand van beoordelingscriteria. Deze criteria worden aan het begin van het opstellen van het PlanMER vastgesteld. Het beoordelingskader wordt zowel gebruikt om de kwaliteit van de huidige situatie en autonome ontwikkeling, alsmede effecten en doelbereik van de Omgevingsvisie in beeld te brengen. In het PlanMER wordt geen prioritering aangebracht in indicatoren of criteria.
14/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Thema en indicator
Beoordelingscriterium
Wijze van beoordelen
Landschappelijke kwaliteiten
Kwalitatief
Duurzame energielandschappen
Associatie locatie met duurzame energie
Benutten meekoppelkansen/ meervoudig
Thema Landschap Mate van aansluiting bij landschappelijke kwaliteiten (incl. cultuurhistorie) Kwalitatief
grondgebruik Provinciale samenhangende
ruimtelijke kwaliteit
Behoud van het gevarieerde palet aan
Kwalitatief
landschapstypen
Behoud van grootschalige openheid: gebieden vrijwaren van zon en wind
Mate waarin ensembles worden gevormd met grootschalige elementen en structuren in het landschap
Vorming van grootschalige clusters
Effecten op instandhoudingsdoelen
Thema Natuur Natura 2000
Kwalitatief
Natura 2000 Soortenbescherming
Effecten op beschermde soorten
Kwalitatief
Beschermde houtopstanden
Effecten op beschermde houtopstanden
Kwalitatief
Natuurnetwerk Nederland
Effecten op
Kwalitatief
instandhoudingsdoelstellingen van Natuurnetwerk Nederland (NNN) Weide- en akkervogels
Effecten op weidevogelgebieden
Kwalitatief
Integraal bodem- en watersysteem
Mate waarin de ontwikkelingen
Kwalitatief
anticiperen op het principe sturend bodem- en watersysteem Thema Leefbaarheid Geluidsbelasting windmolens
Verandering in het aantal geluidbelaste
Kwalitatief
bestemmingen (geluidgehinderden) als gevolg van ontwikkelingen Slagschaduw windmolens
Aantal woningen (en andere gevoelige
Kwantitatief
bestemmingen) binnen de drie slagschaduw-contouren (0 uur, 6 uur en 16 uur per gevoelig object) Elektromagnetische velden
Elektromagnetische straling
Kwalitatief
Indicatie milieukwaliteit op basis van
Kwantitatief
kabeltracés en stations Hinder windmolens
geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid/ vergelijkende score voor hinder windmolens
15/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Thema en indicator
Beoordelingscriterium
Wijze van beoordelen
Oriëntatiewaarde toename groepsrisico
Kwalitatief
Hoogte maatschappelijke kosten o.b.v.
Kwalitatief
Thema Veiligheid Plaatsgebonden risico Thema Maatschappelijke kosten Maatschappelijke kosten
kentallen en reeds beschikbare informatie Thema netinfrastructuur Clustergrootte wind of zon Clustercombinatie wind en zon
Potentiële clustergrootte windpark
Potentieel clustergrootte zonnepark
Mogelijkheid dat opwekking via zonne-
Kwalitatief Kwalitatief
energie en windenergie in hetzelfde cluster plaatsvindt
Potentieel clustergrootte combinatie windpark en zonnepark
Afstand opwekkingslocatie
Vraag en aanbodkoppeling
Afstand tot mogelijk netaansluitpunt
Kwantitatief
opwekkingslocatie Afstand tot bebouwde omgeving (incl.
