Bijlage 2.1 - Bijlagen bij de regels
Tekst van het document
12-7-2023
Landschappelijk inpassingsplan Paalberg 6, Neerkant
R.J.L. Bijvelds (Rik) LANDSCHAPSONTWERPER BNL ADVIES Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Landschappelijk inpassingsplan, ten behoeve van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen op de locatie: Paalberg 6, Neerkant
Colofon: BNL advies Telefoonstraat 2 5428 GJ Venhorst T: 06 18 90 46 06 E: info@bnladvies.nl W: www.bnladvies.nl
Projectlocatie:
Paalberg 6 5758 SL Neerkant
Status: Versie: Datum: Auteur:
definitief 23134.LIP 13-7-2023 Ing. R.J.L. Bijvelds (Rik)
Pagina
1
Opgesteld door:
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Inhoud Colofon: ...................................................................................................1 Inleiding ...................................................................................................3 1.
2.
Planbeschrijving ....................................................................................4 1.1
Situering van het plangebied ................................................................4
1.2
Bodemmorfologie binnen het plangebied .................................................5
1.3
Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap gemeente Deurne .....................6
1.4
Berekening kwaliteitsberekening ...........................................................7
Het inrichtingsplan .................................................................................9 2.1
Knip- en scheerhaag ..........................................................................9
2.2
Struweelbeplanting ...........................................................................9
2.3
Landschapsbomen.............................................................................9
3.
Plantlijst ........................................................................................... 10
4.
Aanleg nieuwe landschapselementen ......................................................... 11
5.
6.
4.1
Grondbewerking ............................................................................. 11
4.2
Grondverbetering ........................................................................... 11
4.3
Opkuilen ...................................................................................... 11
4.4
Uitzetten ..................................................................................... 11
4.5
Planten ....................................................................................... 12
Onderhoud/beheer ............................................................................... 14 5.1
Onkruidbestrijding .......................................................................... 14
5.2
Beheer 1e groeiseizoen ..................................................................... 14
5.3
Snoeien ....................................................................................... 14
Conclusie .......................................................................................... 15
Bijlage 1: Berekening compensatiewaarde Paalberg 6 Neerkant ............................... 16
Pagina
2
Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Paalberg 6 Neerkant ................................ 17
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Inleiding De initiatiefnemer heeft voornemens op de locatie Paalberg 6 te Neerkant een bestemmingsplanwijziging door te voeren. De huidige woning wordt omgezet van de bestemming agrarisch naar de bestemming wonen, en het tegenoverliggende bedrijf gaat van agrarisch bedrijf naar een paardenhouderij. De gemeente Deurne eist bij deze geplande ontwikkeling een landschappelijke inpassing van de kavel en de bestaande bebouwing, rekening houdend met de visie welke staat beschreven in het gemeentelijk- en provinciaal beleid.
Pagina
3
Voorliggend plan geeft invulling weer van de beoogde landschappelijke inpassing op de locatie: Paalberg 6 te Neerkant.
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
1. Planbeschrijving 1.1
Situering van het plangebied
Het plangebied is zuidelijk gelegen van de kern Neerkant (zie afbeelding 1), op de locatie Paalberg 6. De initiatiefnemer heeft voornemens op de locatie de bestaande bestemming te wijzigen.
Pagina
4
Afbeelding 1: Globale ligging van het plangebied. De locatie, Paalberg 6, ten zuiden van de kern van Neerkant, waar de landschappelijke inpassing toegepast is/ gaat worden, wordt globaal aangeduid met de rode cirkel. Bron: Kadviewer.map5.nl, 12-07-2023
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Afbeelding 2: Kavel binnen het plangebied waarbinnen de landschappelijke inpassing toegepast is/ gaat worden, binnen de rode lijnen. Bron: Kadviewer.map5.nl, 12-07-2023
1.2 Bodemmorfologie binnen het plangebied
Afbeelding 3: Grondsoort binnen plangebied. Bron: bodemdata Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Pagina
5
Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern van het dorp Neerkant. De ingebrachte gronden vallen binnen de zandgebieden van Nederland. Het perceel bevindt zich op de grondsoorten: Hoge zwarte enkeerdgronden met de beschrijving: leemarm en zwak lemig fijn zand, moerige podzolgronden met een moerige bovengrond en voor een klein deel op de veldpodzolgronden met leemarm en zwaklemig fijn zand (zie afbeelding 3) (bron: maps.bodemdata.nl, 12-07-2022).
1.3 Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap gemeente Deurne Het plangebied bevindt zich binnen het essen- en kampenlandschap. Binnen het essen- en kampenlandschap zijn diverse eisen gesteld wat betreft de (toe te voegen) landschapselementen welke behoren bij het gebied. De essen (ook wel akkercomplexen) behoren tot de oudere ontginningen in ons land. De veelal bolle, open akkers liggen van oorsprong op de overgang van de hogere gronden naar de lagergelegen beekdalen, veelal rond de kernen. De randen van de es worden van oorsprong veelal bepaald door een rondgaande, soms met bomen omzoomde weg, waarlangs zich kleinschalige tweezijdige lintbebouwing heeft gevestigd. De boerderijen langs deze weg vormen een transparant lint waarbinnen een twee-deling is te ontdekken tussen de erven direct aan de es (aan de es-kant van de weg) en de erven die daar (aan aantakkende wegen) omheen liggen. Aan de es-kant van de weg vinden we de veelal oudere boerderijen (langgeveltype) met bijbehorende erven waarbij de massa (bebouwing en opgaand groen) zich dicht bij de weg bevindt. Vooral deze langgevelboerderijen vormen, zeker als er een zekere samenhang bestaat, een sterke begrenzing van de akker. Via doorkijkjes is het achterliggende akkercomplex zichtbaar. Op oude luchtfoto’s zijn de oude inrichtingen van erven goed te zien.
Het erf is aan de zijde van het voorhuis, het woongedeelte ingericht als siertuin, omzoomd door hagen. Verder is het erf vooral functioneel ingericht met elementen als een moestuin, boomgaard, schapenweitje, etc.. Opvallend is de informele setting van de kleine gebouwen en perceelindelingen.
Afbeelding 4: landschapstype projectlocatie: Essen- en kampenlandschap Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Pagina
6
De bebouwing aan de andere kant van de weg kent vaak een grotere onderlinge afstand en voegt zich meer naar het achterliggende landschapstype. Inmiddels heeft een zekere schaalvergroting plaatsgevonden. De informele setting is nog steeds herkenbaar, maar nu met grotere gebouwen en meer verhard oppervlak. Vooral verticale elementen zoals voedersilo’s zijn sterk beeldbepalend.
Erfbeplanting
Zijdelingse erfgrenzen worden volledig ingeplant met een struweelbeplanting, of bomenrij; Afhankelijk van de bedrijfsopzet blijft een ondergeschikt deel van de erfgrenzen onbeplant t.b.v. de toegang tot de agrarische percelen; Naast functionele verharde delen worden direct rond de woning ook blokhagen, grasvlakken en vruchtbomen ingezet om het algehele beeld te verzachten. Boomgroepen, of solitairen, aangeplant op strategische plekken verzachten het beeld van bedrijfsgebouwen en silo’s op overhoeken; Bij de erfbeplanting toepassing van landschappelijke beplantingselementen en streekeigen soorten; Rond de woning is in de siertuin toepassing van exoten mogelijk. De siertuin vormt binnen het bouwvlak een zelfstandig element en wordt bij voorkeur omzoomd met hagen aan de woningzijde van de boerderij. Bij langgevelboerderijen die veelal dicht op de weg staan behoudt de smalle voortuin bij voorkeur een open karakter, met een eenvoudig blokhaagje als omlijsting; Indien sprake is van een insteekwegje, wordt ook dit ingeplant met een enkel-, maar bij voorkeur dubbelzijdige laanbeplanting. Gebiedseigen boom en struikvormen zijn onder andere: Berk, Eik, Haagbeuk, Beuk, Es, Linde, Paardenkastanje, Krentenboompje, Vlier.
