CConstaterende datDeurne
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan Brouwhuisweg 51, Vlierden

Vergadering gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente DeurneBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Brouwhuisweg 51, Vlierden14.986 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Bestemmingsplan Brouwhuisweg 51 te Vlierden

Kadastrale gegevens

: : :

Deurne Q 1521

Opgesteld door

:

Arvalis

Referentie

:

220115-001

Datum

Ontwerp: Vastgesteld:

Gemeente Sectie Nummer

: :

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 6 1.1.

Aanleiding en doel ..................................................................................... 6

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................ 6

1.3.

Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 7

1.4.

Leeswijzer ................................................................................................ 8

Planbeschrijving .............................................................................................. 9 2.1.

Huidige situatie ......................................................................................... 9

2.2.

Beoogde situatie ......................................................................................10

2.3.

Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling .........................14

Beleidskader ..................................................................................................15 3.1.

Inleiding..................................................................................................15

3.2.

Rijksbeleid ...............................................................................................15

3.2.1.

Nationale omgevingsvisie ....................................................................15

3.2.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .........................................15

3.2.1.

Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................16

3.2.2.

Besluit m.e.r. .....................................................................................17

3.3.

Provinciaal beleid .....................................................................................18

3.3.1.

Brabantse Omgevingsvisie ...................................................................18

3.3.2.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant .......................................19

3.3.2.1.

Inleiding ........................................................................................19

3.3.2.2.

Beleidskader ...................................................................................19

3.4.

Gemeentelijk beleid ..................................................................................23

3.4.1.

Structuurvisie ....................................................................................23

3.4.2.

Ruimte voor Dynamiek .......................................................................25

3.4.3.

Herstelbestemmingsplan Buitengebied Deurne 2021 ...............................26

3.4.4. Gemeentelijke beleidskader kwaliteitsverbetering landschap ......................................................................................................29 4.

Omgevingsaspecten ........................................................................................31 4.1.

Bodem ....................................................................................................31

4.2.

Bedrijven en milieuzonering .......................................................................31

4.3.

Geur .......................................................................................................33

4.4.

Luchtkwaliteit ..........................................................................................34

4.5.

Gezondheid .............................................................................................38

4.6.

Geluid .....................................................................................................38

4.7.

Externe veiligheid .....................................................................................39

4.8.

Cultuurhistorie en archeologie ....................................................................40

4.8.1.

Cultuurhistorie ...................................................................................40

4.8.2.

Archeologie .......................................................................................41

4.9.

Flora en Fauna .........................................................................................42

4.9.1.

Gebiedsbescherming ...........................................................................42

4.9.2.

Soortenbescherming ...........................................................................43

4.10.

Landschappelijke inpassing .....................................................................45

4.10.1. 4.11.

Waterparagraaf .....................................................................................47

4.11.1.

Waterbeheerplan Aa en Maas ...........................................................47

4.11.2.

Keur 2015 en Legger .......................................................................48

4.11.3.

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie .......................................49

4.12.

5.

Mobiliteit en parkeren ............................................................................49

4.12.1.

Mobiliteit ........................................................................................49

4.12.1.

Parkeren ........................................................................................49

Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................50 5.1.

Economische haalbaarheid.........................................................................50

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................50

5.2.1.

6.

Waterrelevant beleid .......................................................................46

Omgevingsdialoog ..............................................................................50

5.3.

Vooroverleg en inzage ..............................................................................50

5.4.

Procedure ................................................................................................51

Juridische planopzet .......................................................................................52 6.1.

Inleiding..................................................................................................52

6.2.

Toelichting op de verbeelding ....................................................................52

6.3.

Toelichting op de regels ............................................................................52

Bijlage(n) Bijlage 1 – Situatietekening Bijlage 2 – Akoestisch onderzoek Bijlage 3 – Stikstofonderbouwing Bijlage 4 – Quickscan flora en fauna Bijlage 5 – Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 6 – Omgevingsdialoog

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.

Aanleiding en doel

Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld omdat de initiatiefnemer voornemens is om de locatie Brouwhuisweg 51 te Vlierden (hierna genoemd: plangebied) een passende bestemming te geven. Het plangebied bestaat uit onder andere een bedrijfswoning met bijgebouw, een tweetal bedrijfsgebouwen. De bedrijfsgebouwen waren voorheen in gebruik ten behoeve van het agrarische bedrijf. De initiatiefnemer is voornemens om op het plangebied een timmerbedrijf voor het fabriceren van mantelzorgwoningen te bestemmen. Daarnaast wenst de initiatiefnemer een nevenactiviteit te ontplooien in de vorm van een paardenhouderij. Middels de herbestemming wil de initiatiefnemer het plangebied een passende bestemming en een kwaliteitsimpuls geven.

1.2.

Ligging en begrenzing

Het plangebied aan Brouwhuisweg 51 te Vlierden is gelegen in het buitengebied van de gemeente Deurne op een afstand van circa 1,7 kilometer van de komgrens van Vlierden en 700 meter van de komgrens van Helmond. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Deurne, sectie Q, nummer 1521.

