CConstaterende datDeurne
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting

Vergadering gemeenteraad 24 januari 2023, gemeente DeurneBij agendapunt: Bestemmingsplan Bospeelweg 3a, Neerkant14.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN “Bospeelweg 3a Neerkant” NL.IMRO.0762.BP202209-B001 Ontwerp

Document:

Bestemmingsplan “Bospeelweg 3a Neerkant”

IDN:

NL.IMRO.0762.BP202209-B001

Status:

Ontwerp

Datum:

22 september 2022

Aanvrager:

de heer J. Spitters

Auteur:

ing. P.W.M. van de Ligt

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3

1.2

Plangebied en begrenzingen ...................................................................................................................................................................... 4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 4

HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................7 2.1

Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 7

2.2

Ruimtelijke en functionele structuur..................................................................................................................................................... 8

PLANBESCHRIJVING .................................................................................................................................... 10 3.1

Beschrijving plan .......................................................................................................................................................................................... 10

3.2

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan.............................................................................................................................. 11

3.3

Landschappelijke inpassing ...................................................................................................................................................................... 12

BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 14 4.1

Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 14

4.2

Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 16

4.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 19

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ............................................................. 22 5.1

Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 22

5.2

Kabels en leidingen ..................................................................................................................................................................................... 28

5.3

Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 28

5.4

Waterhuishouding...................................................................................................................................................................................... 29

5.5

Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 31

5.6

Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 32

JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 34 6.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 34

6.2

Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 34

UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE ................................................................................................... 36 7.1

Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 36

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 36

7.3

Procedure....................................................................................................................................................................................................... 37

Ontwerp

1

BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS berekening

Ontwerp

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

In het buitengebied van Neerkant, aan de Bospeelweg 3a, is de paardenhouderij van initiatiefnemer gevestigd. Ondergeschikt aan de paardenhouderij vindt al opslag plaats, voor zowel zichzelf als voor derden. Initiatiefnemer is voornemens om de paardenhouderij te beëindigen om zo de bestaande bebouwing volledig te kunnen gaan benutten ten behoeve van opslag. Daarnaast betrof de locatie Bospeelweg 3a van oorsprong één agrarisch bedrijf met de aan de overzijde van de weg gelegen locatie Bospeelweg 4. De voormalige eigenaar heeft de percelen kadastraal gesplitst en de beide locaties aan verschillende personen verkocht (waaronder dus aan initiatiefnemer). Hierdoor zijn beide locaties los van elkaar in gebruik en privaatrechtelijk ook in eigendom bij twee verschillende eigenaren. Ondanks dat de locaties afzonderlijk in gebruik zijn en in bezit zijn van verschillende eigenaren zijn de locaties nog steeds in het vigerende bestemmingsplan aan elkaar gekoppeld waardoor zij planologisch als één locatie c.q. agrarisch bedrijf moeten worden gezien. Ten slotte heeft initiatiefnemer rondom de locatie een hekwerk aangebracht met ter plaatse van de oprit ook een poort.

Afbeelding 1. Locatie Bospeelweg 3a rood omlijnd en Bospeelweg 4 blauw omlijnd

Om het beëindigen van de paardenhouderij, het daarvoor in de plaats mogelijk maken de locatie te gebruiken voor opslag, het formeel ontkoppelen met de locatie Bospeelweg 4 en het hekwerk met poort in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld. Door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt de locatie Bospeelweg 3a volledig losgekoppeld van de locatie Bospeelweg 4, wordt de mogelijkheid tot het exploiteren van een paardenhouderij ontnomen waarvoor in de plaats de mogelijkheid voor opslag wordt toegekend en worden ten slotte het hekwerk en poort gelegaliseerd.

Ontwerp

3

1.2

Plangebied en begrenzingen

De locatie van initiatiefnemer is gevestigd op het adres Bospeelweg 3a in Neerkant. De locatie is gelegen in het buitengebied tussen de kernen Neerkant en Liessel, ten zuiden van de snelweg A67. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie U, perceelnummers 984, 1052, 1054, 1070 (gedeeltelijk), 1081, 1083 en 1085. Daarnaast maken de percelen 1084 (welke behoort tot de woning Bospeelweg 3), 162 (gedeeltelijk) en 163 (gedeeltelijk) (welke behoren tot de locatie Bospeelweg 4) onderdeel uit van onderhavig bestemmingsplan, al zijn deze niet in eigendom van initiatiefnemer. Al deze percelen samen vormen het plangebied. De locatie Bospeelweg 3a bestaat uit twee (voormalige) stallen waarin de paarden worden c.q. werden gehouden. De stallen hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 525 m2. Ten oosten van de stallen is een verharding aanwezig welke dienst doet als erfverharding c.q. oprit. Verder is de ruimte rondom de stallen in gebruik als weide. Ten westen van de locatie ligt de woning Bospeelweg 3 met de daarbij behorende garage in het bos. Ten oosten van de locatie bevinden zich grootschalige landbouwpercelen. Achter de locatie staat een bosopstand, welke eveneens gedeeltelijk tot het plangebied behoort.

