CConstaterende datDeurne
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting (ontwerp)bestemmingsplan Hogeweg 8, Deurne

Vergadering gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente DeurneBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hogeweg 8, Deurne18.033 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Hogeweg 8, Deurne PLANTOELICHTING NL.IMRO.0762.BP202323-B001

1

Titel: Datum: Projectnummer:

Hogeweg 8, Deurne 01-12-2023 2023.101

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1

Achtergrond en doel van het plan ........................................................................................... 5

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied .............................................................................. 5

1.3

Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 6

1.4

Leeswijzer ................................................................................................................................ 7

Beschrijving bestaande situatie ....................................................................................................... 8 2.1

Huidige situatie omgeving ....................................................................................................... 8

2.2

Plangebied ............................................................................................................................... 8

Visie op plan(gebied) ..................................................................................................................... 10 3.1

Uitgangspunten ..................................................................................................................... 10

3.2

De locatie en ruimtelijke inpassing ........................................................................................ 10

3.3

Perspectief ............................................................................................................................. 16

3.4 Klimaat en duurzaam ................................................................................................................... 17 4.

Beleidstoets ................................................................................................................................... 18 4.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 18 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 18 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 24 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 35

5.

Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................................... 44

6.

Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof(depositie) ................................................... 47

7.

Water ............................................................................................................................................. 51

8.

Fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur, kabels en leidingen .............................. 54

9.

Milieu-hygiënische verantwoording ............................................................................................... 56 9.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 56 9.2 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................................ 56 9.3 Bodem .......................................................................................................................................... 58 9.4 Akoestiek ..................................................................................................................................... 59 9.5 Milieuzonering (geurhinder en industrielawaai) ........................................................................... 61 9.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 69

3

9.7 Externe veiligheid......................................................................................................................... 73 9.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .............................................................................. 76 10.

Mobiliteit en parkeren ................................................................................................................ 77

11.

Juridische planopzet .................................................................................................................. 78

11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .......................................................................... 78 11.2 Systematiek van de regels ......................................................................................................... 78 12.

Uitvoeringsaspecten .................................................................................................................. 80

12.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................... 80 12.2 Vooroverleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................... 80 13.

Conclusie ................................................................................................................................... 81

Bijlagen 1. Soontiëns boomverzorging, Boomeffectanalyse Hogeweg 8 te Deurne, Project: 6481/21 Versie: d1.1, 29 juni 2022 2. Bureau voor Archeologie, Rapport 1291. Hogeweg 8, Deurne, gemeente Deurne: een bureauonderzoek, Projectnummer 2022102502, 26-10-2023 3. Bureau voor Archeologie, Rapport 1409 Hogeweg 8, Deurne, gemeente Deurne: een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, 30-112023 4. Blom Ecologie, Quickscan Wet natuurbescherming Hogeweg ong. te Deurne, projectnummer: 2022-1156, 27-01-2023 5. De Roever Omgevingsadvies, Stikstofdepositieonderzoek Hogeweg 8 Deurne, referentie: 20230056.v02, 16-11-2023 6. MILON, Watertoets ter plaatse van de Hogeweg 8 te Deurne, projectnummer: 20231037, 14-11-2023 7. De Roever Omgevingsadvies, Quickscan milieuaspecten Hogeweg 8 Deurne, referentie: 20230053.v01.1, 13-11-2023 8. MILON, Verkennend bodemonderzoek Hogeweg ong. te Deurne, projectnummer: 20222368, 26-01-2023 9. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Hogeweg 8 Deurne, referentie: 20230053.V02, 13-11-2023 10. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek industrielawaai, Hogeweg 8 Deurne, referentie: 20230055.v02, 22-11-2023 11. Verslag omgevingsdialoog