Afbeelding 1 Topografische kaart

6

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.4. De gemeenteraad van gemeente Deurne heeft op 5 juli 2022 het ‘Herstelbestemmingsplan Buitengebied Deurne 2021’ vastgesteld. Het plangebied betreft een agrarische bedrijfslocatie en is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met de volgende bestemmingen, zie afbeelding 2: • • • • • • • •

Enkelbestemming: Agrarisch met waarden; Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 3; Bouwvlak; Functieaanduiding; Specifieke vorm van agrarisch – overige agrarisch bedrijf; Gebiedsaanduiding: Wetgevingszone- groenblauwe mantel; Gebiedsaanduiding: Wetgevingszone- omgevingsvergunning aardkundig waardevol gebied; Gebiedsaanduiding: Wetgevingszone – Omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008); Gebiedsaanduiding: Wetgevingszone – Wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 4.

Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan

7

1.4.

Leeswijzer

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • •

• • •

8

plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6; De bij het plan behorende bijlagen.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de boogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.

2.1.

Huidige situatie

Het plangebied is gedeeltelijk bebouwd en wordt in afbeelding 3 weergegeven. Binnen het plangebied betreft gebouw 1 het woonhuis. Gebouw 2 wordt gebruikt voor het huisvesten van paarden, opslag van materialen en als timmerwerkplaats. Gebouw 3 was voorheen in het gebruik als caravanstalling. In de huidige situatie worden in gebouw 3 materialen voornamelijk voor de bouw van mantelzorgwoningen en enkele landbouwmachines opgeslagen, daarnaast vindt er zaag- en timmerwerk voor de wanden en daken van mantelzorgwoningen plaats. Op 13 juni 2006 is er een milieuvergunning verleend voor het houden van 10 paarden en 10 schapen, een timmerwerkplaats en een caravanstalling.

Afbeelding 3. Huidige situatie plangebied

9

2.2.

Beoogde situatie

De initiatiefnemer is voornemens een timmerbedrijf te vestigen op Brouwhuisweg 51. Het timmerbedrijf gaat zich richten op het bouwen van op maat gemaakte mantelzorgwoningen. De productie van de mantelzorgwoningen vindt plaats via het prefab principe. Dit wil zeggen dat de gehele mantelzorgwoning eerst geheel wordt gebouwd en vervolgens per vrachtwagen richting klant wordt getransporteerd. Om vervolgens op de locatie van de klant te worden afgemonteerd. In totaal zullen er jaarlijks circa 12 mantelzorgwoningen worden gerealiseerd. In afbeelding 4 is een mogelijke plattegrond weergeven en op afbeeldingen 5, 6 en 7 worden enkele voorbeelden gegeven van mantelzorgwoningen welke zullen worden gemaakt.

Afbeelding 4 Plattegrond mantelzorgwoning

10

Afbeelding 5 Voorbeeld mantelzorgwoning

Afbeelding 6 Voorbeeld mantelzorgwoning

11

Afbeelding 7 Voorbeeld mantelzorgwoning

Zoals op de afbeeldingen is te zien zijn de mantelzorgwoningen dermate groot dat deze niet in een keer getransporteerd kunnen worden. Dit wordt opgelost door de mantelzorgwoningen deelbaar te maken, zoals in afbeelding 7 is te zien. Door deze wijze van bouwen is het mogelijk om deze per vrachtwagen te vervoeren. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wil de initiatiefnemer 600m 2 van het bestaande bedrijfsgebouw 2 (groen aangegeven in afbeelding 8) gaan gebruiken als timmerbedrijf. Hierdoor kan de bouw van de mantelzorgwoningen binnen de loods worden gerealiseerd. Binnen het bouwvlak, dat blauw is weergegeven in afbeelding 8, wil 12

de initiatiefnemer de mantelzorgwoningen die afgeleverd kunnen worden tijdelijk stallen om gereed te maken voor transport. Om voldoende manoeuvreerruimte te creëren zal het in afbeelding 8 als oranje omlijnde deel van het bestaande bedrijfsgebouwen (370m2) worden gesloopt. Daarnaast zal er 1.200m2 aan erfverharding worden verwijderd. Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens om de paarden die nu worden gehuisvest in bedrijfsgebouw 2 te huisvesten in bedrijfsgebouw 3 (400m2), zie afbeelding 3. In dit bedrijfsgebouw worden paardenboxen gerealiseerd en een deel van het bedrijfsgebouw zal worden gebruikt voor de opslag van voer en strooisel ten behoeve van de paarden en voor stalling van enkele landbouwvoertuigen (grijs weergegeven in afbeelding 8).

Afbeelding 8 Situatieschets

13

Om de beoogde situatie te herbestemmen zal de huidige agrarische bestemming gewijzigd dienen te worden naar een bedrijfsbestemming. Het perceel wordt voorzien van een passende landschappelijke inpassing. Het bouwvlak wordt verkleind, van 10.405m 2 naar 5.000m2 (planologische ontstening). In afbeelding 8 is het vigerende bouwvlak middels een zwarte lijn weergegeven en middels de gele stippellijn is het beoogde bestemmingsvlak weergegeven.