1.4 Berekening kwaliteitsberekening Bij bovenstaande ‘kwalitatieve’ richtlijnen horen ook enkele ‘kwantitatieve’ richtlijnen om te komen tot een goede landschappelijke inpassing. In de ‘Nota Kostenverhaal’ van de gemeente Deurne zijn enkele eisen opgesteld om te komen tot het kwantitatieve gedeelte van de ‘tegenprestatie’. De gemeente Deurne heeft de basisinspanning bepaald. De basisinspanning is het gedeelte van de waardestijging die ingezet moet worden voor kwaliteitsverbetering. In de onderstaande tabel (tabel 1) zijn de basisinspanningen van de gemeente Deurne weergegeven. De beoogde ontwikkeling valt onder de ‘overige ontwikkelingen’. Ten opzichte van de waardestijging zal er dus 20% van de waardevermeerdering geïnvesteerd moeten worden in de landschappelijke inpassing (zie tabel 2). Deze berekening is toegevoegd als bijlage 1 en de uitvoering van de te behalen kwaliteitswinst, door het toepassen van landschapselementen is weergegeven in bijlage 2: het inrichtingsplan.
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Pagina
In onderstaande tabellen zijn de waardevermeerdering van het beoogde plan en de daarbij behorende ‘tegenprestatie’ weergegeven conform het beleid van de gemeente Deurne.
7
Tabel 1: basisinspanningen buitengebied gemeente Deurne
Berekening Nota Kostenverhaal grondprijs
eenheid
oppervlak
forfataire waarde
huidige grondwaarde
agrarisch bedrijf (bouwkavel, excl. Agrarische bedrijfswoning) wonen tot 1000 m2 (agrarische bedrijfswoning)
€ €
15,00 m2 bouwvlak 80,00 m2 kavel
12692 € 1000 €
190.380,0 80.000,0
13692 €
270.380,0
3733 € 9959 € 1000 € 1000 € 1255 € € 13692 €
27.997,5 149.385,0 150.000,0 40.000,0 12.550,0 379.932,5
Waardestijging
€
109.552,5
investering kwaliteitsverbetering
€
21.910,5
totaal
Toekomstige grondwaarde
agrarische grond (onbebouwd) agrarisch bedrijf (bouwkavel, excl. agrarische bedrijfswoning) Wonen tot 1000 m2 (met bestaande woning) wonen 1000 - 2000 m2 wonen vanaf 2000 m2 groen/natuur/bos/water totaal
€ € € € € €
7,50 m2 kavel 15,00 m2 bouwvlak 150,00 m2 kavel 40,00 m2 kavel 10,00 m2 kavel 1,00 m2 kavel
Tabel 2: berekening investering kwaliteitsverbetering, locatie: Paalberg 6, Neerkant
Pagina
8
Uit de bovenstaande tabel is te concluderen dat er met de beoogde ontwikkeling sprake is van een waardevermeerdering van €109.552,50. Conform de ‘Nota Kostenverhaal’ dient hiervan 20% te worden bijgedragen in de landschappelijke inpassing, wat neer komt op €21.910,50. Om hier aan te voldoen zal er een ‘tegenprestatie’ geleverd worden. De tegenprestatie is weergegeven in de berekening in Bijlage 1.
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
2. Het inrichtingsplan Het landschappelijk inpassingsplan op de locatie Paalberg 6 te Neerkant, bestaat uit diverse soorten bestaande en aan te planten landschapselementen: -
Knip- en scheerhagen Landschapsbomen Struweelbeplanting
Het inrichtingsplan is opgenomen in bijlage 2. Er is gekeken naar een goede landschappelijk inpassing van de bestaande bebouwingen en de kavel aan de hand van het beleidskader kwaliteitsverbetering landschap van de gemeente Deurne. Om aan deze eis toe te komen dient extra beplanting t.o.v. van de huidige situatie aangeplant te worden. Gekozen is om binnen de kavel een knip- en scheerhaag, struweelbeplanting en landschapsbomen/ een bomenrij aan te planten.
2.1 Knip- en scheerhaag De knip- en scheerhaag welke aangeplant gaat worden op de kavel: - Fagus sylvatica, 1.465 stuks
2.2 Struweelbeplanting De struweelbeplanting welke aangeplant gaat worden bestaat uit diverse soorten boom- en struikvormers. Deze soorten hebben allemaal hun eigen functie voor fauna in het gebied. Zo bloeien ze verschillend door het jaar heen en zorgen ze met hun bessen voor voedsel voor vogels en zoogdieren. Ook is struweelbeplanting een belangrijke plaats voor vogels en zoogdieren om zich voort te planten en te schuilen bij gevaar. Om toe te komen aan de gewenste kwaliteitsverbetering wordt struweelbeplanting aangeplant. Deze bestaat uit diverse soorten boom- en struikvormers en heeft een totale oppervlakte van 973 m2 met 433 stuks.
2.3 Landschapsbomen De landschapsbomen welke aangeplant gaan worden bestaat uit de soorten:
9
Tilia europaea, 14 stuks Ulmus laevis, 4 stuks Fraxinus excelcior, 4 stuks
Pagina
-
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
3. Plantlijst Plantlijst voor de landschappelijke inpassing op de locatie: Paalberg 6 Neerkant Grondsoort: Totaal aantal landschapsbomen Totaal aantal knip- en scheerhagen Totaal aantal bosplantsoen (struweel)
Zand 22 stuks 1465 stuks 433 stuks
Nederlandse naam Iep Zilverlinde Gewone es
Plantmaat Type 14-16 Hoogstam 14-16 Hoogstam 14-16 Hoogstam
Knip- en scheerhagen 1465 stuks Fagus sylvatica
Gewone beuk
80-100
haagplantsoen
Struweel Boomvormers, 20% 29 stuks Quercus robur 29 stuks Fagus sylvatica 29 stuks Tilia europaea
Zomereik Gewone beuk Hollandse linde
80-100 80-100 80-100
Vulhout Vulhout Vulhout
Struikvormers, 80% 38 stuks Viburnum opulus 58 stuks Cornus sanquinea 58 stuks Ligustrum vulgare 58 stuks Euonymus europaeus 38 stuks Sambucus nigra 58 stuks Amelanchier lamarckii 38 stuks Rosa canina
Gelderse roos Rode kornoelje Wilde liguster Kardinaalsmuts Vlier Krentenboompje Hondsroos
80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100
Vulhout Randsoort Randsoort/ vulhout Randsoort/ vulhout vulhout Randsoort/ vulhout Randsoort
Pagina
10
Landschapsbomen Aantal Eenheid Latijnse naam 4 stuks Ulmus laevis 14 stuks Tilia europaea 4 stuks Fraxinus excelcior
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
4. Aanleg nieuwe landschapselementen 4.1 Grondbewerking Landschapsbomen: plantgat graven van 100*100*100 cm. De bodem in het plantgat dient minimaal 20 cm diep te worden losgemaakt. Dit ter bevordering van de aangroei. Knip- en scheerhaag en struweelbeplanting: De beplanten oppervlakte dient 60 cm diep losgemaakt te worden. Dit is nodig ter verbetering van bodemstructuur. Voor bouwland volstaat diepwoelen of ploegen, daarna cultivateren of eggen. Voor weilanden en ruig terrein geldt: eerst frezen, daarna diepwoelen, ploegen of spitten en als laatste cultivateren of eggen.