Afbeelding 2. Luchtfoto begrenzing plangebied met rood omlijnd wat tot Bospeelweg 3a behoort, geel omlijnd behoort tot Bospeelweg 3 en blauw omlijnd behoort tot Bospeelweg 4

Aan de overzijde van deze weg is de locatie Bospeelweg 4 gelegen. De Bospeelweg 4 wordt in het westen begrensd door bos. In het zuiden en oosten grenst deze locatie aan landbouwpercelen.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied” (vastgesteld d.d. 7 juli 2020). De locaties Bospeelweg 3a en 4 zijn daarin bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en aan elkaar gekoppeld door middel van een gekoppeld bouwvlak met een oppervlakte van circa 10.700 m2. De bouwvlakken van de locaties Bospeelweg 3a en Bospeelweg 4 zijn derhalve met elkaar gekoppeld door de relatielijn tussen beide bouwvlakken. Het bouwvlak op de Ontwerp

4

locatie Bospeelweg 4 is het grootste met een oppervlakte van circa 9.100 m2. Het bouwvlak op de locatie Bospeelweg 3a heeft een oppervlakte van circa 1.600 m2 en heeft ook betrekking op de garage welke behoort tot de woning Bospeelweg 3. Het volledige bouwvlak is voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – overige veehouderij’. Overige gronden op de locatie Bospeelweg 3a zijn bestemd als ‘Bos’ (aan de achterzijde) of als ‘Agrarisch’ (aan de oostelijke zijde). Het plangebied is daarnaast voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en / of ‘Waarde – Attentiegebied NNB’ en van de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – beperkingen veehouderij’, ‘overige zone – Natuurnetwerk Brabant’, ‘wetgevingzone – groenblauwe mantel’, ‘wetgevingzone – omgevingsvergunning beekdalen potentiële wijstgronden’, ‘wetgevingszone – omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008) en ‘wetgevingzone – omgevingsvergunning cultuurhistorisch waardevol gebied (hoog)’.

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan met Bospeelweg 3a blauw omlijnd en Bospeelweg 4 rood omlijnd

De voor ‘Agrarisch met waarden’ en ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een (vollegronds)teeltbedrijf. Door de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – overige veehouderij’ is tevens een veehouderij, niet zijnde een intensieve veehouderij of een geiten- en/of schapenhouderij of pelsdierhouderij toegestaan. Bebouwing is in principe alleen toegestaan ter plaatse van een bouwvlak. Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van open afrasteringen toegestaan tot een maximale hoogte van 2,5 m. Per bouwvlak is één agrarisch bedrijf toegestaan. Als tussen twee bouwvlakken een relatie is opgenomen dan zijn deze bouwvlakken aan elkaar gekoppeld en worden deze bouwvlakken aangemerkt als één bouwvlak. Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Dit betreft in dit geval de bedrijfswoning op de locatie Bospeelweg 4.

Ontwerp

5

De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor bosbouw en houtproductie, behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde en schuilgelegenheden toegestaan. Het bouwvlak aan de Bospeelweg 3a is gekoppeld aan het bouwvlak van Bospeelweg 4 waardoor beide locaties als één bouwvlak moeten worden gezien. Binnen deze twee locaties is slechts één agrarisch bedrijf toegestaan. Het gebruiken van de beide locaties als twee afzonderlijke agrarische bedrijven is daardoor niet mogelijk. Om formeel te regelen dat beide locaties afzonderlijk van elkaar kunnen functioneren wordt de koppeling tussen beide bouwvlakken verwijderd. Verder maakt de garage van de woning Bospeelweg 3 onderdeel uit van hetzelfde bouwvlak als de locatie Bospeelweg 3a. Tussen beide locaties is eveneens geen sprake van enige verbondenheid. De garage wordt daarom buiten het bouwvlak van de locatie Bospeelweg 3a gehouden. Ten slotte wordt het bestemmingsplan gewijzigd om de paardenhouderij in de toekomst uit te sluiten, opslag mogelijk te maken en het hekwerk en poort te legaliseren.

Ontwerp

6

2.

HUIDIGE SITUATIE

2.1

Algemeen

In dit hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hierbij komen de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving aan bod. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Neerkant, circa 440 meter ten noorden van de kern. De kern Neerkant maakt deel uit van de gemeente Deurne en is gelegen in het zuidoostelijk gedeelte van deze gemeente. Neerkant heeft ruim 1.850 inwoners.

Afbeelding 4. Luchtfoto Bospeelweg 3a en 4.