2.3. Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling Ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn de gronden bestemd voor de ontwikkeling van een in hoofdzaak agrarische economie, de uitoefening van het agrarisch bedrijf en/of agrarisch grondgebruik. Binnen het vigerende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.8.5 ‘Wijziging naar buitgebied gebonden of niet-agrarische bedrijven’ opgenomen waarmee burgemeester en wethouders de gronden met deze bestemming kunnen wijzigen in de bestemming ‘Buitengebied gebonden bedrijf of niet-agrarisch bedrijf’. De beoogde situatie is volgens de toetsing in paragraaf 3.4.3 niet passend binnen de bovengenoemde wijzigingsbevoegheid. De initiatiefnemer wenst immers naast herbestemming naar een niet-agrarisch bedrijf, het houden van paarden als nevenactiviteit voort te zetten. Om het plan mogelijk te maken dient het bestemmingsplan te worden herzien, middels een bestemmingsplanherziening.

14

3. Beleidskader 3.1.

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2.

Rijksbeleid

3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het 15

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Noord-Brabant is de EHS vastgelegd in het Natuur Netwerk Brabant. In paragraaf 3.2.3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt de begrenzing van de Natuur Netwerk Brabant bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro. Het plangebied is niet gelegen in het Natuur Netwerk Brabant. Hierdoor vormt het Barro geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.1. Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op

16

grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. De beoogde ontwikkeling maakt ter plaatse van het plangebied aan Brouwhuisweg 51 te Vlierden de vestiging van een timmerbedrijf en het houden van paarden mogelijk. Echter zal het gebruik en de bouwmogelijkheden beperkt zijn, doordat deze worden vastgelegd in onderhavig bestemmingsplan. Door de beperking in gebruik en bouwmogelijkheden voorziet onderhavig bestemmingsplan niet in een stedelijke ontwikkeling. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is derhalve niet van toepassing. 3.2.2. Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld.

Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.beoordeling.

Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is de ontwikkeling van een buitengebied gebonden bedrijf aangemerkt als D11.3 oprichting van een industrieterrein. Een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: •

Een oppervlakte van 75 hectare of meer;

Het beoogde initiatief voor het plangebied is aanzienlijk kleiner dan 75 hectare. Daarnaast zijn vanuit milieutechnische en planologische aspecten geen bezwaren

17

gebleken, waaruit geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Voor toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn de selectiecriteria gebruikt vanuit bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. 1. Kenmerken project: De beoogde ontwikkeling de herbestemming van een agrarische functie naar een bedrijfsfunctie betreft een kleinschalig plan. De ontwikkeling heeft zoals beschreven in hoofdstuk 4 geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. 2. Plaats van het project Het plangebied en de omgevingen hebben geen bijzondere kenmerken, waardoor de kans op belangrijke nadelige effecten nihil is. 3. Kenmerken van het potentiële effect In deze toelichting zijn alle relevante planologische en milieutechnische aspecten zijn getoetst en er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. Door middel van het bovenstaande heeft er een vormvrije m.e.r-beoordeling plaatsgevonden waarbij alle relevante planologische en milieutechnische aspecten zijn getoetst en er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.

3.3.

Provinciaal beleid

3.3.1. Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan. 5. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vindt een vertaalslag van de hoofdopgaven in concreet bindende regels plaats. De ontwikkeling wordt in navolgende paragraaf getoetst aan deze verordening.

18

3.3.2. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.2.1. Inleiding Op 15 april 2022 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) vastgesteld. Op termijn treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de voormalige Verordening ruimte. 3.3.2.2. Beleidskader De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Interim omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen).

Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen.

Afbeelding 9. Uitsnede plangebied IOV

Het plangebied ligt binnen het 'Landelijk gebied' en de ‘Groenblauwe mantel’, zie afbeelding 9. De ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de mogelijkheden die worden geboden binnen deze aanduidingen. Op grond van de begripsomschrijving in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is de beoogde ontwikkeling mogelijk op basis van artikel 3.73. Artikel 3.73 Vestiging niet agrarische functie Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; De beoogde functie zorgt voor werkgelegenheid binnen de gemeente Deurne. 19

Het initiatief draagt bij aan de Deurnese plattelandseconomie. Het buitengebied van Deurne wordt gekenmerkt door een voornamelijk agrarisch gerichte economie. Het voorliggende initiatief, de ontwikkeling van bedrijvigheid, sluit aan bij de, in de structuurvisie genoemde, verwachte transitie van het landelijk gebied en de agrarische sector, zie tevens paragraaf 3.4.1 van de toelichting. De locatie aan Brouwhuisweg 51 leent zich goed voor de beoogde ontwikkelingen. Zo wordt de locatie goed ontsloten richting N279 en N612 via Bedrijventerrein Zuid-Oost Brabant. De omgeving van het plangebied is kenmerkend als een gemengde omgeving waarbinnen verschillende functies zoals wonen en (agrarische) bedrijvigheid aanwezig zijn, daarnaast zijn het Bedrijventerrein Zuid-Oost Brabant en N279 op korte afstand gelegen van het plangebied. Door de combinatie van het timmerbedrijf en de nevenactiviteit paardenhouderij past de beoogde ontwikkeling binnen de gemende omgeving van het plangebied. 2. Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; De toetsing op de mogelijke effecten van de ontwikkeling op de genoemde aspecten is uiteengezet in hoofdstuk 4 van voorliggende toelichting. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn op bovengenoemde aspecten. 3.

Hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het landelijk gebied. Binnen de ontwikkeling wordt overtollige bebouwing gesloopt en zal het plangebied landschappelijk worden ingepast. Door de herontwikkeling van de locatie wordt de omgevingskwaliteit versterkt en middels nieuwe bedrijvigheid wordt invulling gegeven aan leegstaand economisch kapitaal binnen de gemeente Deurne. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen één inrichting, een bouwvlak, aan Brouwhuisweg 51 te Vlierden. c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; Binnen de beoogde ontwikkeling wordt de overtollige bebouwing gesaneerd. d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. Een kantoor met baliefunctie; 2. Lawaaisport; 3. Mestbewerking. De beoogde situatie voorziet niet in de vestiging van een kantoor met baliefunctie, een lawaaisport of mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op de langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publiek aantrekkende werking; In de omgeving zijn meerdere (agrarische) bedrijven gevestigd en het plangebied is dichtbij het bedrijventerrein Zuid-Oost Brabant gelegen.

De bedrijfsbebouwing zal worden opgeknapt en het plangebied wordt landschappelijk ingepast, wat een positief effect heeft op de omgeving. De publieksaantrekkende werking is naar verwachting passend aangezien het aantal verkeersbewegingen op gaat in het verkeersbeeld van de Brouwhuisweg. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.6.

20

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; De specifieke gebruiksactiviteiten worden verankerd binnen de planregels. c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; Er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats, er worden enkel mantelzorgwoningen gereed gemaakt voor transport. d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Mocht het bedrijf zich verder ontwikkelen en niet meer passen binnen de kaders van dit bestemmingsplan, dan wordt gezocht naar een alternatieve passende locatie. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; Van een grootschalige ontwikkeling is er sprake indien er meer dan 150.000 bezoekers per jaar naar de locatie komen. Dit aantal bezoekers zal, gezien de beoogde omvang en activiteit niet gehaald worden. De ontsluiting zal plaatsvinden via Brouwhuisweg waarin het verkeer in het verkeerbeeld opgaat. Daarnaast draagt de vestiging van het bedrijf bij aan het tegengaan van verpaupering en een economische drager in het buitengebied. b. een detailhandel voorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m2; De beoogde ontwikkeling maakt geen detailhandel voorziening mogelijk.

Hierdoor is lid b niet van toepassing. c. een voorziening ten dienste van vrije tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De beoogde ontwikkeling betreft geen voorziening op het gebied van vrije tijd en zorg. Hierdoor is lid c niet van toepassing. De IOV wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de IOV aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse Omgevingsvisie en worden mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de IOV in plaats van middelvoorschriften, doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een ‘ja, mits – benadering’. Daarnaast dient het beoogde voornemen te voldoen aan paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierbij dient rekening gehouden te worden met: - Artikel 3.5: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; - Artikel 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik; - Artikel 3.7: Toepassing van de lagenbenadering; - Artikel 3.8: Meerwaardecreatie; - Artikel 3.9: Kwaliteitsverbetering landschap. Hieronder wordt nader ingegaan op enkele verschillende aspecten. In paragraaf 3.3.2 wordt het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap en Nota Kostenverhaal 2018 nader toegelicht. Een toelichting op het toepassen van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie blijkt uit voorliggend bestemmingsplan.

Dit leidt tot het waarborgen van de verschillende aspecten zoals hierboven genoemd. Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de IOV de ‘zorgplicht’ opgenomen. Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval

21

sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagen de lagen benadering en meerwaardecreatie. Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik is een compacte opzet met een concentratie van bebouwing en gebruik van bestaande bebouwing. Dit betekent dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen. Uitbreiding is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het huidige toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. In de beoogde situatie wordt een bestaand agrarisch bouwvlak herbestemt naar een bestemmingsvlak ‘bedrijf’. Hierdoor wordt de beoogde functie gerealiseerd binnen bestaand ruimtebeslag. Daarnaast zal het bestaande ruimtebeslag afnemen in zowel bebouwd oppervlak als in het oppervlak van het bestemmingsvlak. Hierdoor is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op drie verschillende lagen: 1. De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2.

