CConstaterende datDeurne
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting (inclusief bijlagen)

Vergadering gemeenteraad 2 november 2021, gemeente DeurneBij agendapunt: Bestemmingsplan Eendracht 5, Deurne25.043 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan “Eendracht 5, Deurne” Gemeente Deurne Vastgesteld

Bestemmingsplan “Eendracht 5, Deurne” Gemeente Deurne Vastgesteld

Identificatienummer:

NL.IMRO.0762.BP202001-C001

Rapportnummer BRO:

P02018_6

Datum:

14 september 2021

Opdrachtgever:

VDA Architecten B.V.

Projectteam BRO:

HLe

Ontwerp:

Januari 2021

Vaststelling:

26 oktober 2021

Trefwoorden:

Bestemmingsplan, Eendracht, woningbouw, levensloopbestendig, Deurne, gemeente Deurne.

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Toelichting ten behoeve van de ontwikkeling van drie levensloopbestendige woningen ter hoogte van Eendracht te Deurne.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader 1.4 Leeswijzer

5 5 6 6 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

8 8 8 10

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

11 11

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

11 12 12 13 13

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim omgevingsverordening 3.2.3 Brabantse Agenda Wonen 3.3 Regionaal beleid

13 14 15 16

3.3.1 Regionale woonvisie 2011-2020 SRE 3.3.2 Regionale Agenda Wonen 2016 regio Zuidoost-Brabant 3.4 Gemeentelijk beleid

16 17 17

3.4.1 Structuurvisie Deurne 3.4.2 Woonvisie gemeente Deurne 2019-2040 3.4.3 Welstandsnota gemeente Deurne 2016 3.4.4 Vigerende beheersverordening

17 19 20 20

4. UITVOERINGSASPECTEN 4.1 Uitvoerbaarheid

23 23

4.1.1 Economische uitvoerbaarheid 4.1.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten

23 23 23

4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder

Hoofdstuk 1

23 24

3

4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering 4.2.6 Geurhinder 4.2.7 M.e.r.-plicht 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Ecologie 4.6 Verkeer en parkeren 4.7 Waterhuishouding

25 26 30 32 33 35 36 37 38 39

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels

42 42 42 42

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

42 43 44 45

6. OVERLEG EN INSPRAAK 6.1 Vooroverleg 6.2 Participatie 6.3 Zienswijzenprocedure

46 46 46 46

7. PROCEDURE 7.1 Algemeen 7.2 Ontwerp bestemmingsplan 7.3 Vastgesteld bestemmingsplan

47 47 47 47

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Kwaliteitseisen nieuwbouw levensloopgeschikte woningen Bijlage 2: Schetsontwerp planvoornemen Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: AERIUS-berekening Bijlage 6: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 7: Krantenartikel Eindhovens Dagblad & Rondgang Bijlage 8: Nota van zienswijzen en wijzigingen

Hoofdstuk 1

4

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel Het voornemen bestaat om drie levensloopbestendige woningen te realiseren ter hoogte van Eendracht in Deurne. Bij de realisatie van de levensloopbestendige woningen wordt een braakliggend perceel ingevuld met kwalitatief hoogwaardige woningen. Het is een geschikte ontwikkellocatie aangezien er sprake is van een inbreidingslocatie binnen de kern Deurne. Op basis van de vigerende beheersverordening ‘Zeilberg’ is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (rode pijl)

De gemeente Deurne wil deze ontwikkeling mogelijk maken door middel van een herziening van het juridisch-planologisch kader. In voorliggend bestemmingsplan worden de nieuwe woningen binnen het plangebied wettelijk geregeld. Hierbinnen wordt de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt.

Hoofdstuk 1

5

1.2 Ligging en grens van het plangebied De projectlocatie is gelegen aan Eendracht, gelegen op een binnenterrein tussen de Deltasingel, Zeilbergsestraat en Eendracht in het zuidoosten van Deurne. De projectlocatie, met een omvang van circa 1.370 m², staat kadastraal bekend als kadastraal perceel Deurne, sectie L, nummer 7184. Op dit moment is er sprake van een grasveld waarbij enkele heesters aanwezig zijn. Het perceel grenst in totaal rondom aan acht percelen met woningen.

Uitsnede kadastrale kaart met rood gearceerd de projectlocatie

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader Voor het plangebied geldt de beheersverordening ‘Zeilberg’, zoals vastgesteld op 7 juli 2015. In deze beheersverordening zijn de gronden bestemd tot ‘Woongebied’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Gematigd’. De voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bestaande woningen, een beroep aan huis met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, water, voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. Het voorliggende initiatief betreft de re-