4

1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan Het plangebied aan de Hogeweg 8 in Deurne betreft een braakliggend terrein waar voorheen het politiebureau gehuisvest was. Initiatiefnemer heeft het planvoornemen om de locatie te transformeren naar een woningbouwlocatie. Het planvoornemen is door het college – in principe – positief beoordeeld. De kavel krijgt met het plan een positieve invulling en de overgang tussen de Wolfsberg en de Koolhof wordt evenwichtig gemaakt Doelstelling van onderhavige rapportage is om de realisatie van het onderliggende bouwplan planologisch en juridisch mogelijk te maken. Uit deze plantoelichting blijkt dat het plan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de ontwikkeling nader beschouwd. Ook blijkt hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige functies, waarden en kwaliteiten binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Kortom, deze plantoelichting onderbouwt dat het (bouw)plan past binnen het betrokken gebied. Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij de volgende vier voorwaarden: 1.

het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de goede ruimtelijke onderbouwing als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2. het met het bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid; 3. het in procedure brengen van het bestemmingsplan 4. het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning. Dit bestemmingsplan geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van het onderliggende bouwplan. 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied ligt aan de Hogeweg 8 in Deurne. Het plangebied wordt omsloten door de Hogeweg aan de noordzijde, de Antoon Coolenlaan, de bestaande brandweerkazerne aan de oostzijde en zuidzijde, woningen geadresseerd aan de Anton van Duinkerkenstraat aan de zuidzijde en een park aan de westzijde. Op navolgende luchtfoto (maps.google.nl) zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven.

5

Afbeelding 1: luchtfoto met ligging en globale begrenzing van het plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Koolhof’ en heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’. Op hierna de opgenomen uitsnede van de verbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) van het vigerende bestemmingsplan zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven. Voorts geldt ter plaatse tevens het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Deurne 2021’. Met dit laatste bestemmingsplan worden de geldende bestemmingsplannen gedeeltelijk herzien.

6

Afbeelding 2: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Koolhof’ met ligging en globale begrenzing van het plangebied

Strijdigheid bouwplan met vigerend bestemmingsplan Het plan ziet op de herontwikkeling en transformatie naar een woningbouwlocatie met thans de bestemming ‘Maatschappelijk’. Dit planvoornemen voldoet niet aan de regels van het vigerende bestemmingsplan, omdat er momenteel geen woonbestemming rust op het plangebied en derhalve woningbouw niet is toegestaan. 1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. Hoofdstuk 5 behandelt de omgang met mogelijke archeologische en cultuurhistorische waarden in het plangebied. De hoofdstukken 5, 6, 7 en 8 besteden respectievelijk aandacht aan de aspecten archeologie en cultuurhistorie, flora en fauna, water en mogelijk fysieke belemmeringen in de ondergrond. Hoofdstuk 9 geeft een verantwoording ten aanzien van milieu-hygiënische aspecten. Hoofdstuk 10 behandelt de omgang met de mogelijke wijziging in de situatie omtrent mobiliteit en parkeren. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11. De onderdelen economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid komen in hoofdstuk 12 aan bod.

Hoofdstuk 13 tot slot bevat de conclusie.

7

2. Beschrijving bestaande situatie 2.1 Huidige situatie omgeving Het plangebied ligt in de bebouwde kom van en centraal in de kern van Deurne, op de hoek Hogeweg-Antoon Coolenlaan. Op deze plek was voorheen het politiebureau gevestigd. De brandweerkazerne is gelegen direct naast het plangebied. De omgeving wordt rondom gekenmerkt door met name woningen, met hier en daar enkele stedelijke en maatschappelijke voorzieningen. Navolgende luchtfoto bevestigt dit (bron: maps.google.nl).

Afbeelding 3: luchtfoto met globale ligging plangebied

2.2 Plangebied Momenteel is het plangebied braakliggend. Navolgende foto’s geven het plangebied weer in de situatie voorafgaand aan de sloop van het politiebureau en in de huidige situatie na sloop van de bebouwing (beide bezien vanaf de hoek Hogeweg-Antoon Coolenlaan).

