CConstaterende datDeurne
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting TAM Omgevingsplan ‘Steenstraat 10 Neerkant’

Vergadering gemeenteraad 6 mei 2026, gemeente DeurneBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n ‘Steenstraat 10, Neerkant’19.050 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting Omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Gemeente Deurne

Colofon: Opgesteld door:

Van Santvoort Advies B.V. Berg 2-4 5671 CC Nuenen

Plangebied:

Steenstraat 10, 5758 PP te Neerkant

Kenmerk:

BCO100331

Datum:

18 november 2025

Status:

Definitief

2 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Inhoudsopgave 1

Inleiding ............................................................................................................................... 5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

2

Planbeschrijving................................................................................................................... 8 2.1 2.2 2.3

3

Aanleiding en doel .................................................................................................................. 5 Ligging van het plangebied ..................................................................................................... 5 Vigerend omgevingsplan ........................................................................................................ 6 Procedure ............................................................................................................................... 7 Leeswijzer ............................................................................................................................... 7

Bestaande situatie .................................................................................................................. 8 Beoogde situatie..................................................................................................................... 9 Landschappelijk inpassingsplan ............................................................................................ 11

Beleidskader ...................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ............................................................................................................................ 12 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie ................................................................................................ 12 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................................. 12 3.2 Provinciaal beleid ................................................................................................................. 13 3.2.1 Omgevingsvisie De Kwaliteit van Brabant ........................................................................ 13 3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................................................... 13 3.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................. 16 3.3.1 Structuurvisie Deurne 2023 ............................................................................................. 16 3.3.2 Omgevingsplan ................................................................................................................ 17

4

Omgevingsaspecten .......................................................................................................... 19 4.1 Water ................................................................................................................................... 19 4.2 Bodem .................................................................................................................................. 22 4.3 Cultuurhistorie en Archeologie ............................................................................................ 23 4.3.1 Cultuurhistorie ................................................................................................................. 23 4.3.2 Archeologie ...................................................................................................................... 24 4.4 Parkeren en verkeer ............................................................................................................. 24 4.4.1 Parkeren........................................................................................................................... 24 4.4.2 Verkeer ............................................................................................................................ 24 4.5 Natura 2000-activiteit ..........................................................................................................

27 4.5.1 Bescherming op gebiedsniveau ....................................................................................... 27 4.5.2 Soortenbescherming ........................................................................................................ 33 4.5.3 Houtopstanden ................................................................................................................ 33 4.6 Milieuaspecten ..................................................................................................................... 34 4.6.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locatie ............................................................. 34 4.6.2 Geur ................................................................................................................................. 35 4.6.3 Geluid ............................................................................................................................... 37 4.6.4 Trillingen .......................................................................................................................... 38 4.6.5 Luchtkwaliteit................................................................................................................... 39 4.6.6 Externe veiligheid .............................................................................................................

42 4.6.7 Volksgezondheid .............................................................................................................. 43 4.6.8 Spuitzones ........................................................................................................................ 44 4.7 Vormvrije m.e.r-beoordeling ................................................................................................ 45

5

Juridische planopzet .......................................................................................................... 46 5.1

Planvorm .............................................................................................................................. 46 3

Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

5.2 5.3

6

Uitvoerbaarheid ................................................................................................................ 47 6.1 6.1

7

Plankaart .............................................................................................................................. 46 Planregels ............................................................................................................................. 46

Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................. 47 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................... 47

Bijlagen .............................................................................................................................. 48

4 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt een inleiding gegeven op het plan. Eerst wordt de aanleiding en het doel van het plan, de ligging van het plangebied, het vigerend planologisch regime en de procedure beschreven. Tot slot is een leeswijzer voor deze toelichting opgenomen.

1.1 Aanleiding en doel Aan Steenstraat 10 te Neerkant, hierna te noemen plangebied, is momenteel een rundveehouderij met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen aanwezig. Het bedrijf beschikt over een melding Besluit Landbouwbeheer d.d. 6 december 2006 voor het houden van 59 melk- en kalfkoeien, 72 vrouwelijk jongvee en 2 paarden. Met de huidige grootte is het niet mogelijk om op een duurzame manier het bedrijf voort te zetten en er is geen opvolger beschikbaar. Binnen het gezin is er echter wel een geschikte kandidaat om het bedrijf in de vorm van een productiegerichte paardenhouderij voort te zetten. Hierdoor is het idee ontstaan de rundveehouderij te staken en de locatie om te zetten naar een paardenhouderij. Er zullen paddocks, een buitenpiste, longeercirkels en een nieuwe rijhal gebouwd worden. Deze voorzieningen worden gerealiseerd omdat ze noodzakelijk zijn voor een reguliere paardenhouderij. Om het initiatief mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voor de ontwikkelingsplannen is een principeverzoek ingediend, waarop het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Deurne aangegeven heeft medewerking te verlenen onder bepaalde voorwaarden. Bij de uitwerking van voorliggend omgevingsplan zijn deze voorwaarden betrokken. Middels deze toelichting wordt het plan nader onderbouwd.

1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen op drie percelen en is kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie U, nummers 131, 973 en 974. Het plangebied is gelegen aan Steenstraat, in het buitengebied van de gemeente Deurne. De kern Neerkant is gelegen op circa 450 meter ten zuiden van het plangebied. Het plangebied is omgeven door cultuurgronden, agrarische bedrijven en burgerwoningen. Navolgende afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer. Het plangebied is in het paars omlijnd.

