CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-756 Was wordt tabel technische aanpassing Verordening fysieke leefomgeving 2023

Raadsvergadering 29 november 2023, gemeente DeventerBij agendapunt: Wijziging Verordening fysieke leefomgeving i.v.m. de Omgevingswet10.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage bij wijziging Verordening fysieke leefomgeving aan Omgevingswet

Was-wordt-tabel technische aanpassing Verordening fysieke leefomgeving aan Omgevingswet

Artikel 2.1.2 (Artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2.1.2 Soorten vergunningen De vergunning wordt verleend: a. Als vaste standplaatsvergunning, voor het innemen van een vaste standplaats op een markt gedurende maximaal vijf jaar; b. Als seizoensplaatsvergunning, voor het innemen van een vaste standplaats op een markt gedurende een periode van maximaal zes maanden; c. Als dagplaatsvergunning, voor het innemen van een standplaats op een markt gedurende één dag; d. Als standwerkvergunning, voor het innemen van een standplaats op een markt voor het optreden als standwerker; e. Als individuele standplaatsvergunning, voor het innemen van een standplaats op andere plaatsen dan op een markt.

Artikel 2.1.2 Soorten vergunningen De vergunning wordt verleend: a. Als vaste standplaatsvergunning, voor het innemen van een vaste standplaats op een markt gedurende maximaal twaalf jaar; b. Als seizoensplaatsvergunning, voor het innemen van een vaste standplaats op een markt gedurende een periode van maximaal zes maanden; c. Als dagplaatsvergunning, voor het innemen van een standplaats op een markt gedurende één dag; d. Als standwerkvergunning, voor het innemen van een standplaats op een markt voor het optreden als standwerker; e. Als individuele standplaatsvergunning, voor het innemen van een standplaats op andere plaatsen dan op een markt.

Artikel 2.3.4.(artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2.3.4 Geldingsduur vaste standplaatsvergunning Een vaste standplaatsvergunning geldt voor een termijn van maximaal vijf jaar.

Artikel 2.3.4 Geldingsduur vaste standplaatsvergunning Een vaste standplaatsvergunning geldt voor een termijn van maximaal twaalf jaar.

Artikel 2.5.1 (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2.5.1 Weigeringsgronden individuele standplaatsvergunning 1. Het college weigert een individuele standplaatsvergunning in geval van strijd met het bestemmingsplan. 2. Onverminderd het bepaalde in Artikel 9.2.2. kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of een deel van de

Artikel 2.5.1 Weigeringsgronden individuele standplaatsvergunning 1. Het college weigert een individuele standplaatsvergunning in geval van strijd met het omgevingsplan. 2. Onverminderd het bepaalde in Artikel 9.2.2. kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of een deel van de

gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijke verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijke verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 2.5.4 (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2.5.4 Afbakeningsbepaling 1. Het verbod van Artikel 2.1.1 geldt ten aanzien van individuele standplaatsen niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2.5.4 Afbakeningsbepaling 1. Het verbod van Artikel 2.1.1, geldt ten aanzien van individuele standplaatsen niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringgrond van Artikel 2.5.1, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

2. De weigeringgrond van Artikel 2.5.1, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Afdeling 3.1 (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 3.1. Omgevingsvergunning voor het bouwen Artikel 3.1.1 Status Het bepaalde in Afdeling 3.1 wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. Artikel 3.1.2 Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de resultaten van een recent en actueel milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740; b. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3.

Nieuwe tekst Afdeling 3.1. Omgevingsvergunning voor het bouwen (vervallen)

3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van Artikel 3.1.3 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.24 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. 5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 3.1.3 Verbod op bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a.

waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke vergunning niet is vereist, c. en 1. dat de grond raakt, of 2. ten aanzien waarvan het bestaande, nietwederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 3.1.4 Voorwaarden omgevingsvergunning In afwijking van het bepaalde in Artikel 3.1.3 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wbb goedgekeurde saneringsplan

bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wbb van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel 3.1.5 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in Afdeling 3.1 wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

Artikel 4.1.1. (Artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.1.1. De aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument 1. Het college kan een monument aanwijzen als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Artikel 4.1.1. De aanwijzing als gemeentelijk monument

2. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet of op grond van een provinciale verordening.

3. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen. 4. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken.

1. Het college kan een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 3. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen. 4. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken. 5. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. .

Artikel 4.1.2 (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.1.2 De aanwijzing als beschermd stadsof dorpsgezicht 1. Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet of op grond van een provinciale verordening.

Artikel 4.1.2 De aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads-of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen. 4. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken.

3. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen. 4. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken.

Artikel 4.2.5 (Artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.2.5 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het besluit wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Het erfgoedregister vermeldt van gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving.

Artikel 4.2.5 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het besluit wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Het erfgoedregister vermeldt van gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld, de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving. 3.Het erfgoedregister vermeldt van gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing en een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.

3.Het erfgoedregister vermeldt van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing en een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.

Afdeling 4.3 (artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Afdeling 4.3 Instandhouding gemeentelijke monumentale zaken en beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

Afdeling 4.3 Instandhouding gemeentelijke monumenten en gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten

Artikel 4.3.1 (Artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.3.1 Verbod en vergunningplicht 1. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

Artikel 4.3.1 Verbod en vergunningplicht 1. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften: a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4. Het verbod in het tweede lid geldt niet ten aanzien van: a. gewoon onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het bouwwerk niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: 1˚. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2˚.

doen van begravingen of asbijzettingen, of 3˚. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 5. De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich

a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4. Het verbod in het tweede lid geldt niet ten aanzien van: a. gewoon onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het bouwwerk niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

5. De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. 6.Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. 6.Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

Artikel 4.3.3 (Artikel I, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.3.3 Beschermend bestemmingsplan De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 4.3.3 Beschermend omgevingsplan De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht, een omgevingsplan vast als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.

Artikel 4.4.1 (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.4.1 Verbod 1. Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch monument of een archeologisch beleidsgebied de bodem te verstoren, als in het bestemmingsplan niet is voorzien in een regeling van de bescherming van archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden. 2. Het verbod is niet van toepassing als: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend;

Artikel 4.4.1 Verbod 1. Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch monument of een archeologisch beleidsgebied de bodem te verstoren, als in het omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

b. de activiteit geen strijd oplevert met het gemeentelijke archeologiebeleid; c. met vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

2. Het verbod is niet van toepassing als: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; b. de activiteit geen strijd oplevert met het gemeentelijke archeologiebeleid; c. met vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 5.1.1 (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5.1.1 Verbod en omgevingsvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

Artikel 5.1.1 Verbod en omgevingsvergunning 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a. een houtopstand te vellen met een stamomtrek van 75 cm of meer, gemeten op 130 cm boven het maaiveld; b. een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een herplant- en instandhoudingsplicht; c. een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke rechtspersoon. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving van het college; b. iepen aangetast door de iepziekte; c. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud; d. dunning in een aaneengesloten houtopstand met een oppervlakte van ten minste 100 m²; e. houtopstanden die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd; f. houtopstanden waarop afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

a. een houtopstand te vellen met een stamomtrek van 75 cm of meer, gemeten op 130 cm boven het maaiveld; b. een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een herplant- en instandhoudingsplicht; c. een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke rechtspersoon. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college; b. iepen aangetast door de iepziekte; c. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud; d. dunning in een aaneengesloten houtopstand met een oppervlakte van ten minste 100 m²; e. houtopstanden die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd; f. houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van toepassing is.

Artikel 6.1.3 (artikel I, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.1.3 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de Provinciale Milieuverordening Overijssel.

Artikel 6.1.3 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarom geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 6.2.2 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.2.2 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzing waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 6.2.2 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzing waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 7.2.1 (artikel I, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 7.2.1 Vereiste van instemming of vergunning 1.Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2.In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard.

Artikel 7.2.1 Vereiste van instemming of vergunning 1.Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2.In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard.

3.Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd. 4.Spoedeisende werkzaamheden dienen onverwijld te worden gemeld aan het college. Na ontvangst van de melding door het college kunnen, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester, op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar de uitvoering van de werkzaamheden verbiedt. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden. 5.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak of op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.

3.Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd. 4.Spoedeisende werkzaamheden dienen onverwijld te worden gemeld aan het college. Na ontvangst van de melding door het college kunnen, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester, op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar de uitvoering van de werkzaamheden verbiedt. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden. 5.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak of op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 8.1.1 (artikel I, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 8.1.1 Wegen 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door Hoofdstuk 7, het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur of de Telecommunicatiewet.

Artikel 8.1.1 Wegen 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2. Het verbod geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 3. Het verbod geldt voorts niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 8.1.2 (artikel I, onderdeel R, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 8.1.2 Uitwegen 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.De omgevingsvergunning kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend: a. in het belang van de bruikbaarheid van de weg; b. indien de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of anderszins in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. ter bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente; e. indien er al sprake is van een andere uitweg van het betreffende perceel; f. ter bescherming van de waterhuishouding. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijkswegenreglement, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement Provincie Overijssel.

