2022-10-12 Wijziging Huisvestingsverordening Deventer - invoering Opkoopbescherming
Tekst van het document
.~
% C'semeeme
Deventer
Verordening tot wijziging van de Huisvestingsverordening Deventer 2022 inhoudende het opnemen van een opkoopbescherming Artikel I De Huisvestingsverordening Deventer 2022 wordt als volgt gewijzigd: A.
Na artikel 8 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Hoofdstuk 2A Opkoopbescherming Artikel Sa Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. beschermde woonruimte: in artikel 8b, tweede lid, aangewezen goedkope of middeldure woonruimte; b. datum van inschrijving: datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van de woonruimte aan de nieuwe eigenaar; c. verhuurvergunning opkoopbescherming: vergunning als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet; d. WOZ-waarde: waarde van de woonruimte, vastgesteld overeenkomstig de Wet waardering onroerende zaken en geldend op de datum van inschrijving. Artikel Sb. Verhuurvergunning opkoopbescherming, aanwijzing beschermde woonruimte 1. Gedurende de periode van vier jaren na de datum van inschrijving is het verboden beschermde woonruimte te verhuren zonder verhuurvergunning opkoopbescherming van burgemeester en wethouders. 2. Als beschermde woonruimte wordt aangewezen iedere woonruimte: a. die gelegen is in een van de volgende delen van de gemeente: 1. Binnenstad (postcode 7 411 ); 2.Voorstad (postcode 7413 en 7 416), en 3. Rivierenwijk (postcode 7 417), en 4. Keizerslanden (postcode 7 415), en 5. Zandweerd (postcode 7412), en 6. Colmschate-Noord (postcode 7423), en 7. Colmschate-Zuid (postcode 7421, 7422 en 7429); en b. waarvan de WOZ-waarde niet meer bedraagt dan € 355.000; c. die op de datum van inschrijving: 1. vrij was van huur en gebruik; 2.
in verhuurde staat was voor een periode van minder dan zes maanden, of 3. werd verhuurd met een verhuurvergunning opkoopbescherming; d. waarvan de datum van inschrijving na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel ligt, en e. die niet in eigendom is van de gemeente of een woningcorporatie; en f. die meer dan drie maanden voor de datum van inschrijving is opgeleverd als nieuwe woning of nieuw gebouwd appartement. Artikel Sc Aanvraag verhuurvergunning opkoopbescherming 1. Een aanvraag om een verhuurvergunning opkoopbescherming wordt door de eigenaar ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld elektronisch formulier. 2. Bij een aanvraag van een verhuurvergunning opkoopbescherming warden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de naam (of namen) van de eigenaar(s); b. het adres van de woonruimte; c. bewijs van inschrijving van de akte van levering bij het kadaster 3. Bij een aanvraag die ziet op verleningsgrond, genoemd in artikel 41, lid 3 onder a, van de wet warden nadere bescheiden aangeleverd waar het bloed- of aanverwantschap in de eerste of tweede graad van de woningzoekende met de eigenaar uit blijkt. 4.
Bij een aanvraag die ziet op verleningsgrond, genoemd in artikel 41, lid 3 onder b, van de wet wordt een schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat de woonruimte voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden, anders dan voor toeristische verhuur, in gebruik warden gegeven, aangeleverd.
2
5.
6.
7.
Bij een aanvraag die ziet op verleningsgrand, genoemd in artikel 41, lid 3 onder c, van de wet warden nadere bescheiden aangeleverd waaruit blijkt dat de woonruimte onlosmakelijk deel uitmaakt van een winkel-, kantoor of bedrijfsruimte. Bij een aanvraag die ziet op de verleningsgrand, genoemd in artikel Se, lid 2 onder b, warden gegevens en bescheiden aangeleverd waaruit blijkt dat de woonruimte waarvoor vergunning wordt aangevraagd in het kader van een renovatie- of stadsvernieuwingspragramma is aangekocht. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van het nemen van een beslissing op de aanvraag om een verhuurvergunning opkoopbescherming aanvullende gegevens en bescheiden vragen.
Artikel Sd Bibob-weigering verhuurvergunning opkoopbescherming Een verhuurvergunning opkoopbescherming kan op grand van artikel 43, eerste lid, van de wet warden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Artikel Se Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming kan worden verleend 1.
