Bijlage 4 - Toelichting
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Hemelrijkseweg 24, Deurne
Kadastrale gegevens:
: : :
Deurne V 599, 600 en 601
Locatie
:
Hemelrijkseweg 24 te Deurne
Opgesteld door
:
Roba-Advies B.V.
Auteur:
:
LK
: :
NL.IMRO.0762.BP202204-B001
Datum
Ontwerp: Vastgesteld:
Gemeente Sectie Nummer
Verantwoording en status Titel
:
Toelichting bestemmingsplan
Versie
:
20211206
Ontwerp
:
Definitief
:
Opsteller: LK Paraaf:
Inhoudsopgave 1.
Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 7
1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................ 7
1.2.
Ligging en begrenzing ................................................................................... 7
1.3.
Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 8
1.4.
Bijbehorende stukken ................................................................................... 9
1.5.
Leeswijzer ................................................................................................... 9
2.
Planbeschrijving .............................................................................................11
2.1.
Huidige situatie ...........................................................................................11
2.2.
Beoogde situatie .........................................................................................12
2.2.1.
Planbeschrijving .......................................................................................12
2.3.
Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling ............................14
3.
Beleidskader ..................................................................................................15
3.1.
Inleiding .....................................................................................................15
3.2.
Rijksbeleid ..................................................................................................15
3.2.1.
Nationale omgevingsvisie ..........................................................................15
3.2.2.
Structuurvisie infrastructuur en ruimte ........................................................15
3.2.3.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ...............................................16
3.2.4.
Ladder duurzame verstedelijking ................................................................17
3.3.
Provinciaal beleid ........................................................................................17
3.3.1.
Brabantse Omgevingsvisie .........................................................................17
3.3.2.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant .............................................18
3.3.2.1.
Inleiding ..............................................................................................18
3.3.2.2.
Beleidskader .........................................................................................18
3.3.2.3.
Toets ...................................................................................................19
3.4.
Gemeentelijk beleid .....................................................................................22
3.4.1.
Structuurvisie ..........................................................................................22
3.4.2.
Ruimte voor Dynamiek ..............................................................................24
3.4.3.
Gemeentelijke beleidskader kwaliteitsverbetering landschap ..........................25
4.
Omgevingsaspecten ........................................................................................27
4.1.
Milieuaspecten ............................................................................................27
4.1.1.
Milieu Effect Rapportage ............................................................................27
4.1.2.
Bodem ....................................................................................................27
4.1.3.
Bedrijven en milieuzonering .......................................................................28
4.1.4.
Geur .......................................................................................................30
4.1.5.
Luchtkwaliteit ..........................................................................................32
4.1.6.
Gezondheid .............................................................................................35
4.1.7.
Geluid .....................................................................................................35
4.2.
Ruimtelijke aspecten ....................................................................................36
4.2.1.
Externe veiligheid .....................................................................................36
4.2.2.
Cultuurhistorie en archeologie ....................................................................38
4.2.2.1.
Cultuurhistorie ......................................................................................38
4.2.2.2.
Archeologie ..........................................................................................39
4.2.3.
Mobiliteit en parkeren ...............................................................................40
4.3.
Flora en Fauna ............................................................................................41
4.3.1.
Gebiedsbescherming .................................................................................41
4.3.2.
Soortenbescherming .................................................................................41
4.4.
Landschappelijke inpassing ...........................................................................43
4.5.
Waterparagraaf ...........................................................................................44
4.5.1.
Waterrelevant beleid .................................................................................44
4.5.2.
Inleiding watertoets ..................................................................................45
4.5.3.
Waterparagraaf ........................................................................................47
5.
Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................48
5.1.
Economische haalbaarheid ............................................................................48
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................48
5.2.1.
Omgevingsdialoog ....................................................................................48
5.3.
Procedure ...................................................................................................48
5.4.
Vooroverleg en inzage..................................................................................49
6.
Juridische planopzet .......................................................................................50
6.1.
Inleiding .....................................................................................................50
6.2.
Toelichting op de verbeelding ........................................................................50
6.3.
Toelichting op de regels ...............................................................................50
7.
Bijlagen.........................................................................................................51
Bijlage(n) 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Situatietekening Bodemonderzoek Akoestisch onderzoek Arieus-berekening Nota kostenverhaal Landschappelijk inpassingsplan Quickscan Flora en Fauna Omgevingsdialoog
1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.