De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Daarnaast speelt de factor tijd een belangrijke rol. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on-)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toepassing van de lagenbenadering is verwerkt in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk komen de verschillende aspecten uit de lagenbenadering aanbod. Artikel 3.8 Meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat daarnaast een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat. Tevens kan de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Door het herbestemmen naar een bedrijf wordt een nieuwe economische drager in het buitengebied toegevoegd, wat verpaupering binnen het plangebied tegengaat. Daarnaast zal het plangebied landschappelijk worden ingepast. Door de combinatie van de bedrijfsontwikkeling en een goede landschappelijke inpassing wordt er meerwaarde gecreëerd. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering van het landschap Naast de zorgplicht is in de IOV tevens het beleidsvoornemen opgenomen met betrekking tot ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’. De vereiste kwaliteitsverbetering koppelt ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied aan een concrete tegenprestatie gericht op een verbetering van de kwaliteit van het landschap. In het bestemmingsplan kan ontwikkelingsruimte worden geboden aan functies, mits dit gepaard gaat met 22

maatregelen die het landschap versterken. Dit kan onder andere door landschapselementen aan te leggen maar ook door behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en/of sloop van overtollige bebouwing. De regio Zuidoost-Brabant heeft geen nadere regionale afspraken gemaakt. Voor de doorwerking van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Deurne derhalve een eigen gemeentelijk beleidskader ontwikkeld, waarin is beschreven, nader uitgewerkt en vastgelegd op welke wijze de gemeente de kwaliteitsverbetering van het buitengebied wenst vorm te geven als tegenprestatie voor het kunnen bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor functies in het buitengebied in het bestemmingsplan. Onderhavig initiatief heeft betrekking op de ontwikkeling van een timmerbedrijf. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Daarnaast worden in hoofdstuk 4 de verschillende ruimtelijke en milieuaspecten toegelicht welke bij de verschillende lagen van de lagenbenadering horen. Middels de toets aan het relevante beleidskader wordt inzicht gegeven in de meerwaardecreatie van onderhavige initiatief. Dit sluit aan bij de randvoorwaarden zoals opgenomen in het provinciaal (en gemeentelijk) beleid. Het planvoornemen past binnen de kaders van de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant.

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1. Structuurvisie Op 13 maart 2018 is de structuurvisie voor Deurne vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Deurne. De structuurvisie is de integrale langetermijnvisie van de gemeente over de noodzakelijke en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en kwaliteiten van Deurne. De visie is opgesteld tegen de achtergrond van een aantal brede maatschappelijke en ruimtelijke vraagstukken en opgaven. Dit zijn de transitie van het landelijk gebied, de klimaataanpassing, de energietransitie, het vormgeven van een nieuwe (circulaire) economie en de ontwikkeling van de Metropoolregio Eindhoven als Mainport voor de nationale economie. De structuurvisie geeft inzicht in de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van Deurne, en geeft antwoord op de vraag wat de gemeenschappelijke meerwaarde is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarvoor zijn in deze structuurvisie kaders en uitgangspunten opgenomen. De structuurvisie is een uitnodiging aan inwoners, organisaties en ondernemers om initiatieven te ontplooien die bijdragen aan de ontwikkeling van Deurne en het vergroten van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In de structuurvisie staat dat het landelijk gebied van Deurne de komende jaren ingrijpend verandert.

Door strengere wet- en regelgeving voor de veehouderij, gebrek aan opvolging en de situatie in de markt stoppen steeds meer veehouderijen: de marges zijn klein, de risico’s groot. Dit resulteert in grootschalige leegstand van agrarische bedrijven in het buitengebied. De bedrijven die blijven bestaan zetten in op schaalvergroting of andere productmarktcombinaties. In het landelijk gebied levert de structuurvisie een ruimtelijke zonering op van het landelijk gebied van de gemeente Deurne in twee gebieden: 1. Primair agrarisch gebied (primag); 2. Gebied met een gemengde plattelandseconomie. Daarnaast zijn er gebieden aangewezen als glastuinbouwontwikkelingsgebieden.

23

Afbeelding 10 Uitsnede kaart Structuurvisie Deurne

De voorliggende locatie is gelegen in een gebied met een gemengde plattelandseconomie. Door het verdwijnen van vele tientallen veehouderijen de komende jaren zal de bebouwing in het landschap sterk veranderen. Het platteland is niet langer alleen van de boer. Door ruimte te bieden aan andere functies ontstaat een nieuwe dynamiek. De woon- en recreatieve functies vragen om een gezond en aantrekkelijk verblijfslandschap, waarin water, groen en lokaal georiënteerde infrastructuur belangrijke dragers zijn. Voor omschakelingen heeft de gemeente een specifiek omschakelbeleid vastgesteld (Ruimte voor Dynamiek). Als er een functiewijziging plaatsvindt (er wordt omgeschakeld van bijvoorbeeld een agrarische bestemming naar een woonbestemming), dan moet de overtollige bebouwing gesloopt worden. Met dit beleid worden zowel sloop van overtollige agrarische opstallen als de verdere ontwikkeling van de buitengebied gebonden bedrijvigheid gestimuleerd. Binnen deze systematiek is tevens een kader ontwikkeld 24