Steenstraat 10, Neerkant

Afbeelding 1: Globale ligging plangebied

5 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

1.3 Vigerend omgevingsplan Het omgevingsplan vervangt het geldende bestemmingsplan en de beheersverordening uit de Wet ruimtelijke ordening. Dit omgevingsplan, met een tijdelijk deel, wordt stapsgewijs omgezet tot een volledig omgevingsplan. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat. Op dit moment zijn ter plaatse van het plangebied de het tijdelijk deel van het omgevingsplan in de vorm van het bestemmingsplan ‘Herstelbestemmingsplan Buitengebied Deurne 2021’ zoals is vastgesteld op 15 juli 2022. De rundveehouderij heeft de volgende bestemmingen en aanduidingen gekregen: ▪ Enkelbestemming: agrarisch met waarden; ▪ Dubbelbestemming: waarde – Attentiegebied NNB; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding: Specifieke vorm van agrarisch – overige veehouderij; ▪ Gebiedsaanduiding: wetgevingzone – groenblauwe mantel; ▪ Gebiedsaanduiding: wetgevingzone – omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008); In afbeelding 2 is een uitsnede van het plangebied opgenomen uit het vigerende omgevingsplan. Het plangebied is in het paars omlijnd.

Afbeelding 2: Uitsnede vigerende omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

De functieverandering van rundvee naar paardenhouderij kon met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.8.4 van het bestemmingsplan gerealiseerd worden. Echter is per 01-01-2024 de Omgevingswet in werking getreden. De wijzigingsbevoegdheid is dan nog wel van toepassing maar de onderliggende functie blijft dan behouden. Om de onderliggende functie te verwijderen is het noodzakelijk om een omgevingsplan op te stellen. Het plan is voorgelegd aan het college en vanuit daar is aangegeven dat het initiatief, door middel van een omgevingsplan, voorstelbaar is. Dit kan middels de tijdelijke alternatieve maateregel via de IMRO-standaard (TAMIMRO). Het omgevingsplan moet derhalve worden herzien conform artikel 16.13 lid 1 van de Omgevingswet waarbij de procedure uit afdeling 3.4 van de Awb toegepast moet worden.

6 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

1.4 1.5 Procedure Het voornemen past niet binnen de bepalingen van het omgevingsplan. Voor het planvoornemen dient een omgevingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 16.3 lid 1 van de Omgevingswet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gemeenten verplicht om wijzigingen in het omgevingsplan te publiceren via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB) en het besluit op te stellen volgens de Standaard officiële publicaties (STOP) en de bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Deze procedure is globaal in 3 stappen in te delen: 1. Voordat er een ontwerpbesluit wordt genomen op het omgevingsplan geeft de gemeente kennis van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen via in het gemeenteblad de LVBB, waarbij ingegaan wordt op het voorgenomen participatietraject. 2. Het ontwerpbesluit en de inzagetermijn worden integraal bekend gemaakt in het gemeenteblad via de LVBB. 3. Het omgevingsplan wordt door de gemeente vastgesteld Op de wijziging van het omgevingsplan is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpplan gedurende zes weken voor eenieder ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van zes weken kan door belanghebbenden een zienswijze worden ingediend.

Gedurende de inzagetermijn liggen de plankaart, regels en toelichting inclusief bijlagen, ter inzage. Binnen 12 weken nadat het ontwerp ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het plan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het omgevingsplan is vastgesteld wordt het opnieuw zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze zes weken kunnen belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het plan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het plan in werking is getreden kunnen, indien van toepassing, de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden ingediend.

1.6 Leeswijzer In deze toelichting zal nader worden ingegaan op de volgende aspecten, te weten; ▪ Planbeschrijving (hoofdstuk 2); ▪ Het beleidskader (hoofdstuk 3); ▪ De milieuaspecten (hoofdstuk 4); ▪ De juridische planopzet (hoofdstuk 5); ▪ De uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).

7 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

2 Planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de bestaande en de beoogde situatie.

2.1 Bestaande situatie Ter plaatse van het plangebied is momenteel een rundveehouderij aanwezig met bijgebouwen en een bijbehorende bedrijfswoning. Het plangebied is gelegen op drie percelen en is kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie U, nummers 131, 973 en 974. Het bouwvlak van het agrarische bedrijf heeft een oppervlakte van circa 10.365 m2. Op de gronden van het plangebied, zie navolgende afbeelding, zijn aanwezig: 1. Bedrijfswoning met een oppervlakte van circa 282 m2; 2. Garage voor de stalling van (privé)voertuigen met een oppervlakte van circa 70 m2; 3. Stal met een oppervlakte van circa 450 m2; 4. Loods met een oppervlakte van circa 245 m2; 5. Jongveestal met een oppervlakte van circa 250 m2; 6. Werktuigenloods van circa 280 m2; 7. Sleufsilo; 8. Mestplaat; 9. Mestbassin met een oppervlakte van circa 320 m2;

9

2 4 1

7

3 5

6

8

Afbeelding 3: Overzicht gebouwen met nummering

De geldende milieutoestemming betreft een melding Besluit Landbouwbeheer d.d. 6 december 2006 voor het houden van 59 melk- en kalfkoeien, 72 vrouwelijk jongvee en 2 paarden. In onderstaande tabel is een overzicht van deze dieraantallen incl. de bijbehorende emissiewaarden opgenomen.