Aanleiding en doel
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld omdat de initiatiefnemer voornemens is om op de Hemelrijkseweg 24 te Deurne (hierna genoemd: plangebied) een hoveniersbedrijf te ontplooien. Voorheen is hier een champignonkwekerij geëxploiteerd. De agrarische activiteiten zijn sinds 2005 gestaakt, de locatie is sindsdien in gebruik voor statische opslag. Deze activiteit is middels een melding besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer op 24 mei 2005 voor kennisgeving aangenomen. Het hoveniersbedrijf van de initiatiefnemer wordt op dit moment vanuit de locatie Hemelrijkseweg 22 geëxploiteerd. In de toekomst wenst de initiatiefnemer de hoveniersactiviteiten niet meer uit te voeren vanuit de locatie Hemelrijkseweg 22. Het gehele hoveniersbedrijf wordt in de beoogde situatie gerealiseerd binnen de locatie Hemelrijkseweg 24. Hierdoor zal de locatie Hemelrijkseweg 22 in de toekomst in gebruik zijn als woonlocatie inclusief statische opslag in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Binnen deze locatie vinden geen (planologische) wijzigingen plaats. In deze toelichting van het bestemmingsplan wordt planologisch-juridisch onderzoek verricht voor de beoogde situatie en wordt de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het project vastgesteld. Op 22 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarde principemedewerking verleend voor het beoogde initiatief.
In voorliggende toelichting wordt aangetoond dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden.
1.2.
Ligging en begrenzing
Het plangebied aan Hemelrijkseweg 24 te Deurne is gelegen in het buitengebied van de gemeente Deurne op een afstand van circa 210 meter van de komgrens van Deurne. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Deurne, sectie V, nummer 599, 600 en 601. Afbeelding 1 geeft de topografische ligging van het plangebied weer.
7
Afbeelding 1. Topografische kaart
1.3.
Vigerend bestemmingsplan
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.6. De gemeenteraad van gemeente Deurne heeft op 7 juli 2020 de ‘Derde herziening bestemmingsplan buitengebied’ vastgesteld. Het plangebied betreft een champignonkwekerij en is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met de volgende bestemmingen, zie afbeelding 2: • • • • • • •
8
Enkelbestemming: Agrarisch; Bouwvlak; Functieaanduiding: Bedrijfswoning uitgesloten; Functieaanduiding; Specifieke vorm van agrarisch – overige agrarisch bedrijf; Gebiedsaanduiding: Vrijwaringszone – ihcs 174 m+nap; Gebiedsaanduiding: Wetgevingszone – Wijzigingsgebied kernrandzone 1; Gebiedsaanduiding: Wetgevingszone – Woning met persoonsgebonden overgangsrecht.
Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan
1.4.
Bijbehorende stukken
Samen met de bijbehorende regels, bijlagen en verbeelding vormt deze toelichting het bestemmingsplan. In artikel 3.1.6 van het Bro is vastgelegd aan welke eisen een goede toelichting dient te voldoen. 1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van de planologische afwijking zijn betrokken; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 2. Voor zover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de toelichting ten minste neergelegd: a. een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; b.
voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; c. een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.
1.5.
Leeswijzer
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • •
9
project- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3;
•
• • • •
10
toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, waterparagraaf, aanwezige leidingen, archeologische waarden en natuurlijke en landschappelijke aspecten) en conclusie, hoofdstuk 4; juridische planopzet, hoofdstuk 5; uitvoerbaarheid, hoofdstuk6; handhavingsparagraaf, hoofdstuk 6; Een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 7.
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de huidige situatie en beoogde situatie beschreven. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.
2.1.
Huidige situatie
Het plangebied is gedeeltelijk bebouwd. Binnen het plangebied is een gebouw gesitueerd van 800 m2. In dit gebouw was zowel het bedrijf als de woning gesitueerd, zie afbeelding 3. Daarnaast zijn nog enkele dierenverblijven gesitueerd aan de zuidwestzijde van het plangebied, zie afbeelding 4.
Afbeelding 3. Huidige situatie plan gebied
Afbeelding 4. Huidige situatie plangebied
11
2.2.
Beoogde situatie
Initiatiefnemers hebben het voornemen om op de locatie Hemelrijkseweg 24 het hoveniersbedrijf verder te ontwikkelen. De Linden Tuinmakers is opgericht in 1980 en heeft niet alleen een passie voor groen, maar ook voor vormen en trends. Vanuit een breed, maar specialistisch, tuingericht perspectief worden tuinen voor klanten vormgegeven en onderhouden. Dit wordt gedaan voor zowel de particuliere als zakelijke markt. 2.2.1. Planbeschrijving Om het bedrijf verder te ontwikkelen is ervoor gekozen het plangebied te herinrichten. De bestaande bebouwing van 800 m2 en erfverharding zal worden gesloopt, waarna een nieuw te bouwen bedrijfsgebouw van 756 m2 wordt opgericht en het buitenterrein wordt opnieuw ingericht. Een impressie van deze ontwikkeling wordt weergegeven in afbeelding 5 en 6. In afbeelding 7 is de inrichting van de locatie en het bedrijfsgebouw weergegeven.