Hoofdstuk 1

6

alisatie van drie nieuwe levensloopbestendige woningen en komt hierdoor niet overeen met de geldende bestemming van het perceel. De realisatie van de drie woningen is op basis van de vigerende beheersverordening niet mogelijk, omdat uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. In paragraaf 3.4.4. wordt nader ingegaan op het aspect molenbiotoop. Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Gematigd’ geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen die dieper gaan dan 50 cm onder maaiveld en groter zijn dan 1.000 m2. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van zowel de bestaande situatie als de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 vindt tot slot een beschrijving van het (voor)overleg, inspraak en van de procedure plaats.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan Eendracht, gelegen op een binnenterrein tussen de Deltasingel, Zeilbergsestraat en Eendracht. Op dit moment is er sprake van een grasveld waarbij enkele heesters aanwezig zijn. Daarnaast is binnen het plangebied een garage van een woning gelegen (Eendracht 5). De garage van de woning “blokkeert” de toekomstige inrit van de levensloopbestendige woningen. De projectlocatie grenst aan acht percelen met woningen. In de verdere omgeving zijn vooral woningen gelegen. Ten zuidoosten van de projectlocatie liggen diverse gemengde functies (kleinschalige detailhandel en dienstverlening) aan de Zeilbergsestraat. Ten zuiden van het plangebied ligt de spoorlijn Venlo-Eindhoven.

Luchtfoto van de projectlocatie en de directe omgeving met de projectlocatie rood omlijnd weergegeven.

2.2 Toekomstige ontwikkeling In het plangebied is de ontwikkeling van 3 levensloopbestendige woningen met inpandige garage / bergruimte, alsmede tuinen en parkeervoorzieningen voorzien. De woningen worden aan de oostzijde van het plangebied geprojecteerd in de vorm van patiowoningen.

Hoofdstuk 2

8

Plattegrond planvoornemen (Van Den Acker Architecten BV Deurne, 3 woningen Eendracht te Deurne, d.d. 28 april 2021)

Gevels planvoornemen (Van Den Acker Architecten BV Deurne, 3 woningen Eendracht te Deurne, d.d. 28 april 2021)

De ontwikkeling van de levensloopbestendige woningen sluit aan op en voldoet aan de kwaliteitseisen van levensloopgeschikte woningen, zie bijlage 1. De 3 levensloopbestendige woningen zullen bestaan uit één bouwlaag waarbij de woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer goed toegankelijk zijn.

Hoofdstuk 2

9

Hierdoor zijn de woningen geschikt voor elke bewoner, ook als deze gebruik moet maken van een loophulpmiddel of van een rolstoel. De woningen zijn plat afgedekt met een maximale bouwhoogte van 3,4 meter, gemeten vanaf peil. Op een gedeelte van de inpandige garages en berging is een dakopbouw voorzien, in de vorm van een lessenaarsdak. De totale bouwhoogte van de inpandige garages met dakopbouw bedraagt 5 meter, gemeten vanaf peil. De dakopbouw is beoogd als bergruimte. Aan de westzijde van het plangebied wordt ruimte gereserveerd voor parkeren en groen. In totaal worden 6 parkeerplaatsen gerealiseerd. In het kader van onderhavig initiatief wordt bij iedere woning een parkeerplaats gerealiseerd. Bovendien worden drie parkeerplaatsen gerealiseerd aan de toegangsweg in de nabijheid van de woningen. Ten behoeve van de bereikbaarheid van de woningen wordt de garage van woning Eendracht 5 (kadastraal bekend als kadastraal perceel Deurne, sectie L, nummer 4571) gesloopt, zodat er sprake is van een ruime doorgang van minimaal 6 meter. Hierdoor wordt het plangebied goed ontsloten op Eendracht. Een verdere gedetailleerdere uitwerking van de openbare ruimte vindt plaats bij de uitwerking van het plan in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen en de overeen te komen anterieure overeenkomst.

De te slopen garage wordt gecompenseerd binnen onderhavig plangebied doordat deze aan de achterzijde van Eendracht 5 wordt herbouwd. De garage functioneert als bijgebouw ten behoeve van Eendracht 5.

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De voorgenomen woningen passen goed in de omgeving, aangezien in de omgeving hoofdzakelijk grondgebonden woningen aanwezig zijn. Er is sprake van een inbreidingslocatie binnen het stedelijk gebied, geheel in lijn met de beleidsuitgangspunten van zowel de provincie Noord-Brabant als de gemeente. Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig opzicht worden de woningen zorgvuldig ingepast. De nieuwe woningen worden georiënteerd op het westen. De tuinen achter de woningen zullen aansluiten op de tuinen van de omliggende woningen, die het plangebied aan de oostzijde begrenzen. Voor een impressie van het planvoornemen zie de situatietekening in bijlage 2. Eendracht 5 had reeds een garage in het bezit. Echter deze garage wordt in het kader van het planvoornemen gesloopt ten behoeve van de bereikbaarheid van de drie levensloopbestendige woningen. Door de sloop van de garage ontstaat er een doorgang van minimaal 6 meter. Initiatiefnemer zal deze garage herbouwen aan de achterzijde van het woonhuis Eendracht 5 (kadastraal bekend als kadastraal perceel Deurne, sectie L, nummer 4571), aansluitend op de drie levensloopbestendige woningen. De nieuw te bouwen garage wordt op gepaste afstand achter de voorgevelrooilijn van de drie levensloopbestendige geplaatst.

Er kan kortom geconcludeerd worden dat het plan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt goed inpasbaar is in de omgeving.

