verordening WMO 2022-1 def.pdf
Tekst van het document
De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen . (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972) Het college hoeft dus geen rekening te houden met een (boven)regionale vervoersbehoefte (CRvB 9- 5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een cliënt 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen. (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). De door het college te verstrekken vervoersvoorziening middels Wmo-taxi van maximaal 180 ritten is gebaseerd op lokale verplaatsingen van 1500 km op jaarbasis. Als de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. Artikel 9. Weigeringsgronden algemeen In dit artikel zijn de algemene weigeringsgronden opgenomen. Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht.
Vandaar dat expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. Als weigeringsgrond is opgenomen de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren.
18
Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizing of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Artikel 10. Weigeringsgronden woonvoorziening Deze weigeringsgronden hebben specifiek betrekking op woonvoorzieningen. Geen woonvoorziening wordt verstrekt in de situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen.
Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in artikel 6 lid 1 onderdeel b dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is.
Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is cliënt dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning.
Het is niet de bedoeling dat een ongeschikte woning wordt gekozen en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente wordt ingediend. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te
19
vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Artikel 11. Beschermd Wonen Beschermd Wonen is wonen in een accommodatie (zelfstandig of binnen een instelling) waarmee een veilige leefomgeving wordt geboden met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en sociaal functioneren, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. Bestemd voor personen met beperkt psychisch/psychosociaal functioneren en/of beperkt intellectueel functioneren (al dan niet in combinatie met gedragsproblemen, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap en/of verslavingskenmerken), die (tijdelijk) niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De begeleiding is gericht op het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en participatie evenals op het bevorderen van het psychische en psychosociaal functioneren en het psychiatrisch ziektebeeld te stabiliseren.
In dit kader dient expliciet te worden opgemerkt te worden dat de enkelvoudige verslavingsproblematiek op zichzelf nimmer kan leiden tot plaatsing in Beschermd Wonen. De voorziening Beschermd Wonen kent verschillende voorzieningenniveaus, passend bij het resultaat dat behaald moet worden. Er dient altijd een gedegen onderzoek te worden gedaan naar de situatie van de cliënt. Uit dit onderzoek moet duidelijk worden dat iemand deze zware zorg nodig heeft en moet worden aangetoond dat cliënt een beroep moet kunnen doen op 24 uur onplanbare zorg. Het is nagenoeg uitsluitbaar dat iemand hier (buiten de Wlz/Zvw) een beroep op moet doen en er bij diegene geen psychiatrische diagnose is vastgesteld. Met een psychiatrische diagnose kan geobjectiveerd worden dat de 24-uurs toezicht en onplanbare zorg noodzakelijk is. Indien er geen diagnostiek is, moet er uiteraard gedegen onderzoek worden gedaan maar is het niet direct waarschijnlijk dat deze vorm van zorg noodzakelijk is. Gedurende het onderzoek zal er derhalve in detail worden uitgevraagd en mogelijk met bewijsstukken worden aangetoond waar de onplanbare zorg dan uit blijkt en hoe vaak dit nodig is en dergelijke. Het college kan om een onafhankelijk medisch deskundigenadvies vragen indien twijfel bestaat over de noodzakelijkheid tot inzet van een beschermd verblijf.
De medisch adviseur kan contact opnemen met de behandelaars van de cliënt om een beter beeld te krijgen van de beperkingen. Dergelijk advies is niet bindend. Het college blijft zelf verantwoordelijk voor het te nemen besluit en de motivering daarvan. In geval van afwijking van de conclusie(s) uit het advies wordt dit altijd gemotiveerd. Er wordt naar gestreefd om met de lichtste vorm van ondersteuning het noodzakelijke resultaat te behalen. In dat kader is dan ook in lid 2 opgenomen dat aan het verblijf die voorwaarden kunnen worden verbonden om dat doel te bereiken. Daarvoor is de medewerking van cliënt een vereiste. Met de in lid 3 opgenomen ondersteuningsplan wordt eveneens verstaan enig plan wat opgesteld is (zoals bijvoorbeeld een zorgplan, begeleidings-, toekomst-, signalerings-, of perspectiefplan) teneinde het vastgestelde doel te bereiken. De -in de bijlage opgenomen schema- opgenomen voorzieningenniveaus zijn ondersteuningsvormen die ingezet kunnen worden voor personen waar vastgesteld is dat zij noodzakelijk zijn aangewezen op een vorm van Beschermd Wonen, met daarbij opgenomen voor welke doelgroep deze bestemd zijn en de marge waarin begeleiding plaatsvind of geïndiceerd wordt. [schema zie bijlage 1] Artikel 12.