4.2 Grondverbetering Landschapsbomen, struweelbeplanting en knip- en scheerhaag: De keuze van het plantsoen is zodanig dat extra bemesting in principe niet nodig is. Door 2m3 compost per 100m2 in te werken zal de beplanting beter aanslaan en kan het meer droogte verdragen.
4.3 Opkuilen De planten dienen direct na levering opgekuild te worden! Na opkuilen dient de beplanting zo snel mogelijk op de definitieve plaats te worden geplant (niet opkuilen in vorstperiode). Knip- en scheerhaag: In 30 cm diepe sleuf. Zorg dat de wortels in zijn geheel onder de grond zitten om uitdroging te voorkomen. Landschapsbomen: In 60 cm diepe sleuf. Zorg dat de wortels in zijn geheel onder de grond zitten om uitdroging te voorkomen.
4.4 Uitzetten Knip- en scheerhaag: Plantafstand 25 cm hart op hart, 7 stuks per m1, in een enkele rij (zie afbeelding 5).
Afbeelding 5: planten in rijverband, met een plantafstand van 25 cm hart op hart.
Landschapsbomen: Zie inrichtingsplan
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Pagina
Afbeelding 6: planten in rijverband, plantafstand tussen de planten 1,50 m en plantafstand van 1,50 meter tussen de rijen.
11
Struweelbeplanting: plantafstand 1.50 * 1.50 m (zie afbeelding 6)
4.5
Planten
Knip- en scheerhaag: - Pootlijn uitzetten - 1e persoon plantgat graven van 2 spades diep. - 2e persoon neemt bussel planten, plant in plantgat zetten met een afstand van 20 cm hart op hart (zelfde diepte als op de kwekerij), grond aanvullen en als laatste de grond aandrukken. Struweelbeplanting: - Pootlijn uitzetten - 1e persoon plantgat graven van 2 spades diep. - 2e persoon neemt bussel planten, plant in plantgat zetten met een afstand van 50 cm hart op hart (zelfde diepte als op de kwekerij), grond aanvullen en als laatste de grond aandrukken. Groepsgewijs planten van 3-5 stuks van dezelfde soort bij elkaar. Dus niet alle soorten door elkaar planten, dit komt de groei en het eindbeeld niet ten goede. Het is belangrijk om de beplanting tijdens het planten op de juiste manier te mengen. Onder menging wordt verstaan het mengen van de plantsoorten in struweel. Hoe groter de struwelen zijn des te groter de plantgroepen worden. Bij kleine plantvakken (<50 m2) wordt gebruik gemaakt van 3-5 planten per soort en bij grote plantvakken (>50) wordt gebruik gemaakt van 5-8 planten per soort in een groep. Deze groepen plant men gemengd in wildverband, zodat geen vakken van soorten ontstaan (zie afbeelding 7).
======ooooooooxxxxxxxx-------aaaaaaaaavvvvvvvv====== = = = o o o s s s s o o o o x x x i i i x x x- - - - e e e e a a a a a a i i i i v v v v + + + + = = = = = ==++++++ssssooiiiiiirrrrrr----eee+++++ iiiiivvvvvvv++www ww++++ssssooooiiixxxxrrrrrooooeeee+++++=====wwwwww vvvvvv------aaaaaaaxxxxxxooooo======aaaaaaa=====vvvvv
= o x – a v: zijn de struikvormers voornamelijk randsoorten (soorten zie plantlijst) s i w + r: is het vulhout (soorten zie plantlijst) Afbeelding 7: mengingsschema struwelen
Landschapsbomen: Plaats eerst de boompalen in het plantgat (met grondboor en/of houten hamer). De boompaal moet aan de windzijde van de boom geplaatst worden, dit is aan de zuidwestzijde van de boom. Na het plaatsen van de boompaal kan de boom geplant worden. Plaats deze op 15 cm afstand van de boompaal en niet dieper dan dat de boom op de kwekerij gestaan heeft. Na het plaatsen van de boom kan de grond aangevuld worden. Schud een aantal keer met de boom zodat de grond goed tussen de wortels zakt. Na het aanvullen van de grond de grond aandrukken zodat hij stevig in de grond staat. Als laatste breng je de boomband aan op 5 tot 10 cm van de bovenkant van de boompaal (zie afbeelding 8 voor plantinstructies).
Pagina
12
Zorg dat de planten het eerste jaar na aanplant voldoende water krijgen. Eventueel kunnen ze bij het planten van de bomen, de bomen aanwateren. Hierdoor spoelt het zand goed tussen de wortels.
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Pagina
13
Afbeelding 8: Plantinstructie bomen
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
5. Onderhoud/beheer De bestaande landschapsbeplanting dient op de juiste manier onderhouden te worden, zodat de beplanting zich kan ontwikkelen naar ‘volwassen’ fase. Wat dat onderhoud inhoud staat hieronder beschreven.
5.1 Onkruidbestrijding De beplanting dient gedurende het groeiseizoen zo goed mogelijk onkruidvrij te worden gehouden. Schoffelen, cultivateren en plukken zijn de mogelijkheden. Zorg ervoor dat het onkruid niet gaat overheersen waardoor de planten overwoekerd kunnen worden.
5.2 Beheer 1e groeiseizoen Het is belangrijk om in het eerste groeiseizoen de nieuwe beplanting water te geven. De frequentie waarin dit plaats moet vinden zal bepaald moeten worden aan de hand van de ‘vraag’ van de beplanting. Dit zal gedurende het seizoen bekeken moeten worden. Ook het 2e jaar kan het nodig zijn om de beplanting naar behoefte water te geven. Na het eerste groeiseizoen zal bekeken moeten worden of en zo ja hoeveel beplanting er ingeboet moet worden. Belangrijk is het om de inboet aan het einde van het groeiseizoen op te nemen wanneer de goede beplanting nog in blad staat. Zo kun je duidelijk zien hoeveel beplanting er dood is gegaan. Het beste is om de dode beplanting te verwijderen en op een tekening aan te geven waar en hoeveel beplanting er dood is gegaan. De inboet kan dan in het zelfde plantseizoen opnieuw geplant worden. Het is heel belangrijk om de nieuwe beplanting welke ingeboet is het eerste en zo nodig tweede groeiseizoen water te geven.