Afbeelding 5. Overzichtstekening beoogd e situatie
Afbeelding 6. Overzichtstekening beoogde situatie
12
Afbeelding 7. Overzichtstekening beoogde situatie
Het bedrijfsgebouw zal bestaan uit een kantoorruimte en een loods. De kantoorruimte biedt plaats voor vier werkplekken, waar de administratie, werkvoorbereiding en tuinontwerpen worden uitgevoerd. Daarnaast is de kantoorruimte voorzien van een ontvangstruimte en spreekkamer waar klanten worden ontvangen en de tuinontwerpen worden gepresenteerd. De keuken en sanitaire voorzieningen voor personeel en klanten zijn ook in de kantoorruimte gesitueerd. De loods zal bestaan uit een aparte machineruimte waar kostbare machines (zoals grasmaaiers, zitmaaier, bladblazers, heggenscharen, waterslijptafel, trilplaat, ect.) in een apart afgesloten ruimte kunnen worden opgeslagen. In de werkplaats staat een werkbank en kan klein onderhoud aan de machines worden uitgevoerd. Het overige gedeelte van de loods is een ruimte met aan de linkerzijde een stelling voor opslag van onder andere graszaad, beregenings-, bevestigingsmateriaal, meststoffen en handgereedschappen. Voor de stelling worden de bedrijfsauto’s met aanhangwagens binnen geparkeerd, tevens staan hier de minigraver, loader en aanbouwdelen gestald.
13
Het buitenterrein zal worden ingericht met parkeerplaatsen (voor personeel) uitgevoerd met grasstenen om het groene uiterlijk te behouden en te zorgen dat het hemelwater in eigen bodem infiltreert. Het hemelwater afkomstig van het bedrijfsgebouw zal worden afgevoerd naar een natuurlijke wadi gelegen in de voortuin welke omringd is met fruitbomen. Bij deze wadi zal een aanlegplaats voor fietsers en wandelaars gecreëerd worden zodat deze hier een mooie stop kunnen maken. Aan achterzijde van de loods worden vijf sleufsilo’s voor de opslag van een kleine hoeveelheid brekerzand, straatzand, aanplantgrond en grind gerealiseerd. De opgeslagen producten zijn noodzakelijk voor aanleg en onderhoud van de tuinen. Daarnaast wordt een sleufsilo voor de opslag van groenafval wat ontstaat bij de aanleg en onderhoud van de tuinen. Het groenafval wordt vervolgens afgevoerd naar een inzamelaar. Het gehele buitenterrein zal omsloten worden met een dubbele beukenhaag (fagus sylvaitca) om zo het terrein en de loods landschappelijk in te passen. Aan de achterzijde zullen bomen geplant worden om de singel structuur van het naastgelegen perceel (Hemelrijkseweg 26) door te trekken. Zo zal er vanuit Lovinckweg een rustig beeld ontstaan en is het terrein en de loods landschappelijk ingepast.
2.3. Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling Ter plekke van de bestemming ‘Agrarisch’ zijn de gronden bestemd voor de ontwikkeling van een in hoofdzaak agrarische economie, de uitoefening van het agrarisch bedrijf en/of agrarisch grondgebruik. Binnen het vigerende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders de gronden met deze bestemming kunnen wijzigen in de bestemming ‘Buitengebied gebonden bedrijf of niet-agrarisch bedrijf’. De beoogde situatie is echter niet passend binnen bovengenoemde wijzigingsbevoegdheid. Zo wenst de initiatiefnemer onder andere het bouwvlak te vergroten terwijl de wijzigingsbevoegdheid enkel toe ziet op de wijziging van de bestemming ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’. Om het plan mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Onderhavig toelichting vormt de onderbouwing voor dit bestemmingsplan.
14
3. Beleidskader 3.1.
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgestelde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.
3.2.
Rijksbeleid
3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •
•
•
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.2.2. Structuurvisie infrastructuur en ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende
15
ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de Mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport). Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt.
Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden of projecten van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. 3.2.3. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen.
Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en
16
begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Noord-Brabant is de EHS vastgelegd in het Natuur Netwerk Brabant. In paragraaf 3.2.3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt de begrenzing van de Natuur Netwerk Brabant bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro. 3.2.4. Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van een buitengebied gebonden bedrijf. De bestaande bedrijfsgebouwen zullen vernieuwd worden en door een hoveniersbedrijf in gebruik worden genomen. Daarnaast zullen ten behoeve van de bereikbaarheid van de loods erfverharding en voor opslag zes sleufsilo’s worden gesitueerd. Hiervoor dient het bouwvlak in oostelijke en zuidelijke richting uitgebreid te worden.
Echter zal het gebruik en de bouwmogelijkheden beperkt zijn, doordat deze worden vastgelegd in onderhavig bestemmingsplan. Gezien de aard, omvang, gebruik en bouwmogelijkheden voorziet onderhavig bestemmingsplan niet in een stedelijke ontwikkeling. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is derhalve niet van toepassing
3.3.
Provinciaal beleid
3.3.1. Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een
17
concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan. 5. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vindt een vertaalslag van de hoofdopgaven in concreet bindende regels plaats. De ontwikkeling wordt in navolgende paragraaf getoetst aan deze verordening. 3.3.2.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.2.1. Inleiding Op 25 oktober 2019 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) vastgesteld. Op termijn treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de voormalige Verordening ruimte. 3.3.2.2. Beleidskader De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Interim omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen).
Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen.
18
Afbeelding 8. Uitsnede plangebied IOV
Het plangebied ligt binnen het 'Landelijk gebied'/ ‘Gemengd landelijk gebied’, zie afbeelding 8. De ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de mogelijkheden die worden geboden binnen deze aanduidingen. Op grond van de begripsomschrijving in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is de beoogde ontwikkeling mogelijk op basis van artikel 3.73 van de IOV. 3.3.2.3. Toets Artikel 3.73 Vestiging niet agrarische functie Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; De beoogde functie zorgt voor werkgelegenheid binnen de gemeente Deurne. Het initiatief draagt bij aan de Deurnsche economie. Het buitengebied van Deurne wordt gekenmerkt door een voornamelijk agrarisch gerichte economie. Het voorliggende initiatief, de ontwikkeling van buitengebied gebonden bedrijvigheid, sluit aan bij de, in de structuurvisie genoemde, verwachte transitie van het landelijk gebied en de agrarische sector, zie tevens paragraaf 3.4.1 van de toelichting. De locatie aan de Hemelrijkseweg 24 leent zich goed voor de beoogde ontwikkelingen.
Zo wordt de locatie goed ontsloten richting de N270 en Milheeze middels de Biesheuvelweg en de Milhezerweg. Daarnaast kenmerkt de omgeving van het plangebied als een gemengde omgeving waarbinnen verschillende functies zoals wonen en (agrarische) bedrijvigheid aanwezig zijn. 2. Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; De toetsing op de mogelijke effecten van de ontwikkeling op de genoemde aspecten is uiteengezet in hoofdstuk 4 van voorliggende toelichting. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn op bovengenoemde aspecten. 3. Hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het landelijk gebied. Binnen de ontwikkeling wordt de bestaande bebouwing gesloopt en een nieuw bedrijfsgebouw opgericht. Door het herinrichten van de locatie wordt de omgevingskwaliteit versterkt en wordt leegstaand vastgoed voorkomen.
19
b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen één inrichting, een bouwvlak, aan Hemelrijkseweg 24 te Deurne. c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; Binnen de beoogde ontwikkeling is geen sprake van overtollige bebouwing. Middels nieuwe bedrijvigheid wordt invulling gegeven aan leegstaand economisch kapitaal binnen de gemeente Deurne. d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. Een kantoor met baliefunctie; 2. Lawaaisport; 3. Mestbewerking. De beoogde situatie voorziet niet in de vestiging van een kantoor met baliefunctie, een lawaaisport of mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op de langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publiek aantrekkende werking; In de omving zijn meerder bedrijven gesitueerd. Daarnaast wordt een verouderd gebouw gesloopt, een nieuw gebouw gerealiseerd en het perceel wordt landschappelijk ingepast. Dit heeft een positief effect op de omgeving. De publieksaantrekkende werking is naar verwachting passend aangezien het aantal verkeersbewegingen op gaat in het verkeersbeeld van Milhezerweg. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.6. b.
welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; De specifieke gebruiksactiviteiten worden verankerd binnen de planregels. c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; Hoofdzakelijk zal de opslag en stalling van materialen binnen plaatsvinden. Er zullen zes sleufsilo’s voor een werkvoorraad aan brekerzand, straatzand, aanplantgrond, grind en groenafval op het buitenterrein worden gerealiseerd. d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. In de planregels is opgenomen dat de ontwikkeling wordt verplaatst wanneer het wat betreft aard, activiteiten en omvang niet meer geschikt is op het voorliggende plangebied. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; Van een grootschalige ontwikkeling is er sprake indien er meer dan 150.00 bezoekers per jaar naar de locatie komen. Dit aantal bezoekers zal, gezien de beoogde omvang en activiteit niet gehaald worden. In de beoogde ontwikkeling kan gesproken worden van een kleinschalige ontwikkeling. b. een detailhandel voorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m2; De beoogde ontwikkeling maakt geen detailhandel voorziening mogelijk.