8

Afbeelding 4: plangebied vóór sloop bebouwing

Afbeelding 5: plangebied na sloop bebouwing

9

3. Visie op plan(gebied) 3.1 Uitgangspunten Het plan gaat uit van één woongebouw met in totaal 52 wooneenheden. Het woongebouw bestaat uit 4 woonlagen, waarvan de vierde woonlaag is voorzien van een setback. De 52 wooneenheden kunnen onderverdeeld worden in: - maximaal 39 middeldure huurwoningen tot € 1.000,- (indexering conform Regionale begrippenlijst); - maximaal 13 dure huurwoningen vanaf € 1.000,-. De appartementen worden zoveel als mogelijk levensloopbestendig uitgevoerd. Voorliggend initiatief gaat uit van inbreiding en herstructurering van een binnenstedelijke locatie. Het plan streeft zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Geen uitbreiding, wel inbreiding, transformatie, herontwikkeling, herstructurering en verdichting.. Onderhavig plan sluit daarmee aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de diverse ruimtelijke beleidsstukken van de provincie en gemeente. 3.2 De locatie en ruimtelijke inpassing Het plangebied aan de Hogeweg heeft een stedelijk karakter. Stedenbouwkundig gezien is sprake van een invulling in een ruimtelijke structuur die reeds wordt gekenmerkt door een afwisseling van woningen en stedelijke voorzieningen. Aan de overzijde van de Hogeweg staan appartementengebouwen (maximaal 6 lagen).

De overige begrenzingen vinden plaats door ontsluitingswegen met daaraan sporadisch gelegen daaraan gelegen zij- en achterkanten van grondgebonden woningen in een groene stedelijke setting. De oprichting van het appartementengebouw met een totaal van 52 appartementen gaat gepaard met de oprichting van 63 parkeerplekken. Parkeren vindt plaats op eigen terrein, deels boven en deels onder de grond. In hoofdstuk 10 wordt nader ingegaan op de aspecten mobiliteit en parkeren. Stedenbouwkundig is er een afgewogen invulling gemaakt in de ruimtelijke structuur en aansluiting gezocht bij de aanwezige omliggende bebouwing. Een helder bouwvolume in 4 bouwlagen die de hoek markeert en connectie maakt met overliggende dorpscentrum. De bestaande bebouwing aan de Hogeweg (dorpszijde) is respectievelijk 5 en 6 bouwlagen en onderhavig bouwplan krijgt dus 4 bouwlagen. Hiermee vormt het plan een mooie, vloeiende overgang in bouwhoogte tussen centrum en naastgelegen woonwijk die hoofdzakelijk in 2 lagen met een kap is opgebouwd.

10

De prominente hoeklocatie zal door de voorgenomen nieuwbouw een connectie/verbintenis gaan vormen met dorpscentrum, maar zeker ook met het aangelegen park. Dit zal de aantrekking tot gebruik en de intensiteit van het ondergewaardeerd park vergroten. De hoofdmassa / hoofdvorm van de nieuwe bebouwing is derhalve afgestemd op de aanwezige en omliggende c.q. naastgelegen bebouwing, maar vormt wel een eigen architectonische eenheid. Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwbouw en de maatvoering aangesloten bij de geldende stedenbouwkundige uitgangspunten. Het plan sluit direct aan bij het visiebeeld van de gemeente Deurne onder meer doordat de huidige stedenbouwkundige karakteristieken en aanwezige identiteit gewaardeerd en gesterkt worden. Zo zullen de gevels worden uitgevoerd in een heldere geleding met een harmonieuze symbiose van materialen. Met betrekking tot de bomen geldt dat alle bestaande bomen gehandhaafd blijven met uitzondering van één enkele boom aan de westzijde. Omdat er binnen een afstand van 10 meter van de bomen werkzaamheden plaats zullen vinden, is een Boom Effect Analyse uitgevoerd, zodat rekening gehouden kan worden met eventueel noodzakelijke beschermende maatregelen. Deze BEA is bijgevoegd als bijlage 1. Hoofdstuk 6 (flora en fauna) van deze plantoelichting gaat nader in op de bomen en de uitgevoerde BEA.