5.3 Snoeien Knip- en scheerhaag: 2 keer per jaar snoeien op gewenste hoogte en breedte. Struweelbeplanting: Om te voorkomen dat de beplanting te weinig ruimte heeft om te groeien, zal na 3-5 jaar, 1/5 deel van de beplanting (struikvormers) moeten worden afgezet (vlak boven de grond afzagen) of uitsnoeien (grootste stammen verwijderen en kleine scheuten laten staan). Dit dient jaarlijks herhaalt te worden zodat uiteindelijk alle planten om de 5 jaar verjongt worden. Mooie exemplaren van onder andere de eik, beuk en linde (welke vallen onder de boomvormers) kunnen als boom worden opgesnoeid. Dit kan na 5 jaar worden herhaald zodat uiteindelijk om de 6 tot 10 meter één boom overblijft met een onderbegroeiing van struiken. Het is ook mogelijk om deze boomvormers mee te nemen in het snoeiproces om de 4 á 6 jaar.
Pagina
14
Landschapsbomen: Eens per 3 jaar begeleidingsnoei toepassen en wanneer nodig jaarlijks boombanden losser zetten (wanneer nieuwe bomen geplant worden).
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
6. Conclusie Vanuit de gemeente Deurne is de eis gesteld om te voldoen aan een goede landschappelijke inpassing van de kavel en bestaande bebouwing. Hier wordt door de aanleg en onderhoud van onderstaande landschappelijke elementen aan voldaan. -
Knip- en scheerhagen Struweelbeplanting Landschapsbomen
De te behalen kwaliteitswinst is: €21.910,50. De aanleg en onderhoud van de bestaande en nieuw aan te leggen landschapselementen voorziet in een kwaliteitswinst van: €40.227,98 waarmee een positief resultaat behaald wordt van €18.317,48.
Pagina
15
De berekening compensatiewaarde is bijgevoegd als bijlage 1, het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd in bijlage 2.
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Pagina
16
Bijlage 1: Berekening compensatiewaarde Paalberg 6 Neerkant
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
Compensatiewaarde Paalberg 6 Neerkant Landschapselementen bestaand en nieuw Element
Landschapsbomen L8c (nieuw) Landschapsbomen L8b (bestaand) Knip- en scheerhaag L7b (bestaand) Knip- en scheerhaag L7b (nieuw) Struweel (nieuw)
AANLEG Aantal
eenheid
Lengte Breedte Opp.vl. Opp.vl Inhoud in m1 in m1 m2 are m3
22 stuks 8 stuks 1465 stuks 433 stuks
Bron normbedragen: Bijlage 5 van de Subsidieregeling Stimuleringsregeling Landschap Noord-Brabant
104 293 973
Vergoeding per eenheid
BEHEER Eenheid per jaar
WAARDE
Vergoeding aanleg
Beheersbijdrage per eenheid
Jaarlijkse vergoeding onderhoud
€ € € € €
€ € € € €
€
90,22 per stuk
€
1.984,84
€ €
2,30 per stuk 2,30 per stuk
€ €
3.369,50 995,90
31,86 37,05 6,91 6,91 1,22
700,92 296,40 1.437,28 2.024,63 1.187,06
Totale Waarde vergoeding vermindering onderhoud per m2 6 jaar € 4.205,52 € 1.778,40 € 8.623,68 € 12.147,78 € 7.122,36
Waardevermindering
Investering landschappelijke kwaliteit (20% van waardeverandering) Compensatiewaarde
Trajectbegeleiding VC
Compensatie vergoeding Totaal
Totaal
€ € € € € €
-
6.190,36 1.778,40 8.623,68 15.517,28 8.118,26 40.227,98
€ 21.910,50 € 18.317,48
Pagina
17
Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Paalberg 6 Neerkant
Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68
INHOUD
BLZ
1.
INLEIDING................................................................................. 3
1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Gemeentelijk kader beleidsactualisatie buitengebied .................... 3 Relatie met provinciaal beleid en Verordening Ruimte .................. 3 Afbakening beleidskader ................................................................ 4 Gemeentelijke doelstelling en ambitie............................................ 5 Leeswijzer ...................................................................................... 6
2.
CATEGORISERING ROOD-MET-GROEN REGELING........... 7
2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.
Aard en omvang ruimtelijke ontwikkelingen ................................... 7 Vertaling naar 3 categorieën ontwikkelingen ................................. 7 Categorie 1: ontwikkelingen met zeer geringe impact ................... 8 Categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte impact .................. 9 Categorie 3: ontwikkelingen met een aanzienlijke impact ........... 13
3.
PROCEDURES, UITVOERING EN EVALUATIE ................... 15
3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5.
Rollen van de initiatiefnemer en de gemeente............................. 15 Processtappen ............................................................................. 15 Vastleggen van de tegenprestatie................................................ 16 Naleven van afspraken, controle en handhaving ......................... 16 Beleidsevaluatie ........................................................................... 16
4.
BEELDKWALITEITPARAGRAAF.......................................... 17
4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5. 4.6.
Inleiding ........................................................................................ 17 Beekdalen .................................................................................... 19 Essen- en kampenlandschap ....................................................... 23 Kleinschalige zandontginningen................................................... 27 Grootschalige ontginningen ......................................................... 31 Mozaïek van bospercelen ............................................................ 35
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
1
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
2
1.
INLEIDING
1.1. Gemeentelijk kader beleidsactualisatie buitengebied De gemeente Deurne heeft op 11 december 2007 haar bestemmingsplan buitengebied vastgesteld. Vervolgens is naar aanleiding van het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten op 9 november 2010 een gedeeltelijke herziening van dit plan vastgesteld (‘bestemmingsplan Partiële herziening Buitengebied’), waarbij ook enkele nieuwe beleidslijnen zijn ingevoegd. Op dit moment is een integrale herziening van dit bestemmingsplan in voorbereiding. De uitgangspunten daarbij zijn: o digitalisering van het bestemmingsplan; o beleidsneutraal overnemen van bestaande rechten en regels, inclusief inmiddels verleende ontheffingen, wijzigingen etc, met dien verstande dat: o daar waar de provinciale Verordening Ruimte (Vr) een engere beleidsruimte voorschrijft, de vigerende regeling wordt verengd in lijn met de Vr, en; o daar waar de provinciale Verordening Ruimte (Vr) een ruimere beleidsruimte voorschrijft, de vigerende regeling ongewijzigd blijft, met uitzondering van enkele ondergeschikte onderdelen.
1.2. Relatie met provinciaal beleid en Verordening Ruimte De provincie heeft haar ruimtelijk beleid op hoofdlijnen vastgelegd in de Structuurvisie Ruimte. De Vr bevat de meer concrete regels van provinciaal ruimtelijk belang. Deze regels dienen ‘vertaald’ te worden in gemeentelijke bestemmingplannen. De Vr bevat specifieke regels voor de buitengebieden, die vanaf de inwerkingtreding van de Vr in ieder bestemmingplan moeten worden meegenomen. Dit betekent dat bij de integrale herziening van het bestemmingsplan buitengebied voor Deurne een aantal vigerende regelingen dient te worden aangepast aan de Vr. De doorwerking van artikel 2 van de Vr (zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap) is in dit beleidskader uitgewerkt. De kwaliteitsverbetering van het landschap krijgt op provinciaal niveau vorm door de rood-met-groen regeling. Rood-met-groen regeling Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Het achterliggende idee hierbij is dat ontwikkelingen actief bijdragen aan versterking van het landschap. Dit gaat dus verder dan het mitigeren van de effecten van een ontwikkeling op de omgeving of het beperken van
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
3
verlies aan omgevingskwaliteit. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied (daar zijn ruimere ontwikkelingsmogelijkheden) én buiten de ecologische hoofdstructuur (daar zijn beperkte ontwikkelingsmogelijkheden). Dit beleidskader bevat een op maat gesneden uitwerking voor de gemeente Deurne. De gemeente geeft hierin aan hoe zij bij ruimtelijke ontwikkelingen de vereiste ruimtelijke kwaliteitsverbetering op basis van artikel 2 van de Vr binnen de gemeente wenst vorm te geven. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) Zuidoost-Brabant maken gemeenten in de regio, waterschappen en provincie nadere afspraken met elkaar. In het RRO is gebleken dat het mogelijk is als gemeente individuele afspraken te maken over de invulling van de kwaliteitsverbetering, waar eerder vanuit de provincie was ingestoken op afstemming op regionaal niveau. De gemeente Deurne heeft ervoor gekozen deze afspraken individueel te maken, maar staat wel open voor samenwerking en afstemming met andere Peelgemeenten, wanneer daar wederzijds behoefte aan is.