2.
3.
4
Als artikel 43, eerste lid, van de wet (bibob-weigering) niet van toepassing is, moet de verhuurvergunning opkoopbescherming in elk geval warden verleend in de gevallen, genoemd in artikel 41, derde lid, onder a tot en met c, van de wet Als artikel 43, eerste lid, van de wet (bibob-weigering) niet van toepassing is, kan de verhuurvergunning opkoopbescherming warden verleend: a. als de beschermde woonruimte door een gecertificeerde of door de gemeente of de rijksoverheid gecontracteerde zorgaanbieder is aangekocht om te warden verhuurd aan clienten met een zorg ind icatie; b. als de beschermde woonruimte is aangekocht voor verhuur in het kader van een renovatie- of stadsvernieuwingsprogramma Als artikel 43, lid 1, van de wet (bibob-weigering) niet van toepassing is, kan de verhuurvergunning opkoopbescherming in bijzondere gevallen warden verleend als het belang dat gediend wordt met het verhuren van de beschermde woonruimte naar het oordeel van burgemeester en wethouders zwaarder moet wegen dan het belang van het behouden van de beschermde woonruimte voor de kopersmarkt. In andere gevallen dan genoemd in dit artikel, kan de vergunning worden geweigerd.
Artikel Sf lnhoud verhuurvergunning opkoopbescherming In de verhuurvergunning opkoopbescherming wordt in ieder geval vermeld: a. de naam van de eigenaar van de woonruimte, tevens vergunninghouder, waarap de vergunning betrekking heeft; b. het adres van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft; c. de vorm waarvoor de vergunning is verleend en de mededeling dat deze vergunning alleen geldt, mits en zolang deze vorm voortduurt; d. in de gevallen, genoemd in artikel 41, derde lid, onder a en b, van de wet, de persoon aan wie de beschermde woonruimte wordt verhuurd en die de huurder is op grand van wiens hoedanigheid er recht is op de vergunning.
Artikel 8g Vervallen van de verhuurvergunning opkoopbescherming De verhuurvergunning opkoopbescherming vervalt van rechtswege zodra de persoon aan wie de beschermde woonruimte wordt verhuurd en die overeenkomstig artikel Sf, lid 2, onder d in de verhuurvergunning opkoopbescherming als huurder is genoemd, niet de huurder is die in de beschermde woonruimte verblijft.
Artikel Sh lntrekken van de verhuurvergunning opkoopbescherming Behalve op grand van artikel 44, lid 1 van de wet (bibob-intrekking), kan een verhuurvergunning opkoopbescherming in elk geval oak warden ingetrokken: a. als blijkt dat de vergunning is verstrekt op grand van onjuiste of onvolledige gegevens en zou zijn geweigerd als de juiste of de volledige gegevens bekend waren geweest; b. als niet langer wordt voldaan aan de vorm waarvoor de vergunning is verleend als bedoeld in artikel 8e, lid 1 en 2.
3
B.
Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 9a Bestuurlijke boete 1. Overtreding van de verboden, bedoeld in de artikelen 21 en 41, eerste lid, van de wet, alsmede handelen in strijd met een voorwaarde of voorschrift als bedoeld in artikel 24 van de wet kan warden beboet met een bestuurlijke boete. 2. De bestuurlijke boete bedraagt hoogstens: a. voor overtreding van artikel 21 van de wet of voor handelen in strijd met een voorwaarde of voorschrift als bedoeld in artikel 24 van de wet: € 20.500; b. voor overtreding van artikel 41, eerste lid, van de wet: € 21. 750; c. voor overtreding van artikel 21 van de wet, als binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering van de overtreding al een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod: € 82.000; d. voor overtreding van artikel 41, eerste lid, van de wet, als binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering van de overtreding al een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod: € 87.000. Artikel II Dit b sluit treedt in werking op 15 oktober 2022.
