2021-2508 Verordening RZB 2022
Tekst van het document
De werking van de Natuurschoonwet 1928 is per 1 juni 2007 verruimd, maar die verruiming geldt niet voor de Gemeentewet. Daarvoor blijven dezelfde voorwaarden gelden als voorheen: ten minste 30 percent van de oppervlakte van het landgoed is bezet met houtopstanden; of de oppervlakte van het landgoed is voor ten minste 20 percent met houtopstanden bezet waarbij de oppervlakte voorts voor ten minste 50 percent bestaat uit natuurterreinen (artikel 8 Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928). Voor de Gemeentewet moet die engere toets aan de voorwaarden alsnog plaatsvinden.
15
/16
De woning moet op de zogenaamde ‘bestemmingswaarde’ worden gewaardeerd. De bestemmingswaarde houdt in dat bij de waardering rekening moet worden gehouden met het waardedrukkende effect van de veronderstelde verplichting de zaak gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan voor de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Uitsluitend de woonruimten worden naar de bestemmingswaarde gewaardeerd. Hoewel voor elke ruimte afzonderlijk moet worden beoordeeld of deze tot woning dient, moeten de verschillende ruimten, behorende tot hetzelfde belastingobject, wel in hun onderlinge samenhang worden bezien. De schuur die tot 1 januari 1995 een aanhorigheid van de woning zou hebben gevormd, dient in die samenhang tot woning, net als de woning zelf. Vijfde lid In artikel 17, vijfde lid, van de Wet WOZ is een waarderingsvoorschrift opgenomen voor ruimten die gedeeltelijk buiten de gemeente liggen. Dit artikel bewerkstelligt dat de gehele ruimte (ook het buiten de gemeente gelegen deel) wordt gewaardeerd. De waarde van het binnen de gemeente gelegen deel van de ruimte wordt vervolgens gesteld op een evenredig gedeelte van de waarde van de gehele ruimte. Dit moet naar de omstandigheden worden beoordeeld; bijvoorbeeld naar de waarde per kubieke meter bij ruimten.
Artikel 5 Vrijstellingen Algemeen De verplichte vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 220d van de Gemeentewet. Op grond van artikel 220d wordt niet een object als zodanig vrijgesteld maar wordt de waarde van (een gedeelte) van een object buiten aanmerking gelaten. Dit maakt het mogelijk dat een ruimte gedeeltelijk wordt belast en gedeeltelijk wordt vrijgesteld. De vrijstellingen zijn dus eigenlijk geen echte vrijstellingen maar vormen een onderdeel van de maatstaf van heffing. Indien en voor zover de bepalingen van artikel 220d van de Gemeentewet zien op de grond, zijn deze bepalingen niet in de verordening opgenomen. De grond kan immers nooit tot de ruimten worden gerekend. Op grond van artikel 220d van de Gemeentewet zijn delen bestemd voor bewoning uitgesloten van de vrijstelling. Om deze reden wordt in de vrijstellingen over het algemeen alleen gesproken over bedrijfsruimten. Eerste lid, onderdeel a Op grond van artikel 220d, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet zijn bedrijfsruimten vrijgesteld indien de ondergrond bestaat uit vrijgestelde cultuurgrond. Het gaat hier om de ‘kassenvrijstelling’. Zie onder andere Hof ’s-Gravenhage 9 september 1980, Belastingblad 1982, blz. 69 (Naaldwijk) en Hof ’s-Gravenhage 26 oktober 1983, Belastingblad 1985, blz. 125 (Goes) en Hof ’sHertogenbosch 21 november 1996, nr. 94/3124, Belastingblad 1997, blz. 119 (Aalburg).
Of er sprake is van landbouw moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Pachtwet (Stb. 1958, 37). Zie artikel 220d, tweede lid, van de Gemeentewet. Eerste lid, onderdeel b In onderdeel b is de kerkenvrijstelling geregeld. In artikel 220d, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet zijn twee categorieën objecten opgenomen, te weten: – ruimten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst; – ruimten die in hoofdzaak bestemd zijn voor bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Bij de tweede categorie is niet vereist dat het bijeenkomsten betreft van genootschappen die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zijn. Het object moet ‘in hoofdzaak bestemd’ zijn voor de omschreven activiteiten. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 4 december 1991, nr. 27661, BNB 1992/47, Belastingblad 1992, blz. 73 (Vlaardingen) geldt dat ten minste 70% van de inhoud van de ruimte aan de omschreven activiteiten moet kunnen worden toegerekend. Eerste lid, onderdeel c
16
/17
De vrijstelling voor waterverdedigings- en waterbeheersingswerken vloeit voort uit artikel 220d, eerste lid, onderdeel g, van de Gemeentewet.