Hoofdstuk 2

10

3.

BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt:  bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;

Hoofdstuk 3

11

  

realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Afweging Met het planvoornemen wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het project. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, het IJsselmeergebied en de Ruimtereservering Parallelle Kaagbaan. Afweging Geen van de bovengenoemde belangen is bij de ontwikkeling in het plangebied in het geding.

De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende gebieden en objecten worden aangewezen, waar gemeenten bij vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Wel is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel. Gelet op de toegestane hoogtes is dit planvoornemen geen probleem. Afweging Vanuit het Rarro bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

12

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Deze is verankerd in artikel 3.1.6., tweede lid, van het Bro. Per 1 juli 2017 luidt het tweede lid van art. 3.1.6 als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Afweging In het voorliggende geval is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 (201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724) geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. In het voorliggende geval worden 3 levensloopbestendige woningen toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is gezien deze beperkte toename niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De omgevingsvisie bevat de ambities voor de Brabantse leefomgeving tot 2050. Daarnaast zijn mobiliserende tussendoelen opgesteld voor de periode tot 2030. De basisopgave van de omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn de volgende vier hoofdopgaven geformuleerd:  Werken aan de Brabantse energietransitie;  Werken aan een klimaatproof Brabant;  Werken aan de slimme netwerkstad;  Werken aan een concurrerende, duurzame economie. De provincie blijft inzetten op duurzame verstedelijking door middel van herbestemming en transformatie in het bestaand bebouwd gebied. Hier liggen tevens kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en woningbouw. De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen, daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug.

De provincie ziet deze opgave als kans om invulling te geven aan de energieopgave in het stedelijk gebied, het stedelijk gebied klimaatbestendig te maken en de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen.

Hoofdstuk 3

13

Afweging Voorgestane ontwikkeling betreft de realisatie van drie levensloopbestendige woningen op een braakliggend terrein binnen bestaand stedelijk gebied. Er is hierdoor sprake van inbreidingslocatie binnen bestaand bebouwd gebied, waarmee wordt aangesloten bij het principe van duurzame verstedelijking. Het planvoornemen is een voorbeeld van een kleinschalige inbreiding, waarbij in lijn met de huidige vraag naar woningen, wordt voorzien in nultredenwoningen voor (ouderen) 1- en 2 persoonshuishoudens. Hierdoor wordt invulling gegeven aan de woningbouwopgave voor de komende tien jaar. De ontwikkeling is dan ook in lijn met het door de provincie Noord-Brabant voorgestane beleid. 3.2.2 Interim omgevingsverordening De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 november 2019 deze verordening vastgesteld. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen.

Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte 2014. In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Afweging De Interim omgevingsverordening heeft het plangebied aangewezen als landelijke kern in Stedelijk gebied (artikel 3.42). Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;

Hoofdstuk 3

14

b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De Interim omgevingsverordening bepaalt dat het initiatief moet voorzien in de ruimtelijke kwaliteit en bij een stedelijke ontwikkeling de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in nieuwbouw van woningen in bestaand stedelijk gebied. De te realiseren woningbouwaantallen passen binnen de regionale en lokale woningbouwkaders (zie paragraaf 3.3 en 3.4). Er is derhalve sprake van zorgvuldig en efficiënt ruimtegebruik. Daarmee is dit planvoornemen in lijn met de Interim omgevingsverordening. 3.2.3 Brabantse Agenda Wonen In september 2017 is de Brabantse Agenda Wonen vastgesteld. Met deze agenda geeft de provincie aan welke accenten er de komende jaren liggen bij het bouwen en wonen en hoe zij zich hiervoor gaat inzetten.

De Brabantse Agenda Wonen is een agenda op hoofdlijnen en stippelt een koers uit voor (verdere) regionale samenwerking en vernieuwing van de woningbouwafspraken. De provincie heeft hiertoe de volgende vier actielijnen geschetst en zes leidende principes geformuleerd. Actielijnen 1. Accent op duurzame verstedelijking; 2. Meer nadruk op de bestaande woningvoorraad; 3. Inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen; 4. Versterken van de regionale samenwerking en vernieuwen van regionale woningbouwafspraken. Leidende principes 1. Inzet in het woningbouwprogramma op (toekomstige) binnenstedelijke locaties – inbreiden, herstructureren, transformeren – en op het herbestemmen van leegstaand en leeg komend kantoor-, winkel- en ander vastgoed, met als uitgangspunt dat zorgvuldig ruimtegebruik voor zuinig ruimtegebruik gaat; 2. Mogelijk maken van ‘goede woningbouwplannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen: woningbouw op geschikte inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en in leegstaand vastgoed, die aansluit op een actuele vraag en snel in aanbouw kan worden genomen;

Hoofdstuk 3

15

3.

4.

5.

6.