Aldus astgesteld in de open bare raadsvergadering van 12 oktober 2022
de voorzitter,
R.C. Konig
4
Toelichting wijziging Huisvestingsverordening Deventer 2022 Opkoopbescherming Op 1 januari 2022 is hoofdstuk 7, Tijdelijke regeling inzake opkoopbescherming, van de Huisvestingswet in werking getreden. Dit hoofdstuk maakt het mogelijk om in de Huisvestingsverordening een regeling op te nemen om in aangewezen gebieden van de gemeente koopwoningen in het goedkope en middeldure segment te beschermen tegen het opkopen door ondernemingen of particulieren die dergelijke woningen willen omzetten in (veelal dure) huurwoningen. Door deze omzetting gaan de woningen verloren voor de meeste starters en andere niet zeer bemiddelden die op zoek zijn naar een betaalbare koopwoning. Voor het verhuren van aangewezen koopwoningen wordt dan een vergunningstelsel ingevoerd, waarmee kan warden verzekerd dat de omzetting van een koopwoning in een verhuurwoning alleen wordt toegestaan in gevallen waarin dat alleszins redelijk is. Zo'n vergunningenstelsel wordt aangeduid als een stelsel van opkoopbescherming. Burgemeester en wethouders hebben geconstateerd dat in de in artikel 8b, eerste lid, onder a, genoemde gebieden sprake is van een omzettingspraktijk waarbij teveel woningen warden onttrokken aan de schaarse markt van betaalbare koopwoningen.
Daarom is voor die gebieden een stelsel van opkoopbescherming ingevoerd door een nieuw hoofdstuk (2A) in de Huisvestingsverordening op te nemen met dit stelsel. Een stelsel van opkoopbescherming mag alleen warden ingevoerd als daarvoor een dringende reden is.
Duur van het stelsel en aanpassingen Artikel 4 van de Huisvestingswet bepaalt dat de Huisvestingsverordening voor maximaal vier jaren kan warden vastgesteld. Verlenging of nieuwe vaststelling is echter mogelijk. Oat geldt oak voor het hoofdstuk over opkoopbescherming. Voor dit hoofdstuk geldt echter nag een specifieke bijzonderheid. Het betreffende hoofdstuk van de wet heet '7. Tijdelijke regeling inzake opkoopbescherming'. Die tijdelijkheid is uitgewerkt in artikel 51 van de wet, vijfde tot en met achtste lid. Uiterlijk elke vijf jaar moet de praktijk van hoofdstuk 7 door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden geevalueerd. Die evaluatie kan leiden tot het vervallen van hoofdstuk 7. Dan geldende bepalingen over opkoopbescherming in gemeentelijke verordeningen blijven vervolgens nag twee jaren van kracht.
Artikelsgewijze toelichting Artikel Sa Definities Deze definities zijn een aanvulling op de definities van artikel 39 van de wet. Deze aanvullende definities hebben de functie van een afkorting, die de volgende artikelen gemakkelijker te lezen maken.
Artikel Sb Verhuurvergunning opkoopbescherming, aanwijzing beschermde woonruimte Een stelsel van opkoopbescherming mag alleen warden ingevoerd als daarvoor een dringende reden is. In het eerste lid is bepaald dat de 'beschermde' woonruimten die in het tweede lid zijn aangewezen, niet mogen warden verhuurd zonder vergunning ('verhuurvergunning opkoopbescherming'). Het verbod geldt volgens het eerste lid en overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van de wet slechts voor de eerste vier jaren nadat het huis is verkocht. Na het verstrijken van die periode van vier jaar geldt geen vergunningplicht meer. De wet spreekt van 'in gebruik geven' van woonruimte. Verhuren is daarvan de meest voorkomende vorm, en de enige die in dit verband echt van belang is. Daarom geldt de vergunningplicht volgens het eerste lid alleen voor het verhuren van beschermde woonruimte. In het tweede lid zijn de gebieden aangewezen waar het stelsel van opkoopbescherming geldt (tweede lid, onder a) en de WOZ-waarde die als grens geldt voor wat goedkope of middeldure woonruimte is (tweede, onder b, en derde lid). De onderdelen a en b uit het tweede lid bepalen de eigenlijke keus voor de beschermde woonruimten. De onderdelen c en d zijn wettelijk verplicht.