Kwantitatief
aandacht voor grote elektriciteitsvragers)
4.3
Scope onderzoeken
De scope van de onderzoeken is gezamenlijk met ambtenaren tijdens het Ambtelijk Platform bepaald. Het detailniveau van alle onderzoeken die uitgevoerd worden in het kader van het PlanMER sluit aan bij het abstractieniveau van de Herijking RES 2.0 W-O. De onderzoeken worden uitgevoerd voor alle potentiegebieden in West-Overijssel. In de onderzoeken wordt geen onderscheid gemaakt tussen gebieden die eerder wel of zijn aangewezen als zoeklocatie, ontwikkellocatie of voorkeursgebied. Landschap Er vindt onderzoek plaats naar de indicatoren: landschappelijke kwaliteiten, duurzame energielandschappen, provinciale samenhangende ruimtelijke kwaliteit
Op basis van bureaustudie, gebiedskennis en expert judgement worden de effecten op het landschap inzichtelijk gemaakt Voor de indicator duurzame energielandschappen wordt enerzijds gekeken naar de associatie van de locatie met duurzame energie. Wanneer mensen een plek associëren met duurzame energie, omdat het er bijvoorbeeld hard waait of een plek al wordt getypeerd door andere vormen van duurzame energie, dan zal men nieuwe ontwikkelingen eerder accepteren (H+N+S, 2013). Anderzijds zijn meekoppelkansen hierbij van belang. De ontwikkeling van duurzame energie zou gepaard moeten gaan met andere ruimtelijke ontwikkelingen en vraagstukken die spelen, door bijvoorbeeld meervoudig grondgebruik. Wanneer kansen gekoppeld kunnen worden, is de betekenis van een bouwsteen groter. Onder dit criterium worden eveneens de effecten op de realisatie van de opgave bossenstrategie meegenomen. Deze strategie, waarbij 60 ha nieuw bos wordt gerealiseerd, wordt op basis van beschikbare kaarten in beeld gebracht 16/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Natuur
Er vindt onderzoek plaats naar de indicatoren: Natura 2000, soortenbescherming, beschermde houtopstanden, Natuurnetwerk Nederland en weide- en akkervogels en integraal bodem- en watersysteem
Om aan te sluiten bij het abstractieniveau van de Herijking RES 2.0 W-O worden de beoordelingen uitgevoerd op basis van bureauonderzoek. Er wordt geen veldonderzoek uitgevoerd, dit wordt (indien relevant) op een later moment, gekoppeld aan een planMER,
projectMER of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning, op lokaal niveau uitgevoerd Voor de indicator integraal bodem- en watersysteem worden plannen en ontwikkelingen in relatie tot het principe ‘bodem en water sturend’ in beeld gebracht. Op basis van beschikbare kaarten (o.a. watersysteemkaarten en geomorfologische kaarten) worden mogelijke knelpunten in beeld gebracht. Wanneer de provincie Overijssel beschikt over een gecombineerde kaart ‘bodem en water sturend’ wordt deze als onderlegger gebruikt voor de beoordeling
Natura 2000 Op basis van de maximale foerageerafstanden van kwalificerende vogelrichtlijnsoorten kan niet worden uitgesloten dat leefgebied wordt aangetast of in het geval van windmolens
aanvaringslachtoffers vallen Per potentiegebied wordt op basis van maximale foerageerafstanden en leefgebieden in kaart gebracht in hoeverre negatieve effecten op instandhoudingsdoelen te verwachten zijn Door maximale foerageerafstanden als een uienschillen op kaart te projecteren, wordt inzichtelijk gemaakt met hoeveel soorten er mogelijk een raakvlak optreedt Voor enkele potentiegebieden wordt de analyse aangevuld met eigen ervaringen in de gebieden. Zo heeft TAUW een verkennende studie voor windmolens uitgevoerd bij Deventer en is er voor een windpark in het zoekgebied bij Berghentheim een effectbeoordeling voor ganzen en kraanvogels uitgevoerd
Leefbaarheid Er vindt onderzoek plaats naar de indicatoren: geluidsbelasting windmolens, slagschaduw
windmolens, elektromagnetische velden kabeltracés en stations en hinder windmolens Op basis van kentallen worden voor geluidsbelasting en slagschaduw contourenkaarten gemaakt. Een contourenkaart met een worst-case benadering is hierbij mogelijk wanneer er geen aanname gedaan kan worden over de positionering van windmolens in een potentiegebied Voor elektromagnetische velden van hoogspanningsverbindingen en stations wordt uitgegaan van het voorzorgsbeginsel wat betreft afstanden tot gevoelige bestemmingen De geluidsbelasting en slagschaduw wordt inzichtelijk gemaakt door contouren te plaatsen rond de voorgestelde windturbines. Op basis van deze contouren en het BAG-register wordt geanalyseerd welke en hoeveel huishoudens binnen de contouren vallen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen (vrijwel) geen hinder en beperkte hinder. Op basis van expert judgement wordt voor elk gebied het aantal te plaatsen windturbines geraamd. Op deze wijze kunnen de effecten onderling vergeleken worden en kan de hinder per turbine zo objectief mogelijk worden vastgesteld