Meer nadruk op de bestaande woningvoorraad, met specifieke aandacht voor herstructureringsen transformatieopgaven, verduurzaming van de voorraad en het geschikt maken van woningen en de woonomgeving voor mensen met een zorgvraag; Ontwikkeling van vraaggerichte woningbouwplannen, die aansluiten op de vraag van huishoudens en met oog voor nieuwe, flexibele en tijdelijke woonvormen en strategische toevoegingen aan de bestaande woningvoorraad; Realisme en flexibiliteit in de regionale en gemeentelijke woningbouwplanning en -programmering om tijdig en adequaat in te kunnen spelen op de dynamiek op de woningmarkt, veranderende woonwensen en onvoorziene ruimtelijke ontwikkelingen; Versterken van de samenwerking op de regionale woningmarkt, met de gemeenten als eerste aan zet. Hierbij dienen de regionale woningbouwafspraken te worden vernieuwd, met een groter accent op de kwalitatieve samenstelling van het planaanbod en de inzet van het woningbouwprogramma voor bredere, vaak ruimtelijk-kwalitatieve doelen en met specifiek aandacht voor de regionale afweging van de meer grootschalige gebiedsontwikkelingen en uitbreidingslocaties.

Afweging Het voorliggende plan past binnen de bovengenoemde leidende principes van de Brabantse Agenda Wonen. Er vindt woningbouw plaats op een braakliggend terrein binnen bestaand stedelijk gebied die omringd wordt door woonpercelen. De woningen zijn bovendien passend binnen de behoefte in de kern Deurne aan levensloopbestendige seniorenwoningen. Het voorliggende plan hoeft niet op regionaal niveau afgestemd te worden, omdat hierbij per saldo slechts 3 wooneenheden worden toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad. Afstemming is namelijk pas noodzakelijk bij plannen vanaf 25 woningen. Conclusie provinciaal beleid De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het provinciale beleid, aangezien er woningen worden toegevoegd op een herstructureringslocatie die is aangewezen als bestaand stedelijk gebied.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale woonvisie 2011-2020 SRE De Regionale woonvisie 2011-2020 van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE, tegenwoordig Metropoolregio Eindhoven geheten) is een ambitiedocument en richt zich op de uitdagingen die de 21 SRE-gemeenten gezamenlijk kunnen en moeten oppakken. Er zijn drie thema’s die aandacht vragen van het regionaal woonbeleid en de daarin samenwerkende woningmarktpartijen: 1. Oog voor kenniswerkers en lage-lonen-arbeidsmigranten; 2. Naar een nieuw evenwicht van sterke steden en een vitaal landelijk gebied; 3. Duurzaam vernieuwen en transformeren van de bestaande voorraad.

Hoofdstuk 3

16

Afweging Voor dit plan is met name thema 3 van belang, en daarbinnen met name het uitgangspunt van het kleinschalig toevoegen van kwaliteit aan de bestaande voorraad door middel van nieuwbouw. Veruit het grootste deel van de woningbouwprojecten vindt op inbreidingslocaties plaats. Onderhavig initiatief betreft de realisatie van drie levensloopbestendige woningen op een braakliggend terrein binnen bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen is een voorbeeld van een kleinschalige inbreiding, waarbij in lijn met de huidige vraag naar woningen, wordt voorzien in nultredenwoningen voor (ouderen) 1- en 2 persoonshuishoudens. De beoogde seniorenwoningen sluiten aan bij de toenemende behoefte aan geschikte woningen voor deze doelgroep, die groeit als gevolg van de vergrijzing. Hiermee is het plan in lijn met de Regionale Woonvisie 2011-2020 van het SRE. 3.3.2 Regionale Agenda Wonen 2016 regio Zuidoost-Brabant In de Regionale Agenda Wonen 2016 voor de regio Zuidoost-Brabant is afgesproken dat de gemeente Deurne in de periode van 2016 t/m 2025 nog 1.090 woningen mag toevoegen aan de woningvoorraad. Het voorliggende plan, waarbij sprake is van een netto toename van 3 wooneenheden, wordt passend geacht binnen deze regionale afspraken.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Deurne Op 13 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Deurne de ‘Structuurvisie Deurne 2030’ en de ‘Nota Kostenverhaal 2018’ vastgesteld. In de structuurvisie wordt de visie per functie beschreven. Op de kaart ‘Visie op verdeling van functies’ van de structuurvisie, is het plangebied gelegen in een zone die is aangeduid als ‘woonkernen’. Hieronder is de visie van de gemeente Deurne op de ‘woonkernen’ beschreven. Een blik op de toekomst leert dat de afronding van de wijken en kernen van Deurne in zicht komt. Er is de komende jaren nog behoefte aan extra woningen, maar deze behoefte neemt af. Elke toevoeging moet dus raak zijn, zowel naar type (doelgroep en prijsklasse) als naar locatie. Deze afnemende behoefte aan toevoegingen hangt samen met: 1.

De verwachte bevolkingsontwikkelingen (lokaal en regionaal).

2.

De regionale woningbouwafspraken.

De regionale woningbouwafspraken zijn voor Deurne (en de overige landelijke gemeenten) gebaseerd op het bouwen voor de eigen behoefte. Uit de provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 2017 blijkt dat de groei van het aantal huishoudens in Deurne afneemt, rond 2030 stabiliseert en daarna (op termijn) overgaat in krimp. Verwacht wordt dat in de gemeente Deurne in de periode 2017 – 2030 nog een toevoeging van 900 tot 1200 woningen noodzakelijk is.