8 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Tabel 1: Dieraantallen met bijbehorende emissiewaarden melding Besluit Landbouwbeheer d.d. 6 december 2006

Diersoort

Melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder Vrouwelijk jongvee Paarden van 3 jaar en ouder Totaal

Code OW

Aantal dieren

Geur OUE/s/dier

59

Ammoniak Kg Totaal NH3/dier kg NH3 13,0 767

-

-

Fijnstof PM10 g/dier/jaar Totaal g/jaar 118 6.962

HA1.100

HA2.100

72

4,4

316,8

-

-

38

167,2

HL1.100

2

5,0

10,0

-

-

-

-

1.093,8

Totaal OUE/s

-

7.129,20

2.2 Beoogde situatie Zoals aangegeven hebben de initiatiefnemers de wens om de huidige bedrijfsactiviteiten te beëindigen en een productiegerichte paardenhouderij te starten voor 50 volwassen paarden en 95 opfokpaarden. De activiteiten bestaan uit het fokken, houden en trainen van (jonge) paarden die, wanneer ze op (inter)nationaal niveau zitten, kunnen worden verkocht. Om dit te realiseren zullen enkele stallen/loodsen een andere functie gaan bekleden. Zo komt er een stal (13 m x 60 m) met individuele paardenboxen en merrie met veulenboxen plus de benodigde opslagcapaciteit voor onder andere voer. De huidige stal zal hiervoor worden gesloopt (afbeelding 3 nummer 4). De huidige kuilvoerplaat (afbeelding 3 nummer 7) wordt hiervoor ook gesloopt. De huidige jongveestal (afbeelding 3 nummer 5) wordt gesloopt. Daarvoor in de plaats komt een rijhal en groepsstallen voor paarden jonger dan 3 jaar en daarbij bijbehorende werktuigen. Dit wordt in totaal 25 x 60 meter. De huidige werktuigenloods (afbeelding 3 nummer 6) wordt een hooi, stro en krullenopslag. Naast deze loods wordt een werktuigenloods met quarantaine stallen geplaatst van in totaal 12 x12 meter. Er wordt een nieuwe levensloopbestendige passief gebouwde duurzame bedrijfswoning gebouwd waarbij de oude woning en dubbele garage wordt gesloopt. Aan de weg aan de zuidzijde komt een zandpiste met eb en vloed bodem.

Daarnaast komen er aan de noordzijde nog paddocks, een longeerpiste, en een stapmolen. In een paardenhouderij zijn longeercirkels, paddocks en een rijbak essentiële faciliteiten die bijdragen aan het welzijn, de training en het beheer van paarden. Longeercirkels bieden een gecontroleerde omgeving voor het trainen van paarden. Ze zijn ideaal voor het verbeteren van balans, coördinatie en gehoorzaamheid zonder dat de ruiter in het zadel zit. Voor paarden die herstellen van blessures, kunnen longeercirkels een veilige plek bieden om geleidelijk weer in beweging te komen. Ze zorgen voor een veilige ruimte waar paarden kunnen bewegen zonder risico op ontsnapping of ongewenste interacties met andere paarden. Paddocks geven paarden de mogelijkheid om vrij te bewegen, wat essentieel is voor hun fysieke en mentale gezondheid. Voldoende beweging helpt bij het voorkomen van gezondheidsproblemen zoals overgewicht en koliek. Paddocks bieden paarden de kans om sociaal contact te hebben met andere paarden, wat belangrijk is voor hun welzijn. Een rijbak het trainen van paarden in verschillende disciplines. Het biedt een gecontroleerde en veilige ruimte voor zowel ruiter als paard. Een goed onderhouden rijbak maakt het mogelijk om te blijven trainen ongeacht de weersomstandigheden, vooral als de bodem goed gedraineerd is.

De mestplaats (afbeelding 3 nummer 9) en mestzak (afbeelding 3 nummer 20) blijven behouden. In onderstaande afbeelding is een situatietekening van de beoogde indeling van het plangebied opgenomen. De situatietekening is op schaal bijgevoegd in Bijlage 1.

9 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Afbeelding 4: Situatieschets plangebied

In de beoogde situatie zal een paardenhouderij gerealiseerd worden. De vergunde dieraantallen zullen daarmee wijzigen. In onderstaande tabel is voor de volledigheid een overzicht van de beoogde dieraantallen inclusief bijbehorende emissiewaarden opgenomen. Tabel 2: Diertabel beoogde situatie

Diersoort

Paarden van 3 jaar en ouder Paarden jonger dan 3 jaar Totaal

Huisvestingssysteem

Aantal dieren

Geur OUE/s/dier

50

Ammoniak Kg Totaal NH3/dier kg NH3 5,0 250

HL1 HL2

95

2,1

200 450

-

Totaal OUE/s -

Fijnstof PM10 g/dier/jaar Totaal g/jaar -

-

-

-

-

-

10 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Het oprichten en exploiteren van een paardenhouderij is uitsluitend mogelijk binnen de functieaanduiding ‘paardenhouderij’. Doordat binnen het huidige bestemming geen functieaanduiding ‘paardenhouderij’ is opgenomen, is het uitoefenen van een paardenhouderij niet rechtstreeks mogelijk.

