CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

verordening fysieke leefomgeving Den Helder 221128.pdf

Gemeenteraad 13 februari 2023, gemeente Den HelderBij agendapunt: 17: Voorstel tot vaststelling van de Verordening Fysieke Leefomgeving17.384 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

18 alinea's met “monumenten”: 105 115 128 133 136 141 185 305 308 313 317 318 319 320 328 331 338 352

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Den Helder, houdende regels over de fysieke leefomgeving (Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder) De raad van de gemeente Den Helder; gelezen het raadsvoorstel nummer ……………….. van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van ………………….. 2023;

gelet op artikel(en) 149 van de Gemeentewet en 3:16 van de Erfgoedwet;

kennis genomen hebbende van de voorbereidende commissievergadering …………………………………. op ………………………….. 202.;

overwegende dat naar verwachting op 1 juli 2023 de Omgevingswet in werking treedt en dat het vanwege deze wet wenselijk is om de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving waarvan aannemelijk is dat die op grond van deze wet geïntegreerd zullen (moeten) worden in het toekomstige omgevingsplan samen te voegen in één verordening

besluit:

de volgende verordening vast te stellen.

Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende regels wordt verstaan onder: a. b. c. d. e. f.

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en wethouders van Den Helder; gemeenteraad: de gemeenteraad van Den Helder; omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot: i. vellen van een houtopstand; ii. een (uit)weg; iii. handelsreclame, of; iv. een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 1.2 Beslistermijn 1. 2. 3.

Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Burgemeester en wethouders kunnen de termijn voor ten hoogste 8 weken verdagen. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1.3 Voorschriften en beperkingen 1.

2. 3.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. 2.

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Het eerste lid is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1.5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn, of; e. de houder dit verzoekt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1.6 Termijnen 1. 2.

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1.7 Weigeringsgronden 1.

2.

De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daarvoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Houtopstanden Artikel 2.1 Begripsbepalingen 1.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende regels wordt verstaan onder: a. beoordelingsformulier bomen: het door burgemeester en wethouders vastgestelde formulier waarop de waarde van de bomen wordt bepaald b. beschermenswaardige boom: monumentale boom, konings- of herdenkingsboom. c. boom: een houtig opgaand gewas met een stamdiameter van minimaal 10 centimeter, welke valt onder of onderdeel is van een houtopstand; d. bebouwde kom: ‘Bebouwde kom Boswet’, vastgesteld door de gemeenteraad, zoals bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a van de Wet natuurbescherming op grond van artikel IV, lid 4 van het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet aangemerkt als bebouwingscontour houtkap; e. bosplantsoen: een brede strook (of vak) beplanting bestaande uit verschillende voornamelijk inheemse houtige gewassen in de vorm van bomen en struiken; f. dunning: selectieve velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstanden die zich bevinden in een bosplantsoen of windsingel; g. erf: perceel > 120 m2, behorende bij een één- of meergezinswoning; h. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; i. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, bosplantsoen of windsingel; j.

houtwal: een afscheiding in het landschap, die wordt gevormd door een, al dan niet verhoogde, smalle strook grond met daarop volgroeide beplanting in de vorm van hakhout en struiken; k. monumentale boom: bijzondere beschermwaardige boom of houtopstand van 60 jaar of ouder met een levensverwachting van minimaal 10 jaar en die voldoet aan één van de volgende criteria: beeldbepalend, cultuurhistorische waarde, dendrologische waarde, natuurwaarde of zeldzaamheid;

l.

2.

3.

perceel: bij elkaar behorende grond met of zonder bebouwing zoals is geregistreerd bij het Kadaster; m. terrein: alle percelen niet behorende bij een één- of meergezinswoning; n. tuin: perceel ≤ 120 m2, behorende bij een één- of meergezinswoning; o. windsingel: een beplantingsstrook met als functie een terrein er achter (of er binnen) te beschermen tegen wind. In dit hoofdstuk wordt onder vellen mede verstaan: het rooien, met inbegrip van verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen en dunning, alsmede het verrichten van handelingen , zowel bovengronds als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Voor het bepalen van de diameter van de stam van de boom gelden de volgende regels: a. de diameter (of omtrek) wordt gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld; b. bij meerstammigheid geldt als berekening de bij elkaar opgetelde diameter (omtrek) van de afzonderlijke stammen.