Het plangebied ligt op de overgang van een besloten bosgebied naar een open landbouwgebied. Tegen de bosrand is in het verleden de boerderij Bospeelweg 4 gerealiseerd. Dit betrof van oudsher een melkrundveehouderij. Aan de overzijde van de weg zijn later nog twee stallen gebouwd voor het houden van pluimvee. De voormalige eigenaar heeft later beide locaties aan verschillende personen verkocht. Hierdoor zijn beide locaties los van elkaar in gebruik en privaatrechtelijk ook in eigendom bij twee verschillende eigenaren. Op de locatie Bospeelweg 4 wordt nog altijd rundvee gehouden. Dit gebruik zal worden voortgezet. Hier zijn aanwezig een boerderij met daarin de bedrijfswoning en enkele stallen en andere schuren. Los van het loskoppelen met de locatie Bospeelweg 3a wijzigt op deze locatie verder niets. Hierna wordt derhalve vooral verder ingegaan op de locatie Bospeelweg 3a.

Ontwerp

7

De locatie Bospeelweg 3a ligt direct ten westen van de woning Bospeelweg 3. De locatie is thans bebouwd met twee (voormalige) stallen met een gezamenlijke oppervlakte van 525 m2. Aan de oostelijke zijde van de stallen is een verhard erf aanwezig. Rondom de stallen is de locatie verder in gebruik als weide. Achter de stallen is een bosopstand aanwezig en liggen overige gronden braak (hier was voorheen een paardenbak gelegen, dit gebruik is inmiddels stopgezet en de inrichting is al als zodanig verwijderd, op korte termijn zal ook het gele zand verwijderd worden).

Afbeelding 6. Achterste stal

2.2

Afbeelding 5 Stallen met verharding ervoor

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Neerkant. De omgeving van het plangebied typeert zich door grote uitgestrekte landbouwpercelen. De omgeving bestaat uit open gebieden met lange rechte wegen die gesierd worden door bomenrijen langs de weg. Bebouwing bevindt zich geconcentreerd aan de weg en heeft een agrarisch karakter. In het buitengebied hier voert dan ook voornamelijk de agrarische functie de boventoon. In de omgeving van het plangebied zijn dan ook diverse (intensieve) veehouderijen en andere agrarisch bedrijven gelegen. De onbebouwde agrarische percelen zijn in gebruik als akker- of weiland. Daarnaast liggen in het buitengebied verspreid liggende burgerwoningen, waaronder de naastgelegen woning Bospeelweg 3.

Afbeelding 7. Impressie Bospeelweg 3a

Afbeelding 8. Impressie boerderij Bospeelweg 4

In de omgeving zijn ook veel bos- en natuurgebieden gelegen waardoor de natuurfunctie eveneens prominent aanwezig is. Tegen het plangebied aan ligt het bosgebied “de Neerkantse Bossen”. Dit bosgebied bestaat uit een ruim 100 ha groot

Ontwerp

8

(loof)bosgebied bestaande uit zomereik, grove den en berk. Het bosgebied betreft deels oude bossen, deels spontaan begroeide heide en stuifzand. Daarnaast is op grotere afstand in oostelijke richting een klein, apart gelegen deel van de Deurnsche- en Mariapeel gelegen te weten “de Heitrakse Peel”. Het gebied betreft een Peelrestant van circa 78 ha bestaande uit afgetakeld hoogveen. De begroeiing bestaat uit veel spontaan gevormd berkenbos en adelaarsvarens.

Afbeelding 9. Impressie Heitrakse Peel

Afbeelding 10. Impressie Neerkantse Bossen

In de ten zuiden van het plangebied gelegen bebouwde kom van Neerkant overheerst de woonfunctie. Ondersteunende voorzieningen (winkels en horeca) bevinden zich voornamelijk aan de Moostenstraat en de Dorpsstraat. Aan de oostelijke zijde van de bebouwde kom, aan de Schansweg, is het bedrijventerrein van Neerkant gelegen.

Ontwerp

9

3.

PLANBESCHRIJVING

3.1

Beschrijving plan

Op de locatie Bospeelweg 4 was voorheen een melkrundveehouderij gevestigd. Aan de overzijde van de weg beschikte dit agrarisch bedrijf over twee stallen waar pluimvee werd gehouden. In 2014 is de melkrundveehouderij beëindigd en omstreeks 2018 heeft de toenmalige voormalige melkveehouder beide locaties afzonderlijk verkocht. De locatie aan de overzijde van de weg is toen der tijd aangekocht door initiatiefnemer. Initiatiefnemer heeft op deze locatie een paardenhouderij opgericht met als nevenactiviteit opslag. Het achterliggende bos is in stand gebleven. Binnen de bestaande bebouwing werden 12 paarden gehouden en vond ook de opslag plaats. Achter de stallen werd een paardenbak gerealiseerd. Overige gronden werden gebruikt als weide voor de paarden. Om de paarden in de weides te houden, maar ook om onbevoegden buiten te houden, heeft initiatiefnemer rondom het terrein een erfafscheiding geplaatst, alsook een rolpoort op de oprit. Omstreeks 2020 is ook de locatie Bospeelweg 4 verkocht en heeft zich op deze locatie opnieuw een rundveehouderij gevestigd. Pas later bleken de locaties Bospeelweg 3a en 4 nog aan elkaar gekoppeld te zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan. Per bouwvlak is maar één agrarisch bedrijf toegestaan. Hierdoor zat initiatiefnemer illegaal met zijn paardenhouderij op deze locatie (de locatie Bospeelweg 4 werd namelijk gezien als de “hoofdlocatie”).