Begeleiding Begeleiding bestaat uit individuele begeleiding thuis of elders en/of het aansturen en toezien op de persoonlijke verzorging (overige persoonlijke verzorging wordt vergoed door de zorgverzekeringswet). De begeleiding is gericht op het bevorderen/ontwikkelen en -indien dit niet meer mogelijk isbehouden/stabiliseren van de zelfredzaamheid en de participatie van de cliënt opdat deze zo lang mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. De begeleiding kan zich richten op alle leefgebieden voor zover nodig: zelfstandig wonen, werk, sociale contacten, financiën, gezondheid e.d. en is met name bedoeld om een verandering tot stand te brengen of de situatie te stabiliseren opdat de cliënt zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen en kan participeren. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. 20
Artikel 13. Dagbesteding Dagbesteding is begeleiding in groepsverband die plaatsvindt op een locatie buiten de woonsituatie. Dagbesteding bestaat uit activiteiten waarbij vaardigheden van de cliënt worden behouden, zodat de cliënt zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen. Daarnaast zorgt het voor het ontlasten van mantelzorgers. Er vindt begeleiding op de groep plaats maar er is (naast groepsactiviteiten) ruimte voor cliënten om individuele activiteiten te verrichten afgestemd op hun talenten, mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte. [schema zie bijlage 2] Artikel 14. Vervoer naar dagbesteding Bij vervoer van en naar Dagbesteding wordt er altijd eerst gekeken naar vervoersmogelijkheden die voorliggend zijn op het maatwerkvervoer. Er wordt onderzocht of de cliënt zelfstandig, met behulp van het netwerk of met behulp van een voorliggende voorziening zich naar de dagbestedingslocatie kan verplaatsen. Vervoer naar Dagbesteding is meestal een aparte maatwerkvoorziening die als aanvullende bouwsteen op de maatwerkvoorziening Dagbesteding wordt verstrekt. Soms heeft de zorgaanbieder een vervoersregeling ingesteld. Indien er op basis van de uitgangspunten van Dagbesteding dichtbij een geschikte plek is en de cliënt wenst een plek buiten de gemeentegrens, dan dient de cliënt het vervoer zelf te regelen en reist op eigen kosten. Artikel 15.
Besluit Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend -of afgewezen- op basis van een besluit, wat schriftelijk verwoord wordt in een beschikking. Het besluit en dus de beschikking is gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening. Artikel 16. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Artikel 17. Criteria voor een Pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Ter onderbouwing van dit te verstrekken Pgb wordt van de cliënt een budgetplan verwacht. In lid 2 is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een Pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
In lid 5 is opgenomen dat het college periodiek moet onderzoeken (artikel 2.3.9 van de wet) of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een Pgb te heroverwegen Soms bestaat er twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is dit onderdeel toegevoegd. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en Pgb's worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een eerste stap daarin is het bezien van het evaluatieverslag van de hulpverlener. Zo nodig kan dan verder onderzoek plaatsvinden dat zowel betrekking heeft op het handelen van een cliënt of Pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.
Na toekenning van het Pgb wordt het budget op naam van cliënt, overgemaakt naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De cliënt stuurt zijn betaalopdrachten of facturen van de ingekochte hulp naar de SVB. Dit wordt ‘trekkingsrecht’ genoemd. 21
Artikel 18. Weigeringsgronden Pgb In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen. Aangegeven wordt wanneer er geen Pgb wordt verstrekt, waaronder expliciet is opgenomen dat het -in beginsel- niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. In lid 2 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het Pgb gefinancierd mogen worden. Het Pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het Pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (onderdeel b). Artikel 19. Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het Pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociale netwerk. Artikel 20. Hoogte Pgb Gemeenten hebben de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het Pgb door verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2 onder b van de wet). Het derde lid en vierde lid geeft regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor Pgb’s voor afzonderlijke maatwerkvoorzieningen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen welke persoon de ondersteuning levert. In geval iemand uit het sociaal netwerk door een Pgb-houder wordt ingeschakeld gelden de tarieven zoals genoemd in de voor de betreffende periode geldende CAO VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. De vermeerdering van het vakantietoeslag bedraagt 8% van het uurloon. De tegenwaarde van de verlofuren bedraagt 14,46% van het uurloon. Het tarief voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen is maximaal 80% van het Pgb-tarief, omdat bij de verstrekking van dit Pgb geen rekening wordt gehouden met de huisvestings- en servicekosten. Het tarief voor de zorg in natura bij beschermd wonen is een all-in tarief.