1.3. Afbakening beleidskader Deze uitwerking is in hoofdzaak afgestemd op het provinciale voorstel zoals dat in de vier Brabantse regio’s is besproken. De provincie geeft er daarbij de voorkeur aan dat in de diverse regio’s deze uitwerking zo veel als mogelijk wordt gevolgd, zodat er uniformiteit bestaat in de wijze waarop op gemeentelijk niveau invulling wordt gegeven aan artikel 2 Vr. Zoals hierboven aangegeven kiest de gemeente Deurne voor maatwerk. De gemeente gaat voor kwaliteitsverbetering van het landschap uit van een kwalitatieve invulling op de locatie (bouwvlak, perceel of aangrenzende percelen), waarbij dit beleidskader als uitgangspunt geldt voor de gewenste kwaliteit. Waar invulling op de locatie gezien de omvang en uitstraling van de gevraagde ontwikkeling niet voldoende kan worden gerealiseerd, of waar de benodigde compensatie niet past in de uitgangspunten van het beleidskader voor kwalitatieve invulling, wordt een regeling voorbereid om op de locatie te realiseren wat kwalitatief gewenst is en de hogere kosten van de compensatie (verschil tussen gerealiseerd en benodigd) te storten in een gemeentelijk groenfonds waarmee compensatie op een andere locatie wordt gerealiseerd. De hiervoor noodzakelijke aanpassing van de Nota Kostenverhaal die hoort bij de Structuurvisie wordt op dit moment voorbereid.
Vooruitlopend zijn de maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap voor de particuliere initiatieven, waarvan de procedure wordt ingevoegd in dit bestemmingsplan, alvast voorbereid met en getoetst aan het concept beleidskader kwaliteitsverbetering landschap.
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
4
1.4. Gemeentelijke doelstelling en ambitie In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk is reeds aangegeven dat de gemeente een vrij recent bestemmingsplan (2007) integraal en nagenoeg beleidsneutraal gaat herzien. Daarom is uitgangspunt voor de gemeente om binnenplanse ontwikkelingsmogelijkheden in beginsel niet te verruimen; dit ondanks het gegeven dat de Vr inmiddels op onderdelen meer ontwikkelingsruimte biedt dan het vigerende bestemmingplan. De gemeente beschikt namelijk reeds over een recent en goed afgewogen kader voor ontwikkelingen. Bij de concretisering van artikel 2 uit de Vr in relatie tot de herziening van het bestemmingsplan buitengebied, is voor de gemeente het eenduidige vertrekpunt gekozen, dat: 1. ontwikkelingen die reeds bij recht mogelijk zijn ook onveranderd worden meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan, zonder daar in het kader van artikel 2 van de Vr een tegenprestatie bij te vereisen; 2. ontwikkelingen die reeds door middel van binnenplanse (afwijkingsdanwel wijzigings-) procedures mogelijk waren, met bijbehorende voorwaarden, worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan, met dien verstande dat naast de reeds geldende voorwaarden, aanvullende voorwaarden worden toegevoegd in het kader van artikel 2 van de Vr; 3.
alle overige ontwikkelingen die buitenplans worden geregeld per ontwikkeling getoetst moeten worden aan artikel 2 van de Vr, waarbij de maatregelen die op de locatie getroffen moeten worden moeten voldoen aan het beleidskader, en daarnaast een bijdrage aan het gemeentelijk groenfonds verschuldigd is. De gebiedsgerichte benadering voor wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan buitengebied, was gekoppeld aan de provinciale zonering (AHS / GHS). Deze gebiedsgerichte benadering wordt in het nieuwe bestemmingsplan waar mogelijk beleidsneutraal ‘vertaald’ naar de huidige provinciale gebiedszonering (groenblauwe mantel, agrarisch gebied etc). Met dit beleidskader wil de gemeente voor de binnenplanse ontwikkelingsmogelijkheden invulling geven aan de volgende doelen: o van normerend beleid (van verbod en toestaan) naar onderbouwde ontwikkelingsruimte met regels voor ruimtelijke kwaliteit op basis van proportionaliteit (bestemmingswinst staat in juiste verhouding tot toegevoegde ruimtelijke kwaliteit); o evenwicht tussen (functionele) dynamiek met ontwikkeling en behoud en versterking van duurzame ruimtelijke waarden; o een helder beleidskader voor de gemeente, dat voldoet aan de provinciale regelgeving, dat de provincie heeft beschreven in haar “Structuurvisie ruimtelijke ordening” en de “Verordening ruimte”;
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
5
o
duidelijkheid aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen over hoe de gemeente artikel 2 uit de Vr toepast en vertaalt naar het gemeentelijke beleidskader kwaliteitsverbetering landschap.
De gemeente geeft met dit beleidskader tot op perceelsniveau invulling aan de rood-met-groen verplichting. Deze invulling is in de eerste plaats noodzakelijk, om binnenplans een zekere juridische objectiviteit van de voorgeschreven criteria te bewerkstelligen. Bovendien heeft de toetsing aan dit kader het voordeel, dat bij individuele ruimtelijke besluitvorming naar deze afspraken kan worden verwezen. Door vooraf duidelijkheid te bieden kan vertraging van planprocessen worden voorkomen. Dit geldt al vanaf het moment dat de gemeente dit beleidskader vast heeft gesteld (en waar nodig ook bij de toets van ontwikkelingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe plan buitengebied). In dit beleidskader is beschreven hoe de rood-met-groen regeling op uniforme en eenduidige wijze wordt toegepast. Het bevat de minimale basisinspanning op eigen erf, danwel direct aansluitend aan eigen erf. De periodieke verantwoording over uitvoering en handhaving en het voeren van ruimtelijk kwaliteitsbeleid is tevens toegelicht. De mogelijkheden van fondsvorming, zal in een later stadium verder worden uitgewerkt in de gemeentelijke structuurvisie en de nota kostenverhaal.
1.5. Leeswijzer De rood-met-groen regeling voor de gemeente Deurne is uitgewerkt aan de hand van de volgende thema's: o Hoofdstuk 2: categorisering rood-met-groen regeling en de doorwerking in het bestemmingsplan (op welke ruimtelijke ontwikkelingen is art. 2.2. van de Verordening ruimte van toepassing); o Hoofdstuk 3: procedures, evaluatie beleid en uitvoering; o Hoofdstuk 4: richtlijnen beeldkwaliteit bij erfbeplantingsplannen.
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
6
2.