2.3 Landschappelijk inpassingsplan Om kwaliteitsverbetering te garanderen zal het initiatief zorgvuldig landschappelijk worden ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het plan bestaat uit diverse bestaande en nieuw aan te planten landschapselementen. De landschapselementen welke aanwezig zijn, aangelegd en onderhouden gaan worden zijn: ▪ Knip- en scheerhagen (bestaand en nieuw); ▪ Landschapsbomen/bomenrij (Bestaand en nieuw) ▪ Solitair heesters (nieuw) ▪ Hoogstamfruitgaard (nieuw) Navolgende afbeelding betreft het landschappelijk inpassingsplan. De rapportage en schets van het landschappelijk inpassingsplan zijn tevens bijgevoegd in bijlage 2A en bijlage 2B.

Afbeelding 5: Schets Landschappelijk inpassingsplan

11 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

3 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt voor zover relevant het ruimtelijke beleid voor het plangebied beschreven.

3.1 Rijksbeleid Het beleidskader op nationaal niveau is vervat in de Nationale Omgevingsvisie en de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het biedt perspectief om grote opgaven aan te pakken, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten1, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Het biedt ruimte voor economische ontwikkeling, mobiliteit, reductie van stikstofemissies, wonen en herstel van biodiversiteit.

De NOVI richt zich op vier prioriteiten; ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen het landelijk gebied stelt de NOVI de volgende beleidskeuzes: ▪ In het landelijk gebied verbeteren we de balans tussen het landgebruik en de omgevingswaarde van bodem, water en lucht; ▪ We beschermen en versterken de biodiversiteit, en benutten ons natuurlijk kapitaal duurzaam; ▪ We realiseren een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit; ▪ Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschap inclusief. Het beoogde plangebied omvat de wijziging van een rundveehouderij naar een productiegerichte paardenhouderij. De diercategorie paarden heeft geen geur- en fijnstofemissiefactor waardoor deze emissies op nul uitkomen en een verbetering is van de omgevingswaarden. Daarnaast wordt er voor het plangebied een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In paragraaf 2.3 ‘Landschappelijke inpassing’ is dit inpassingsplan nader toegelicht. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plangebied aansluit bij beleidskeuzes van de NOVI.

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het geval van stedelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Daarnaast is de ladder erop gericht om ontwikkelingen die een ruimtelijke impact hebben zoveel mogelijk binnen het bestaande stedelijk gebied op te vangen waardoor verstening van het buitengebied wordt tegengegaan. De Ladder is van toepassing op initiatieven die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken en bepaalt dat de toelichting op dat initiatief een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling en - indien het plangebied wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied - een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voordat getoetst wordt aan de ladder, moet worden vastgesteld of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Bkl. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Om te beoordelen of een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel is mag er vooralsnog vanuit worden gegaan dat de rechtspraak over de Ladder voor duurzame verstedelijking onder de Bro ook geldt voor het Bkl.

12 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

De beoogde ontwikkeling is agrarisch van aard, daar de paardenhouderij primair is gericht op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Het betreft dus een productiegerichte paardenhouderij, wat kan worden beschouwd als een agrarisch bedrijf. De (her-)ontwikkeling van een agrarisch bedrijf is per definitie geen stedelijke ontwikkeling. Daarnaast wordt de bedrijfswoning gesloopt en opnieuw opgebouwd, waardoor er geen extra woning bij komt en er dus geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid Het beleidskader van de provincie Noord-Brabant is vervat in de Brabantse omgevingsvisie en de omgevingsverordening (Ov) Noord-Brabant. Het plangebied wordt hier in de navolgende paragrafen aan getoetst.

3.2.1

Omgevingsvisie De Kwaliteit van Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie beschrijft daarvoor de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. De omgevingsvisie ziet op een strategische gebiedsopgave voor de provincie als geheel en formuleert daarbij de ambities voor de toekomst, richting 2050 en met een tussenstap in 2030. In de visie is niet vastgelegd hoe deze doelen precies bereikt gaan worden. “Met een open blik” is centraal uitgangspunt om vanuit alle partijen en disciplines de visie voor Brabant verder te gaan uitwerken. Deze verdere uitwerking van de ambities betreft de volgende opgave voor de komende bestuursperiodes en zal terecht komen in nog op te stellen programma’s. Om de ambities te realiseren en Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatbestendig te laten zijn, worden er vier hoofdopgaven onderscheiden: ▪ Werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ Werken aan een klimaatbestendig Brabant; ▪ Werken aan de slimme netwerkstad; ▪ Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

De beoogde ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de strategische gebiedsambities door de provincie Noord-Brabant. Het plan voorziet in kleinschalige verbouwing. Gezien het schaalniveau raakt de ontwikkeling niet de basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie. Daardoor past het plan in de opgenomen ambities en kaders uit de Omgevingsvisie.