Omdat de gemeente en woningcorporaties beschermde woonruimte alleen zullen verhuren als daarvoor een goede reden is, en tegen passende, matige prijzen, is het niet nodig de vergunningplicht oak te laten gelden voor de woonruimten uit hun bezit (onderdeel e). Omdat voor nieuwbouwwoningen middels een zelfbewoningsplicht privaatrechtelijk het een en ander wordt geregeld en de 'opkooppraktijk' zich vrijwel alleen voordoet bij bestaande woningen, is door onderdeel f verzekerd dat het stelsel niet geldt voor nieuwbouwwoningen.
5
Nadere toelichting tweede lid, onder a Het tweede lid, onder a, regelt de aan te wijzen gebieden. Dit zijn gebieden van de gemeente waar de opkoopbeweging zich het sterkst voordoet. Verder noemt het tweede lid, onder b, de WOZ-waarde en niet de reele verkoopprijs. Allereerst moet de vraag of een te verkopen of aan te kopen woning binnen het stelsel van de opkoopbescherming valt, duidelijk kunnen warden beantwoord als de woning te koop wordt aangeboden. Oat is noodzakelijk uit een oogpunt van rechtszekerheid. In de tweede plaats moet de vraag of de woning binnen het stelsel valt, objectief vaststaan en niet kunnen worden beinvloed door de belanghebbenden. Met het hanteren van de WOZ-waarde wordt aan beide vereisten voldaan. Nadere toelichting tweede lid, onder b De hier vermelde WOZ-waarde moet jaarlijks warden aangepast omdat de WOZ-waarden elk jaar opnieuw warden bepaald. Daarvoor zal het genoemde artikel dus moeten warden gewijzigd. Die wijziging kan louter technisch zijn, rechtstreeks afgeleid van de nieuwe WOZ-waarden, maar oak beleidsinhoudelijk. Er kan aanleiding zijn om de grens wat hoger of wat lager te stellen dan eerder werd gedaan, afhankelijk van de ontwikkelingen op de woningmarkt. Dit zal van jaar tot jaar warden bezien. Om die reden is afgezien van het aanhouden van de NHG-grens zoals bij omzettingsvergunningen wel wordt gedaan.
Nadere toelichting WOZ-waarde als criterium voor duur en middelduur Volgens artikel 40, eerste lid, van de Huisvestingswet moet het gaan om schaarste aan 'goedkope en middeldure koopwoningen'. De gangbare en objectieve definitie voor de bovengrens van middeldure koop is de NHG-grens (2022: € 355.000). Artikel Sc Aanvraag verhuurvergunning opkoopbescherming Artikel 42, tweede lid, van de wet verplicht ertoe het elektronisch aanvragen van een verhuurvergunning opkoopbescherming mogelijk te maken. Dit vloeit voort uit artikel 8, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn, dat bepaalt dat alle procedures en formaliteiten betreffende de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit eenvoudig, op afstand en met elektronische middelen via het betrokken een-loket met de relevante bevoegde instanties kunnen warden afgewikkeld. Deze verplichting belet echter niet om, naast de elektronische weg, oak een andere wijze van aanvraag mogelijk te maken (Kamerstukken 35517, nr. 53). Beslistermijn en 'silencio positivo' De beslistermijn voor aanvragen om een verhuurvergunning opkoopbescherming is in de wet geregeld. Volgens artikel 43, derde en vierde lid, van de wet bedraagt de beslistermijn acht weken, met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van zes weken.
Als de termijn wordt verlengd, zal de noodzaak daartoe moeten warden gemotiveerd, omdat dan wordt afgeweken van de gewone achtwekenregel. Die noodzaak kan er bijvoorbeeld zijn omdat een bibob-advies is gevraagd maar niet op tijd is ontvangen. Is niet op tijd beslist, dan geldt het silencio-positivostelsel (§ 4.1.3.3 van de Awb), aldus artikel 43, vijfde lid, van de wet. Dit betekent dat de aanvraag is ingewilligd als burgemeester en wethouders niet binnen de termijn anders hebben beslist. De termijn wordt 'opgeschort', verlengd dus, als burgemeester en wethouders de aanvrager om nadere informatie verzoeken. De verlenging is gelijk aan de antwoordtermijn die burgemeester en wethouders hebben gesteld voor het geven van de nadere informatie, of, als de informatie binnen de termijn binnenkomt, de tijd tussen het vragen en het ontvangen daarvan (artikel 4:13 van de Awb). Artikel 8d Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming moet worden verleend De in het eerste lid genoemde gevallen van 'verplichte vergunningverlening' staan in artikel 41, derde lid, van de wet. Het tweede lid verzekert dat de vergunning ophoudt te gelden als de reden waarom deze is verleend, is komen te vervallen. De betrokkenen warden eraan herinnerd doordat de naam van de betrokken persoon in de vergunning moet warden vermeld.