Hoofdstuk 3

17

De Deurnese woningvoorraad moet aansluiten bij de huidige en toekomstige behoeften van de Deurnese bevolking. Woningen en woningbouw kunnen daarnaast een belangrijke rol spelen in het behoud en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Dit kan alleen als de toevoeging aan de woningvoorraad niet leidt tot leegstand en verpaupering in de bestaande woningvoorraad en panden. Daarnaast zijn uitgangspunten bij woningbouw: verduurzaming van woningen, energieneutraal bouwen, onafhankelijk van fossiele brandstoffen en levensloopbestendig bouwen.

Uitgangspunt is dus het toevoegen van passende kwaliteit en een beperkte kwantitatieve uitbreiding van de woningvoorraad.

De noodzakelijke aanvulling van de woningvoorraad richt zich vooral op de kleiner wordende huishoudens door vergrijzing en individualisering. Aan de behoefte van deze kleinere huishoudens (senioren, (her-)starters en jonge (eenouder-) gezinnen) wordt in de bestaande woningvoorraad nog niet voldoende tegemoetgekomen.

Om prettig in Deurne te kunnen (blijven) wonen is meer nodig dan alleen een passende woning. Daarvoor zijn ook een goede inrichting van de openbare ruimte, voldoende voorzieningen en een veilige woonomgeving nodig. Het is dan ook belangrijk dat de sterke punten van de gemeente zoals het detailhandelsniveau in het centrum, het scholenvierkant, het station en de binding van bewoners met kernen en wijken behouden en waar mogelijk versterkt worden.

Hieruit volgen deze beleidsuitgangspunten en -keuzen: 1.

Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied.

2.

Woningbouw bij voorkeur nabij voorzieningen.

3.

Verbinden van voorzieningen.

4.

Aansluiten op behoeften van kernen en wijken.

5.

Omzetting van leegstaand vastgoed (leegkomende locaties) naar bijvoorbeeld een woonfunctie. Hierbij kan gedacht worden aan winkels buiten het kernwinkelgebied. Insteek is behoud / versterking van een goede woonomgeving en het behoud van een compact, levendig en veelzijdig centrum in de kern van Deurne.

Voor de structuurvisie betekent dit een nadrukkelijke keuze voor inbreiding in de bestaande kernen. Voor wonen zijn geen zoekgebieden voor uitbreiding van de kernen (meer) opgenomen. Daarnaast worden bestaande, maar nog niet gerealiseerde woningbouwtitels en woningbouwbestemmingen, bij de actualisatie van bestemmingsplannen kwantitatief en kwalitatief heroverwogen door de gemeente.

Doel hiervan is behoud van flexibiliteit om ook op de langere termijn omzettingen van leegstaand vastgoed, goede initiatieven en kleinschalige oplossingen van actieve inwoners en ontwikkelaars mogelijk te maken. Omzettingen / projecten komen alleen van de grond als er behoefte (vraag) is naar deze extra woningen. Als dit niet het geval is en ze toch gerealiseerd worden, ontstaat elders leegstand. Uitgangspunt is en blijft balans tussen vraag en aanbod.

Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke, provinciale en regionale aandacht voor de noodzaak van een duurzame verstedelijking. Kwantitatieve afspraken zijn ook (sub)regionaal niet langer voldoende. Kwalitatieve aspecten als inbreiding–uitbreiding, woonmilieu en transformatie spelen een steeds belangrijkere rol.

Hoofdstuk 3

18

Afweging Het planvoornemen is een voorbeeld van een kleinschalige inbreiding, waarbij in lijn met de huidige vraag naar woningen, wordt voorzien in levensloopbestendige seniorenwoningen. Doelgroepen voor deze woningen zijn met name ouderen en één- en tweepersoons huishoudens. Hiermee wordt aangesloten bij speerpunten als het bieden van ruimte aan de woningbehoefte van de inwoners van Deurne, met name voor kleinere huishoudens, en levensloopbestendig bouwen. De toevoeging van woningen op deze locatie is bovendien passend, omdat ter plaatse sprake is van een woongebied volgens de structuurvisie. De voorgenomen ontwikkeling past kortom binnen de beleidskaders zoals deze in de structuurvisie ten aanzien van het thema ‘woonkernen’ geschetst zijn. 3.4.2 Woonvisie gemeente Deurne 2019-2040 Op 3 juli 2019 is de ‘Woonvisie gemeente Deurne 2019-2040’ vastgesteld door de gemeenteraad van Deurne. In de woonvisie zet de gemeente in op het stimuleren van woningbouwinitiatieven in bestaand stedelijk gebied, die aansluiten bij de veranderende woonbehoeften. Tot 2030 blijft het aantal huishoudens in de gemeente Deurne stijgen, vooral als gevolg van de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Daarnaast blijft het aantal senioren stijgen als gevolg van de vergrijzing.