Om dit op te lossen is onderhavig bestemmingsplan opgesteld; de beide locaties worden hierdoor van elkaar losgekoppeld. Ter compensatie voor het loskoppelen van beide locaties wil initiatiefnemer het volgende op de locatie Bospeelweg 3a inleveren: ▪ Verkleinen bouwvlak ▪ Behoudens een kleine schuilgelegenheid voor kleinvee het inleveren van alle bouwmogelijkheden voor (nieuwe) bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak ▪ Volledig saneren van de paardenhouderij en andersoortige agrarische bedrijven ▪ Achterliggende percelen maken onderdeel uit van Natuurnetwerk Brabant, deze percelen wil initiatiefnemer als zodanig gaan gebruiken en ook inrichten (de hier aanwezige paardenbak zal in dat kader worden verwijderd) Inmiddels worden in de bestaande bebouwing al geen paarden meer gehouden en is ook de paardenbak aan de achterzijde ontmanteld. Alleen het gele zand is nog aanwezig, welke op korte termijn eveneens zal worden verwijderd. In de weides rondom de bebouwing worden hobbymatig nog enkele paarden en schapen gehouden voor het begrazen van deze weides. De bestaande bebouwing wordt nu feitelijk alleen nog maar gebruikt voor opslag door zowel initiatiefnemer als door derden. De gebouwen zijn van een goede kwaliteit en daardoor direct geschikt voor opslag.

Het betreft opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven en die tevens niet ter plaatse worden bewerkt, verwerkt, gerepareerd of verhandeld. Door de opslag, wat gezien wordt als een extensief gebruik, in de bestaande bebouwing, wordt de locatie alleen nog maar extensief gebruikt (zonder emissies van bijvoorbeeld stikstof, geluid, geur of fijn stof, met eveneens een flinke afname van verkeer van en naar de locatie) en worden de achterliggende gronden, welke zijn gelegen in het Natuurnetwerk Brabant, natuurlijk ingericht. Om het beëindigen van de paardenhouderij, het daarvoor in de plaats mogelijk maken de locatie te gebruiken voor opslag, het formeel ontkoppelen met de locaties Bospeelweg 3 en 4 en het hekwerk met poort in een passend juridischplanologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt de locatie Bospeelweg 3a volledig losgekoppeld van de locaties Bospeelweg 3 en 4, wordt de mogelijkheid tot het exploiteren van een paardenhouderij ontnomen waarvoor in de plaats de mogelijkheid voor opslag wordt toegekend en worden ten slotte het hekwerk en poort gelegaliseerd.

Ontwerp

10

De rundveehouderij aan de Bospeelweg 4 kan in dat kader worden voortgezet zoals reeds aanwezig. Op deze locatie wordt enkel de relatie met het bouwvlak van de locatie Bospeelweg 3a verwijderd. De garage behorende bij de woning Bospeelweg 3 blijft zoals in de huidige toestand behouden. Op deze locatie wordt enkel hetzelfde bouwvlak als van de locatie Bospeelweg 3a verwijderd zodat deze garage niet meer tot dezelfde inrichting behoort als Bospeelweg 3a.

3.2

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht om alle locaties planologisch los te koppelen van elkaar en om op de locatie Bospeelweg 3a het gebruik als paardenhouderij niet langer mogelijk te maken en om daarvoor in de plaats wel opslag toe te staan. Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Alle vigerende bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen worden niet gewijzigd; ▪ De koppeling tussen de twee bouwvlakken van de locaties Bospeelweg 3a en 4 wordt compleet verwijderd zodat beide locaties elk als zelfstandige bouwvlakken kunnen worden voortgezet; ▪ Verder zal er in planologisch opzicht niets veranderen aan de situatie op de locatie Bospeelweg 4; ▪ Binnen het vigerende bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Dat is in dit geval de bedrijfswoning Bospeelweg 4. Door het ontkoppelen van de bouwvlakken is het niet toegestaan om binnen het bouwvlak van de locatie Bospeelweg 3a een bedrijfswoning op te richten.

Een aanduiding wordt op dit bouwvlak opgenomen waarmee wordt geborgd dat ter plaatse geen nieuwe bedrijfswoning mag worden opgericht; ▪ Het bouwvlak op de locatie Bospeelweg 3a wordt verkleind tot enkel de percelen in eigendom van initiatiefnemer; ▪ Om te voorkomen dat nieuwe bedrijfsbebouwing wordt opgericht, wordt in het bouwvlak, op de locatie Bospeelweg 3a, een maatvoeringsaanduiding opgenomen dat alleen de bestaande oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt (te weten 525 m2); ▪ Wel dient het mogelijk te zijn om op de locatie Bospeelweg 3a nog een kleine schuilgelegenheid met een oppervlakte van maximaal 20 m2 voor kleinvee te realiseren binnen het bouwvlak; ▪ Van het bouwvlak van de Bospeelweg 3a wordt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – overige veehouderij’ verwijderd zodat het niet meer mogelijk is ter plaatse een veehouderij (paardenhouderij) te exploiteren; ▪ Daarvoor in de plaats wordt opslag mogelijk gemaakt; ▪ Alle hekwerken en de poort op de locatie Bospeelweg 3a dienen planologisch gelegaliseerd te worden. ▪ Ten slotte dient een voorwaardelijke verplichting te borgen dat de ontwikkeling van de locatie Bospeelweg 3a gepaard gaat met een landschappelijke inpassing van deze locatie.