CATEGORISERING ROOD-MET-GROEN REGELING
2.1. Aard en omvang ruimtelijke ontwikkelingen Artikel 2.2 van de Vr stelt dat in het landelijk gebied elke ruimtelijke ontwikkeling gepaard moet gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. De gemeente past dit uitgangspunt als volgt toe: De gemeente vereist dat elke ruimtelijke ontwikkeling die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap. Ten aanzien van ontwikkelingen in het buitengebied is het belangrijk om eerst te kijken naar de impact van de ruimtelijke ontwikkeling op de omgeving. Deze is bepalend voor de wijze en mate van de tegenprestatie die gevraagd wordt voor de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Die impact wordt onder meer bepaald door: o de omvang van de ontwikkeling (is daarvoor wel of geen substantiële vergroting van een bestemmingsvlak of bouwvlak of bouwvolume nodig); o het ruimtebeslag (is er sprake van nieuw ruimtebeslag of wordt er gebruik gemaakt van bestaande terreininrichtingen of bebouwing); o de aard van de locatie en de omgeving; o de aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving (verkeersaantrekkende werking, geluid, milieucategorie, beperking gebruiksruimte); o de ‘gebiedseigenheid’ van een ontwikkeling (betreft het een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling); o de “gewenstheid” van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens.
2.2. Vertaling naar 3 categorieën ontwikkelingen Rekening houdend met de mogelijke impact op de omgeving worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met de bijbehorende noodzakelijke kwaliteitsverbetering) onderscheiden: o Categorie 1: ontwikkelingen met een zeer geringe impact; hiervoor wordt geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist: geen tegenprestatie; o Categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte impact; hiervoor worden naast kwaliteitseisen in het kader van de algemene zorgplicht ook een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan vereist: de basisinspanning; o Categorie 3: ontwikkelingen met een aanzienlijke impact; hiervoor worden naast kwaliteitseisen in het kader van de algemene zorgplicht en een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan een extra kwaliteitsverbetering van het landschap
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
7
vereist: de basisinspanning-plus. In navolgende paragraven zijn deze categorieën nader toegelicht en concreet gemaakt met lijsten van ontwikkelingen zoals deze zijn opgenomen in de herziening van het bestemmingsplan. Dit overzicht is overigens dynamisch en niet uitputtend, maar geeft op dit moment wel een overzicht van de meest voorkomende ontwikkelingen. Nog niet vermelde ontwikkelingen kunnen aan deze lijst worden toegevoegd en zo onderdeel worden van het afsprakenkader.
2.3. Categorie 1: ontwikkelingen met zeer geringe impact Tot deze categorie behoren ruimtelijke ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen, omdat: o de ontwikkeling in zichzelf reeds een kwaliteitsverbetering is; voorbeelden zijn de aanleg van natuur- en landschapselementen, oprichting van voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik zoals wandelpaden en bankjes en woningsplitsing binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. o de ontwikkeling reeds bij recht mogelijk is in het vigerende bestemmingsplan of vergunningsvrij wordt toegestaan (in geval van bouwactiviteiten); De toepassing van artikel 2 uit de Vr is alleen noodzakelijk indien daartoe een nadere belangenafweging van het bevoegd gezag noodzakelijk is. Dit geldt voor alle afwijkingen en wijzigingsbevoegdheden, die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Bouw- en gebruiksregels die als onvoorwaardelijk recht zijn opgenomen in het bestemmingsplan vallen hier niet onder. Evenmin geldt artikel 2 Vr voor de in Bijlage II, art. 2 en 3 van het Besluit omgevingsrecht (BOR) opgenomen ontwikkelingen, zoals oprichting van een dakraam/-kapel en oprichting van erf- of perceelafscheiding.
o de ontwikkeling een dusdanig geringe ruimtelijke invloed heeft, dat een substantiële extra kwaliteitsverbetering disproportioneel zou zijn; voorbeelden zijn: o ontwikkelingen binnen bestaande bebouwing, zoals: Bed & breakfast; Beroep/bedrijf aan huis; Verbrede landbouw en overige (inpandige) ondergeschikte nevenactiviteiten; Huisvesting seizoensarbeiders; Afhankelijke woonruimte; o algemene afwijking van situerings- en maatvoeringseisen; 3 o vergroting van een burgerwoning tot 850 m (middels de sloopbonus regeling); 2 o vergroting van oppervlakte aan bijgebouwen tot 200 m (middels de sloopbonus regeling);
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
8
o o
herbouw van een burger- of bedrijfswoning; oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.
Voor het bestemmingsplan buitengebied betekent dit dat aan de genoemde ontwikkelingsmogelijkheden vallende onder categorie 1 geen extra tegenprestatie wordt gekoppeld. Betreffende ontwikkelingen dienen voorzover ze niet rechtstreeks in het bestemmingsplan mogelijk zijn, maar via een (binnenplanse) afwijking toegestaan kunnen worden wel te voldoen aan de overige gestelde randvoorwaarden, zoals opgenomen in de juridische regeling. Ook bij vergelijkbare ontwikkelingen, waar het bestemmingsplan niet een directe mogelijkheid voor bevat, maar die wel een vergelijkbare ruimtelijke kwaliteitswinst genereren, is geen tegenprestatie vereist. Te denken valt aan verkleining van bestemmingsvlakken c.q. bouwvlakken, projecten gericht op landschapsversterkingen of cultuurhistorisch herstel etc. In geval van woningbouw in het buitengebied (door de aankoop van een ruimte-voor-ruimtetitel) kan de verbetering ook elders plaatsvinden. De gelden, die terug ontvangen worden van de provincie, worden immers ingezet voor de uitvoering van groenprojecten en voor de sloop van overtollige bebouwing.
2.4. Categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte impact Tot deze categorie behoren ruimtelijke ontwikkelingen, die ruimtelijke kwaliteitsverbetering (van het landschap) vereisen, door maatregelen op of direct aansluitend op eigen erf. De ontwikkelingen, die dit betreft zijn onder andere: - vormverandering van een agrarisch bouwvlak; - omschakeling van agrarisch bedrijf naar een paardenhouderij; - verbrede landbouw en overige ondergeschikte (buitenpandige) nevenactiviteiten; - kleinschalig kamperen; - aanleg van trekkershutten; - huisvesting seizoensarbeiders in woonunits; - omzetting van een woonbestemming in een recreatiewoning; - buitenopslag bij een loonbedrijf. Het ruimtelijk effect van deze categorie ontwikkelingen blijft veelal beperkt tot het eigen erf en heeft slechts in een aantal gevallen een beperkt visueel-ruimtelijk effect op de directe omgeving. Bij dergelijke ontwikkeling wordt daarom een ruimtelijke kwaliteitsverbetering geëist, zijnde de basisinspanning, die bestaat uit algemene kwaliteitseisen / kwalitatieve voorwaarden om te kunnen voldoen aan de algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit alsmede een goede visueel-ruimtelijke
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
9
inpassing van het erf door middel van de realisatie van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan. De nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient in samenhang met de bestaande situatie en rekening houdend met de ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de omgeving, landschappelijk verantwoord ingepast te worden met erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten, zie hoofdstuk 4 “Beeldkwaliteit”). Landschappelijke inpassing vindt plaats op of direct aansluitend aan het bouwvlak/bestemmingsvlak. Door aanplant van gebiedseigen beplanting en/of aanleg van andere landschappelijke elementen (bv waterpartijen of grondwallen) wordt een verbetering van de kwaliteit van het landschap bereikt. Aan het erfbeplantingsplan worden in het algemeen geen kwantitatieve normen gekoppeld waaraan voldaan moet worden. Er worden enkel kwalitatieve eisen gesteld, die zijn vastgelegd in hoofdstuk 4 “Beeldkwaliteit” van dit beleidskader. Uitzondering hierop vormt de uitbreidingsmogelijkheid van een intensieve veehouderij; voor uitbreiding van een bouwvlak vereist de Vr in elk geval dat minimaal 10% van het bouwvlak aangewend wordt voor landschappelijke inpassing. Deze landschappelijke inpassing wordt overigens eveneens getoetst aan de in dit beleidskader opgenomen kwalitatieve eisen.