Gelet op deze veranderende behoeften en de tekorten in de bestaande woningvoorraad zijn senioren, (her)starters en jonge gezinnen, jongeren en kwetsbare doelgroepen de prioritaire doelgroepen voor Deurne. Door maximaal in te zetten op ‘goede plannen’ binnen bestaand stedelijk gebied wil de gemeente Deurne alle kansen benutten om de ruimtelijke kwaliteit te verhogen en in de woningbehoeften te voorzien. De gemeente hanteert het volgende afwegingskader voor woningbouwlocaties binnen bestaand stedelijk gebied: Inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en leegstaand vastgoed (inclusief monumenten en beeldbepalende panden) binnen bestaand stedelijk gebied: ja, mits:  Stedenbouwkundig en planologisch passend en milieutechnisch mogelijk (inclusief omgekeerde werking), en  Passend binnen afwegingskader woningbouwkwaliteiten. Op basis van het afwegingskader woningbouwkwaliteiten wordt de prioriteit gelegd bij:  Levensloopgeschikte woningen (huur en koop);  Koopwoningen tot € 200.000;  Koopwoningen tussen € 200.000 en € 250.000;  (Midden)huurwoningen;  (Kleine) sociale huurwoningen;  Onzelfstandige woonvormen (kamergewijze verhuur);  Woonvormen met een koppeling met zorg. Afweging Voor het plangebied ligt de focus op woningbouw voor senioren. De nadruk ligt op grondgebonden, levensloopbestendige woningen en kleine kavels.

De beoogde ontwikkeling van 3 woningen past

Hoofdstuk 3

19

daarmee binnen de bovenstaande uitgangspunten van de Woonvisie gemeente Deurne 2019-2040, aangezien sprake is van een inbreidingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij invulling gegeven wordt aan de bestaande kwalitatieve en kwantitatieve woonbehoefte. 3.4.3 Welstandsnota gemeente Deurne 2016 Het doel van de welstandzorg is de kwaliteit van de individuele architectuur en van het totale straatbeeld op peil te houden en waar nodig en mogelijk te verbeteren. Uitgangspunt daarbij is de karakteristiek van het gebied waarin een bouwwerk staat of wordt opgericht. Een goede balans tussen individueel en algemeen belang staat hierbij centraal. Daartoe heeft de gemeente Deurne welstandsbeleid opgesteld. Het gemeentelijk welstandbeleid is geactualiseerd in de door de gemeenteraad op 15 november 2016 vastgestelde Welstandsnota 2016. De reden om een nieuwe Welstandsnota op te stellen is een verdere deregulering en vereenvoudiging van het welstandsbeleid en een versnelling van de vergunningsprocedure door invoering van een ambtelijke welstandstoets. Tegelijkertijd blijft de zorg voor de kwaliteit van onze gebouwde omgeving belangrijk – daar waar dat nodig en wenselijk is.

De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de eerdere welstandsnota zijn:  Woongebieden met vrijstaande woningen en bedrijventerreinen zijn aangewezen als welstandsvrije gebieden;  Bij bedrijventerreinen en perifere detailhandel zijn zichtlocaties aangewezen waarvoor sneltoetscriteria gelden. De sneltoetscriteria voor bedrijventerreinen en perifere detailhandel hebben betrekking op kleurgebruik en erfafscheidingen en gelden alleen voor de aangewezen zichtlocaties. Sneltoetscriteria gaan ook gelden voor het buitengebied en woonwijken met thematische woningbouw (rijtjeshuizen en dergelijke). Doel is het behoud van de basiskwaliteit van het straat- en landschapsbeeld.  Voor gebieden met een hoogwaardige stedenbouw en architectuur, of waar sprake is van cultuurhistorische waarden, wordt het ‘oude’ welstandsbeleid voortgezet. Het plangebied is gelegen in een zone die is aangeduid onder de categorie ‘Welstandsvrij’. De woningen zullen aansluiten bij de basiskwaliteit van het bestaande straatbeeld, waarmee aan de Welstandnota zal worden voldaan. 3.4.4 Vigerende beheersverordening Voor het plangebied geldt de beheersverordening ‘Zeilberg’, zoals vastgesteld op 7 juli 2015. In deze beheersverordening zijn de gronden bestemd tot ‘Woongebied’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Gematigd’.

Op basis van de bestemming ‘Woongebied’ zijn de gronden bestemd voor wonen in bestaande woningen, aan huis verbonden beroepen, speelvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen, wegen, paden en parkeervoorzieningen en bijbehorende voorzieningen (zoals groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen

Hoofdstuk 3

20

en waterhuishoudkundige voorzieningen). De realisatie van de drie woningen is op basis van de vigerende beheersverordening niet mogelijk, omdat uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan. Het toevoegen van drie nieuwe woningen is derhalve niet toegestaan Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Gematigd’ geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen die dieper gaan dan 50 cm onder maaiveld en groter zijn dan 1.000 m2. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.

Uitsnede uit de vigerende beheersverordening ‘Zeilberg’ met rood omlijnd de projectlocatie.