Hierdoor is lid b niet van toepassing. c. een voorziening ten dienste van vrije tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De beoogde ontwikkeling geen voorzieningen op het gebied van vrije tijd en zorg. Hierdoor is lid c niet van toepassing.
20
De IOV wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de IOV aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse Omgevingsvisie en worden mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de IOV in plaats van middelvoorschriften, doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een ‘ja, mits – benadering’. Daarnaast dient het beoogde voornemen te voldoen aan paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierbij dient rekening gehouden te worden met: - Artikel 3.5: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; - Artikel 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik; - Artikel 3.7: Toepassing van de lagenbenadering; - Artikel 3.8: Meerwaardecreatie; - Artikel 3.9: Kwaliteitsverbetering landschap. Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende aspecten. In paragraaf 3.3.2 wordt het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap en Nota Kostenverhaal 2018 nader toegelicht. Een toelichting op het toepassen van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie blijkt uit voorliggend bestemmingsplan. Dit leidt tot het waarborgen van de verschillende aspecten zoals hierboven genoemd. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de IOV de ‘zorgplicht’ opgenomen.
Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is een compacte opzet met een concentratie van bebouwing en gebruik van bestaande bebouwing. Dit betekent dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen. Uitbreiding is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het huidige toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. Toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op drie verschillende lagen: 1. De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Daarnaast speelt de factor tijd een belangrijke rol. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on-)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaardecreatie omvat daarnaast een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat. Tevens kan de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
21
Kwaliteitsverbetering van het landschap Naast de zorgplicht is in de IOV tevens het beleidsvoornemen opgenomen met betrekking tot ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’. De vereiste kwaliteitsverbetering koppelt ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied aan een concrete tegenprestatie gericht op een verbetering van de kwaliteit van het landschap. In het bestemmingsplan kan ontwikkelingsruimte worden geboden aan functies, mits dit gepaard gaat met maatregelen die het landschap versterken. Dit kan onder andere door landschapselementen aan te leggen maar ook door behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en/of sloop van overtollige bebouwing. De regio Zuidoost-Brabant heeft geen nadere regionale afspraken gemaakt. Voor de doorwerking van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Deurne derhalve een eigen gemeentelijk beleidskader ontwikkeld, waarin is beschreven, nader uitgewerkt en vastgelegd op welke wijze de gemeente de kwaliteitsverbetering van het buitengebied wenst vorm te geven als tegenprestatie voor het kunnen bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor functies in het buitengebied in het bestemmingsplan. Onderhavig initiatief heeft betrekking op de omschakeling van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming, waarbij tevens sprake is van een bouwvlakvergroting.
De bestaande situatie wordt gesloopt en er zal een nieuw bedrijfsgebouw worden opgericht. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Daarnaast worden in hoofdstuk 4 de verschillende ruimtelijke en milieuaspecten toegelicht welke bij de verschillende lagen van de lagenbenadering horen. Middels de toets aan het relevante beleidskader wordt inzicht gegeven in de meerwaardecreatie van onderhavige initiatief. Dit sluit aan bij de randvoorwaarden zoals opgenomen in het provinciaal (en gemeentelijk) beleid. Het planvoornemen past binnen de kaders van de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant.
3.4.
Gemeentelijk beleid
3.4.1. Structuurvisie Op 13 maart 2018 is de structuurvisie voor Deurne vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Deurne. De structuurvisie is de integrale langetermijnvisie van de gemeente over de noodzakelijke en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en kwaliteiten van Deurne. De visie is opgesteld tegen de achtergrond van een aantal brede maatschappelijke en ruimtelijke vraagstukken en opgaven. Dit zijn de transitie van het landelijk gebied, de klimaataanpassing, de energietransitie, het vormgeven van een nieuwe (circulaire) economie en de ontwikkeling van de Metropoolregio Eindhoven als Mainport voor de nationale economie. De structuurvisie geeft inzicht in de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van Deurne, en geeft antwoord op de vraag wat de gemeenschappelijke meerwaarde is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarvoor zijn in deze structuurvisie kaders en uitgangspunten opgenomen. De structuurvisie is een uitnodiging aan inwoners, organisaties en ondernemers om initiatieven te ontplooien die bijdragen aan de ontwikkeling van Deurne en het vergroten van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In de structuurvisie staat dat het landelijk gebied van Deurne de komende jaren ingrijpend verandert.