waarbinnen dergelijk intensief ruimtegebruik ook buitenplans verantwoord tot ontwikkeling kan komen. Als een belangrijke wegingsfactor bij het toetsen van buitengebied gebonden initiatieven geldt of de voorgenomen ontwikkeling maatschappelijk (1), economisch (2) en landschappelijk (3) passend is in het buitengebied. Tenslotte biedt het gebied met een gemengde plattelandseconomie ruimte voor experimenten en innovatie van zowel duurzame en veilige agrarische als niet-agrarische activiteiten. Het streven hierbij is om eraan bij te dragen dat vernieuwende en gewenste ontwikkelingen ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden. Voor de toetsing aan het Ruimte voor Dynamiek-beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.4.2. Aangezien wordt voldaan aan de verschillende eisen van dit beleid wordt tevens aangesloten bij de structuurvisie. 3.4.2. Ruimte voor Dynamiek De systematiek van Ruimte voor Dynamiek is een onderdeel van de ‘Derde herziening bestemmingsplan buitengebied’. Kern van dit RvD-beleid is dat sloop van voormalige agrarische bebouwing wordt gestimuleerd aan de hand van de provinciale autonome sloopplicht. Dit levert met name vermindering van leegstaande agrarische bebouwing op bij de omschakeling naar wonen en kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid (hierna: kab).

Aanvullend aan de keuze om de autonome zorgplicht te stimuleren, heeft het college ook besloten om meer in te zetten op buitengebied gebonden ontwikkeling. Zij hechten er dan ook aan om ruim baan te geven aan nieuwe buitengebied gebonden ontwikkelingen. Het omschakelen naar een nieuwe hoofdfunctie staat hierin beschreven. De beoogde ontwikkelingen, de realisatie van een timmerbedrijf sluit het beste aan bij de hoofdfunctie ‘Niet-agrarisch bedrijf’. De maximale oppervlakte voor een dergelijke (hoofd-) functie in een ontwikkelingscluster bedraagt 600m 2. In de beoogde situatie worden de werkzaamheden in de werkplaats uitgevoerd. Deze werkplaats heeft een oppervlakte van 600m2. In de werkplaats worden diverse machines geplaats om onderdelen te kunnen maken voor de mantelzorgwoningen. Door de omvang van de mantelzorgwoningen is de oppervlakte van de werkplaats noodzakelijk. Daarnaast worden de paarden gehuisvest in bedrijfsgebouw 3 (400m2). Na herbestemming van het plangebied zal er dus een totaal van 1.000m2 bedrijfsbebouwing aanwezig zijn. Aangezien het timmerbedrijf met de nevenactiviteit groter is dan de maximale maatvoering van het RvD-beleid dient gebruik gemaakt te worden van een buitenplanse afwijking.

Buiten de regels van het bestemmingsplan om, middels een omgevingsvergunning of een bestemmingsplanherziening kan door de gemeente Deurne meegewerkt worden aan de ontwikkeling van de beoogde situatie. Evident is dat niet alle mogelijke vormen van buitengebied gebonden activiteiten kunnen worden gevangen in de regels van het bestemmingsplan. Soms is er behoefte aan een groter (her-)gebruik van opstallen dan toegestaan, soms is specifiek een ander gebruik gewenst dan geregeld. Dit is in het voorliggend geval aan de orde. Om de totale beoogde oppervlakte voor de activiteiten te ontwikkelen, stelt het college zorgvuldig ruimtegebruik voor, dat tot uitdrukking komt in de volgende kaders: a) Landschappelijke inpassing; b) Maatschappelijke inpassing; c) Economische inpassing.

25

Het buitengebied van Deurne wordt gekenmerkt door een voornamelijk agrarisch gebied. In de structuurvisie staat de transitie van het landelijke gebied en de agrarische sector inclusief de gevolgen hiervan. De herontwikkeling van het plangebied bestaat uit het opknappen en in gebruik nemen van bedrijfsgebouwen, herinrichting van het buitenterrein en een landschappelijk inpassing. De herontwikkeling geeft een kwaliteitsimpuls aan de omgeving en gaat verpaupering van het buitengebied tegen, waardoor de leefbaarheid wordt verbeterd. Daarnaast draagt de vestiging van het timmerbedrijf bij aan de Deurnese economie en werkgelegenheid. De initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog in de omgeving van het plangebied uitgevoerd. Concluderend uit het hierboven genoemde wordt gesteld dat het planvoornemen zowel landschappelijk, maatschappelijk als economisch ingepast kan worden. Hierdoor sluit het beoogde initiatief aan bij het RvD-beleid. 3.4.3. Herstelbestemmingsplan Buitengebied Deurne 2021 De gemeenteraad van gemeente Deurne heeft op 5 juli 2022 het ‘Herstelbestemmingsplan Buitengebied Deurne 2021’ vastgesteld.

