Bijlage 5 - Reactie op advies regionale cliëntenraad
Tekst van het document
Memo: terugkoppeling RCR
Datum : 14 juli 2023
Inleiding Tijdens de bijeenkomst op 31 mei jl. is door de GR Peelgemeenten advies gevraagd aan de lokale cliëntenraden van de gemeenten Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Laarbeek en Someren, over de bedoeling van de harmonisatie Minimaregelingen en de daarbij behorende voorgestelde maatregelen, waaronder de inkomensgrens van 120%. Hierover geven wij een terugkoppeling. Hierin geven wij aan op welke manier het advies ter harte is genomen. Ook komen wij terug op de vraag - zoals gesteld tijdens de bijeenkomst van de RCR op 31 mei jl.- rondom de inkomensvrijlating en hoe dit er in de praktijk uitziet. 1. Harmonisatie minimaregelingen De focus is één uitvoeringsbeleid en één inkomensnorm voor 5 gemeenten voor de regelingen meedoen/ maatschappelijke participatie en individuele inkomenstoeslag. Hierop is positief gereageerd door de regionale cliëntenraden en vergt dus geen nadere toelichting. 2. Inkomensgrens 130% Ons voorstel is om een gezamenlijke inkomensgrens van 120% te hanteren. De regionale cliëntenraad heeft hierop geadviseerd om de inkomensgrens te verhogen naar 130%. Hier geven we een uitgebreide terugkoppeling met argumentatie op. Het advies om in plaats van 120% een inkomensgrens van 130% te hanteren wordt door de RCR gemotiveerd met het argument dat 120% van het bijstandsniveau volgens de RCR onvoldoende effect zou hebben voor de inwoners.
Daarnaast wordt volgens de RCR al in diverse andere gemeenten een grens van 130% gehanteerd en daar is een positief effect van te zien in de praktijk. We zien in deze argumenten echter onvoldoende reden om de inkomensgrens op 130% te stellen, wat als volgt wordt toegelicht. 2.1 Voldoende effect met 120% Het optrekken van de inkomensgrens naar 120% betekent voor veel gemeenten een flinke (financiële) stap, waarmee het bereik van Regeling Meedoen en IIT flink wordt vergroot. Verhoging van de inkomensgrens naar 130% betekent dat het bereik verder wordt vergroot, maar het is de vraag of dit nodig is. Het Rijk heeft voor de eenmalige energietoeslagen steevast een inkomensgrens van 120% gehanteerd. Voor gemeenten was het mogelijk een hogere of lagere inkomensgrens te hanteren, maar uit een peiling van Divosa is gebleken dat 84% van de gemeenten de grens van 120% heeft aangehouden.1 De Nationale ombudsman heeft in zijn recente verkenning ‘Sociale minima in de knel’ verder gewezen op de grote verschillen in het minimabeleid tussen gemeenten (zonder te adviseren over een inkomensgrens)2, wat pleit voor aansluiting bij de inkomensgrens die de meeste gemeenten hanteren (120%). Zonder nadere onderbouwing kan niet gesteld worden dat een inkomensgrens van 120% onvoldoende effect heeft.
En vanuit de praktijk zijn er verder momenteel geen signalen dat inwoners in financiële problemen komen, specifiek vanwege een inkomensgrens lager dan 130%. Het ligt veeleer voor de hand om de inkomensgrenzen nu te harmoniseren op 120% en op termijn opnieuw aan NIBUD te vragen om onderzoek te doen naar de vraag of het gemeentelijk minimabeleid de minima voldoende ondersteunt. Niet vergeten mag worden dat er landelijk ook een aantal maatregelen zijn getroffen voor koopkrachtondersteuning. Denk in dit verband aan de
1 Antwoord van Minister Schouten op vragen van het Tweede Kamerlid Gündogan, TK 2022-2023, 683. 2 Reflectie Sociale minima in de knel 17 oktober 2022.
Memo: terugkoppeling RCR
verhoging van het wettelijk minimumloon, verhoging van toeslagen, maximering van huurverhogingen etc. In bijzondere situaties kan nog altijd gebruik worden gemaakt van de hardheidsclausule. Als blijkt dat inwoners net buiten de 120% vallen door uitzonderlijke situaties en in de financiële problemen komen, dan kan hiervoor een uitzondering worden gemaakt via de hardheidsclausule. Indien dit vaak nodig is, dan nemen wij dat op als een signaal en gebruiken om de inkomensgrens eventueel in de toekomst te verhogen naar 130%. 2.2 De grens van 130% heeft in diverse andere gemeenten een positief effect Bij punt 2.1 is aangegeven dat er vanuit de uitvoering geen signalen worden ontvangen van inwoners die net niet in aanmerking komen voor de IIT en/of MP. Het argument dat er een positief effect zou zijn met een inkomensgrens van 130% in diverse andere locaties is niet onderbouwd met cijfers en voorbeelden, wat voor ons dan ook geen legitieme reden kan zijn om de grens te verhogen van 120% naar 130%. Voor een inwoner met een inkomen op 125% van het sociaal minimum zal een inkomensgrens van 130% voordelig zijn en een positief effect hebben op zijn inkomenssituatie. Maar de vraag is dan nog onbeantwoord of een inkomensgrens van 130% ook nodig is om te voorkomen dat groepen inwoners onder de armoedegrens geraken. Cijfers hierover ontbreken.