Door strengere wet- en regelgeving voor de veehouderij, gebrek aan opvolging en de situatie in de markt stoppen steeds meer veehouderijen: de marges zijn klein, de risico’s groot. Dit resulteert in grootschalige leegstand van agrarische bedrijven in het buitengebied. De bedrijven die blijven bestaan zetten in op schaalvergroting of andere productmarktcombinaties.
22
In het landelijk gebied levert de structuurvisie een ruimtelijke zonering op van het landelijk gebied van de gemeente Deurne in twee gebieden: 1. Primair agrarisch gebied (primag); 2. Gebied met een gemengde plattelandseconomie. Daarnaast zijn er gebieden aangewezen als glastuinbouwontwikkelingsgebieden.
Afbeelding 9. Uitsnede kaart Structuurvis ie Deurne
De voorliggende locatie is gelegen in een gebied met een gemengde plattelandseconomie. Door het verdwijnen van vele tientallen veehouderijen de komende jaren zal de bebouwing in het landschap sterk veranderen. Het platteland is niet langer alleen van de boer. Door ruimte te bieden aan andere functies ontstaat een nieuwe dynamiek. De woon- en recreatieve functies vragen om een gezond en aantrekkelijk
23
verblijfslandschap, waarin water, groen en lokaal georiënteerde infrastructuur belangrijke dragers zijn. Voor omschakelingen heeft de gemeente een specifiek omschakelbeleid vastgesteld (Ruimte voor Dynamiek). Als er een functiewijziging plaatsvindt (er wordt omgeschakeld van bijvoorbeeld een agrarische bestemming naar een woonbestemming), dan moet de overtollige bebouwing gesloopt worden. Met dit beleid worden zowel sloop van overtollige agrarische opstallen als de verdere ontwikkeling van de buitengebied gebonden bedrijvigheid gestimuleerd. Binnen deze systematiek is tevens een kader ontwikkeld waarbinnen dergelijk intensief ruimtegebruik ook buitenplans verantwoord tot ontwikkeling kan komen. Als een belangrijke wegingsfactor bij het toetsen van buitengebied gebonden initiatieven geldt of de voorgenomen ontwikkeling maatschappelijk (1), economisch (2) en landschappelijk (3) passend is in het buitengebied. Tenslotte biedt het gebied met een gemengde plattelandseconomie ruimte voor experimenten en innovatie van zowel duurzame en veilige agrarische als niet-agrarische activiteiten. Het streven hierbij is om eraan bij te dragen dat vernieuwende en gewenste ontwikkelingen ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden. Voor de toetsing aan het Ruimte voor Dynamiek-beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.4.2.
Aangezien wordt voldaan aan de verschillende eisen van dit beleid wordt tevens aangesloten bij de structuurvisie. 3.4.2. Ruimte voor Dynamiek De systematiek van Ruimte voor Dynamiek is een onderdeel van de ‘Derde herziening bestemmingsplan buitengebied’. Kern van dit RvD-beleid is dat sloop van voormalige agrarische bebouwing wordt gestimuleerd aan de hand van de provinciale autonome sloopplicht. Dit levert met name vermindering van leegstaande agrarische bebouwing op bij de omschakeling naar wonen en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid (hierna: kab). Aanvullend aan de keuze om de autonome zorgplicht te stimuleren, heeft het college ook besloten om meer in te zetten op buitengebied gebonden ontwikkeling. Zij hechten er dan ook aan om ruim baan te geven aan nieuwe buitengebied gebonden ontwikkelingen. Het omschakelen naar een nieuwe hoofdfunctie staat hierin beschreven. De beoogde ontwikkelingen, de realisatie van een hoveniersbedrijf sluit het beste aan bij de hoofdfunctie ‘agrarisch verwant bedrijf’. Zo wordt de term ‘hoveniersbedrijf’ benoemd in de definitie ‘agrarisch verwant bedrijf’ in het vigerende bestemmingsplan. De maximale oppervlakte voor een dergelijke (hoofd-)functie bedraagt 600 m2, aangezien het plangebied gelegen is in een kernrandzone 1. De beoogde situatie is echter groter dan deze maatvoering.