Binnen het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.8.5 ‘Wijziging naar buitgebied gebonden of niet-agrarische bedrijven’ opgenomen waarmee burgemeester en wethouders de gronden met deze bestemming kunnen wijzigen in de bestemming ‘Buitengebied gebonden bedrijf of niet-agrarisch bedrijf’. Uit onderstaande toetsing blijkt aansluit bij het artikel en dat er enkel aan artikel 4.8.5 k niet voldaan kan worden. Artikel 4.8.5 Wijziging naar buitengebied gebonden of niet-agrarische bedrijven Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' van een agrarisch bedrijf te wijzigen ten behoeve van het toestaan van een buitengebied gebonden bedrijf of een niet-agrarisch bedrijf, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Gebruik a. De ontwikkeling draagt bij aan de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie. De beoogde ontwikkeling van het herbestemmen naar een niet-agrarisch bedrijf met de nevenactiviteit paardenhouderij draagt bij aan de menging van functies en is een passende ontwikkeling binnen het landelijk gebied. b. Transportgerichte agrarisch technische hulpbedrijven zijn alleen toegestaan langs een gebiedsontsluitingsweg of een weg die qua functie en qua verkeersafwikkelingscapaciteit daarmee gelijk te stellen is. Niet van toepassing. c.

Niet- agrarische bedrijven zijn enkel toegestaan indien ze zijn opgenomen in de categorieën 1 of 2 van de Lijst Activiteiten zoals opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 of daarmee naar aard, omvang en invloed vergelijkbaar zijn. In de beoogde situatie wordt een timmerbedrijf met een nevenactiviteit paardenhouderij gerealiseerd. In de Lijst Activiteiten is dit opgenomen als “timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout” met milieucategorie 3.2, de paardenhouderij is opgenomen als “fokken en houden van overige graasdieren: paardenfokkerij” met milieucategorie 3.1. Echter gezien de aard, omvang en invloed is de beoogde activiteit vergelijkbaar met een categorie 2 bedrijf. In hoofdstuk 4, wordt een nadere toelichting gegeven. d. Recreatieve functies zijn enkel toegestaan zijn enkel toegestaan indien: 1. ze zijn opgenomen in de categorieën 1, 2 of 3 van de Lijst Activiteiten zoals opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 of daarmee naar aard, omvang en invloed vergelijkbaar zijn. 2. buiten de aanduiding 'overige zone - primag'. In de beoogde situatie wordt niet voorzien in een recreatieve functie. 26

e. Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde goederen kan worden toegestaan tot een maximum oppervlak van 200 m2. De beoogde situatie voorziet niet in detailhandel. f. De wijziging mag niet leiden tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie. De beoogde situatie voorziet niet in een wijziging van een zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie. g. Een wijziging voor statische opslag is niet toegestaan. De beoogde situatie voorziet niet in een wijziging naar statische opslag. h. Er mag geen opslag van niet-agrarische producten en materialen buiten de gebouwen plaatsvinden. Er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats. Bebouwing i. De omvang van het bestemmingsvlak mag: 1. voor agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven: • buiten de aanduiding 'wetgevingszone - groenblauwe mantel' niet meer bedragen dan 1,5 ha; • ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - groenblauwe mantel' niet meer bedragen dan 5.000 m2. 2. voor recreatieve functies ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone groenblauwe mantel' niet meer bedragen dan 1,5 ha; 3. voor niet-agrarische bedrijven niet meer bedragen dan 5.000 m 2. In de beoogde situatie wordt een niet-agrarisch bedrijf met nevenactiviteit paardenhouderij gevestigd, waarbij het bestemmingsvlak een grootte zal hebben van 5.000m2. j.

Overtollige bebouwing wordt gesloopt; De overtollige bebouwing zal worden gesloopt. k. Maximaal 400 m2 aan bebouwing is toegestaan, behoudens voor zover het betreft de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding: 1. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 3'; 2. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 4'; 3. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 6'; 4. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 8'; 5. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 10'; 6. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 1'; 7. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 5'; 8. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 13'; waarbinnen maximaal 600 m2 aan bebouwing is toegestaan. Het plangebied is gelegen in de ‘wetgevingzone- wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 4’. Voor het timmerbedrijf zal 600m2 in gebruik worden genomen, voor het huisvesten van de paarden zal er 400 m2 behouden blijven. l. In uitzondering op het bepaalde onder j is voor een recreatieve functie maximaal 500 m2 aan bebouwing toegestaan, behoudens voor zover het betreft de gronden gelegen ter plaatse van de aanduidingen: 1. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 4'; 2. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 8'; 3. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 10'; 4.

'wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 11'; 5. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 1'; 6. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 7'; 7. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 10'; 8. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 11'; 9. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 13'; 10. 'wetgevingzone - wijzigingsgebied kernrandzone 14'; waarbinnen maximaal 750 m2 aan bebouwing mag worden hergebruikt. Niet van toepassing. 27

Omgevingskwaliteit m. Er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen: 1. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering: • Met het initiatief dient een gedegen landschappelijke inpassing plaats te vinden middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten); • de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; • hierbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals weergegeven in bijlage 4 'Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap', inclusief later vastgestelde aanvullingen dan wel het kader dat volgend op voornoemd kader wordt vastgesteld, waarbij voornoemd kader is komen te vervallen. In paragraaf 4.10 wordt de landschappelijke inpassing beschreven. 2. Zuinig ruimtegebruik: • de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. Het bestemmingsvlak is zo efficiënt mogelijk ingericht. Het netto ruimtebeslag is afgestemd op de noodzakelijke oppervlakte ten behoeve van het timmerbedrijf en de nevenactiviteit paardenhouderij. Er is ruimte gereserveerd voor de stalling van de gereed zijnde mantelzorgwoningen. Deze ruimte is noodzakelijk om de mantelzorgwoningen klaar te maken voor het transport richting de afnemers.