Tot slot, ligt binnen het plangebied ook de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. De planlocatie is gelegen binnen de 400 meter zone van molenbiotoop (Molen ‘Maria-Antoinette’). Op deze gronden mag alleen gebouwd worden, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de maximaal toelaatbare hoogte, zoals berekend met de biotoopformule H(x) = x * (1/30) + hoogte onderste punt van een verticaal staande wiek, waarbij x staat voor de afstand vanaf de molen. Binnen deze zone geldt dat de bouwhoogte van nieuw op te richten bouwwerken niet meer mag bedragen dan 1/30 van de afstand tussen bouwwerken en de molen, gerekend vanaf de onderste punt van een verticaal staande wiek. De afstand bedraagt 190 meter en de hoogte van de belt bedraagt

Hoofdstuk 3

21

3,15 meter. Op de gronden binnen het plangebied mag dus alleen gebouwd worden, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de maximaal toelaatbare hoogte van 9,48 meter (= 190 * (1/30) + 3,15). In het kader van het planvoornemen bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal 5 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de maximaal toelaatbare hoogte van 9,48 meter op basis van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’.

Hoofdstuk 3

22

4.

UITVOERINGSASPECTEN

4.1

Uitvoerbaarheid

4.1.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt onder andere aangewezen een bouwplan voor de bouw van een of meer woningen. Er is in dit geval dus sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor een verplichting tot kostenverhaal geldt.

Tussen de initiatiefnemer en de gemeente worden hiertoe een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst afgesloten. 4.1.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is met de direct omwonenden overleg gevoerd over het planvoornemen. Zie voor meer informatie paragraaf 6.2 ‘Participatie’.

4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem In het kader van een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Het plangebied is op basis van de geldende beheersverordening reeds bestemd tot ‘Woongebied’. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, is er geen sprake van een bestemmingswijziging naar een voor de bodem gevoeliger gebruik. Feitelijk is het uitvoeren van een bodemonderzoek derhalve niet noodzakelijk. Echter, op basis van de gemeentelijke Bouwverordening geldt dat in het kader van een toekomstige omgevingsvergunning aanvraag

Hoofdstuk 4

23

voor de activiteit bouwen een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 is vereist. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 3. Bij de veldwerkzaamheden zijn in de ondergrond bij twee boringen bijmengingen met baksteen en kooldeeltjes aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond (plaatselijk) licht verhoogd is met cadmium, zink en minerale olie. De ondergrond is licht verhoogd met cadmium, lood, zink en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK). Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, cadmium en sterk verhoogd met zink. De resultaten van dit bodemonderzoek geven strikt genomen aanleiding tot het verrichten van nader onderzoek naar de sterke verhoging met zink in het grondwater. Aangezien er geen duidelijke aanwijsbare bron op de onderzoekslocatie aanwezig is en door natuurlijke bodemprocessen ook een verhoogde concentratie aan zink kan voorkomen, wordt het uitvoeren van een nader grondwateronderzoek niet zinvol geacht. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.

Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de milieu hygiënische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Wat betreft het grondwater wordt afgeraden om het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater 4.2.2 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Woningen zijn geluidgevoelige objecten.

Aangezien het plangebied binnen de onderzoekszone van de Zeilbergsestraat ligt, dient een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 4.

Hoofdstuk 4

24

De geluidbelasting vanwege de Zeilbergsestraat bedraagt ten hoogste 45 dB inclusief aftrek. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee gerespecteerd. De omliggende 30 km-wegen worden als niet relevant beschouwd. In het kader van de Wet geluidhinder vormt de geluidbelasting vanwege de omliggende wegen geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Een hogere waarde procedure en het bepalen van geluidwerende voorzieningen is derhalve niet nodig. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1). Als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van een drie levensloopbestendige woningen. Met de beoogde ontwikkeling wordt ruimschoots onder de aantallen voor woningen gebleven, zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate’. De Wet luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van be-

Hoofdstuk 4

25

lang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Fijn stof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Fijn stof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Grenswaarden Wlk

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) lag de concentratie PM2,5 in 2018 ter plaatse tussen de 12 en 14 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 20 en 22 µg/m³ en de concentratie NO2 in tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Daarmee voldoet het plangebied aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Kortom, de voorgenomen ontwikkeling is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

4.2.4 Externe veiligheid Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk

Hoofdstuk 4

26

toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). De Wet Basisnet is een aanvulling op de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, dat gaat over de vervoerskant. In de Regeling Basisnet (Stcrt 2014, 8242) zijn de basisnetafstanden voor de weg, het spoor en het water vastgelegd. Verder is de afstand van het plasbrandaandachtsgebied vastgelegd. De basisnetafstand geeft aan voor welke afstand een risicoplafond geldt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een PR-plafond en een GR-plafond. Een PR-plafond is in de Regeling Basisnet omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar is. Het GR-plafond is in dezelfde regeling omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In de Bevi, Bevt en Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Dit houdt in dat over elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico verantwoording moet worden afgelegd (de zogeheten verantwoordingsplicht).

Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de Veiligheidsregio.