Aangezien het hoveniersbedrijf groter is dan de maximale maatvoering van het RvDbeleid dient gebruik gemaakt te worden van een buitenplanse afwijking. Buiten de regels van het bestemmingsplan om, middels een omgevingsvergunning of een bestemmingsplanherziening kan door de gemeente Deurne meegewerkt worden aan de ontwikkeling van de beoogde situatie. Evident is dat niet alle mogelijke vormen van buitengebied gebonden activiteiten kunnen worden gevangen in de regels van het bestemmingsplan. Soms is er behoefte aan een groter (her-)gebruik van opstallen dan toegestaan, soms is specifiek een ander gebruik gewenst dan geregeld. Dit is in het voorliggend geval aan de orde. Om de totale beoogde oppervlakte voor de activiteiten te ontwikkelen, stelt het college zorgvuldig ruimtegebruik voor, dat tot uitdrukking komt in de volgende kaders:
24
a) Landschappelijke inpassing; b) Maatschappelijke inpassing; c) Economische inpassing. Het buitengebied van Deurne wordt gekenmerkt door een voornamelijk agrarisch gebied. In de structuurvisie staat de transitie van het landelijke gebied en de agrarische sector inclusief de gevolgen hiervan. De herontwikkeling van het plangebied bestaat uit de sloop van een verouderde champignonkwekerij, de bouw van een bedrijfsgebouw, herinrichting van het buitenterrein en een landschappelijk inpassing. De herontwikkeling geeft een kwaliteitsimpuls aan de omgeving en gaat verpaupering van het buitengebied tegen, waardoor de leefbaarheid wordt verbeterd. Daarnaast draagt de vestiging van het hoveniersbedrijf bij aan de Deurnsche economie en werkgelegenheid. De initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog uitgevoerd in de omgeving van het plangebied (zie bijlage 8). Concluderend uit het hierboven genoemde wordt gesteld dat het planvoornemen zowel landschappelijk, maatschappelijk als economisch ingepast kan worden. Hierdoor sluit het beoogde initiatief aan bij het RvD-beleid. 3.4.3. Gemeentelijke beleidskader kwaliteitsverbetering landschap De gemeenteraad van de gemeente Deurne heeft op 13 maart 2018 de ‘Nota Kostenverhaal 2018’ vastgesteld. Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, die een bepaalde omvang hebben, moeten gepaard gaan met een extra kwaliteitsverbetering van het landschap.
In de ‘Nota Kostenverhaal 2018’, is geregeld hoe de omvang van die verbetering bepaald wordt. De gemeente vereist conform de gestelde voorwaarden uit de provinciale Verordening Ruimte, dat elke ruimtelijke ontwikkeling die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiertoe zijn drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met bijbehorende kwaliteitsverbetering) opgenomen: • •
•
Categorie 1: ontwikkelingen met een zeer geringe impact; hiervoor wordt geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering gevraagd, geen tegenprestatie. Categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte impact. Dit betreft kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen waarvan het ruimtelijk effect veelal beperkt blijft tot het eigen erf en waarbij slechts in een aantal gevallen een beperkt visueelruimtelijk effect is op de directe omgeving. Categorie 3: ontwikkelingen met een aanzienlijk impact. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen waarvan de ontwikkelingen omvangrijker zijn en/of meer ruimtelijke gevolgen hebben.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 1 mag de initiatiefnemer op vrijwillige basis maatregelen treffen ter plaatse van het plangebied. Bij voorkeur sluiten deze maatregelen aan bij de (kwaliteits-)criteria van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 2 passen maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap toe volgens de (kwaliteits-)criteria van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap, op de locatie zelf of op direct aan de ontwikkeling grenzende gronden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 3 is er een aanzienlijke impact op het landschap. Hiervoor gelden naast kwaliteitseisen in het kader van de algemene zorgplicht
25
en een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan een extra kwaliteitsverbetering voor het landschap (basisinspanning-plus). Bij onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is sprake van een categorie 3 ontwikkeling. Het betreft de herbestemming van een agrarische naar een bestemming buitengebied gebonden bedrijf. Op basis van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap ligt het plangebied in het landschapstype ‘Kleinschalige zandontginningen’, zie afbeelding 10.
Afbeelding 10. Uitsnede kaart Beleids kader kwalite itsverbetering landschap
Het landschap ‘kleinschalige zandontginningen’ wordt gekenmerkt door een wisselend beeld van landbouwgronden, houtwallen en bosjes. De nederzetting structuur vertoont vanouds een sterk verspreid bebouwingsbeeld. Door plaatselijke verdichting heeft dit beeld zich hier en daar ontwikkeld tot transparante bebouwingslinten. Het uitgangspunt bij dit landschapstype is behouden en versterken van de afwisseling van openheid en beslotenheid. In paragraaf 4.4 wordt de landschappelijke inpassing nader uitgewerkt. Hier wordt de aansluiting van het voorliggende initiatief op het Beleidskader Kwaliteitsverbetering Landschap nader toegelicht in de vorm van een landschappelijk inpassingsplan.