In lid 5 a en b is -conform de Memorie van toelichting- vermeld dat het college heeft bepaald dat het Pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. In lid 5 (c tot en met h) zijn vervolgens de maximale bedragen opgenomen die –na offerte(s)toegekend kunnen worden voor verschillende kosten van voorzieningen. Onder h is het maximale bedrag opgenomen voor het bezoekbaar maken van een woning, waaronder uitsluitend wordt verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet op de begane grond van de woning. Artikel 21. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen Het college vraagt een bijdrage in de kosten aan de cliënt, zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of het Pgb. Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing. Voorwaarde voor het kunnen vragen van deze bijdrage in de kosten, is dat dit door de gemeenteraad als zodanig in de verordening is bepaald. Met het opnemen van deze bepaling is hieraan voldaan. Artikel 22. Hoogte bijdrage in de kosten In lid 1 is geregeld voor welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen het zogenaamde abonnementstarief zoals genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 van de wet geldt.
Uit de wet volgt dat het abonnementstarief verplicht is voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt 22
verstrekt en de betrokken hulpverlener. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie is er in belangrijke mate sprake van persoonlijke hulpverlening, is arbeid verreweg de grootste kostencomponent, is de continuïteit van de band tussen cliënt en hulpverlener belangrijk voor de ondersteuning van de cliënt en wordt er langdurig gebruik gemaakt van de voorziening. Voorbeelden zijn begeleiding en huishoudelijke hulp. Het abonnementstarief is verder verplicht voor alle maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van Wmo-taxivervoer, beschermd wonen, de maatwerkvoorziening opvang of andere bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorzieningen. De bijdragen voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen [en maatschappelijke opvang] worden vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit (lid 3). Op grond van het uitvoeringsbesluit is er voor een rolstoel geen bijdrage verschuldigd. Daarnaast kan het vervoer op grond van het uitvoeringsbesluit worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Het gaat hierbij in de meeste gevallen om collectief vervoer en in enkele gevallen individueel vervoer. Het gaat niet om (mobiliteits)hulpmiddelen zoals een aangepaste fiets of een scootmobiel. Reden voor deze uitzondering is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is.
In lid 4 is daarom een afzonderlijke bepaling opgenomen over de hoogte van de bijdrage in de kosten voor het vervoer. In dit kader dient ter verduidelijking nog te worden opgemerkt dat het abonnementstarief niet geldt als alleen gebruik wordt gemaakt van de vervoersvoorziening WMO taxi, aangezien deze vorm van Wmovervoer van eigen bijdrage is uitgesloten. Artikel 23. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Artikel 2.1.3 van de wet verplicht de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een Pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit artikel wordt hier uitvoering aan gegeven. In het eerste lid is de informatieverplichting verwoord. Het college heeft vervolgens de mogelijkheid om op basis van verkregen informatie of op basis van (periodiek) onderzoek of er aanleiding is om de beslissing om een maatwerkvoorziening in natura of een Pgb te verstrekken, te heroverwegen (artikel 2.3.9 van de wet) en vervolgens te herzien of in te trekken. Een Pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen drie maanden na de uitbetaling van het Pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken (zie lid 3 van dit artikel).
In het vierde lid is geregeld dat als het college een beslissing intrekt omdat de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, het college kan overgaan tot het vorderen van geldswaarde van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in natura of Pgb (artikel 2.4.1 lid 1 van de wet). Artikel 24. Opschorting betaling uit het Pgb Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, in combinatie met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van Pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het Pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd.
Artikel 25. Jaarlijkse waardering mantelzorgers In de wet is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of Pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. 23
Artikel 26. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Op grond van de wet wordt in de verordening aangegeven welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is wettelijk verplicht. Artikel 27. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente.
De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. In het derde lid zijn de kostprijselementen opgenomen waarop het college de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal moet baseren. Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Hiertoe is een protocol opgesteld. Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid. Onder 'geweld bij de verstrekking van een voorziening' wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft.
Het college heeft een toezichthouder aangewezen die toezicht houdt op de naleving van de wet (artikel 6.1 van de wet). Artikel 29. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich onjuist bejegend voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder bespreekbaar maken. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Artikel 30. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning In dit artikel gaat het om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.
24
Artikel 31. Betrekken van cliënten bij het beleid Het college stelt cliënten van de gemeente Den Helder bij monde van de Adviesraad Sociaal Domein, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Artikel 32. Bevoegdheid college In gevallen waarin niet is voorzien dan wel voor een juiste uitvoering van de verordening, kan het college beslissen nadere regels vast te stellen. Artikel 33. Hardheidsclausule Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de cliënt. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 34.
Intrekking oude verordening en overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In lid 2 is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van lid 3 worden aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld. Artikel 35. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald.
25
Schema 1 (bijlage 1): Beschermd Wonen en Beschermd Thuis
Schema 2 (bijlage 2): Begeleiding
26
27