Het initiatief is daarmee van toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van de locatie en directe omgeving ervan onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing en vormgeving van het bouwplan zelfs verbetert. Navolgende afbeeldingen betreffen de situatie, gevels, doorsneden met hoogtematen en 3D beelden van de parkappartementen aan de Hogeweg in Deurne (bron: STRK).

11

12

13

14

15

3.3 Perspectief In de nabijheid van het plangebied bevindt zich een stadspark welke onderdeel uitmaakt van het burgerinitiatief ‘’t Tuinpad van mijn Vader’. Dit initiatief heeft als doel een cultureelrecreatieve wandelroute in Deurne te verwezenlijken. De route gaat lopen vanaf de Markt (noord), via de Raadhuisstraat naar het Martinetplein. Vanuit daar gaat de route via het voormalige postkantoor over de Hogeweg, door het park, het Wiegerbos in. In het bos doet het de Wieger aan en loopt door tot de Zaan (zuid). Op deze manier ontstaat er een wandelroute vanuit de Koolhof naar het centrum door een natuurlijke omgeving. De route moet een gevarieerde invulling krijgen met als hoofdthema het bekende lied ‘Het dorp’. De route gaat door verschillende zones (stedelijk gebied, park en bos) die ieder een eigen karakter hebben, waarbij herkenbaarheid en samenhang gezocht moet worden. Naast de route komen kunstwerken en elementen om bekende Deurnenaren op passende wijze te eren, aansluitend bij het initiatief Deurne Palet van de Peel. De groene buffer ten westen van het plangebied maakt onderdeel uit van de ontwikkeling ‘’t Tuinpad van mijn vader’. Het is wenselijk dat deze groenstructuur zoveel als mogelijk behouden blijft. Om hier invullijng aan te geven, wordt de nieuwbouw voorzien van een groene inrichting. Zo blijven de bomen (op één na) behouden.

Door het behoud van de bomen en oprichting van het complex in een groene setting wordt de overgang van stedelijk naar groen op een goede manier versterkt. Herbestemmen met een woonvorm in een architectuur die aansluiting/continuatie vindt bij de bestaande omliggende bebouwing en stedenbouwkundige structuur, draagt bij aan een ruimtelijke en visuele koppeling. Deze koppeling zal het initiatief aangaan met het dorpscentrum, maar zeker ook met de achterliggende woonwijk aan de Antoon Coolenlaan. Visuele ‘koppeling/herkenbaarheid’ zal onmiskenbaar leiden tot een gevoelsmatige harmonie en meer eenheid op deze toch wel prominente plek in het dorpscentrum. Met de realisatie van het bouwontwerp ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied niet alleen in stand houdt, maar door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het plan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.

16

3.4 Klimaat en duurzaam De gemeente Deurne verlangt daarom van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord c.q. energieneutraal bouwen. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie; • vastgesteld ambitieniveau (GPR). Voor het onderliggende plan geldt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk zal worden getracht invulling wordt gegeven aan de bouwkundige duurzaamheidsdoelstellingen. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Door passende materialisatie en aansluitende geleding in de gevelstructuur zal een esthetisch verantwoord en goed woon- en leefmilieu ontstaan.

Binnenplans is stedenbouwkundig ruimte gelaten voor kwalitatieve gezamenlijke buitenruimte en een heldere zichtlijn gelaten voor visuele en fysieke koppeling tussen binnenruimte en het aangelegen park. Hetgeen uiteindelijk ook het gebruik en de beleving van het uniek centraal gelegen dorpspark zal vergroten.

17

4. Beleidstoets 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Deurne vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. 4.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven.

Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken.

18

Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit.

Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;

19

•

het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.

Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Doorwerking plan(gebied) Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Toetsingskader In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend.

De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR. De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en de ecologische hoofdstructuur.

20

Doorwerking plan(gebied) Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de SVIR. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Toetsingskader De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet in een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is. Doorwerking plangebied Het Barro is niet van toepassing op het plan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in het Barro. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste.

Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen.

21

Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.

Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.

22

De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Marktsituatie De gemeente Deurne streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw.

Zowel het provinciale als gemeentelijke beleid is gericht op het behouden van de leefbaarheid in kleine kernen. Dat is ook waar dit plan aan bijdraagt. Door te zorgen voor nieuwbouw creëren we enerzijds de mogelijkheid om te blijven wonen in de eigen dorpsgemeenschap. Aan de andere kant bieden we een woonmilieu aan dat door prijszetting, landelijk dorps en groen karakter ook een aantrekkelijke optie kan zijn voor woningzoekenden binnen het stedelijk gebied als geheel. Samengevat kunnen we stellen dat in dit plan de woonconsument centraal staat. Het aanbod is afgestemd op de vraag die er is vanuit de lokale bevolking. En daarbij is er ruimte voor opvang van de regionale behoefte om doorstromers binnen de regio te houden. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied conform de definitie in artikel 1.1.1 onder h van het Bro. Is de behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?

23

Het woningbouwplan is in eerste instantie bedoeld voor de groeibehoefte van de kern Deurne, als onderdeel van de totale regionale behoefte aan woningen. Aangezien de 52 appartementen gesitueerd worden in de bestaande kern van Deurne is hier sprake van een (her)ontwikkeling op een inbreidingslocatie. Het bestaand stedelijk gebied wordt niet in oppervlakte uitgebreid. Een en ander betekent dat voldoende gemotiveerd is dat dit plan en de ontwikkeling zien op zorgvuldig ruimtegebruik en niet leiden tot overprogrammering. Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de diverse beleidsstukken van de gemeente Deurne. Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 (gemeentelijk beleid). Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. 4.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: ‘werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit’. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen.

In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie Met onderhavig planvoornemen wordt invulling gegeven aan de vraag naar woningen binnen stedelijke kernen. Door mensen woongelegenheid te bieden, biedt dit kansen voor verdere ontwikkeling van een regio. Voorts kent nieuwbouw een integratie van meeste duurzame woonoplossingen in materialen en gebruik van energie, waardoor het klimaat minder wordt geschaad dan bestaande woningen. Tot slot is er sprake van een compacte ontwikkeling in stedelijk gebied, waardoor er geen ruimte wordt aangeboord welke tot op heden niet binnen de grenzen van een bestaande kern ligt.

24

Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters.

Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat

25

nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap.

Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De IOV heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen ‘instructieregels aan gemeenten’ aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden: 1. afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies; 2. afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies; 3. afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken. Ad. 1 Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik komt tot uiting door (nader) invulling te geven aan een bestaande stedelijke locatie, met een nieuwe, eigentijdse stedelijke invulling, zonder nieuwe ruimte buiten de stedelijke kern aan te boren. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. In artikel 3.7

26

'Toepassing lagenbenadering' onder lid 2 staat omschreven dat de lagenbenadering effecten omvat op: • de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; • de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; • de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Het is van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen. Voor een aantal aspecten die bij de lagenbenadering betrokken worden, bevat de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant specifieke regels, zoals het Natuur Netwerk, de groenblauwe mantel, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, stiltegebied en delen van het watersysteem. Geen van deze aspecten is op voorhand specifiek van toepassing op onderhavig plangebied. Er dient rekening gehouden te worden met de laag dynamische ondergrond, maar ook met de effecten op de andere lagen en met toekomstige effecten.

Bij de afweging gaat het niet alleen om de effecten op de omliggende functies in het gebied maar ook op effecten van een ontwikkeling elders. Niet alleen de effecten nu maar ook de effecten naar de toekomst. Ten behoeve van deze ontwikkeling is de lagenbenadering uitgevoerd. Uit de lagenbenadering blijkt dat een stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied voorstelbaar is. De aanwezige waarden en structuren in en om het plangebied zijn daarbij in acht genomen. In het stedenbouwkundig (structuur)plan voor deze uitbreiding is rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden binnen het plangebied. Daarbij wordt tevens aangesloten op waarden en structuren uit de directe omgeving. Het stedenbouwkundig plan is middels zorgvuldige afweging tot stand gekomen. Verder zijn in de hoofdstukken 5 t/m 9 van deze toelichting de effecten op onder andere de bodem, het grondwater, archeologische waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, water, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden beschreven. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten aanwezig zijn.