17/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Veiligheid
Er vindt onderzoek plaats naar de indicator: plaatsgebonden risico De geluidsbelasting en slagschaduw worden inzichtelijk gemaakt door contouren te plaatsen rond de voorgestelde windturbines. Dit wordt voor alle alternatieven uitgevoerd. Op basis van deze contouren wordt geanalyseerd voor welke en hoeveel huishoudens een risicotoename geldt
Maatschappelijke kosten Opwekking van elektriciteit uit zon en wind leidt evenals het aanwenden van allerlei warmtebronnen tot maatschappelijke kosten. In enge zin gaat het om de noodzakelijke investeringen in het elektriciteitsnet (en andere infrastructuren) en voorzien in back up elektriciteitscentrales (of opslag) voor periodes waarin er weinig zon en wind is. Echter, andere aspecten leiden ook tot maatschappelijke kosten. Denk aan de kosten van het grondgebruik, of de waardedaling van onroerend goed nabij windturbines. De uiteindelijke lasten kunnen bij verschillende doelgroepen terecht komen. Op basis van kentallen en beschikbare informatie (zoals de effectbeoordeling van de
verschillende milieuthema’s) worden de maatschappelijke kosten bepaald Aan de hand van een matrix worden de maatschappelijke kosten van verschillende alternatieven vergeleken
Figuur 4.1 Voorbeeld matrix met kwalitatieve scores van maatschappelijke kosten
Netinfrastructuur Om te kunnen sturen op maatschappelijke kosten (voor zover bepaald door clustergrootte en afstand tot netaansluiting) en de tijdsvolgorde van mogelijke realisatie van projecten worden op verschillende locaties per potentiegebied beoordeeld aan de hand van verschillende indicatoren: Score t.a.v. potentiële clustergrootte windpark of zonnepark (groter is beter) Score t.a.v. potentiële clustergrootte combinatie windpark en zonnepark (groter is beter)
Score t.a.v. afstand tot mogelijk netaansluitpunt opwekkingslocatie (korter is beter) Score t.a.v. vraag- en aanbodkoppeling (korter is beter). Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen woningen, bedrijven en industrie. Er is extra aandacht voor grote vragers, zoals het cluster van tapijtindustrie Score t.a.v. een combicluster wind en zon. Cablepooling maakt geen onderdeel uit van deze indicator
18/21
Kenmerk
4.4
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Te onderzoeken alternatieven
Zoals beschreven in paragraaf 4.1 onder stap 2 wordt in het NRD een aanzet gedaan voor de alternatieven die in het PlanMER voor de Herijking RES 2.0 W-O worden onderzocht. Deze paragraaf licht toe welke alternatieven binnen het PlanMER worden onderzocht en welke randvoorwaarden voor elk alternatief gelden. De te onderzoeken alternatieven sluiten aan bij het uitgangspuntenkwadrant uit de RES 1.0, maar komen niet een op een overeen. In een werksessie bij de start van het PlanMER zullen de alternatieven verder worden ingevuld. Voor de gebieden waarin in de RES 1.0-fase bleek dat er geen restricties golden (denk aan: Natura 2000 en afstand van windmolens tot onder meer woningen), wordt per alternatief een invulling bepaald. In deze zogenaamde ‘potentiegebieden’ wordt in de werksessie bepaald welk type energieopwekking (zonne- of windenergie of combinatie) hier meegenomen wordt en op welke deel van het potentiegebied. Per alternatief wordt een kaart ontwikkeld waarop te zien is op welke locaties windmolens en zonneparken komen. De alternatieven worden ingezet om de hoeken van het speelveld in beeld te brengen en dienen ter ondersteuning van de RES 2.0. In het PlanMER worden effecten of thema’s niet vergeleken of opgeteld.
Randvoorwaarden alternatieven Voor alle verschillende alternatieven die opgenomen worden in het MER voor de Herijking RES 2.0 W-O gelden de volgende randvoorwaarden:
Het alternatief voldoet aan de regionale ambitie vanaf 2030 jaarlijks 1,826 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken Het alternatief streeft naar de verhouding 40% zon en 60% wind
Alternatieven Herijking RES 2.0 West-Overijssel Wij gaan voor het PlanMER voor de Herijking RES 2.0 W-O uit van vier alternatieven: 1. 2. 3.
