Wijzigingsmatrix GR Cocensus 2024 versie 3 voor toestemming raden ten opzichte van GR Cocensus 2020 vijfde wijziging.pdf
Tekst van het document
Wijzigingsmatrix GR Cocensus 2024 ten opzichte van de GR Cocensus 2020, 5 e wijziging Cocensus is inmiddels niet meer gevestigd in Hoofddorp en Alkmaar, maar in Heemskerk. Daar wordt het tweede lid 2 van artikel 2 nu op aangepast.
Artikel 2, lid 2 was: 2. Cocensus is gevestigd in Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en heeft een dependance in Alkmaar. Artikel 2, lid 2 wordt: 2.
Cocensus is gevestigd in Heemskerk.
In het nieuwe artikel 10 lid 5 en 6 Wgr is bepaald dat in een gemeenschappelijke regeling bepalingen worden opgenomen omtrent besluiten van het bestuur van de GR, waarover de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze mogen geven voorafgaande aan de besluitvorming, en de wijze waarop de zienswijze gegeven kan worden. In de Memorie van Toelichting bij de wet is opgenomen dat het de deelnemers vrij staat om in de regeling op te nemen dat geen besluiten van het bestuur vatbaar zijn voor het geven van een zienswijze door de raden. Omdat Cocensus een beleidsarme GR is, is ervoor gekozen de raden niet om een zienswijze te vragen over besluiten van het AB. Aan artikel 8 van de GR wordt een tweede lid toegevoegd
Aan artikel 8 wordt toegevoegd: 2. Over besluiten van het bestuur wordt aan de Vertegenwoordigende organen geen zienswijze gevraagd, met uitzondering van: a. de kadernota b. het besluit tot het vaststellen of wijzigen van de begroting c. alleen wanneer voor een positief rekeningresultaat een specifieke bestemming wordt gevraagd, anders dan teruggave naar rato aan de deelnemers: het rekeningresultaat In de nieuwe leden 2 en 3 van artikel 17 Wgr is een informatieverplichting in het leven geroepen voor het bestuur, om de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen te verschaffen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Daarom worden de leden 6 en 7 van artikel 9 van de GR gewijzigd. Daarnaast wordt in verband met de overgang van de Wet openbaarheid van bestuur naar de Wet open overheid lid 8 van artikel 9 van de GR gewijzigd.
Artikel 9, lid 6 tot en met 8 was: 6. Het algemeen bestuur verstrekt de gemeenteraden van de deelnemers de door één of meer leden van die gemeenteraden gevraagde inlichtingen. 7. De wijze waarop het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in het vijfde lid plaats vindt, wordt nader geregeld in het Reglement van orde van het algemeen bestuur. 8. Een verzoek om inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd indien dit in strijd zal zijn met de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur. Artikel 9, lid 6 tot en met 8 wordt: 6. Het algemeen bestuur verstrekt de gemeenteraden van de deelnemers de inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 7. Bij de informatieverstrekking geldt dat: a. Relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium schriftelijk wordt verschaft; b. Informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; c. De schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur (DB, AB en/of voorzitter) rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden (en staten) en in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door DB of voorzitter dan wordt het AB vooraf geïnformeerd. 8.
Een verzoek om inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd indien dit in strijd zal zijn met de belangen, genoemd in artikelen 5.1 en 5.2 van de Wet open overheid.
Het oude tiende lid van Artikel 9 gaat over de informatie en verantwoordingsplicht van het lid van het DB aan het AB en niet van het lid van het AB aan het college of de raad die hem heeft ingesteld en kan daarom beter verplaatst worden naar artikel 13.
Het oude Artikel 9, lid 10: 10. Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur ontslaan als deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. wordt ongewijzigd verplaatst naar Artikel 13, lid 8: 8. Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur ontslaan als deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.