Artikel 8.1.2 Uitwegen 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.De omgevingsvergunning kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend: a. in het belang van de bruikbaarheid van de weg; b. indien de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of anderszins in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. ter bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente; e. indien er al sprake is van een andere uitweg van het betreffende perceel; f. ter bescherming van de waterhuishouding. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 8.1.3 (artikel I, onderdeel S, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 8.1.3 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 8.1.3 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 8.2.3 (artikel I, onderdeel T, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 8.2.3 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op openbaar riool 1.Het is verboden een hemelwater- en/of grondwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het openbaar riool indien er sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken;

Artikel 8.2.3 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op openbaar riool 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een hemelwater- en/of grondwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het openbaar riool als er sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken.

2.Het verbod als bedoeld in 8.2.3 onder lid 1 geldt tevens voor het lozen, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, van gezuiverd hemelwater of grondwater en het lozen van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het zuiveren van grondwater, op het vuilwaterriool of het gemengd openbaar riool.

2.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt tevens voor het lozen, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, van gezuiverd hemelwater of grondwater en het lozen van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het zuiveren van grondwater, op het vuilwaterriool of het gemengd openbaar riool. 3. De vergunning wordt alleen verleend als: a. sprake is van een gemengd openbaar riool, vuilwaterriool, hemelwater- of ontwateringsstelsel, en b. er geen bovengrondse alternatieven voor het afvoeren van het hemelwater en grondwater van eigen terrein naar de openbare ruimte mogelijk zijn; of c. het functioneren van het openbaar rioolsysteem dit vereist. 4. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 8.2.4 (Artikel I, onderdeel U, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 8.2.4 Verplichting tot waterberging op eigen terrein 1.De eigenaar van het perceel waar sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken met een oppervlakte van minimaal 20 m², is verplicht op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen waarbij het volgende geldt:

Artikel 8.2.4 Verplichting tot waterberging op eigen terrein 1.Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater wordt in geval van onderstaande activiteiten alleen hemelwater naar de openbare ruimte afgevoerd als op het perceel een voorziening voor hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden: a.. het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 20 m²; b. het uitbreiden met een oppervlakte van meer dan 20 m² van een bestaand bouwwerk;

c. het toevoegen van één of meer bouwlagen met een oppervlakte van meer dan 20 m² aan een gebouw; d. transformatie van een bestaand gebouw met een oppervlakte van meer dan 20 m²; d. het aanleggen van minimaal 100 m² aan terreinverharding. a. De hemelwaterberging als bedoeld in lid 1 dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het bouwwerk gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden. b. Het geborgen hemelwater wordt hergebruikt en/of geïnfiltreerd in de ondergrond. c. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak. d. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui weer volledig beschikbaar is.

2. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor ook voor bestaande gebouwen geldt dat het verplicht is om op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen en blijvend in stand te houden waarbij het volgende geldt: a. Het geborgen hemelwater wordt hergebruikt en/of geïnfiltreerd in de ondergrond. b. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m² bebouwd oppervlak. c. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui weer volledig beschikbaar is. 3. De hoeveelheid hemelwater die na toepassing van het eerste lid niet kan worden geborgen, kan via een bovengrondse overloopvoorziening worden geloosd in de openbare ruimte. 4. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor een andere capaciteit van de hemelwaterberging wordt bepaald. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verplichting om op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen en in stand te houden. 6.De ontheffing wordt slechts verleend indien: a. het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen alternatieven voor het verwerken van het hemelwater en grondwater op eigen terrein mogelijk zijn, of; b. er sprake is van verdroging van groen in de openbare ruimte.

2. De voorziening voor hemelwaterberging moet uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het bouwwerk of terreinverharding gerealiseerd zijn en moet blijvend in stand worden gehouden. 3. Het in de hemelwaterberging opgevangen water wordt geïnfiltreerd in de ondergrond. 4. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak. 5. De voorziening voor hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui van 20 mm weer volledig beschikbaar is.

6. De hoeveelheid hemelwater die na toepassing van het derde tot en met vijfde lid niet kan worden geborgen, kan via een bovengrondse overloopvoorziening worden geloosd in de openbare ruimte.

7. In afwijking van het vierde tot en met het zesde lid geldt voor het hemelwaterbergingsgebied Eikendal dat al het hemelwater op eigen terrein moet worden verwerkt.