En er zijn inderdaad omliggende gemeenten die die bezig zijn om hogere inkomensgrenzen te hanteren (bijvoorbeeld 130% in Helmond) maar er zijn, zoals gezegd, meer gemeenten die lagere inkomensgrenzen hanteren. Wellicht dat bij andere gemeenten wel signalen binnengekomen zijn, waardoor ze de grens hebben verhoogd. Echter, dit is gissen. Het is voor ons van belang om naar onze eigen inwoner te kijken binnen de Peelgemeenten. 2.3 Harmonisatie Vanuit de uitvoeringspraktijk is het zeer wenselijk om te harmoniseren. Inhoudelijke zaken actualiseren, uniformeren en toe te werken naar verdere vereenvoudiging van de regelingen. Dit ondersteunt de uitvoering om het werk efficiënter uit te voeren en hierdoor de inwoner beter te kunnen ondersteunen. Echter, harmoniseren betekent ook dat op sommige momenten ‘pas op de plaats’ moet worden gemaakt, omdat de gemeentes niet hetzelfde en vooral een ander vertrekpunt hebben. Dat maakt de harmonisatie erg complex. De eerste stap is om naar eenheid toe te bewegen. Wanneer we eenheid hebben gecreëerd, namelijk o.a. één inkomensgrens en één uitvoeringskader voor alle gemeentes, dan kan daarna bekeken worden of dit het gewenste positieve effect heeft. Door één dezelfde regeling kan gemonitord en vergeleken worden tussen de gemeentes.
Wanneer blijkt uit de cijfers en signalen van de uitvoering dat een groot deel van de inwoners een afwijzing krijgen en daarmee in de financiële problemen, dan kunnen we de inkomensgrens alsnog verhogen naar 130%. Daar is het nu te vroeg voor. De eerste stap is om met de inkomensgrens van 120% aan te sluiten bij gemeentes Deurne en Someren. Voor de gemeentes Asten, Gemert-Bakel en Laarbaak zou het anders betekenen dat ze in één keer van 100%/110% naar 130% gaan, wat een flinke toename in kosten is en nergens is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Het is voor ons dan ook niet wenselijk om de harmonisatie in dit stadium tegen te houden om uit te zoeken of de 130% inkomensgrens eventueel een groter positief zal hebben dan een inkomensgrens van 120%. Dit kan makkelijker wanneer de inkomensgrens voor de gemeentes gelijk is en de processen op dezelfde manier zijn ingeregeld. 3. Inkomensvrijlating in de praktijk nadat de inkomensgrens is aangepast Tijdens de bijeenkomst op 31 mei jl. werden er vragen gesteld over onderstaand lid 3 bij gemeente Laarbeek. Daar geven we antwoord op. Voor gemeente Laarbeek is het volgende in artikel 3 van de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Laarbeek 2021opgenomen:
Memo: terugkoppeling RCR
• •
Lid 1: Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
•
Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% ( 120%) van de toepasselijke bijstandsnorm. Lid 3: Voor de toepassing van het eerste lid en tweede lid blijven tijdens de referteperiode ontvangen netto-inkomsten boven 100% ( 120%) van de bijstandsnorm tot een bedrag van € 3.820,- buiten beschouwing.
De vraag vanuit de RCR was wat de invloed is van de wijziging inkomensgrens naar 120% betreffende lid 3. De volgende berekening laat dit zien. Alleenstaande (huidig beleid) - 100% norm = € 1195,66 - Vrijlating = € 3820,00 - Referteperiode = 36 maanden > € 106,11 per maand - Het totale inkomen mag zijn € 1301,77 Beleid norm 120% en geen vrijlating € 1434,79 > + € 133,02 Alleenstaande ouder (huidig beleid) - 100% norm = € 1537,27 - Vrijlating = € 3820,00 - Referteperiode = 12 maanden > € 318,33 per maand - Totale inkomen mag zijn € 1855,60 Beleid norm 120% en geen vrijlating € 1844,72 > - € 10,88 Gehuwden zonder kinderen (huidig beleid) - 100% norm = € 1708,08 - Vrijlating = € 3820,00 - Referteperiode = 36 maanden > € 106,11 per maand - Totale inkomen mag zijn € 1814,19 Beleid norm 120% en geen vrijlating € 2049,70 > + € 235,51 Gehuwden met minderjarige kinderen (huidig beleid) - 100% norm = € 1708,08 - Vrijlating = € 3820,00 - Referteperiode = 12 maanden > € 318,33 per maand - Totale inkomen mag zijn € 2026,41 Beleid norm 120% en geen vrijlating € 2049,70 > + € 23,29 Nadere toelichting: De inkomstenvrijlating van € 3.820,00 wordt niet per maand berekend. Het kan dus dat iemand de ene maand € 500,00 overschrijding heeft en een andere maand € 199,00. We rekenen over de volledige referteperiode uit hoeveel de overschrijding is.
Blijft dit onder het bedrag van € 3820,00 dan bestaat er recht op IIT. Is dit bedrag hoger dan € 3820,00 dan bestaat er geen recht op IIT.
Memo: terugkoppeling RCR
Het is in dit voorbeeld naar een maandbedrag omgerekend om inzichtelijk te maken wat het verschil is met een inkomstengrens van 120% norm. Voor de uitvoering is rekenen met 120% norm makkelijker dan rekenen met een inkomstenvrijlating. En het zou beter aansluiten bij de andere Peelgemeenten. Conclusie: Vrijwel alle huishoudtypes gaan erop vooruit onder het gewijzigde beleid. Het type huishouden ‘alleenstaande ouder’ zou er iets op achteruit gaan in gemeente Laarbeek.