27

Hiermee is de lagenbenadering onderbouwd en zijn de principes van water en bodem sturend en is tevens de klimaatonderlegger betrokken. Vanuit deze onderbouwing kan ook nader worden ingegaan op deze locatiekeuze voor woningbouw. Daarnaast mag het planvoornemen als duurzaam en compact worden betiteld en sluit het aan bij de nationale, provinciale en lokale wensen op het gebied van woningbouw. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een landelijke kern. Onderhavig planvoornemen heeft een uitgebreide toets naar bestaande waarden en kwaliteiten ondergaan. In het volgende hoofdstuk van deze plantoelichting zijn de onderzoeksresultaten van de onderzoeken, welke als bijlagen zijn toegevoegd, opgenomen. Nog belangrijker is het dat bij de planvorming en -uitwerking de onderzoekresultaten worden meegenomen om omgevingskwaliteit te behouden en leefbaarheid ter plaatse te garanderen. Voor onderhavig planvoornemen komt dat onder meer terug in de koppeling met groene kwaliteiten direct grenzend aan het plangebied. Ad. 2 Het plangebied is onderdeel van het stedelijke gebied. In beginsel zijn daar conform artikel 3.42 IOV woningen toegestaan, mits voldaan wordt aan de voorwaarden. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a.

bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie Onderhavig planvoornemen geeft een kwalitatieve invulling van een bestaande stedelijke locatie. Het geeft een nieuwe invulling aan een eerder met bebouwing ingevulde locatie. Nieuw betekent ook dat er meer rekening is gehouden met de hedendaagse eisen en wensen op het gebied van invulling van stedelijke gebied en duurzame toepassingen. Een verouderd stedelijk gebied wordt dus opnieuw invulling gegeven. De oprichting van het appartementencomplex mag niet los worden gezien van de invulling van het plangebied met groen en voorzieningen voor opvang en berging van hemelwater.

28

Ad. 3 Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken: a. stalderingsgebied (artikel 3.52); b. verbod uitbreiding veehouderij (artikel 2.72). De artikelen 2.72 en 3.52 IOV stellen regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan heeft geen betrekking op veehouderijen en het plangebied is evenmin gelegen in de directe omgeving ervan. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden. Navolgend is ten aanzien van IOV nog ingezoomd op de achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging

Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Nee Ja Ja

Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

29

Afbeelding 6: uitsnede kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ met rood omlijnd het plangebied

In de IOV worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een gemeentelijk planologisch wonen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen. Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen. Doorwerking plan(gebied) De aanduiding ‘verbod uitbreiding veehouderij’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van 52 appartementen binnen een bestaande stedelijk omgeving. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreiding van veehouderijen hebben hier geen invloed op en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels.

30

Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘landelijke kern’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Afbeelding 7: uitsnede kaartbeeld Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ met rood omlijnd het plangebied

De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden.

31

In de IOV is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk. Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen betreft de oprichting van appartementen binnen een bestaande woonomgeving. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een landelijke kern. In de IOV worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een planologische ontwikkeling die wonen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen.

Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen. De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding en verdichting en op herstructurering, herontwikkeling en transformatie van een bestaande bedrijfslocatie. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale structuurvisie en de verordening, is gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied.

32

De voorgestane ontwikkeling beantwoordt aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren). Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Afbeelding 8: uitsnede ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ met rood omlijnd het plangebied

De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een woning in bestaande stedelijk gebied van Deurne. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling.