3.2.2

Omgevingsverordening Noord-Brabant

Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is vervat in de Omgevingsverordening NoordBrabant (Ov). De Ov bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De Ov is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2022 in werking is getreden. De Ov bevat enerzijds rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen voor bestuursorganen van de overheid, zoals gemeenten en waterschappen. Deze instructieregels dienen in acht te worden genomen bij de uitvoering van taken, zoals de vaststelling van het omgevingsplan. De ontwikkelingsmogelijkheden en toegestane functies worden bepaald door de ligging van een locatie binnen een werkingsgebied. Daarnaast bevat de Ov algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. De rechtstreeks werkende regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van de Ov. In hoofdstuk 5 zijn regels opgenomen waar gemeenten bij vaststelling van een omgevingsplan rekening mee moeten houden. Voor elk initiatief geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar het plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen binnen de werkingsgebieden Groenblauwe waarden, Landelijk gebied, aardkundige waarden, stalderingsgebied en attentiezone waterhuishouding & gedeeltelijk aardkundige waarden. Navolgend worden de relevante regels vanuit de verschillende aanduidingen benoemd en getoetst. Aan de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ zal niet worden getoetst omdat het initiatief geen veehouderij omvat.

13 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Afbeelding 6: Uitsnede kaart Omgevingsverordening Noord-Brabant

Paragraaf 5.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In paragraaf 5.1.2 van de Ov zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies vastgelegd. Deze basisprincipes bestaan uit de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap, wanneer het plangebied in het Landelijk gebied is gelegen. Met de zorgplicht wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor zijn regels vastgelegd ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie (artikel 5.8 t/m 5.10). De voorwaarden ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap zijn vervat in artikel 5.11. Artikel 5.8 Ov: Zorgvuldig ruimtegebruik Conform artikel 5.8 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 5.129g, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Ladder voor duurzame verstedelijking) . Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

Het plan voorziet in een omgevingsplan om de agrarische bestemming om te zeten naar een productiegerichte paardenhouderij met bijbehorende bijgebouwen en een bedrijfswoning. De woning wordt gesloopt en herbouwd. Er wordt dus geen nieuwe woning toegevoegd. In voorgaande paragraaf is reeds geconcludeerd dat de Ladder niet van toepassing is op het initiatief. Daarnaast zal het bouwvlak dezelfde omvang behouden. Er is met het initiatief dus sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 5.9 Ov: Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond; ▪ de netwerklaag; ▪ de bovenste laag. Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid

14 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten wordt uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Artikel 5.10 Ov: Meerwaardecreatie Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. ▪

▪

In dit geval wordt meerwaarde gecreëerd door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het bouwperceel. Hier wordt in navolgende alinea verder op in gegaan. Met het plan wordt een rundveehouderij gestaakt en een paardenhouderij opgestart. Dit resulteert in een afname van de ammoniak, geur- en fijnstofemissie wat zorgt voor een lagere milieubelasting.

Artikel 5.11 Ov: Kwaliteitsverbetering landschap Een omgevingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten aansluiten bij de gemeentelijke beleidsnotitie ‘Handreiking kwaliteitsverbetering Meierijstad’. In de gemeentelijke beleidsnotitie staat omschreven hoe bij ontwikkelingen wordt omgegaan met de verbetering van ruimtelijke kwaliteit. Er worden drie verschillende categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden, op basis van de impact die de ontwikkeling heeft op de omgeving. ▪

Categorie 1:

▪

Categorie 2:

▪

Categorie 3.

ontwikkelingen met een zeer geringe impact; hiervoor wordt geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering gevraagd, geen tegenprestatie. ontwikkelingen met een beperkte impact. Dit betreft kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen waarvan het ruimtelijk effect veelal beperkt blijft tot het eigen erf en waarbij slechts in een aantal gevallen een beperkt visueel-ruimtelijk effect is op de directe omgeving. ontwikkelingen met een aanzienlijke impact. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen waarvan de ontwikkelingen omvangrijker zijn en/of meer ruimtelijke gevolgen hebben.

Het plan voorziet in een ontwikkeling waarbij het ruimtelijk effect veelal beperkt blijft tot het eigen erf waarbij slechts in een aantal gevallen een beperkt visueel-ruimtelijk effect is op de directe omgeving. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 2 passen maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap toe volgens de (kwaliteits-)criteria van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap, op de locatie zelf of op direct aan de ontwikkeling grenzende gronden. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de locatie. Dit plan omvat landschapselementen zoals landschapsbomen, housingels inheemse beplanting, knip- en scheerhagen, knotbomen en een hoogstam fruitgaard. De aanleg- en onderhoudsverplichting worden geborgd in de regels van het omgevingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Artikel 5.43 Aardkundige waarden Een omgevingsplan ter plaatse van Aardkundige waarden : a. is mede gericht op het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden bij bodemverstorende activiteiten; en c.

houdt bij de toedeling van functies en activiteiten rekening met de aanwezige aardkundige waarden en kenmerken en betrekt daarbij de mogelijkheden om die waarden te versterken.

15 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Op de locatie wordt een bedrijfswoning verplaatst/herbouwd. Op de plek waar de bedrijfswoning wordt gerealiseerd hebben al eerder gebouwen gestaan. Dit betekent dat het gebied al eerder ontwikkeld en mogelijk ontdaan is van zijn originele aardkundige waardevolle kenmerken. Een nieuw gebouw op dezelfde voetafdruk zal geen impact hebben op de aardkundige waarden van het gebied aangezien de initiële verstoring al heeft plaatsgevonden. Daarnaast zijn bestaande bouwwerken en bouwvlakken uitgesloten van het omgevingsvergunningstelsel voor werken en of werkzaamheden in aardkundig waardevolle gebieden. De nieuwe bedrijfswoning wordt binnen een bestaand bouwvlak gerealiseerd en daarom zullen aardkundige waarden geen belemmering zijn voor het initiatief. Artikel 5.46 Groenblauwe waarden De locatie Groenblauwe waarden ligt binnen Landelijk gebied op gebieden met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. Een paardenhouderij draagt bij aan een natuurlijke omgeving door het onderhouden van natuurlijke habitats zoals onder andere de weide.