In de beoogde situatie wordt zowel het bruto als netto ruimtebeslag verkleind. Door het bovengenoemde is er sprake van zuinig ruimtegebruik. 3. Sloop: • met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt. De overtollige bebouwing wordt gesloopt en de overtollige erfverharding wordt verwijderd. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de sloop van de overtollige bebouwing en de overtollige erfverharding. n. De waarden die voorkomen ter plaatse van de in 31.11.1 vermelde gebiedsaanduidingen mogen niet onevenredig worden aangetast. Binnen het plangebied zijn de aanduidingen ‘wetgevingszone – groenblauwe mantel’ en ‘wetgevingszone – aardkundig waardevol gebied’. De ontwikkelingen vinden plaats binnen het bestaande bouwvlak. Het beoogde bestemmingsvlak heeft een kleiner oppervlak dan het huidige bouwvlak. Het plangebied zal landschappelijk worden ingepast rekening houdend met de aanduidingen ‘wetgevingszone – groenblauwe mantel’ en ‘wetgevingszone – aardkundige waardevol gebied’. o. Bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal hydrologisch neutraal gebouwd dienen te worden.

Binnen de beoogde situatie wordt niet voorzien in een toename van bebouwing of verharding, zodoende betreft de beoogde situatie reeds een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Verkeer p. Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden. In paragraaf 4.12 is de parkeervoorziening beschreven. q. De verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie. In paragraaf 4.12 is de feitelijke ontsluitingssituatie beschreven. Belangenafweging r. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. 28

In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven. s. Er dient een, door de gemeente goed te keuren, bedrijfsplan te worden overgelegd. Het planvoornemen van de initiatiefnemer is het starten van een timmerbedrijf. Het planvoornemen is in hoofdstuk 2 beschreven. 3.4.4. Gemeentelijke beleidskader kwaliteitsverbetering landschap De gemeenteraad van de gemeente Deurne heeft op 13 maart 2018 de ‘Nota Kostenverhaal 2018’ vastgesteld. Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, die een bepaalde omvang hebben, moeten gepaard gaan met een extra kwaliteitsverbetering van het landschap. In de ‘Nota Kostenverhaal 2018’, is geregeld hoe de omvang van die verbetering bepaald wordt. De gemeente vereist conform de gestelde voorwaarden uit de provinciale Verordening Ruimte, dat elke ruimtelijke ontwikkeling die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiertoe zijn drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met bijbehorende kwaliteitsverbetering) opgenomen: • •

•

Categorie 1: ontwikkelingen met een zeer geringe impact; hiervoor wordt geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering gevraagd, geen tegenprestatie. Categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte impact. Dit betreft kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen waarvan het ruimtelijk effect veelal beperkt blijft tot het eigen erf en waarbij slechts in een aantal gevallen een beperkt visueelruimtelijk effect is op de directe omgeving. Categorie 3: ontwikkelingen met een aanzienlijk impact. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen waarvan de ontwikkelingen omvangrijker zijn en/of meer ruimtelijke gevolgen hebben.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 1 mag de initiatiefnemer op vrijwillige basismaatregelen treffen ter plaatse van het plangebied. Bij voorkeur sluiten deze maatregelen aan bij de (kwaliteits-)criteria van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 2 passen maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap toe volgens de (kwaliteits-)criteria van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap, op de locatie zelf of op direct aan de ontwikkeling grenzende gronden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 3 is er een aanzienlijke impact op het landschap. Hiervoor gelden naast kwaliteitseisen in het kader van de algemene zorgplicht en een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan een extra kwaliteitsverbetering voor het landschap (basisinspanning-plus). Bij onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is sprake van een categorie 3 ontwikkeling. Het betreft de herbestemming van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming. Op basis van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap ligt het plangebied in het landschapstype ‘Essen- en kampenlandschap’, zie afbeelding 11.

29

Afbeelding 11 Uitsnede kaart Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap

Het landschap ‘Essen- en kampenlandschap’ wordt gekenmerkt door de veelal bolle, open akkers die van oorsprong liggen op de overgang van de hogere gronden naar de lagergelegen beekdalen, veelal rond de kernen. De beoogede ontwikkeling betreft een herbestemming van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming. Er is een daling in de oppervlakte bestemmingsvlak en bedrijfsbebouwing. In tabel 1 is de waardeverandering door middel van de berekening nota kostenverhaal het investeringsbedrag voor de kwaliteitsverbetering in beeld gebracht. Berekening Nota Kostenverhaal grondprijs

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Deurne&id=0ec9801c-2c1d-4f87-b029-176478d660fc