33

Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Afbeelding 9: uitsnede ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ met rood omlijnd het plangebied

Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is gelegen in het stedelijke gebied van Deurne. De norm ten aanzien van wateroverlast binnen het Stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting is ook van toepassing op onderhavig planvoornemen. Er is sprake van transformatie binnen het plangebied, waarbij het aantal vierkante meters bebouwde oppervlakte zal toenemen. Derhalve is een watertoets uitgevoerd, waarvan de conclusie is opgenomen in hoofdstuk 7 van deze plantoelichting. De volledige rapportage is als bijlage 1 aan deze plantoelichting toegevoegd.

34

Conclusie De gemeente Deurne streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Er is sprake van herstructurering, herontwikkeling en transformatie binnen een thans bestaande stedelijke (woon)omgeving. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de IOV NoordBrabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de IOV Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 5 tot en met 10. 4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid.

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Structuurvisie Deurne 2030, de Visie Centrumring Deurne, de Woonvisie gemeente Deurne 2019-2040, de Welstandsnota gemeente Deurne 2016, het burgerinitiatief ‘Tuinpad van mijn vader en ’de Regeling parkeernormen 2019. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting. Structuurvisie Deurne 2030 Toetsingskader Op 13 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Deurne de 'Structuurvisie Deurne 2030' vastgesteld. Met deze structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Deurne van belang zijn. In deze structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen.

35

De structuurvisie richt zich op de volgende thema's: 'Gezond wonen en leven', 'Een gezonde lokale economie', 'Een sociale en zorgzame gemeente', Betaalbaar en divers wonen', Goede bereikbaarheid en 'Passende voorzieningen'. De gemeente streeft een prettige woon en leefomgeving en wil in 2050 energieneutraal zijn. De gemeente wil daarnaast de woningbouwopgave binnen het bestaande stedelijk gebied oplossen. Gesteld wordt dat de afronding van de wijken en kernen van Deurne in zicht komt. Hierbij is in de komende jaren nog behoefte aan extra woningen, maar deze behoefte neemt af. Deze afnemende behoefte aan toevoegingen hangt samen met: 1. De verwachte bevolkingsontwikkelingen (lokaal en regionaal). 2. De regionale woningbouwafspraken. Om prettig in Deurne te kunnen (blijven) wonen is meer nodig dan alleen een passende woning. Daarvoor zijn ook een goede inrichting van de openbare ruimte, voldoende voorzieningen en een veilige woonomgeving nodig. Het is dan ook belangrijk dat de sterke punten van de gemeente zoals het detailhandelsniveau in het centrum, het scholenvierkant, het station en de binding van bewoners met kernen en wijken behouden en waar mogelijk versterkt worden. Hieruit volgen de volgende beleidsuitgangspunten en -keuzes: 1. Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied. 2. Woningbouw bij voorkeur nabij voorzieningen. 3. Verbinden van voorzieningen. 4.

Aansluiten op behoeften van kernen en wijken. 5. Omzetting van leegstaand vastgoed (leegkomende locaties) naar bijvoorbeeld een woonfunctie. Hierbij kan gedacht worden aan winkels buiten het kernwinkelgebied. Insteek is behoud / versterking van een goede woonomgeving en het behoud van een compact, levendig en veelzijdig centrum in de kern van Deurne.

36

Afbeelding 10: uitsnede kaart Structuurvisie Deurne 2023 met rood omlijnd het plangebied

Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen maakt onderdeel uit van de ‘woonkernen’ van Deurne, waarbij een verouderd kantoorgebouw reeds is gesaneerd en wordt vervangen door een appartementencomplex bestaande uit 52 appartementen. Dit sluit aan bij de hiervoor genoemde beleidsuitgangspunten en -keuzes, omdat het planvoornemen voorziet in woningbouw nabij voorzieningen en het leegstaand vastgoed transformeert tot woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied. Daarbij wordt voorzien in een behoefte om doorstroom op de woningmarkt te bevorderen door aanvullend aanbod voor senioren op de woningmarkt, zoekende naar een levensloopbestendige woning. De appartementen worden met zorg voor

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Deurne&id=b48bb027-c6e6-4e16-8015-8f4b8d5d6edf