In artikel 14, 3e lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen is opgenomen dat de leden van het dagelijks bestuur nooit de meerderheid van het algemeen bestuur mogen uitmaken. Artikel 10, lid 2 van de huidige GR bepaalt dat het Dagelijks Bestuur uit een voorzitter en vier overige leden bestaat, met als aanvullende voorwaarde dat de voorzitter en twee leden uit deelnemers met drie of meer stemmen worden aangewezen en twee leden uit de deelnemers met minder dan drie stemmen. Met de huidige stemverhouding is het daarmee onmogelijk om te voldoen aan artikel 14, 3e lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Daarom komt artikel 10 lid 2 te vervallen.
Artikel 10 was: Artikel 10 1.
Samenstelling
Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier overige leden.
2. De in het eerste lid bedoelde leden worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur, met dien verstande dat de voorzitter en twee leden uit de deelnemers met drie of meer stemmen worden aangewezen en twee leden uit de deelnemers met minder dan drie stemmen. 3. De leden van het dagelijks bestuur treden als lid af op de dag waarop de zittingsperiode afloopt. 4. Degene die tussentijds ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn. 5. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.
Artikel 10 wordt: Artikel 10 1.
Samenstelling
Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier overige leden.
2. De leden van het dagelijks bestuur treden als lid af op de dag waarop de zittingsperiode van de leden van het algemeen bestuur afloopt. 3. Degene die tussentijds ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn. 4. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.
In Artikel 16 wordt een kleine wijziging van redactionele aard aangebracht:
Artikel 16, achtste lid was: 8. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is in de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur aanwezig en heeft daarin een adviserende stem. Artikel 16, achtste lid wordt: 8. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is in de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur aanwezig en heeft daarin een adviserende rol.
Een aantal data en termijnen met betrekking tot het aanbieden van de kadernota en de begroting worden gewijzigd, zodat deze beter past bij de voorbereidingstijden van Gemeenteraden en het Algemeen Bestuur van de GR. Artikel 18, eerste lid was: 1. Het dagelijks bestuur zendt vóór 1 januari van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de gemeenteraden. Artikel 18, eerste lid wordt: 1. Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 december van het tweede jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de gemeenteraden.
Artikel 19, eerste tot en met achtste lid was: 1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks, vóór 15 maart van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de raden een ontwerp aan voor de begroting met toelichting, dit inclusief een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren. Per deelnemer is een kostentoerekening opgenomen waarbij de jaarbijdrage toegerekend is naar de onderhavige taakvelden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaar stelling geschiedt openbare kennisgeving. 3. De raden beraadslagen over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.
4. De raden kunnen vóór 1 juni bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Bij het voorstel van het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur voegt het dagelijks bestuur een reactienota, waarin gemotiveerd wordt aangegeven op welke wijze de zienswijze wel of niet is verwerkt in dit voorstel. 5. Het algemeen bestuur stelt de begroting van Cocensus vast uiterlijk 1 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor zij dient. 6. Het algemeen bestuur stelt, als onderdeel van de begroting, jaarlijks de uitgangspunten voor de toerekening van de kosten aan de producten vast. 7. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
Artikel 19 eerste tot en met achtste lid wordt:
1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks, vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de raden een ontwerp aan voor de begroting met toelichting, dit inclusief een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren. Per deelnemer is een kostentoerekening opgenomen waarbij de jaarbijdrage toegerekend is naar de onderhavige taakvelden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaar stelling geschiedt openbare kennisgeving. 3. De raden beraadslagen over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving. 4. De raden kunnen vóór 25 juni bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Bij het voorstel van het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur voegt het dagelijks bestuur een reactienota, waarin gemotiveerd wordt aangegeven op welke wijze de zienswijze wel of niet is verwerkt in dit voorstel. 5.
Het algemeen bestuur stelt de begroting van Cocensus bij voorkeur vast uiterlijk 15 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor zij dient, tenzij de reactie op de zienswijzen in uitzonderlijke gevallen nog een standpuntbepaling van de raden behoeft. 6. Het algemeen bestuur stelt, als onderdeel van de begroting, jaarlijks de uitgangspunten voor de toerekening van de kosten aan de producten vast.
7. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
In Artikel 21 wordt een aantal kleine wijzigingen van redactionele aard aangebracht:
Artikel 21 was: Artikel 21 Jaarrekening 1. Van de inkomsten en uitgaven van Cocensus over het afgelopen jaar wordt vóór 1 april door het dagelijks bestuur verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden. 2. Het dagelijks bestuur voegt bij de jaarrekening een accountantsverklaring, een verslag van bevindingen en het jaarverslag. 3. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening over het afgelopen jaar en stelt haar vast vóór 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. De jaarrekening wordt met alle bijbehorende stukken vóór 15 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, aan Gedeputeerde Staten aangeboden. 5. Van de vaststelling van de jaarrekening doet het dagelijks bestuur mededeling aan de besturen van de gemeenten en biedt deze ter kennisgeving aan. 6. De vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onrechtmatigheden, ten aanzien van het daarin verwoorde financieel beheer. Artikel 21 wordt: Artikel 21 Jaarrekening 1. Van de baten en lasten van Cocensus over het afgelopen jaar wordt vóór 1 april door het dagelijks bestuur verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden. 2.
Het dagelijks bestuur voegt bij de jaarrekening een controleverklaring, een verslag van bevindingen van de accountant en het jaarverslag. 3. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening over het afgelopen jaar en stelt haar vast vóór 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. De jaarrekening wordt met alle bijbehorende stukken vóór 15 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, aan Gedeputeerde Staten aangeboden. 5. Van de vaststelling van de jaarrekening doet het dagelijks bestuur mededeling aan de besturen van de gemeenten en biedt deze ter kennisneming aan. 6. De vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onrechtmatigheden, ten aanzien van het daarin verwoorde financieel beheer.
In het nieuwe artikel 9 lid 1 Wgr is bepaald dat in de GR bepalingen met betrekking tot de gevolgen van uittreding voor het vermogen van het openbaar lichaam worden opgenomen en de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden. De gevolgen voor het vermogen omvatten zowel de gevolgen van de uittreding voor de verplichtingen op grond van aangegane verbintenissen als de gevolgen van de uittreding voor de goederen (zaken en vermogensrechten) van de betreffende rechtspersoon. Dat bij toetreding geen inkoop in het vermogen plaatsvindt, wordt geregeld door het toevoegen van een derde lid aan artikel 25 van de GR: Aan artikel 25 wordt toegevoegd: 3.
Bij toetreding tot de Regeling vindt geen inkoop in het vermogen plaats.
Dat bij uittreding geen verrekening plaatsvindt wordt geregeld in door het toevoegen van een zevende lid aan artikel 26 van de GR:
Aan artikel 26 wordt toegevoegd: 7.
Bij uittreding van een deelnemer vindt geen verrekening van het vermogen plaats.
In Artikel 27, eerste lid wordt een kleine wijziging van redactionele aard aangebracht:
Artikel 27, eerste lid was: 1. Instemming van tenminste twee derde van het aantal deelnemers is vereist voor opheffing van de regeling.
Artikel 27, eerste lid wordt: 1. Instemming van ten minste twee derde van het aantal deelnemers is vereist voor opheffing van de regeling.
In het nieuwe artikel 11a Wgr is geregeld dat in de GR bepalingen worden opgenomen omtrent de evaluatie van de regeling. Op grond van dit artikel wordt alleen verplicht gesteld om een bepaling omtrent evaluatie op te nemen in de GR, waarbij het besluit of wordt geëvalueerd wordt overgelaten aan de deelnemers. Dit betekent dat ook kan worden bepaald dat geen evaluatie plaatsvindt of dat dit alleen op verzoek van het bestuur plaatsvindt. Omdat Cocensus een beleidsarme GR is, is ervoor
gekozen de mogelijkheid tot het uitvoeren van een evaluatie aan het Algemeen Bestuur over te laten. Dit wordt opgenomen in het nieuwe artikel 29 van de GR:
Artikel 29 wordt toegevoegd: Het Algemeen Bestuur beslist eens per twee jaar of een evaluatie plaatsvindt, waarbij het functioneren van de samenwerking en het samenwerkingsverband onderwerp van de evaluatie kan zijn.