Deze uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het volledige plangebied nog steeds overeenkomstig bestemd is als ‘Agrarisch met waarden’, ‘Agrarsich’ of ‘Bos’. Ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Attentiegebied NNB’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – beperkingen veehouderij’, ‘overige zone – Natuurnetwerk Brabant’, ‘wetgevingzone – groenblauwe mantel’, ‘wetgevingzone – omgevingsvergunning beekdal- en potentiële wijstgronden’, ‘wetgevingzone – omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008)’ en ‘wetgevingzone – omgevingsvergunning cultuurhistorisch waardevol gebied (hoog)’ blijven overeenkomstig van toepassing. De koppeling tussen de bouwvlakken Bospeelweg 3a en 4 is verwijderd. Voor het bouwvlak Bospeelweg 4 zijn verder alle functieaanduidingen in stand gebleven. Het bouwvlak Bospeelweg 3a is verkleind tot het eigendom van initiatiefnemer en herbestemd tot ‘Agrarisch met waarden 2’. De garage van de woning Bospeelweg 3 is daarmee buiten het bouwvlak van de locatie Bospeelweg 3a gehouden. Om te voorkomen dat binnen het bouwvlak Bospeelweg 3a nieuwe bebouwing kan worden opgericht is het bestaande bebouwde oppervlak als maximum bebouwd oppervlak opgenomen.

De functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – overige veehouderij’ is van de locatie verwijderd zodat het niet meer is

Ontwerp

11

toegestaan op de locatie een veehouderij, waaronder een paardenhouderij, te exploiteren. Ten slotte is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – landschappelijke inpassing’ toegevoegd waarmee wordt geborgd dat de locatie Bospeelweg 3a op een juiste wijze in het landschap wordt ingepast.

3.3

Landschappelijke inpassing

Voor de ontwikkeling van de locatie Bospeelweg 3a is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarmee is gegarandeerd dat de ontwikkeling van deze locatie op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omringende landschap. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. De locatie Bospeelweg 3a ligt op de overgang van een bosgebied naar een open landbouwgebied. Aan de westelijke en noordelijke zijden grenst de locatie dan ook aan bos, welke onderdeel uit maakt van het Natuurnetwerk Brabant. Aan deze zijden is de locatie dan ook al goed landschappelijk ingepast. Op basis van het landschappelijk beleid is de locatie gelegen in het landschapstype ‘kleinschalige landontginning’. Dit gebied kenmerkt zich door een sterk wisselend landschapsbeeld, het vertoont een sterk verspreid bebouwingsbeeld. Een afwisseling tussen openheid en beslotenheid is het uitgangspunt in dit gebied. Met de landschappelijke inpassing van de locatie wordt aansluiting gezocht bij de beoogde erfbeplanting voor dit gebied. In de beschrijving van de erfbeplanting wordt ingezet op het accentueren van erfgrenzen en toepassen van grotere elementen zoals houtsingels of bomenrijen. Maar ook het toepassen van hagen. Het toepassen van gebiedseigen soorten is een pré.

Op de locatie Bospeelweg 3a ontbreekt de ruimte voor de aanleg van grotere elementen zoals houtsingels en bomenrijen. In die zin worden de westelijke en noordelijke zijden reeds door een groot element ingepast; het bestaande en te behouden bos. Vandaar dat in dit geval gekozen is voor het accentueren van de oostelijke grens van de locatie door door het aanwezige hekwerk klimop te laten groeien. Achter de stallen, op de plek waar voorheen de paardenbak lag, worden enkele solitaire, inheemse bomen geplant om zo een natuurlijke overgang te creëren naar het achtergelegen bos. De aan te planten bomen betreffen: ▪ Winterlinde (Tilia cordata) ▪ Gewone berk (Betula pendula) ▪ Boskriek (Prunus avium) ▪ Hartbladige els (Alnus cordata) De weide rondom de bebouwing zal met extensieve begrazing beheerd worden waar bloemen de mogelijkheid krijgen te groeien en bloeien.