Het aanleggen van een eb- en vloedsysteem beïnvloed de agrarische belangen minimaal doordat dit systeem is ontworpen om water efficiënt te beheren waardoor er minder verspilling is in vergelijking met traditionele irrigatiemethoden en dit meteen een duurzaam gebruik is. Door verbeterde drainage kan omliggend land beschermd worden tegen wateroverlast wat juist gunstig is voor de landbouwgrond in de buurt. Daarnaast wordt er nog een landschappelijk inpassingsplan opgesteld met een focus op natuurontwikkeling en eveneens een waterretentievoorziening om het water op te vangen en vast te houden waardoor de druk op rioleringssystemen tijdens hevige regenval wordt verminderd. Artikel 5.73 Overig-agrarisch bedrijf Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van een productiegerichte paardenhouderij. Een productiegerichte paardenhouderij is hoofdzakelijk gericht op het voortbrengen (fokken), houden, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Conform de Omgevingsverordening valt een productiegerichte paardenhouderij derhalve onder een overig-agrarisch bedrijf. Een overig-agrarisch bedrijf is een agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, vollegrondsteelt of glastuinbouw valt. Paarden worden in de Omgevingsverordening niet gezien als vee, dus valt een productiegerichte paardenhouderij onder een overig-agrarisch bedrijf.

In artikel 5.73 ‘Overig-agrarisch bedrijf’ van de Omgevingsverordening Noord-Brabant is bepaald dat een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied binnen een bestaand bouwperceel kan voorzien in de ontwikkeling of uitbreiding van een overig-agrarisch bedrijf, tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel. Het beoogde bouwvlak van de productiegerichte paardenhouderij heeft een omvang van circa 10.365 m2. Er kan dus worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de voorwaarde van de Omgevingsverordening ten aanzien van overige-agrarische bedrijven in Landelijk gebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde planologische herziening voldoet aan het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid Het relevante gemeentelijke beleid is vervat in de structuurvisie ‘structuurvisie Deurne 2030’ en het de Woonvisie gemeente Deurne 2019-2040

3.3.1

Structuurvisie Deurne 2023

Met het vaststellen van de Toekomstvisie Deurne 2030 ‘Deurne, prettig wonen en leven in de Peel!’ wordt helder aangegeven waar de gemeente Deurne wil staan in 2030. De Toekomstvisie vraagt ook om een ruimtelijke vertaling: deze structuurvisie geeft de ruimtelijke mogelijkheden aan voor maatschappelijke functies, en zet in op behoud en versterking van de omgevingskwaliteiten van de gemeente Deurne. Door strengere wet- en regelgeving voor de veehouderij, gebrek aan opvolging en de situatie in de markt stoppen steeds meer veehouderijen: de marges zijn klein, de risico’s groot. Dit resulteert in grootschalige leegstand van agrarische bedrijven in het buitengebied. De bedrijven die blijven bestaan zetten in op schaalvergroting of andere product-marktcombinaties. Bij de transitie van het landelijk gebied wordt onder andere gezocht naar nieuwe economische mogelijkheden voor ondernemers.

16 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Dit onderscheid tussen grootschaligheid van de ontwikkelende veehouderij enerzijds en de meer kleinschalige veehouderijen in combinatie met andere functies anderzijds levert een ruimtelijke zonering op van het landelijk gebied van de gemeente Deurne in twee gebieden: 1. Primair agrarisch gebied (primag). 2. Gebied met een gemengde plattelandseconomie.

Afbeelding 7: Uitsnede kaart structuurvisie Deurne 2023

Het plan is gelegen in het gebied met een gemengde plattelandseconomie. De veehouderijen die blijven in het gebied met een gemengde plattelandseconomie kiezen voor een duurzame doorontwikkeling van het bestaande agrarische bedrijf of op termijn voor omschakeling naar andere passende (bedrijfs)activiteiten. Zij blijven hiermee passen(d) in hun fysieke en sociale omgeving. Alle functies dienen met elkaar rekening te houden. Verdere schaalvergroting van veehouderijen dient primair in het primag plaats te vinden. Binnen deze systematiek is tevens een kader ontwikkeld waarbinnen dergelijk intensief ruimtegebruik ook buitenplans verantwoord tot ontwikkeling kan komen. Als een belangrijke wegingsfactor bij het toetsen van buitengebied gebonden initiatieven geldt of de voorgenomen ontwikkeling maatschappelijk (1), economisch (2) en landschappelijk (3) passend is in het buitengebied. Het plan voorziet in een omschakeling naar een andere passende activiteit, namelijk een paardenhouderij. Er is dus geen sprake van een schaalvergroting van een veehouderij. Daarnaast is een paardenhouderij maatschappelijk passend in het buitengebied vanwege onder andere de verlaging van de ammoniak uitstoot wat een positieve bijdrage levert aan de gezondheid van de mens en daarnaast kan een paardenhouderij zorgen voor gemeenschapsvorming doordat mensen met een gedeelde interesse hier samen kunnen komen.