Eerste lid, onderdeel d De vrijstelling voor rioolwaterzuiveringsinstallaties vloeit voort uit artikel 220d, eerste lid, onderdeel h, van de Gemeentewet. De vrijstelling beperkt zich niet alleen tot installaties die zijn gericht op de feitelijke waterzuivering (in biologische zin) of de scheiding van het biologisch gezuiverde water van het slib. Ook andere ruimten die een niet weg te denken functie hebben in het afvalwaterzuiveringsprocédé vallen onder deze vrijstelling (Hof ’s-Gravenhage 22 mei 1996, nr. 94/2474, Belastingblad 1996, blz. 758 (Rotterdam). In dezelfde procedure concludeerde het Hof tevens dat ook sprake is van een orgaan, instelling of dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon indien de activiteiten plaatsvinden in een vennootschap waarvan uitsluitend overheden aandeelhouder zijn. De vrijstelling vereist dat de installatie in beheer is bij een publiekrechtelijke rechtspersoon. Ten aanzien van een vergelijkbare installatie van een stichting die wel in de heffing werd betrokken, concludeerde Hof ’s- Gravenhage dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel , maar in de cassatieprocedure concludeerde de Hoge Raad dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden (arrest van 9 mei 2003, nr.
37517, LJN: AE7337) Eerste lid, onderdeel e De werktuigenvrijstelling is van toepassing op werktuigen welke verwijderd kunnen worden met behoud van hun waarde als zodanig en niet op zichzelf bezien als ruimten zijn aan te merken. Vergelijk onder andere de arresten voor de onroerende-zaakbelastingen Hoge Raad 16 april 1980, nr. 19727, BNB 1980/ 183 (Beverwijk), Hoge Raad 17 juni 1992, nr. 27639, BNB 1992/296, Belastingblad 1992, blz. 577 (Venlo), Hof Arnhem 10 januari 1995, nr. 940837, Belastingblad 1995, blz. 382 (windmolen), Hof Arnhem 28 april 1995, nr. 922262, Belastingblad 1995, blz. 443 (Nijmegen) en Hof Leeuwarden 7 april 1995, nr. 900/92, Belastingblad 1995, blz. 523 (Leeuwarden), Hoge Raad 30 juni 1999, nr. 34134, BNB 1999/298, Belastingblad 1999, blz. 688 (Asfaltmenginstallatie) en Hoge Raad 7 juni 2000, nr. 34985, BNB 2000/230, Belastingblad 2000, blz. 723 (Franekeradeel). In deze laatste twee arresten introduceert de Hoge Raad het criterium van de uiterlijke herkenbaarheid. Daar de verwijzingsuitspraken in deze zaken sterk feitelijk zijn, is het in de praktijk nog onduidelijk wat er precies met dit criterium wordt bedoeld. Zie voor de verwijzingsuitspraak inzake de asfaltmenginstallatie Hof ’s-Gravenhage 22 februari 2001, nr. 99/01787 en inzake de windmolens Hof Arnhem 18 december 2000, nr. 00/1107, Belastingblad 2001, blz. 416 (Franekeradeel).