In de nieuwe leden 7 en 8 van art. 10 Wgr is bepaald dat in de GR bepalingen dienen te worden opgenomen of en, indien de mogelijkheid tot participatie geopend wordt, omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de totstandkoming en uitvoering van beleid op grond van de betreffende regeling betrokken worden. Uit dit artikel vloeit dus een verplichting voort om afspraken te maken omtrent participatie in de gemeenschappelijke regeling, echter de keuze voor het openen van deze mogelijkheid wordt overgelaten aan de gemeente. Dit betekent dat in de regeling ook afgesproken kan worden dat er geen mogelijkheid geopend wordt voor participatie. Op dat moment hoeft ook niets omtrent de wijze van participatie te worden vastgelegd. Cocensus betreft een collegeregeling waarbij geen bevoegdheden van de raden zijn overgedragen aan het algemeen bestuur van de regeling. Het ligt dan ook voor de hand om inspraak lokaal in te passen via reguliere inspraakmogelijkheden bij bijvoorbeeld het vaststellen van beleidskaders die door de GR uitgevoerd worden. Wanneer de raden wel bevoegdheden hebben overgedragen aan het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ligt inspraak rechtstreeks bij de gemeenschappelijke regeling wel voor de hand. Omdat Cocensus een uitvoeringsorgaan is dat zelf geen beleid maakt, is ervoor gekozen geen participatie open te stellen.
Dit wordt opgenomen in het toegevoegde artikel 30 van de GR:
Artikel 30 wordt toegevoegd: Er is geen mogelijkheid tot participatie inzake de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling.
In verband met de toevoeging van de nieuwe artikelen 29 en 30 aan de GR, wijzigen de artikelnummers van de oorspronkelijke artikelen 29 en 30 in artikel 31 en 32:
Artikel 29 was: Artikel 29
Inzending regeling
en wordt: Artikel 31
Inzending regeling
Artikel 30 was: Artikel 30
Inwerkingtreding en citeertitel
en wordt: Artikel 32
Inwerkingtreding en citeertitel
In Bijlage 1 wordt de kolom met betrekking tot kwijtschelding verwijderd. In de inleidende tekst is reeds opgenomen dat bevoegdheid van de behandeling van verzoeken om kwijtschelding is overgedragen. Of voor een bepaalde heffingssoort kwijtschelding openstaat regelen de gemeenteraden zelf via het kwijtscheldingsbesluit. Door het verwijderen van de kolom met betrekking tot de kwijtschelding is het niet meer nodig de GR te wijzigen wanneer een gemeente besluit het kwijtscheldingsbesluit te wijzigen. Aangezien zonder deze kolom een tabelstructuur niet meer noodzakelijk is worden de heffingssoorten per deelnemer vanaf nu alleen tekstueel weergeven.
In Bijlage 1 wordt de kolom met betrekking tot de kwijtschelding per heffingssoort verwijderd.
Het in Bijlage 1 van de GR opgenomen overzicht met de aan Cocensus overgedragen bevoegdheden voor de gemeenten Heiloo, Haarlemmermeer, Beverwijk en Bergen behoeft een aanpassing. De bevoegdheden met betrekking tot de standplaatsgelden van Heiloo worden aan Cocensus overgedragen. Hetzelfde geldt voor de nieuw ingevoerde reclamebelasting in de Haarlemmermeer en de BIZ in Bergen. In Beverwijk komt de vermakelijkhedenretributie te vervallen.
In Bijlage 1 wordt aan de bevoegdheden van Heiloo de standplaatsgelden toegevoegd. In Bijlage 1 wordt aan de bevoegdheden van Haarlemmermeer de reclamebelasting toegevoegd. In Bijlage 1 wordt aan de bevoegdheden van Bergen de BIZ Bergen toegevoegd. In Bijlage 1 wordt bij de bevoegdheden van Beverwijk de vermakelijkhedenretributie verwijderd.
De aanschaf van het pand in Heemskerk biedt mogelijkheid de huisvestingslasten in Bijlage 2 aan te passen van 5% naar 4%. De risicoperiode van de huisvesting en de ICT worden aangepast naar 4 jaar en komen daarmee in lijn met de berekening van de uittredingskosten over 4 jaar in dezelfde bijlage.