Hoofdstuk 4

27

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Risicovolle activiteiten

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (paars omcirkeld)

Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in en in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de inrichtingen in de omgeving weergeven inclusief afstanden tot aan het onderhavige plangebied. Afstand (m) 900

Adres

Functie

Activiteit

Voltstraat 5

Driessen United Blenders BV

1100

Voltstraat 2

Habek Snacks

990

Energiestraat 22 Amperestraat 3 Amperestraat 7

Attero Zuid BV

Laad, los en overslag activiteiten Groothandel in voeding en genotsmiddelen Afvalbehandeling

1060 1100

Hoofdstuk 4

Metabel BV Gebr. Aldenzee VOF

Voorbereiding recycling metaalafval Bovengrondse propaantank (13.000 l)

Risicoafstand (PR 10-6) (m) 50 35 25 BRZO 2015 Lagedrempelinrichting 25

28

1200

Leembaan 55

Benzineservice station

675

Indumastraat 14

Gasdrukregel- en meetstation

LPG-vulpunt, LPG-tank ondergronds, LPG-afleverinstallatie Productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water

35 15

Op basis van de risicokaart ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van Driessen United Blenders BV. Echter gelet op de grote afstand en het geringe aantal woningen in het kader van onderhavig planvoornemen zal het groepsrisico nagenoeg gelijk blijven. Kortom, gezien de afstand van het plangebied tot Driessen United Blenders BV, de overige inrichtingen en het feit dat het plangebied niet is gelegen binnen risicocontouren van deze inrichtingen leidt dit niet tot belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. Buisleidingen Volgens de risicokaart en het vigerende bestemmingsplan ligt op 410 meter ten zuiden van het plangebied een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie. Gezien deze grote afstand ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van de betreffende weg. Kortom, in het kader van de voorliggende ontwikkeling vormt de ligging ten opzichte van deze buisleidingen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water Er vindt in de wijde omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen of waterwegen, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor Volgens de risicokaart en het vigerende bestemmingsplan liggen de transportroutes van gevaarlijke stoffen over spoor in de nabijheid van het plangebied.

Het betreft de transportroute Eindhoven – Venlo. Het plangebied is gelegen op circa 415 meter van deze spoor transportroute. Het invloedsgebied van de spoorlijn bedraagt 460 meter. Omdat het plan op 415 meter afstand is gelegen, mag worden gesteld dat het groepsrisico niet toeneemt. Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Alleen de effecten van een explosie (warme of koude BLEVE) reiken tot het plangebied. Bij een BLEVE binnen 290 of 450 meter afstand treed lichte schade op. Circa een kwart van de aanwezigen in de buitenlucht loopt kans op lichte verwondingen. Eventuele gebouwschade blijft beperkt tot het afbladderen van verf. Het effect van een fakkelbrand als gevolg van een calamiteit op het spoor is beperkt tot 200 meter afstand. Het plan is buiten deze afstand gelegen. Calamiteiten op het spoor zijn in stedelijk gebied relatief eenvoudig te benaderen door de hulpdiensten. De blusvoorzieningen worden verondersteld op orde te zijn. Wanneer de situatie dit toelaat is het plan goed te ontvluchten in richtingen van de calamiteit af. Omdat de levensloopbestendige woningen zijn uitgevoerd als enkele laag met kap zijn deze ook voor bewoners met beperkte zelfredzaamheid goed te ontvluchten, eventueel begeleid door hulpdiensten.

Hoofdstuk 4

29

Advies Veiligheidsregio Het plangebied ligt op 415 meter afstand van het spoor. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van het spoor, die 460 meter bedraagt. Conform artikel 7 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De Veiligheidsregio heeft voor ontwikkelingen op grote afstand van risicobronnen en voor kleine ontwikkelingen een standaard advies opgesteld. Samengevat luidt dit advies:  Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de woningen;  Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe;  Pas risicocommunicatie toe. Hieronder wordt ingegaan op het advies. Mechanische ventilatie De woningen moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Als de woningen worden voorzien van een mechanische ventilatie dient deze conform artikel 3.31 van het Bouwbesluit uitgezet te kunnen worden. Beleidsregels Het betreft een bestaand perceel, waar alleen een functie wijzigt. Aan de bereikbaarheid of bluswatervoorziening vinden geen aanpassingen plaats. Risicocommunicatie Deurne sluit zich aan bij de landelijke risicocommunicatie. Conclusie Externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het bestemmingsplan. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw.

Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van waterwegen en buisleidingen. Op basis van de risicokaart ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van Driessen United Blenders BV en de Voltweg. Echter gelet op de grote afstand en het geringe aantal woningen in het kader van onderhavig planvoornemen zal het groepsrisico nagenoeg gelijk blijven. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Venlo-Eindhoven heeft een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden en is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. 4.2.5 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan

Hoofdstuk 4

30

de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de directe omgeving van het plangebied komen immers verschillende vormen van gebruik voor, waaronder wonen, maatschappelijke functies, sport en bedrijvigheid. Milieucategorie

Richtafstand tot gevoelige functies in

Richtafstand tot gevoelige

een rustige woonwijk

functies in gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Deurne&id=d9a840cc-4ff2-4241-aba0-4a844ccd262e