Aanvullende voorwaarden erfbeplantingsplan: o De landschappelijke inpassing van het bestemmingsvlak/bouwvlak wordt gerealiseerd op basis van een gekwalificeerd opgesteld erfbeplantingsplan/ landschapsinpassingsplan, door een deskundige instantie (zoals een hovenier, tuin-/landschapsarchitect of bureau voor ontwerp en aanleg van groenvoorzieningen), waaruit duidelijk blijkt hoe en met welke (natuur- en landschaps)elementen de landschappelijke inrichting wordt vormgegeven; o Met een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer wordt de realisatie van het inpassingsplan financieel, juridisch en feitelijk verzekerd. Duurzame instandhouding, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing vormen ook aspecten die in de anterieure overeenkomst worden vastgelegd (zie ook hoofdstuk 3). Aan de ontwikkelingsmogelijkheden vallend onder categorie 2 worden daarnaast ten behoeve van de algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit de volgende kwaliteitseisen/kwalitatieve voorwaarden gesteld: A. Landschappelijk / ruimtelijke kwaliteiteisen Binnen bestemmingsvlak of agrarisch bouwvlak Verkaveling: Als gevolg van het initiatief dient aansluiting te worden gezocht bij het bestaand verkavelingspatroon
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
10
(occupatiegeschiedenis) zowel bij de erfinrichting als de situering van de gebouwen. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt. Bebouwing: de bebouwing is passend bij de aard van de omgeving (hoogte, massa en architectonische kwaliteit). Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden.
Effecten op omgeving Waardevolle landschapselementen: Met het initiatief mag er geen aantasting plaatsvinden van kenmerkende – op de kaart aangeduide - waardevolle landschapselementen, zoals: lanen, bolle akkers/ steilranden (waardevol reliëf) en onverharde wegen. Openheid (aanduiding Beekdal): bestaande waardevolle zichtlijnen dienen te worden gehandhaafd; bij ontwikkelingen wordt niet alles verdicht, maar worden zichtlijnen gecreëerd, bijvoorbeeld naar beekdalen. Natuurwaarden: Met het initiatief mag geen aantasting plaatsvinden van de in de nabijheid gelegen natuurgebieden. Onverharde wegen dienen als zodanig behouden te blijven. Woon en leefklimaat omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. Verkeer: De verkeersontsluiting dient voldoende capaciteit te bieden. Dit is met name van belang bij functieverandering naar bedrijvigheid. Sterk publieksaantrekkende functies worden niet toegestaan. B. Cultuurhistorische en archeologische aspecten
Cultuurhistorie: Het initiatief mag niet leiden tot aantasting van eventueel aanwezige cultuurhistorische of archeologische waarden. Indien de indicatieve archeologische verwachtingswaarden hoog of middelhoog is, is afhankelijk van het verstoringoppervlak en verstoringsdiepte een archeologisch vooronderzoek wellicht noodzakelijk;
C, Waterhuishouding
Waterhuishouding: Bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal waterneutraal gebouwd dienen te worden;
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
11
D. Planologische aspecten
Het initiatief dient aan te sluiten bij de Vr. Bij bedrijfsontwikkeling dient een door de gemeente goedgekeurd bedrijfsplan te worden opgesteld voor de toetsing van de economische uitvoerbaarheid.
De milieukundige aspecten vormen een belangrijk toetsingskader maar zijn niet direct onderdeel van de ruimtelijke kwaliteitsafweging; bij het toetsen van een initiatief kunnen de volgende milieuaspecten een rol spelen:
Geurhinder: Het initiatief mag niet leiden tot extra beperkingen voor bestaande agrarische bedrijven en dient te voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij en de geurverordening Deurne. Geluid: Het initiatief mag niet leiden tot een extra geluidsgehinderde situatie en dient te voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Wet Geluidhinder. Hiertoe is indien relevant akoestisch onderzoek noodzakelijk. Gevaar / externe veiligheid: Het initiatief mag niet worden gerealiseerd in een situatie met een te hoog persoonsgebonden en/of groepsrisico. Luchtkwaliteit: de fijnstofconcentratie mag de fijnstofnormen niet overschrijden. Het is wel toegestaan om de fijnstofemissie meer te laten toenemen dan in betekenende mate is, mits de fijnstofnormen niet worden overschreden. Bodemonderzoek: het initiatief mag niet worden gerealiseerd op gronden, waarvan de bodem verontreinigd is. Flora en Fauna: Het initiatief mag niet leiden tot nadelige effecten op flora en fauna en draagt waar mogelijk bij aan versterking van biotopen. Ammoniak: het initiatief moet voldoen aan de emissie-eisen en mag geen negatief effect hebben op (nabijgelegen) gevoelige gebieden. Overige milieuzoneringen: het initiatief mag niet zijn gelegen binnen aangeduide milieu-zoneringen cq. hindercirkels.
Om de basisinspanning voldoende objectief en helder te maken voor initiatiefnemers, is de basisinspanning grotendeels vertaald in de randvoorwaarden van de opgenomen binnenplanse ontheffings- en wijzigingsmogelijkheden. Daarmee is de basisinspanning als bindende randvoorwaarde vastgelegd en zal bij iedere afwijking of wijziging moeten worden onderbouwd hoe invulling wordt gegeven aan de basisinspanning.
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
12
2.5. Categorie 3: ontwikkelingen met een aanzienlijke impact Voor de ruimtelijke ontwikkelingen behorend tot categorie 2 worden aan de vereiste goede landschappelijke inpassing geen kwantitatieve eisen 1 gesteld , maar uitsluitend enkele kwalitatieve eisen (zie beschrijving van categorie 2 in voorgaande paragraaf 2.4). Hierdoor staat de ontwikkeling in juiste verhouding tot de tegenprestatie. Daar waar ontwikkelingen omvangrijker zijn en/of meer ruimtelijke gevolgen hebben, wordt een basisinspanning-plus vereist. Dit betreft in ieder geval alle ruimtelijke ontwikkelingen, die niet met een (binnenplanse) afwijking- of wijziging van het nieuwe bestemmingsplan gerealiseerd kunnen worden. Betreffende initiatieven zullen als maatwerk in een buitenplanse procedure beoordeeld worden. Daarnaast betreft het ook enkele grootschaligere ruimtelijke ontwikkelingen, die wel middels een binnenplanse procedures in de tweede herziening bestemmingsplan buitengebied mogelijk worden gemaakt.