Artikel 2.2 Lijst beschermenswaardige bomen in de gemeente Den Helder 1. 2.

3.

Burgemeester en wethouders stellen een lijst met beschermenswaardige bomen vast. De lijst bevat minimaal de volgende gegevens, inzake de beschermenswaardige boom: a. redengevende beschrijving; b. soort boom; c. standplaats, en; d. foto's. De eigenaar van een houtopstand die vermeld staat op de lijst van beschermenswaardige bomen in de gemeente Den Helder is verplicht burgemeester en wethouders onmiddellijk mededeling te doen van: a. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende omgevingsvergunning; b. de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

Artikel 2.3 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. 2.

3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. houtopstanden, staande buiten de bebouwde kom, tenzij deze op een erf staan b. wegbeplantingen en eenrijïge beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen tenzij deze zijn geknot; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; e. kweekgoed; f. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; g. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 2.5; h. houtopstanden met een stamdiameter minder dan 30 cm (omtrek minder dan 94 cm) gemeten conform de regels zoals opgenomen in artikel 2:1, derde lid, tenzij de houtopstand is geplant in het kader van een herplantverplichting; i. houtopstanden staande in een tuin; In afwijking van artikel 1.7 kan de omgevingsvergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

4.

5.

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand; g. de uitkomst van het beoordelingsformulier bomen. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. Een omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand opgenomen in de lijst met beschermenswaardige bomen, zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid kan, mits alternatieven voor behoud zijn onderzocht, worden verleend indien: a. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is, of; b. letsel of schade kan worden voorkomen.

Artikel 2.4 Herplant-/instandhoudingsplicht 1. 2.

3.

4.

5. 6.

Aan de vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant; Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegde gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn. Indien een verplichting als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting vervangen moet worden.

Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegde gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Het bevoegde gezag kan bij het opleggen van de herplantplicht het beoordelingsformulier bomen toepassen.

Artikel 2.5 Bestrijding iepziekte 1.

2.

Dit artikel verstaat onder: a. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); b. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh). Indien zich op een perceel een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, verplichten burgemeester en wethouders de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt of bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen, en; b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen, of;

c.

3.

4.

de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Dit verbod is niet van toepassing op; a. geheel ontschorst iepenhout; b. iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm; c. vervoer van iepenhout door een erkend iepenaannemer. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder derde lid gestelde verbod.

Hoofdstuk 3 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 3.1 Begripsbepaling In dit hoofdstuk en de daarop berustende regels wordt verstaan onder: a. b. c.

bevoegd bestuursorgaan: het bevoegd gezag of, in overige gevallen, burgemeester en wethouders; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 3.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

2. 3.

4.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Het verbod is tevens niet van toepassing voor zover werkzaamheden worden verricht voor geveltuinen als bedoeld in en overeenkomstig de regels van artikel 3.4.

Artikel 3.3 Maken, veranderen van een uitweg 1. 2.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente;

e.

3.

er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 3.4 Geveltuinen 1. 2.

3.

Het is verboden om een openbare plaats, waaronder de weg of een weggedeelte, te gebruiken als geveltuin. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aan te wijzen vormen van geveltuinen op door burgemeester en wethouders aan te wijzen plaatsen, voor zover de aanleg daarvan 3 weken tevoren schriftelijk is gemeld aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de fysieke leefomgeving, het doelmatig en veilig gebruik van de openbare plaats en/of de openbare orde nadere regels stellen voor geveltuinen.

Artikel 3.5 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.

2.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 4 Openbaar water Artikel 4.1 Begripsbepaling In dit hoofdstuk en de daarop berustende regels wordt verstaan onder: a.

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.

Artikel 4.2 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.

2.

3. 4.

Het is verboden een voorwerp met een permanent karakter, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een schriftelijke melding aan burgemeester en wethouders. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door

het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet en de Havenverordening Den Helder 1996.

Hoofdstuk 5 Reclame Artikel 5.1 Begripsbepaling In dit hoofdstuk en de daarop berustende regels wordt verstaan onder: a.

handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

Artikel 5.2 Verbod handelsreclame 1. 2. 3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding. Het verbod geldt niet voor reclame-uitingen aan/op onroerende zaken die voldoen aan de door burgemeester en wethouders vastgestelde nadere regels. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan een omgevingsvergunning vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. als de reclame op zichzelf of in verband met zijn omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast door gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak; d. indien de reclame geen betrekking heeft op een ter plaatse gevestigde zaak, inrichting of bedrijf, of op een ter plaatse uitgeoefend beroep.