De 'bibob-weigering', genoemd in de aanhef van het eerste lid, ziet op gevallen waarin er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal warden gebruikt om, kart gezegd, illegaal verkregen geld wit te wassen of om strafbare feiten te plegen. Zie artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob). Artikel 43, eerste lid, van de wet bepaalt dat de vergunning dan kan warden geweigerd; daarom wordt daarnaar verwezen.
6
Artikel 8.e Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming kan worden verleend Dit artikel noemt de gevallen waarin een gevraagde vergunning in beginsel zal worden verleend (eerste lid), en dater andere, bijzondere gevallen kunnen zijn waarin het belang van de verhuurder of de huurder zo zwaar moet wegen dat vergunningverlening redelijk is (tweede lid). In alle andere gevallen wordt de vergunning geweigerd (derde lid). Er is dus sprake van een aflopende reeks: de verhuurvergunning opkoopbescherming moet worden verleend, wordt in beginsel verleend, kan misschien worden verleend, moet worden geweigerd. De artikelen 8d en 8e maken samen dater drie typen gevallen zijn waarin verlening van een verhuurvergunning opkoopbescherming aan de orde kan zijn: 1. de vergunning moet worden verleend in de gevallen waarin de wet dat voorschrijft: artikel 8d; 2. de vergunning wordt hoogstwaarschijnlijk verleend in de in of meer sociale gevallen van artikel 8e, eerste lid. Dan is er een sterk vermoeden dat het verhuren van de nieuw gekochte woonruimte alleszins aanvaardbaar is ('kan in beginsel worden verleend'); 3. de vergunning kan soms worden verleend in bijzondere gevallen, waarin het belang om te kunnen verhuren bijzonder zwaar weegt.
Bijvoorbeeld bij verhuur aan een kunstenaarscollectief of als de vergunning niet meer geldt doordat de vergunde situatie is gewijzigd maar van de verhuurder in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de verhuur beeindigt. Afgezien van de 'verplichte' gevallen van artikel 8d en de bibob-weigeringen, gaat het om het afwegen van het verhuurbelang waarvoor de vergunning wordt gevraagd tegen het belang van opkoopbescherming, waarop dit hoofdstuk is gericht. Al met al staat de opkoopbescherming duidelijk voorop, maar is er een genuanceerd afwegingskader voor de in het eerste en het tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen. Nadere toelichting artikel 8.e, eerste lid, onder b In het geval van artikel 8.e, eerste lid, onder b, (renovatie- of stadsvernieuwingsprogramma) kan worden gedacht aan projecten die erop zijn gericht om de leegstand boven en achter winkels te transformeren naar woonfuncties of als het in verhuur nemen van woonruimte onderdeel van de beleggingsstrategie is om de exploitatie van winkelpanden rendabel te houden. Dit in het kader van de Agenda Binnenstad Deventer 2.0, het 4e Stadsarrangement en de Ontwikkelvisie Stadshof. Zoals ook verwoord in de visie 'de Nieuwe Binnenstad Deventer' uit 2020. Voor die woonruimte zal dan een verhuurvergunning opkoopbescherming kunnen worden verleend.