Na Artikel 8.2.4 worden twee artikelen ingevoegd (artikel I, onderdeel V van het wijzigingsbesluit) Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 8.2.4a Omgevingsvergunning afwijken verplichting hemelwaterberging 1. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de verplichting in artikel 8.2.4 om een voorziening voor hemelwaterberging aan te brengen. 2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het realiseren van een voorziening voor hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen alternatieven voor het verwerken van het hemelwater en grondwater of eigen terrein mogelijk zijn, of: b. er sprake is van verdroging van groen in de openbare ruimte. Artikel 8.2.4b Aanvraagvereisten Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.2.4a worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de omvang van het bebouwd oppervlak dan wel verhard oppervlak waarvoor geen voorziening voor hemelwaterberging kan worden aangelegd; en b. de reden waarom de voorziening voor hemelwaterberging niet kan worden aangelegd.

Artikel 8.2.6 (Artikel I, onderdeel W) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 8.2.6. Verbod aansluiten afvoerleiding op openbaar hemelwaterstelsel 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college afvloeiend hemelwater en grondwater via een ondergrondse afvoerleiding rechtstreeks aan te sluiten op respectievelijk het openbaar hemelwaterstelsel of het openbaar ontwateringsstelsel.

Artikel 8.2.6. Nadere eisen aan voorziening voor hemelwater 1. Om vochtproblemen te voorkomen moet een infiltratievoorziening tenminste 2 meter van de fundering worden aangelegd. 2. Voor de infiltratievoorziening wordt zo min mogelijk gebruik gemaakt van uitloogbare materialen en metalen om verspreiding van de stoffen in de bodem te voorkomen.

2.De vergunning wordt slechts verleend indien: a. het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen bovengrondse alternatieven voor het afvoeren van het hemelwater en grondwater van eigen terrein naar de openbare ruimte mogelijk zijn, of; b. het functioneren van het openbaar rioolsysteem dit vereist; 3.Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. a. Een voorschrift kan zijn het gescheiden aanbieden van de waterstromen op de erfgrens.

Artikel 9.2.1 (artikel I, onderdeel X, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 9.2.1 Beslistermijn 1.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing, instemmingsbesluit of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vergunning of ontheffing die ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als een omgevingsvergunning wordt aangemerkt. 4.Op de vergunning of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 9.2.1 Beslistermijn 1.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing, instemmingsbesluit of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om omgevingsvergunning.

4.Op de vergunning of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 9.2.3 (artikel I, onderdeel Y, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 9.2.3 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Artikel 9.2.3 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 9.2.4 (artikel I, onderdeel Z, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 9.2.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningen of ontheffingen waar artikel 2.25, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op van toepassing is.

Artikel 9.2.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 9.3.1 (artikel I, onderdeel AA, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 9.3.1 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt.

Artikel 9.3.1 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 10.1.1 (Artikel I, onderdeel AB, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 10.1.1 Strafregels 1.Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, met uitzondering van Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 7, en de op grond van Artikel 9.2.3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 10.1.1 Strafregels 1.Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, met uitzondering van Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 7, en de op grond van Artikel 9.2.3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de ecomische delicten voorziet in strafbaarstelling.

2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de economische delicten voorziet in strafbaarstelling.

3.Overtreding van Artikel 7.2.1, eerste en tweede lid, Artikel 7.2.4, derde lid en Artikel 7.3.2, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

3.Overtreding van Artikel 7.2.1, eerste en tweede lid, Artikel 7.2.4, derde lid en Artikel 7.3.2, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 10.2.3a (Artikel I, onderdeel AC, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 10.2.3a Overgangsrecht hemelwatervoorziening Artikelen 8.2.2 tot en met 8.2.6 zijn niet van toepassing op: a. bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van de Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer reeds bestonden; b. bouwwerken waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd en; c. ruimtelijke activiteiten waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een (ontwerp) bestemmingsplan is vastgesteld waarin bepalingen over hemelwatervoorzieningen zijn opgenomen; d. ruimtelijke activiteiten waarvoor uiterlijk zes weken na inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer door het college een ontwikkelovereenkomst, samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst is afgesloten.

Artikel 10.2.3a Overgangsrecht hemelwatervoorziening Artikelen 8.2.2 tot en met 8.2.6 zijn niet van toepassing op: a. bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van de Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer reeds bestonden; b. bouwwerken waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd en; c. ruimtelijke activiteiten waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een (ontwerp) bestemmingsplan is vastgesteld waarin bepalingen over hemelwatervoorzieningen zijn opgenomen; d. ruimtelijke activiteiten waarvoor uiterlijk zes weken na inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer door het college een ontwikkelovereenkomst, samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst is afgesloten;

e. terreinverharding die op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet aanwezig of in uitvoering is danwel waarvoor voor inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning is aangevraagd of verleend.