Economisch gezien creëert een paardenhouderij werkgelegenheid zowel direct (bijvoorbeeld stalpersoneel) als indirect (bijvoorbeeld leveranciers van voer en uitrusting). Landschappelijk gezien zorgt een paardenweide voor een aantrekkelijk en open landschap wat bijdraagt aan de biodiversiteit en een paardenhouderij is minder verstorend dan een intensieve veehouderij of industriële activiteiten. Maatschappelijk, economisch en landschappelijk past het initiatief dus in het buitengebied en is het passend binnen de structuurvisie Deurne 2023. 3.3.2 Omgevingsplan Het college heeft in haar principebesluit d.d. 2 april 2024 aangegeven medewerking te willen verlenen middels een wijziging van het omgevingsplan, zie paragraaf 1.3. De functieverandering zou met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in art. 4.8.4 gerealiseerd kunnen worden. De wijzigingsbevoegdheid is dan nog wel van toepassing maar de onderliggende functie blijft dan behouden. Om de onderliggende functie te verwijderen is het noodzakelijk om een omgevingsplan op te stellen. Dit betekent dat het Omgevingsplan moet worden herzien middels de tijdelijke alternatieve maatregel via de IMRO-standaard. Een aandachtspunt daarbij is de aan te houden afstandseis van 50 meter voor de paardenstallen en mestopslag m.b.t. het aspect geur en 30 meter voor de overige paard gerelateerde activiteiten m.b.t.

tot de aspecten stof en geluid tot de naast gelegen woonbestemming (Steenstraat 8). Dit zal verder worden uitgewerkt in Hoofdstuk 4 omgevingsaspecten.

17 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Daarnaast zal er herbouw plaatsvinden van een bedrijfswoning. Dit is niet rechtstreeks toegestaan. Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.3, 4.2.3, en 17.2.2 , teneinde volledige herbouw van een boerderijpand toe te kunnen staan, waarbij de maximale inhoudsmaat overeenkomt met de inhoudsmaat van het te herbouwen woonboerderijpand, mits: a.

b. c. d.

de herbouw bijdraagt aan een kwaliteitsverbetering van de directe omgeving; Bij de herbouw zal ook een landschappelijk inpassingsplan worden opgesteld waarbij het bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van de directe omgeving. bij herbouw rekening wordt gehouden met het karakter van het (voormalige) boerderijpand; Bij de herbouw zal rekening worden gehouden me het karakter van het voormalige pand. de herbouw niet betreft een (woon)boerderijpand met cultuurhistorische waarde; Het betreft geen (woon) boerderijpand met cultuurhistorische waarde. in afwijking van het bepaalde onder c, kan een woonboerderijpand met cultuurhistorische waarde worden herbouwd met behoud van inhoudsmaat, indien er geen sprake is van een monument en indien de herbouw noodzakelijk is teneinde het behoud van het beeldkwalitatieve en de cultuurhistorisch waardevolle vormgeving van het te herbouwen boerderijpand op die locatie te kunnen waarborgen. Niet van toepassing.

18 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt het plangebied getoetst aan de relevante omgevingsaspecten. Doel van dit hoofdstuk is om aan te tonen dat er met het initiatief sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.1 Water Bij wijzigingen in de fysieke leefomgeving dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water is verplicht. Derhalve moet ieder initiatief voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is van toepassing. In dit plan is het nationaal waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeer gebied etc. Het initiatief is van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor het plangebied. Provincie Noord-Brabant De provinciale staten van Noord-Brabant hebben op 3 december 2021 het waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ vastgesteld. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare fysieke leefomgeving in Noord-Brabant.

Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Waterschap Aa en Maas Het Waterbeheerplan 2022-2027 is in december 2021 vastgesteld door het Algemeen bestuur van Aa en Maas. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen van waterschap Aa en Maas voor de periode 2022-2027. Het plan beschrijft wat er nodig is om die doelen te behalen.

Met dit plan wordt daarnaast invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening Water om een waterbeheerplan op te stellen. Het plan bestaat uit drie verschillende programma’s: het Programma Waterveiligheid, het Programma Klimaatbestendig en gezond watersysteem en het Programma Schoon water Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; 3. Wat schoon is moet schoon blijven. De mensheid moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan worden er oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden- Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.

De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt gaat worden. Er vindt daarbij verschuiving plaats: a. van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.

19 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

b. c.

van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de Leggerkaart van Waterschap AA en Maas. De dichtstbijzijnde A - watergang in de omgeving van Steenstraat 10 is direct aan het plangebied gelegen. De afstand van Steenstraat 10 tot deze primaire waterlopen is niet voldoende, de beoogde ontwikkeling ligt namelijk in de beschermingszones, waardoor het initiatief invloed zou kunnen hebben op de watergang. De mestzak ligt al in de beschermingszone maar wijzigt met dit plan niet. Het is een bestaande voorziening en wordt daarom niet meegenomen in de toetsing. Ook ligt er aan de overzijde een vrije strook die gebruikt kan worden om met een machine de sloot te maaien en vorm dit geen belemmering voor het initiatief. Bovendien is er door de initiatiefnemer in overleg met het waterschap overeengekomen om een afstand van 5 meter tot de sloot te bewaren. Deze getekende overeenkomst is te vinden in bijlage 3.