Dit betreft onder meer: vergroting van het agrarisch bouwvlak; oprichting van een nieuwe bedrijfswoning; functieverandering van (voormalige) agrarische en nietagrarische bedrijven; vergroting van de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte van niet-agrarische en recreatie bedrijven; omschakeling naar een ander bedrijfstype bij nietagrarische bedrijven; substantiële vergroting van de inhoud van een 3 burgerwoning (tot 1.000 m ). Voor dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen wordt bovenop de basisinspanning (zijnde algemene kwaliteitseisen in het kader van de algemene zorgplicht alsmede een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan) een extra ruimtelijke kwaliteitstoevoeging vereist, de basisinpassing-plus . Er kan op meerdere wijze geïnvesteerd worden in extra ruimtelijke kwaliteitstoevoeging: a. Extra robuuste landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken; b. aanleg cq herstel van natuur- en landschapselementen (zoals akkerranden, poelen, hakhoutwallen, etc) ter versterking van de landschapsstructuur; c. aanleg recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief
1
Met uitzondering van vergroting van een agrarische bouwvlak van een intensieve veehouderij, waar in het kader van de Vr minimaal 10% van het bouwvlak voor landschappelijke inpassing benut dient te worden.
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
13
recreatief medegebruik (bankjes, wandelpaden, bebording, etc.); d. fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, bestaande drinkpoelen, wegkruizen en groenelementen; e. sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) gebouwen/stallen/kassen en verwijderen verharding; f. verkleinen/opheffen van bestemmingsvlakken/bouwvlakken bji functieverandering; g. fysieke bijdrage aan realisering Ecologische hoofdstructuur (EHS) en ecologische verbindingszones (EVZ’s). Naast bovenstaande fysieke verbeteringen van het landschap kan de kwaliteitstoevoeging ook worden bereikt door de ‘bestemmingswinst’ te vertalen naar een bedrag, dat door de gemeente elders zal worden ingezet voor kwaliteitsverbetering in het landschap. De ‘spelregels’ waarmee de tegenprestatie kwantitatief wordt bepaald, zullen in de Nota Kostenverhaal worden uitgewerkt. Daarbij biedt dit beleidskader een toetsingskader voor het kwalitatieve gedeelte van de compensatie op de locatie zelf.
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
14
3.
PROCEDURES, UITVOERING EN EVALUATIE
3.1. Rollen van de initiatiefnemer en de gemeente Het voorliggende beleid is ontwikkelingsgericht. De initiatiefnemer levert een integraal (globaal) verzoek aan dat bestaat uit zowel rode als groene componenten, gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaders. Deze worden getoetst door de gemeente. De gemeente heeft – als bewaker van de ruimtelijke kwaliteit – verschillende rollen. Allereerst heeft de gemeente met dit beleidsstuk de kaders voor ontwikkeling vastgelegd. Vervolgens heeft zij de rol van stimulerend aanspreekpunt voor initiatiefnemers, de rol van planbeoordelaar en tot slot de rol van toetser van de projecten die uitgevoerd worden. De gemeente kan daarnaast ook de rol van initiatiefnemer hebben, bijvoorbeeld bij het aan- of verleggen van wegen. Als stimulerend aanspreekpunt en planbeoordelaar werkt de gemeente samen met de initiatiefnemers een evenwichtig plan uit; de kwalitatieve voorwaarden zoals opgenomen in het bestemmingsplan vormen hiervoor de kaders. Dit beleid is gedeeltelijk in meetbare spelregels vastgelegd. Voor het overgrote deel wordt van geval tot geval een maatwerkoplossing uitgewerkt, met als belangrijkste toetsingskader: de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om die verbetering te bereiken stelt de gemeente eisen aan de inrichting en stedenbouwkundige opzet van een plan.
Landschappelijke inpassing en behoud en versterking van cultuurhistorische waarden zijn hierbij belangrijke uitgangspunten. De afspraken worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst. Tijdens de uitvoering en het beheer van een plan toetst de gemeente de overeengekomen afspraken op nakoming.
3.2. Processtappen Een plan van een initiatiefnemer om iets nieuws te ontwikkelen begint meestal met het indienen van een principeverzoek voor afwijking, wijziging of herziening van het bestemmingsplan. Dit verzoek wordt globaal getoetst, waarbij de toetsing plaats vindt op basis van het bestaande beleid. Als er overeenstemming is met de initiatiefnemer over de opzet en de randvoorwaarden voor de uitvoering van het plan, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Een anterieure overeenkomst betreft een privaatrechtelijke overeenkomst met boetebeding, waarin onder andere afspraken gemaakt worden over de betaling van verschillende plankosten, de aanleg van (infrastructurele) voorzieningen en de daadwerkelijke uitvoering van het initiatief. Na ondertekening van de overeenkomst zullen ruimtelijke procedures worden opgestart.
Bijlage 14 gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap
044-035
24 mei 2013
15
Vervolgens wordt een concept-(postzegel)bestemmingsplan, conceptwijzigingsplan of onderbouwing voor een afwijkingsprocedure opgesteld. Dit wordt op alle relevante ruimtelijke aspecten getoetst. Er vindt eventueel inspraak plaats. In geval van een wijzigingsplan of onderbouwing voor een afwijkingsprocedure besluit het college daarna over eventuele aanpassingen naar aanleiding van de inspraak. In geval van een postzegelbestemmingsplan besluit de gemeenteraad. Daarna wordt de procedure afgerond.
3.3. Vastleggen van de tegenprestatie De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de tegenprestatie (basisinspanning respectievelijk basisinspanning-plus) wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarin zowel de aanleg als de instandhouding van de tegenprestatie wordt vastgelegd. In gevallen waarbij landschapselementen van substantiële omvang dienen te worden gerealiseerd in het kader van de goede landschappelijke inpassing of waarbij cultuurhistorisch waardevolle elementen dienen te worden hersteld en geconserveerd, is het mogelijk om aanvullend een kwalitatieve verplichting te laten ondersteunen door een beheerovereenkomst.
3.4. Naleven van afspraken, controle en handhaving Aangezien in het verleden de aanleg en instandhouding van bijvoorbeeld landschapselementen tegen afspraken in niet werd nagekomen, dient er structureel toezicht te worden gehouden op de aanleg en instandhouding van de basisinspanning. De gemeente is daarvoor verantwoordelijk (handhaving) en heeft als instrumenten voor deze handhaving de in de voorgaande paragraaf vastgelegde overeenkomsten, waarop de gemeente een beroep kan doen. Realisatie van de tegenprestatie wordt bij het toezicht op de naleving van de afspraken betrokken en in het veld wordt nagegaan wat er daadwerkelijk is gerealiseerd. Deze aanpak is vergelijkbaar met de aanpak van het provinciale Stimuleringskader Groenblauwe diensten (StiKa). Naleving van specifiek de aanleg van landschapselementen en beplanting wordt getoetst aan het erfbeplantingsplan, dat wordt gebaseerd op het gemeentelijk groenstructuurplan en de beeldkwaliteitparagraaf uit dit beleidskader.
3.5. Beleidsevaluatie De gemeente en de provincie zullen de toepassing en werking van artikel 2 Vr elke 2 jaar verantwoorden en bespreken in het RRO. Daarbij wordt de werking en doelmatigheid van deze regeling bezien. Hierbij worden de gegevens betrokken uit de verantwoording van de gemeenten. De evaluatie en verantwoording kunnen leiden tot het bijstellen van het dit beleidskader of de gemaakte afspraken in de RRO.