Hoofdstuk 6 Erfgoed Paragraaf 1 Algemeen Artikel 6.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende regels wordt verstaan onder: a.

cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden;

b. c. d. e. f. g.

h. i. j.

cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 6.3, eerste lid; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 6.16; gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 6.3, tweede lid; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;

Artikel 6.2 Gemeentelijk erfgoedregister 1.

2.

Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht; c. gegevens over door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.

Paragraaf 2 Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Artikel 6.3 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden

3. 4.

5.

6.

behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Dit artikel is niet van toepassing op: a. door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en; b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6.4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.

2.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 6.3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6.3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of; b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Paragraaf 3 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 6.5 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en; b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.

Artikel 6.6 Voornemen tot aanwijzing

1.

2.

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 6.5, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 6.7 Voorbescherming 1.

2.

De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6.6, eerste lid, is bekendgemaakt. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6.8 Advies gemeentelijke adviescommissie 1.

2. 3.

Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 6.6, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en het Instellingsbesluit Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit van de gemeenteraad van 2 juni 2020. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Artikel 6.9 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. 2.

Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 6.10 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.

2.

De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6.11 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.

2.

In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6.8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid.

3.

Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 6.10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 6.12 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. 2.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Paragraaf 4 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 6.13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 6.14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.

2.

3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of; b. b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; b. alleen inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is; c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: i. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; ii. doen van begravingen of asbijzettingen, of; iii. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 6.15 Weigeringsgronden 1. 2.

De omgevingsvergunning kan in afwijking van artikel 1.7 slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Paragraaf 5 Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 6.16 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1. 2. 3. 4. 5.

6.

7.

De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid. Artikel 6.8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.

Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 6.17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1.

2.

3.

De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 16.6, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6.18 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

1. 2.

3. 4.

Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk te slopen. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Artikel 6.15 is van overeenkomstige toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Hoofdstuk 7 Handhaving en toezicht Artikel 7.1 Strafbepaling Degene die handelt in strijd met of het bepaalde krachtens artikel 2.5, 3.2 uitsluitend voor zover het geen omgevingsvergunningsplichtige activiteit betreft, 3.4, 4.2, 6.13 of 6.14, derde lid van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 7.2 Toezichthouders 1.

2.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 2 tot en met 5 van deze verordening zijn belast: a. de toezichthouders/handhavers van het team Openbare orde en veiligheid; b. Militairen van de Koninklijke Marechaussee voor zover werkzaam binnen het grondgebied van de gemeente Den Helder; c. ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, lid 1 onder a van de Politiewet 2012, werkzaam bij het korps Noord Holland Noord; d. de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens van hoofdstuk 6 van deze verordening zijn belast: a. de in die hoedanigheid door burgemeester en wethouders aangewezen toezichthouders; b. de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Artikel 7.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 8.1 Intrekking De Erfgoedverordening gemeente Den Helder 2017 wordt ingetrokken.

Artikel 8.2 Overgangsrecht

1.

2.

3.

4.

Een krachtens Erfgoedverordening gemeente Den Helder 2017 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. Besluiten, genomen krachtens de Erfgoedverordening Den Helder 2017 en de Algemene Plaatselijke Verordening Den Helder 2021 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Op aanvragen om een vergunning op grond van de ingetrokken Erfgoedverordening gemeente Den Helder 2017 waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. Op aanvragen om een vergunning of ontheffing van de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening 2021 die golden op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige regels kent waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.

Artikel 8.3 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat de Omgevingswet in werking treedt.

Artikel 8.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder.