Afbeelding 8: Uitsnede legger

Waterschapsverordening Aa en Maas Sinds 1 januari 2024 heeft waterschap Aa en Maas een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt De Keur. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. Door middel van de waterschapsverordening kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt ervoor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. Volgens de Waterschapsverordening is het nodig in mitigerende maatregelen te voorzien wanneer het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 500 m 2. Weging van het waterbelang Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip ‘weging van het waterbelang’ de term watertoets. Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen voor het beheer watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.

Voor een woning gelden decentrale regels, deze staan in het omgevingsplan, omgevingsverordening of waterschapsverordening.

20 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Op basis van artikel 2.2, vijfde lid van de waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod geldt niet als er sprake is van een toename van 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 en compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart welke bij de nieuwe Keur is toegevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Waterschap AA en Maas, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog).

Afbeelding 9: Kaart gevoeligheidsfactor Waterschapsverordening Aa en Maas

Alle waarden in de formule invullend geeft de volgende benodigde compensatie: Benodigde compensatie (in m3) = 1.550 x 1 x 0,06 = 93 m3 Als compenserende maatregel zal een retentievoorziening worden gerealiseerd. Deze voorziening mag niet dieper worden afgegraven dan de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde grondwaterkaart van het beheersgebied van waterschap De Dommel. De retentievoorziening is beoogd aan de westzijde van het omgevingsplan. Zoals uit navolgende afbeelding blijkt, is de gemiddelde hoogste grondwaterstand meer dan twee meter onder het maaiveld. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van de Kaartbank weer met de GHG van het plangebied.

21 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

Afbeelding 10: Gemiddelde hoogste grondwaterstand GHG

Om de benodigde oppervlakte te berekenen dient het aantal m 3 gedeeld te worden door de hoogste grondwaterstand. Dit om te voorkomen dat grondwater terecht komt in de retentievoorziening. De hoogste grondwaterstand van het plangebied is 1 meter. Hieruit volgt een benodigde oppervlakte van 93 m2. Binnen het landschappelijk inpassingsplan is deze retentievoorziening opgenomen als een Wadi. Deze wadi heeft zeker ook nog de functie voor de voortplanting van diverse soorten amfibieën, wanneer deze in het voorjaar tot de zomer voldoende water bevat. Het plangebied is gelegen in een attentiegebied zoals vastgelegd in de Waterschapsverordening. Voor het realiseren van een Wadi is mogelijk een waterschapsvergunning vereist. Bij het realiseren van dit plan zal hier rekening mee worden gehouden. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.

4.2 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Er is nu nog geen definitief omgevingsplan. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige én toekomstige gebruik van die bodem. De bodemkwaliteit als gevolg van eventueel aanwezige bodemverontreiniging mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. De locatie blijft een agrarische bedrijfsfunctie behouden (rundveehouderij naar paardenhouderij). De functie wijzigt dus niet in die mate dat bodemonderzoek nodig is om te bepalen of deze voor de nieuw functie geschikt is. Hierbij blijft aanvullend ook de meeste bebouwing/inrichting behouden.

22 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

In het kader van de voorgenomen herziening van het omgevingsplan is het daarom niet verplicht om een bodemonderzoek uit te voeren. Het aspect bodem is dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Een mogelijke onderzoekplicht komt in de fase van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van de rijhal met stallen (op deze plaats zullen een bestaande stal en sleufsilo gesloopt gaan worden). Die plicht zal er dan alleen komen als in dat pand mensen gaan verblijven/werken voor meer dan 2 uur per dag. Dit is met dit initiatief niet het geval. Derhalve vormt het aspect bodem geen belemmering voor het initiatief.

4.3 Cultuurhistorie en Archeologie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan wijzigingen in de fysieke leefomgeving onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de uitvoering van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.3.1

Cultuurhistorie

Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, afbeelding 11, wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen zwaarwegende cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Enkele landschapsvormen over een groter gebied zijn aangewezen als cultuurhistorisch kenmerk. Het initiatief laat de landschappelijke karakteristiek in groter verband ongemoeid, waarmee aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.

Afbeelding 11: Uitsnede: Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant

23 Toelichting omgevingsplan Steenstraat 10 te Neerkant

4.3.2

Archeologie

Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). Dit archeologiebeleid is opgenomen binnen het vigerende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Herstelbestemmingsplan Buitengebied Deurne 2021’ In het bestemmingsplan “Herstelbestemmingsplan Buitengebied Deurne 2021” is op deze locatie geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Dit betekent dat de archeologische verwachtingswaarde ter plaatse laag is. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

4.4 Parkeren en verkeer In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast is ook gekeken naar de verkeersaantrekkende werking die bij de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden. 4.4.1 Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. Het parkeerbeleid van de gemeente Deurne is vervat in de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’. De parkeernorm kan hieruit worden vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie in combinatie met de stedelijkheidsgraad van de omgeving. Voor de omgeving van het plangebied geldt de norm voor het buitengebied. Het plangebied is op basis van de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’ gelegen in zone 2. In de regeling is bepaald dat bij een vrijstaande koopwoning, zoals wordt gerealiseerd binnen het plangebied, 2,1 parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. In de nota is echter ook aangegeven dat deze rekenwaarden uitsluitend van toepassing zijn op de ontwikkeling van een gebied met meerdere woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Deurne&id=ac8571a1-f64a-42eb-b71c-fec19d852f42