Ontwerp

12

Behoud bosrand

Aanplant solitaire bomen (4 stuks)

Klimop in hekwerk

Huisweide met extensieve bloemweide

Afbeelding 11. Landschappelijke inpassing van de locatie Bospeelweg 3a

Het landschappelijk inpassingsplan geeft weer wat er aangeplant zal worden om er een mooi geheel van te maken. Zo ontstaat er een ontwikkeling wat door de aanplant aan de oostzijde een duidelijk groen kader naar het open landbouwgebied vormt. De solitaire bomen achterop het terrein versterken de natuurlijke waarden van het Natuurnetwerk Brabant, wat tevens bijdraagt aan een duurzame uitstraling van de locatie. Tevens heeft de landschappelijke inpassing een ecologische meerwaarde.

Ontwerp

13

4.

BELEIDSKADER

In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Deurne.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Ontwerp

14

Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid in relatie tot nationaal schaalniveau en de aard van het initiatief. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Het plangebied ligt tegen en maakt in die zin ook onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk (Natuurnetwerk Brabant). Met het initiatief worden echter geen van deze belangen geschaad. Het betreft initiatief betreft immers louter een planologische ontkoppeling van de locaties Bospeelweg 3a en 4 en vervolgens een functionele wijziging van de locatie Bospeelweg 3a. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is in oktober 2012 ingevoerd en is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.

De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief mede sprake. Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op de functiewijziging van een paardenhouderij naar opslagdoeleinden. Ontwerp

15

Het initiatief voorziet daarnaast in het planologisch ontkoppelen van twee agrarische bedrijfslocaties. Aangezien de bestemmingswijziging niet voorziet in het creëren van meer bouwmogelijkheden (initiatief voorziet juist in minder bouwmogelijkheden door het ontnemen van de bouwmogelijkheden op de locatie Bospeelweg 3a) is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is de ladder ook in dat kader niet van toepassing. Er hoeft in het kader van het initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: ▪ Werken aan de Brabantse energietransitie ▪ Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant ▪ Werken aan de slimme netwerkstad ▪ Werken aan een concurrerende, duurzame economie Met het initiatief wordt een veehouderij c.q. paardenhouderij gesaneerd, welke tegen een woning aan is gelegen. Tevens worden enige bouwmogelijkheden voor (nieuwe) bedrijfsbebouwing ontnomen. De huidige bebouwde situatie blijft daarmee in stand, zonder dat er ooit nog een veehouderij in kan worden geëxploiteerd. Door het niet meer kunnen houden van vee vervalt de (mogelijke) uitstoot van fijnstof, ammoniak en geur volledig. Dit betekent een enorme verbetering voor het woon- en leefklimaat op de locatie en in de omgeving. Ten aanzien van het initiatief wordt daarom gesteld dat het initiatief geen negatieve gevolgen heeft voor de kwaliteit elders of op een later tijdstip. Hiermee is het initiatief passend binnen de Brabantse omgevingsvisie.

4.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) vastgesteld, welke in april 2022 is geactualiseerd. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke

Ontwerp

16

leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor: ▪ Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo’n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. ▪ Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren.

Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen.

Afbeelding 12. Uitsnede basiskaart landelijk gebied van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met locatie Bospeelweg 3a rood omcirkeld

Het initiatief voorziet in de ontkoppeling van de locaties Bospeelweg 3a en 4 maar heeft verder uitsluitend betrekking op de locatie Bospeelweg 3a. Hier wordt een paardenhouderij beëindigd, het bouwvlak verkleind en de bouwmogelijkheden Ontwerp

17

ontnomen. Daarvoor in de plaats zal de locatie uitsluitend benut worden voor opslag. Het te behouden bouwvlak van de locatie Bospeelweg 3a ligt binnen het ‘Landelijk gebied’ en is nader aangeduid als ‘Gemengd landelijk gebied’. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen paragraaf 3.1.2 van de Iov. Er moet voldaan worden aan Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5), Zorgvuldig Ruimtegebruik (artikel 3.6) en kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9). Ten slotte is sprake van een nieuw bedrijf in het buitengebied (want één agrarisch bouwvlak wordt losgekoppeld tot twee bouwvlakken en dus gaat het in juridisch opzicht van één groot bedrijf naar twee kleinere bedrijven). In dat geval is artikel 3.78 eveneens van toepassing. Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied. Die wordt bepaald door herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit wordt rekening gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Het initiatief voorziet in de beëindiging van een paardenhouderij en het gebruiken van deze locatie ten behoeve van opslag.

De uitstoot van geur, ammoniak en fijn stof komt hiermee volledig te vervallen. De ontwikkeling heeft daardoor louter positieve gevolgen voor omliggende functies in het gebied of op ontwikkelingen elders. Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht zoals verwoord in artikel 3.5 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag van bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag wordt verstaan stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Nieuwvestiging buiten bestaand ruimtebeslag is mogelijk op grond van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is in onderhavige situatie sprake van zorgvuldig ruimtegebruik omdat gebruik gemaakt wordt van een bestaand bouwperceel. De opslag zal plaats vinden binnen de bestaande bebouwing waarmee sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Het wordt uitgesloten dat nieuwe bedrijfsbebouwing opgericht kan worden. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in ‘Landelijk gebied’ dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