Artikel 1.1 Bijlage 1 (Artikel I, onderdeel AD, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1.1 Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

Artikel 1.1 Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

bevoegd gezag: het bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

bevoegd gezag: het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet;

bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; college: het college van burgemeester en wethouders; openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

college: het college van burgemeester en wethouders; openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan. .

Artikel 1.3 Bijlage 1 (Artikel I, onderdeel AE, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1.3 1. Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Wbb: de Wet bodembescherming zoals die geldt per 01-01-2006;

Artikel 1.3 1. Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Wbb: de Wet bodembescherming zoals die wet gold per 01-01-2006 en luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. Recent: niet ouder dan vijf jaren.

b. Recent: niet ouder dan vijf jaren.

2. Overige in Afdeling 3.2 gebruikte begrippen hebben de betekenis, die zij in de Wbb hebben.

2. Overige in Afdeling 3.2 gebruikte begrippen hebben de betekenis, die zij in de Wbb hebben. .

Artikel 1.4 Bijlage 1 (Artikel I, onderdeel AF, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1.4 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 4 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: gemeentelijk monument: een overeenkomstig de als beschermd gemeentelijk monument aangewezen • zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; • terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

Artikel 1.4 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 4 en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: gemeentelijk monument: een monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

gemeentelijk archeologisch monument: een overeenkomstig de als beschermd gemeentelijk archeologisch monument aangewezen terrein dat van algemeen belang is wegens de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; gemeentelijk erfgoedregister: register als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet, bestaande uit een gemeentelijke monumentenlijst en een lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten; gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen;

gemeentelijk archeologisch monument: een archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

gemeentelijk erfgoedregister: register als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet, bestaande uit een gemeentelijke monumentenlijst en een lijst van gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten; gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen; omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht;

stads- en dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang is wegens haar schoonheid, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel haar wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde; beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht: stads- en dorpsgezicht dat door het college van

burgemeester en wethouders als zodanig ingevolge de Verordening fysieke leefomgeving is aangewezen;

lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aangewezen gebieden; Planadviesraad: De Planadviesraad welstand, monumenten en beschermd stadsgezicht, zijnde de commissie bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988, met als taak het college van burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren omtrent aanvragen voor vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b en c. van de wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 4.1.1.1, 4.1.2 en 4.3.1 van de Verordening fysieke leefomgeving en artikel 3.1 van de Erfgoedwet; archeologisch beleidsgebied: gebied, op de archeologische beleidskaart voorzien van een waarde tussen 0 en 8; archeologische beleidskaart: door de gemeenteraad vastgestelde kaart van de gemeente met een aanduiding van archeologische beleidswaarden; plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; archeologische uitvoerder: degene die archeologisch onderzoek doet,

bureau-onderzoek en booronderzoek daaronder begrepen.

gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet dat als zodanig ingevolge de Verordening fysieke leefomgeving is aangewezen; lijst van gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht aangewezen gebieden; Planadviesraad: De Planadviesraad Ruimtelijke Kwaliteit als vastgelegd in de Verordening planadviesraad ruimtelijke kwaliteit 2022;1

archeologisch beleidsgebied: gebied, op de archeologische beleidskaart voorzien van een waarde tussen 0 en 8; archeologische beleidskaart: door de gemeenteraad vastgestelde kaart van de gemeente met een aanduiding van archeologische beleidswaarden; plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; archeologische uitvoerder: degene die archeologisch onderzoek doet, bureau-onderzoek en booronderzoek daaronder begrepen. .

1 Zie raadsbesluit 2021-474 inzake vaststellen verordening ruimtelijke kwaliteit en aanpassing Vfl. Treedt in werking

tegelijk met Ow. Geen onderdeel van voorliggende raadsvoorstel.

Artikel 1.6 Bijlage 1 (Artikel I, onderdeel AG, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1.6 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 6 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

Artikel 1.6 Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 6 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 6.1.1. en 6.1.2 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

bijzondere inrichting: een inrichting type B, als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijnde eveneens een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27 van de APV Deventer, waar uitsluitend of in hoofdzaak culturele activiteiten worden georganiseerd in de vorm van muziek-, dans-, theater- of toneelvoorstellingen;

bijzondere inrichting: een inrichting type B, als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijnde eveneens een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27 van de APV Deventer, waar uitsluitend of in hoofdzaak culturele activiteiten worden georganiseerd in de vorm van muziek-, dans-, theater- of toneelvoorstellingen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13499977/1