Alternatief gericht op de mens Alternatief gericht op landschap en natuur Alternatief gericht op systeemefficiëntie
4.
Alternatief gericht op maximaal opwekkingsvermogen
Alternatief gericht op de mens
Focus op minimale effecten van geluid en slagschaduw van windmolens; Het voorzorgsbeginsel elektromagnetische velden van kabeltracés en stations vormt het uitgangspunt.
Alternatief gericht op landschap en natuur Focus op behoud landschappelijke en natuurwaarden
Houdt rekening met waardevolle landschappen en (kwetsbare) natuurgebieden en/of gebieden met hoge risico’s op effecten op bedreigde soorten
19/21
Kenmerk
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Alternatief gericht op systeemefficiëntie
Focus op de mate van efficiëntie van het benutten van het elektriciteitssysteem. Door het elektriciteitssysteem optimaal te benutten hoeft er minder nieuwe energie infrastructuur aangelegd te worden, is er minder fysieke ruimte nodig in de boven- en ondergrond en zijn er minder schaarse materialen nodig Houdt rekening met afstand en milieueffecten van nieuw aan te leggen tracés
Alternatief gericht op maximaal opwekkingsvermogen Focus op een maximaal opwekkingsvermogen Dit alternatief zal leiden tot meer opwekkingsvermogen dan de regionale ambitie uit de RES 1.0 van 1,8 TWh
5 De m.e.r.-procedure 5.1
Kennisgeving en raadpleging
Het is belangrijk dat iedereen mee kan denken over de manier waarop de regio West-Overijssel het m.e.r. traject gaat inrichten. De procedure start daarom met de openbare kennisgeving van het voornemen om een PlanMER op te stellen en de publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). De NRD ligt daarom zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan iedereen reageren op de aanpak van de milieueffectrapportage voor de Herijking RES 2.0 W-O zoals beschreven in deze NRD. Reacties kunnen in de vorm van zienswijzen bij de gemeente ingediend worden, zowel schriftelijk als digitaal. De reacties worden gebruikt bij de verdere uitwerking van de milieueffectrapportage.
Planning ter inzagelegging Tijdens het Bestuurlijk Platform op 21 december wordt de NRD besproken. Tijdens het Bestuurlijk Platform op 18 januari 2023 wordt gevraagd de NRD vrij te geven voor kennisgeving, publicatie en terinzagelegging. De datum waarop de NRD ter inzage gaat is op het moment van opstellen van deze NRD nog niet bekend.
5.2
Opstellen PlanMER en Nota van beantwoording
De reacties worden van antwoord voorzien in de Nota van Beantwoording NRD en de uitkomsten worden betrokken in de op te stellen PlanMER. Dit vindt gelijktijdig plaats met het opstellen van de Herijking RES 2.0 W-O.
20/21
Kenmerk
5.3
R001-1288105GWF-V01-agv-NL
Terinzagelegging PlanMER
De procedure van het PlanMER is gekoppeld aan de procedure van de Herijking RES 2.0 W-O. Dit houdt in dat de ontwerp Herijking RES 2.0 W-O en het PlanMER gelijktijdig zes weken ter inzage worden gelegd. Het PlanMER wordt als bijlage bij de ontwerp Herijking RES 2.0 W-O ter inzage gelegd. Opnieuw worden de relevante bestuursorganen geraadpleegd en mag een ieder een zienswijze indienen op het PlanMER en op de ontwerp Herijking RES 2.0 W-O. Daarnaast toetst de Commissie voor de m.e.r. in deze periode de kwaliteit van het PlanMER en beoordeelt de Commissie of de juiste (milieu) informatie aanwezig is om een besluit over de Herijking RES 2.0 W-O te kunnen nemen.
5.4
Besluit en vervolg
De Herijking RES 2.0 W-O wordt vastgesteld door de Gemeenteraad. De gemeente motiveert in de uiteindelijke Herijking RES 2.0 W-O hoe met de uitkomsten van het PlanMER en de inspraakreacties is omgegaan.
21/21