In het bestemmingsplan dient dan gemotiveerd te worden dat het plan past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied en op welke wijze de verbetering wordt uitgevoerd. De financiële, juridische en feitelijke kwaliteitsverbetering wordt binnen het plan geborgd. Om het voornemen van ruimtelijke kwaliteitsverbetering uit te werken is door de gemeenteraad Deurne ‘Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap’ opgesteld. Hierin wordt beschreven, nader uitgewerkt en vastgelegd op welke wijze de gemeente de kwaliteitsverbetering van het buitengebied wenst vorm te geven als tegenprestatie voor het kunnen bieden van ontwikkelingsmogelijkheden. De manier hoe dit haar uitwerking heeft op het onderhavige initiatief is reeds in paragraaf 3.3 behandeld, daarin is het landschappelijk inpassingsplan omschreven. Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als: a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel middelen genereert; b. de realisering van de onder a bedoelde omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd; c.

de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woon- en leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden;

Ontwerp

18

d. e. f. g.

de ontwikkeling en de versterking van de omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied; is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt; de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die de Iov beoogt te beschermen; bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

Nieuwvestiging voor dit concrete initiatief is mogelijk omdat aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Niet in de laatste plaats omdat hier een langlopend (beleidsmatig) conflict wordt opgelost, maar juist omdat alle bouwmogelijkheden op de locatie Bospeelweg 3a worden ontnomen, het bouwvlak wordt verkleind, de mogelijkheid tot het bedrijfsmatig houden van dieren wordt ontnomen (daarmee samenhangend wordt het woon- en leefklimaat verbeterd door het stopzetten allerlei emissies), de locatie landschappelijk wordt ingepast en daarmee het Natuurnetwerk Brabant wordt versterkt. Ten slotte is sprake van een passende opslagfunctie in bestaande bebouwing, die daardoor uit economisch oogpunt ook weer een concrete functie hebben. Ten slotte wordt gemeld dat het initiatief op voorhand met de provincie Noord-Brabant is besproken en zij hebben aangegeven met het initiatief in te kunnen stemmen. Conclusie Het bestemmingsplan dat de beëindiging van de paardenhouderij en daarvoor in de plaats het gebruiken van de locatie voor opslag mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van de provincie en stelt daartoe regels. Qua bedrijvigheid geldt dat deze passend dient te zijn binnen de omgeving. Dit is bij onderhavig initiatief het geval. Het gebied in de omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de agrarische bedrijvigheid.

Het hergebruiken van een bestaande agrarische bedrijfslocatie voor opslag past daarmee binnen een gemengde landelijke omgeving.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie Deurne 2030 De Structuurvisie Deurne 2030 weergeeft waar de gemeente wil staan in 2030. Hierbij wordt een ruimtelijke vertaling weergegeven. De visie is de leidraad voor de uitnodigende houding van de gemeente. Het is een integrale langetermijnvisie over de noodzakelijke en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en kwaliteiten. De belangrijkste thema’s zijn transitie in het landelijk gebied, klimaataanpassing, energietransitie en het vormgeven van een nieuwe circulaire economie in Metropoolregio Eindhoven.

Ontwerp

19

Afbeelding 13. Uitsnede kaart structuurvisie

Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied en is aangewezen als ‘gebied met een gemengde plattelandseconomie’. In het landelijk gebied vindt een transitie plaats, er zullen steeds minder veehouderijen zijn. Door het verdwijnen van vele tientallen veehouderijen de komende jaren zal de bebouwing in het landschap sterk veranderen. Het platteland is niet langer alleen van de boer. Door ruimte te bieden aan andere functies ontstaat een nieuwe dynamiek. De woon- en recreatieve functies vragen om een gezond en aantrekkelijk verblijfslandschap, waarin water, groen en lokaal georiënteerde infrastructuur belangrijke dragers zijn. Stallen die niet meer gebruikt worden voor de oorspronkelijke functie dragen niet bij aan de ruimtelijke kwaliteit en veiligheid in het buitengebied. Alleen als stallen een volwaardige nieuwe economische functie krijgen die past bij de omgeving en bij de bedrijfsactiviteit zelf, dan kan een deel van de agrarische bebouwing blijven staan, mits vrij van asbest. De overige stallen dienen te worden gesloopt. In de omgeving van het plangebied voert voornamelijk de agrarische functie de boventoon. In de omgeving zijn dan ook diverse (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarisch bedrijven gelegen.

Het initiatief behelst om de paardenhouderij te beëindigen maar het agrarische bedrijf ter plaatse voort te zetten en de bestaande gebouwen te gebruik voor opslag als nieuwe economische functie. De aanwezige bebouwing verkeert in zeer goede staat en zal volledig gebruikt worden voor deze nieuwe activiteit. Hiermee is een nieuwe en gepaste functie gezocht voor deze agrarische bebouwing waarmee sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Gezien de ligging in een gebied waar de agrarische functie de boventoon voert is het voortzetten van het agrarische bedrijf in de vorm van opslag passend. Het initiatief doen geen afbreuk aan de omgeving en aan de ruimtelijke kwaliteit daarnaast wordt een kwaliteitsverbetering van het landschap doorgevoerd middels een landschappelijke inpassing. Het initiatief past binnen het gestelde in de Structuurvisie Deurne 2030. 4.3.2 Gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap en Nota Kostenverhaal 2018 De gemeente stelt conform de gestelde voorwaarden uit de vroegere provinciale Verordening Ruimte, dat elke ruimtelijke ontwikkeling die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap.