Van een werktuig is geen sprake indien een bestanddeel in hoofdzaak dienstbaar is aan de ruimte in die zin dat het bestanddeel het gebouw beter geschikt maakt voor gebruik. Zie Hoge Raad 2 maart 1994, nr. 29559, BNB 1994/113, Belastingblad 1994, blz. 303 (Leeuwarden). Eerste lid, onderdelen f en g In de onderdelen f en g zijn facultatieve vrijstellingen opgenomen. De systematiek van de facultatieve vrijstellingen sluit aan bij de systematiek voor de wettelijke vrijstellingen. De vrijstelling in onderdeel f is door de inwerkingtreding van de Politiewet (1 april 1994) niet van toepassing op politiebureaus. Door de regionalisering van de politie wordt een politiebureau namelijk niet gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente. Tweede lid Dit lid bevat een uitzondering op de in het eerste lid, onderdeel f, opgenomen vrijstelling. De vrijstelling voor ruimten die bestemd zijn voor de publieke dienst geldt niet voor de eigenarenbelasting, indien die ruimten geen eigendom van de gemeente zijn. Derde lid
17
/18
Als de waarde van de woondelen van een bedrijfsruimte minder dan 70% uitmaakt van de totale waarde van die zaak, is sprake van een bedrijfsruimte. Deze ruimten worden dus naar het tarief voor bedrijfsruimten aangeslagen en zouden zonder nadere regeling niet profiteren van de afschaffing van de gebruikersbelasting op roerende woonruimten. Door aanvaarding van een amendement-De Pater is een regeling getroffen voor bedrijfsruimten met woongedeelten: het woongedeelte wordt vrijgesteld voor de gebruikersbelasting bedrijfsruimte. Vanaf 2007 wordt de waarde van het woongedeelte buiten de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting bedrijfsruimten gelaten. Dit geldt ook voor gedeelten van de bedrijfsruimte die dienstbaar zijn aan woondoeleinden. In de regeling vanaf 2007 wordt de vermindering dus al in het aanslagbedrag van de gebruikersbelastingen bedrijfsruimten verdisconteerd. Tegen een onjuiste toepassing van de vermindering kan dan bezwaar worden gemaakt in het bezwaarschrift tegen de aanslag. Voor toepassing en nadere uitwerking van dit lid wordt verwezen naar de Veelgestelde vragen over OZB-gebruikersbelasting en amendement-De Pater op www.vng.nl en www.wozinformatie.nl. Zie ook onderdeel 4 van de VNG-ledenbrief Lbr. 06/01 – wetswijziging onroerende-zaakbelastingen (4 januari 2006).
Artikel 6 Waardepeildatum In dit artikel wordt aangesloten bij de wettekst en de volgorde van artikel 18 van de Wet WOZ zoals dat op 1 januari 2009 luidt. Eerste lid Artikel 6, eerste lid, van de verordening bepaalt dat de waarde van de ruimte wordt bepaald naar de staat die de ruimte op de waardepeildatum heeft. De waardepeildatum moet worden onderscheiden van de peildatum voor de belastingplicht. Degene die op 1 januari genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht dan wel gebruiker van een ruimte is, wordt als belastingplichtige aangemerkt. De eerste januari van dat jaar is dan de peildatum voor de belastingplicht. Tweede lid Artikel 6, tweede lid, van de verordening bepaalt dat de waardepeildatum één jaar voor het begin van het kalendaar jaar ligt waarvoor de waarde wordt bepaald. Voor 2009 geldt dus de waardepeildatum 1 januari 2008, enzovoorts. Derde lid Indien de waarde na de waardepeildatum als gevolg van de in dit lid genoemde feiten en omstandigheden een wijziging ondergaat wordt de waarde in afwijking van het derde lid bepaald naar de staat aan het begin van het kalenderjaar. Dit ongeacht de hoogte van de waardewijziging. Artikel 7 Belastingtarieven Algemeen Het tarief van de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten moet op grond van artikel 221, derde lid, van de Gemeentewet gelijk zijn aan het tarief voor de onroerende-zaakbelastingen.