26
4. Omgevingsaspecten 4.1.
Milieuaspecten
4.1.1. Milieu Effect Rapportage De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht).
In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. In de Dlijst van het Besluit milieueffectrapportage is de ontwikkeling van een buitengebied gebonden bedrijf aangemerkt als D11.3 oprichting van een industrieterrein. Een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: •
Een oppervlakte van 75 hectare of meer;
Het beoogde initiatief voor het plangebied is aanzienlijk kleiner dan 75 hectare. Daarnaast zijn vanuit milieutechnische en planologische aspecten geen bezwaren gebleken, waaruit geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle milieutechnische aspecten zijn getoetst en er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. 4.1.2. Bodem Vrijwel alle gebruiksvormen kennen in meerdere of minder mate interactie met de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane bedrijfsvormen. Daarmee is het aspect bodemkwaliteit ook van invloed op de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit, voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven dient te worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is onder andere afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling. Conform de voorwaarden in het vigerende bestemmingsplan voor het wijzigen van de bestemming naar ‘Buitengebied gebonden bedrijf’ geldt dat middels een
27
bodemonderzoek dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de toekomstige functie. Voor het volledige rapport wordt naar bijlage 2 verwezen. De conclusie uit dit onderzoek is alsvolgt: “Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte locatie" worden aanvaard, ondanks een aantal verhogingen in een gedeelte van de bovengrond en het grondwater. De verontreinigingen met zware metalen in een gedeelte van de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem. De verhoging met minerale olie in een gedeelte van de bovengrond, kan niet worden verklaard op basis van de zintuiglijke waarnemingen. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als geschikt voor de bodemfunctieklasse wonen worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Deurne. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn tegen de voorgenomen koop van het perceel uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid.” Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. 4.1.3.
Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. De omgeving aan Hemelrijkseweg is aangemerkt als ‘Noorrand kern Deurne, Oostzijde Walsberg’ in de ‘gebiedsvisie bebouwingsconcentraties’. Bij het kopje functioneel wordt de omgeving alsvolgt beschreven: “Langs deze wegen is een lintbebouwing aanwezig van burgerwoningen, enige voormalige agrarische bedrijven en een drietal nog actieve agrarische bedrijven, waarvan een intensieve veehouderij.”
28
De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een menging van verschillende functies, zoals wonen, bedrijven, agrarische gronden en groen. Naast de agrarische bedrijven zijn er een caravanstalling, catering-, bouwbedrijf en verschillende aan-huis-verbonden bedrijven gevestigd. Doordat aan de Hemelrijkseweg lintbebouwing en er sprake is van sterke functiemenging wordt geconcludeerd dat het plangebied in het omgevingstype ‘gemengd gebied’ valt. Binnen het plangebied zal Hemelrijkseweg 24 de bestemming ‘Bedrijf – buitengebied gebonden’ krijgen. Het beoogde bedrijf kan worden beschouwd als een bedrijf gericht op de dienstverlening ten behoeve van de landbouw. Een dergelijk bedrijf (bruto vloeroppervlakte van meer dan 500 m²) is aangemerkt als een categorie 3.1 bedrijf. In het eerdergenoemde ‘gemengd gebied’ mogen richtafstanden, blijkens de toelichting van de systematiek, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstrap worden verlaagd. Hierdoor is het toegestaan om de beoogde situatie te toetsen aan de richtafstanden behorende bij milieucategorie 2.
Bedrijven en milieuzonering
Geur: 30 Stof: 10 Geluid: 50 Gevaar: 10
Geur: 10 Stof: 0 Geluid: 30 Gevaar: 0
Feitelijke afstand tot plangebied(m)
Afstanden Categorie 2(m)
3.1
Afstanden Categorie 3(m)
Functie Hoveniersbedrijf
Milieucategorie
Locatie Hemelrijkseweg 24
18,5
Tabel 1. Uitwerking richtafstanden bedrijven en m ilieuzoner ing beoogde bedrijf
Zoals wordt aangetoond in tabel 1 wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten stof, geur en gevaar. Voor het aspect geluid wordt gemotiveerd afgeweken, zie paragraaf 4.1.7. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verschillende (agrarische) bedrijven gevestigd, zie tabel 2.