Het tweede lid geeft een beperkte, maar open mogelijkheid voor het geven van een verhuurvergunning opkoopbescherming in bijzondere gevallen. De in het tweede lid genoemde, af te wegen belangen (belang van de eigenaar dat zou word en gediend door verhuur mogelijk te maken enerzijds, belang van het behouden van een redelijke voorraad niet te dure koopwoningen anderzijds) spelen in dit hele hoofdstuk een rol. Artikel 8f lnhoud verhuurvergunning opkoopbescherming Naast de gebruikelijke onderdelen van de vergunning als naam vergunninghouder en adres waarop de vergunning betrekking heeft, zal ook de vorm waarvoor vergunning is verleend in de vergunning worden opgenomen. Denk daarbij aan verhuur aan familie, maar ook aan een zorgaanbieder. Als geen sprake meer van verhuur in het kader van zorg, dan kan de vergunning worden ingetrokken. Artikel 8g Vervallen van de verhuurvergunning opkoopbescherming In het geval niet meer wordt verhuurd aan een 'geprivilegieerde huurder' als genoemd bij de moetworden-verleend-gevallen van artikel 8d, vervalt de vergunning automatisch. lntrekking van de vergunning is in dat geval niet nodig. Artikel 8h lntrekken van de verhuurvergunning opkoopbescherming In dit artikel is naast de bibob-intrekking volstaan met de intrekking op grond van onjuiste inlichtingen en intrekking bij beeindiging van de vorm waarvoor vergunning is verleend.
De mogelijkheid van een 'bibob-intrekking' is in artikel 44, eerste lid, van de wet geregeld. De onder a toegevoegde intrekkingsgrond is klassiek en eigenlijk vanzelfsprekend. De vergunning kan worden ingetrokken als blijkt dat deze op grond van een verkeerde voorstelling van zaken is verleend. Artikel 9a Bestuurlijke boete Deze bepaling is in de eerste plaats een uitwerking van artikel 35 van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad in de Huisvestingsverordening kan bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden
7
opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in de artikelen 21 (wijzigingen in de woonruimtevoorraad) of 41, eerste lid (verhuurvergunning opkoopbescherming) van de wet, of van het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 24 van de wet. Er is behoefte om dit instrument van een punitieve sanctie in de Huisvestingsverordening op te nemen. Bij kamerverhuur zonder vergunning wordt gebruik gemaakt van de last onder dwangsom, een herstelsanctie. Met de bestuurlijke boete is meer sprake van lik-op-stuk. Hoewel een bestuurlijke boete de overtreding misschien niet beeindigt, zorgt dit indirect wel voor een stimulans om de overtreding te beeindigen. Bovendien kan naast de bestuurlijke boete ook een last onder dwangsom warden opgelegd als sanctie gericht op het beeindigen van de overtreding. Naast het bepalen dat de bestuurlijke boete kan warden opgelegd, bepaalt de raad in de verordening oak de hoogte van de boete die voor verschillende overtredingen kan warden opgelegd. De hoogte van een bestuurlijke boete moet altijd evenredig zijn aan de ernst van de overtreding. Hoe hoger het maximum, hoe meer behoefte zal bestaan aan weldoordachte beleidsregels die ertoe leiden dat de evenredigheidseis daadwerkelijk in acht zal warden genomen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het daadwerkelijk opleggen van een bestuurlijke boete.
De wet geeft alleen bestuursrechtelijke handhavingsmogelijkheden. Het gewone strafrecht geldt daarnaast bij overtreding van de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht (bijvoorbeeld in geval van valsheid in geschrifte of bedreiging). De bestuurlijke boetes, genoemd in het eerste en het tweede lid, komen overeen met artikel 35 van de wet respectievelijk artikel 154b, zesde lid, van de Gemeentewet. Artikel 35 van de wet bepaalt dwingend welke boetes wanneer 'ten hoogste' kunnen warden opgelegd. In het tweede lid, onder e en g, gaat het om overtreding van artikel Sb, eerste lid (verhuren zonder verhuurvergunning opkoopbescherming). De daar opgenomen boetes zijn de maxima die voortvloeien uit artikel 45, tweede lid, van de wet in verbinding met artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. De hoogte van een bestuurlijke boete moet altijd evenredig moet zijn aan de ernst van de overtreding. Aan de handhaving van het stelsel van opkoopbescherming zitten twee aspecten: het opsporen van overtredingen en het daartegen optreden. De opsporing is voornamelijk een kwestie van 'kantoorwerk': op gezette tijden de basisregistratie personen raadplegen om na te gaan welke mutaties zijn opgetreden bij de beschermde woonruimten en of die in overeenstemming zijn met de verordening.
Het optreden tegen geconstateerde overtredingen kan, afhankelijk van het geval, uit velerlei bestaan: waarschuwen, vergunning intrekken, erop wijzen dat een nieuwe vergunning moet warden aangevraagd, last onder dwangsom opleggen, bestuurlijke boete opleggen.