Met ingang van 1 januari 2008 zijn de limieten voor tarieven en tariefstijgingen afgeschaft (Wet van 7 december 2007, Stb. 570. Kamerstukken 31133). Gemeenten zijn vrij in het vaststellen van drie tarieven: een eigenarentarief en een gebruikerstarief voor niet-woningen en een eigenarentarief voor woningen. Daarbij gelden geen absolute of relatieve limieten. Wel is ter voorkoming van een onevenredige stijging van de collectieve lastendruk een macronorm afgesproken. Met ingang van 1 januari 2009 worden de tarieven naar een percentage van de waarde berekend (Stb. 2008, 262). De tarieven worden met ingang van 1 januari 2009 berekend naar een percentage van de waarde van de roerende woon- en bedrijfsruimte. Voor elke afzonderlijke belasting kan een apart percentage worden vastgesteld dat volgens artikel 220f van de Gemeentewet wel gelijkelijk moet zijn. Vaststellen van een degressief of progressief tarief is niet mogelijk. De wet stelt geen beperkingen voor het aantal cijfers achter de komma. Macronorm
18
/19
De regering heeft met de VNG afgesproken dat gemeenten zich collectief houden aan een macronorm, dat wil zeggen dat de stijging van de totale, landelijke OZB-opbrengsten niet boven een bepaalde limiet mogen uitgaan. Dat heeft echter geen gevolgen voor de vaststelling van de tarieven van een individuele gemeente. De macronorm is een bestuurlijke norm. Bij overschrijding van de norm vindt er een bespreking plaats tussen Rijk en gemeenten in het bestuurlijk overleg Financiële Verhoudingen in de maand april. Het Rijk kan uiteindelijk als machtsmiddel de hoogte van de uitkering uit het gemeentefonds gebruiken. Artikel 8 Wijze van heffing Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. Zie ook de modelverordening van de VNG waar gekozen is voor de heffing bij wege van aanslag. Voor een toelichting wordt verwezen naar de aan het begin van voornoemde uitgave opgenomen algemene toelichting, onderdeel B, onder 9 (Wijze van heffing), paragraaf ‘Heffing bij wege van aanslag’. Artikel 9 Termijnen van betaling In het eerste lid is geregeld dat aanslagen die in het jaar worden opgelegd, 2 vervaldagen hebben ( 1 maand en 2 maanden na de dagtekening) en dat voor aanslagen die na het jaar worden opgelegd hetzelfde geldt.
Uitzondering op het eerste lid vormt de automatische incasso. Indien geopteerd is voor automatische incasso worden bedragen tot € 5000 in maximaal 10 termijnen afgeschreven. Dit geldt alleen voor aanslagen die in hetzelfde jaar worden opgelegd als het belastingjaar. Als de aanslagen worden opgelegd na het belastingjaar dan zijn slechts drie termijnen toegestaan. Hetzelfde geldt indien de automatische incasso niet kan worden uitgevoerd bijvoorbeeld als gevolg van stornering, dan gelden ook drie termijnen. Met het vervallen van de termijnen op de 25e van de maand is aansluiting gezocht bij artikel 7 van het Reglement automatische incasso gemeentelijke belastingen gemeente Deventer. Daarin is namelijk bepaald dat de incassering van termijnen bij automatische incasso plaatsvindt tussen de 25e en de 29e van de maand. Artikel 10 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders De nadere regels welke door het college gegeven worden kunnen betrekking hebben op de aangifte formulieren, het gebruik van nachtregister ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting, het opleggen van voorlopige aanslagen en de berekening van de te vergoeden invorderingsrente etc. Artikel 11 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel In de verordening is een viertal leden opgenomen die betrekking hebben op de inwerkingtreding en citeertitel van de verordening.
In het eerste lid wordt de oude verordening van de gemeente Deventer ingetrokken, in het tweede en derde lid wordt de inwerkingtreding en de datum van ingang van de heffing geregeld en in het vierde de citeertitel. Eerste lid Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van toepassing op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude verordening, ook al is die verordening ingetrokken. Tweede en Derde lid Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht kan leiden tot onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034, BNB 1993/182,Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr. 33.632). Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit tot vaststelling of wijziging van de belastingverordening in het gemeenteblad, dan wel, bij gebreke daarvan in een andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave.
19
/20
Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking, houdt slechts in dat de gemeente vóór dat tijdstip geen belastingaanslagen kan opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode vanaf de datum van ingang van de heffing. Een voorbeeld kan dit toelichten. Op 1 november 1999 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum van inwerkingtreding de achtste dag na de bekendmaking en als tijdstip van ingang van de heffing 1 januari 2000. De verordening wordt door de gemeente bekendgemaakt op 16 februari 2000. De verordening treedt in werking op 24 februari 2000 (achtste dag na de dag van bekendmaking). Vanaf dat moment kan de gemeente aanslagen opleggen. Deze aanslagen kunnen echter betrekking hebben op de periode vanaf het tijdstip van ingang van de heffing (in dit geval 1 januari 2000). In het vierde lid is de datum van ingang van de heffing opgenomen.
Vierde lid In het vierde lid is in de citeertitel een jaartal genoemd. Het genoemde jaartal is het jaartal dat als eerste jaar geldt waarin op basis van deze verordening belasting op roerende woon- en bedrijfsruimten wordt geheven.
20