Hiertoe zijn drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met bijbehorend kwaliteitsverbetering) opgenomen: ▪ Categorie 1: ontwikkelingen met een zeer geringe impact; hiervoor wordt geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering gevraagd, geen tegenprestatie.

Ontwerp

20

▪

▪

Categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte impact. Dit betreft kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen waarvan het ruimtelijk effect veelal beperkt blijft tot het eigen erf en waarbij slechts in een aantal gevallen een beperkt visueelruimtelijk effect is op de directe omgeving. Categorie 3: ontwikkelingen met een aanzienlijke impact. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen waarvan de ontwikkelingen omvangrijker zijn en/of meer ruimtelijke gevolgen hebben.

Het initiatief is te scharen onder een categorie 1 ontwikkeling. Het betreft immers vooral een functionele wijziging met een zeer geringe impact. Aan de buitenzijde verandert er aan de buitenzijde niets of nauwelijks iets. Op basis van het gemeentelijke beleidskader kwaliteitsverbetering landschap is dan geen tegenprestatie benodigd. Er is echter voor de locatie wel voorzien in een tegenprestatie in de vorm van een landschappelijke inpassing van de locatie (zie hiervoor paragraaf 3.3).

Ontwerp

21

5.

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN

Bij het beëindigen van de paardenhouderij en het voortzetten van het agrarisch bedrijf ten behoeve van opslag dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Bij het wijzigen van de bestemming van een al bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit vergelijkbaar gebruik kennen, is beoordeling van het aspect bodemkwaliteit niet aan de orde. Dit is in dit geval aan de orde. Het plangebied is momenteel in gebruik als agrarisch bedrijf, in het bijzonder als paardenhouderij. Het nieuwe gebruik betreft eveneens een gebruik als agrarisch bedrijf, maar dan in de vorm van opslag. Deze nieuwe activiteit is als bedrijfsactiviteit vergelijkbaar met het huidige gebruik in bodemkundig opzicht.

Er is geen sprake van een activiteit die meer of minder gevoelig is voor het aspect bodemkwaliteit. Voor de nieuwe functie vormt de bodemkwaliteit dan ook geen belemmering. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Ontwerp

22

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustig buitengebied. Er is geen sprake van een matige of sterke functiemenging en het plangebied is niet direct gelegen aan hoofdinfrastructuur. In de huidige situatie is de locatie in gebruik als paardenhouderij. Voor de huidige functie, als zijnde paardenhouderij, gelden de volgende richtafstanden:

Fokken en houden van overige graasdieren: - paardenfokkerijen

Geur 50 meter

Stof 30 meter

Geluid 30 meter

Gevaar 0 meter

Het voornemen bestaat om de paardenhouderij te beëindigen maar het agrarische bedrijf ter plaatse voort te zetten in de vorm van opslag. Voor een opslagbedrijf gelden de volgende richtafstanden:

Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)

Geur 0 meter

Stof 0 meter

Geluid 30 meter

Gevaar 10 meter

In de huidige situatie bevindt de burgerwoning Bospeelweg 3 zich binnen de richtafstand van de paardenhouderij. De afstand tussen het bouwvlak van de Bospeelweg 3a en het bouwvlak van de woning Bospeelweg 3 bedraagt 4 meter. De feitelijke afstand tussen de stallen en de woning bedraagt 22 meter derhalve wordt in de huidige en toekomstige situatie niet aan de richtafstand voldaan. De beoogde activiteit blijft voor wat betreft de richtafstand van het aspecten geluid gelijk ten opzichte van het gebruik als paardenhouderij. De richtafstand voor de aspecten geur en stof nemen in de beoogde situatie aanzienlijk af. Het initiatief gaat derhalve niet gepaard met een toename van hinder voor de omgeving. Het aspect bedrijven- en milieuzonering legt daarmee geen beperkingen op aan het initiatief. 5.1.3 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen.

In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer

Ontwerp

Breedte van de geluidszone (m) Stedelijk 200 350 350

Buitenstedelijk 250 400 600

23

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Voor geluidsgevoelige objecten geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige objecten niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Met onderhavig initiatief wordt een paardenhouderij beëindigd en daarvoor in de plaats zal de locatie worden benut voor opslag. Een opslagbedrijf betreft geen geluidsgevoelige functie. Door de bestemmingswijziging van paardenhouderij naar opslagbedrijf is er geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. Gezien het bovenstaande is een akoestisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk. 5.1.4 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen.

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Deurne&id=107bf390-1593-4156-8e8e-bd6c0c03700e