Aldus besloten in de raadsvergadering van (datum). Voorzitter, (naam)

Griffier, (naam)

Toelichting bij Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder Algemeen

De Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder (hierna: VFL) is opgebouwd uit regels afkomstig van de Algemene Plaatselijke Verordening Den Helder 2021 (hierna: APV) en de (voormalige) Erfgoedverordening Den Helder 2017. Het gaat om verordeningsregels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving waarvan nu in elk geval (al) aannemelijk is dat deze op grond van de Omgevingswet (hierna: Ow) uiteindelijk in het gemeentelijke omgevingsplan (moeten) worden geïntegreerd. Het betreft voornamelijk regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving op onderdelen wijzigen. Dit zijn activiteiten die een blijvende en tastbare wijziging van de fysieke leefomgeving teweeg brengen. Daarnaast betreft het verordeningsregels die nauw samenhangen met de regels over deze activiteiten en waarvan het wenselijk of logisch is om die samenhang in de bepalingen van de VFL te bewaren. Meer specifiek voor het cultuurerfgoed geldt bovendien dat de bescherming daarvan uiteindelijk primair in het omgevingsplan moet worden geregeld en niet meer in een (aparte) verordening. De VFL is bedoeld als een eerste stap om te komen tot deze integratie door de verschillende regels en vergunningstelsels bij elkaar te zetten in één verordening voor de fysieke leefomgeving.

De betreffende verordeningsregels van de APV en de erfgoedverordening zijn beleidsneutraal omgezet in de VFL waarbij ze, voor zover nodig, zijn aangepast aan het wettelijke kader van de Ow. De grondslag voor deze verordening bestaat artikel 149 van de Gemeentewet voor wat betreft vanuit de APV afkomstige regels (opgenomen in hoofdstuk 2 tot en met 5 en deels hoofdstuk 1 van de verordening) en artikel 3.16 van de Erfgoedwet voor wat betreft de regels van de (voormalige) erfgoedverordening (opgenomen in hoofdstuk 6 en deels hoofdstuk 1 van de verordening).

Gemeenten mogen tot het einde van de overgangsfase omgevingsplan (tot eind 2029) regels over erfgoed blijven stellen in een verordening Deze bevoegdheid staat in artikel 3.16 van de Erfgoedwet. Artikel 2.8 onder B van de Invoeringswet Omgevingswet regelt dat deze erfgoedverordening geen regels over de fysieke leefomgeving mag stellen. Dit artikel uit de invoeringswet treedt echter pas aan het eind van de overgangsfase van het omgevingsplan in werking. Dit zal het inwerkingtredings-KB regelen. Tijdens de overgangsfase mag de gemeente de bescherming van gemeentelijk erfgoed volledig (blijven) regelen via regels in een erfgoedverordening dan wel via regels over erfgoed in een verordening fysieke leefomgeving.

Voor de vanuit de APV afkomstige verordeningsregels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen, is op grond van artikel 2.7 van de Ow in combinatie met artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit bepaald dat deze alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Zoals hier voor al vermeld, geldt de verplichting tot het vaststellen van een omgevingsplan op grond van artikel 22.4 van de Ow pas aan het einde van de overgangsfase die naar verwachting (in elk geval) tot eind 2029 duurt. De eis dat deze verordeningsregels alleen nog in het omgevingsplan mogen worden opgenomen geldt vanaf dat tijdstip. Tot die tijd is bepaald dat artikel 122 van de Gemeentewet, dat regelt dat bepalingen van gemeentelijke verordeningen waarvan het onderwerp door hogere regelgeving wordt voorzien van rechtswege komen te vervallen, niet van toepassing is. Dat betekent dat tijdens de overgangsfase de

gemeente in een verordening fysieke leefomgeving bepalingen mag opnemen over activiteiten met betrekking tot de fysieke leefomgeving die tot dusver onderdeel uitmaakten van de APV.

Artikelsgewijs

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die slechts op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in het desbetreffende hoofdstuk aanvullende definities opgenomen.

Over de begripsbepalingen van dit artikel kan het volgende worden opgemerkt.

Bevoegd gezag Met het begrip ‘bevoegd gezag’ wordt aangehaakt bij de Omgevingswet (hierna: Ow). Die is van toepassing op de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel2.3) de omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 3.2), de omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg (artikel 3.3), de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van handelsreclame (artikel 5.2), de omgevingsvergunning voor het wijzigen van of aanbrengen van veranderingen aan een gemeentelijk monument (artikel 6.14) en de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk binnen een gemeentelijk beschermd stadsof dorpsgezicht (artikel 6.18). Deze vergunningen zijn aangewezen in artikel 22.8 van de Ow. Artikel 22.8 van de Ow brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) feitelijk wordt gecontinueerd.

Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Ow aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow (in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit).

Beperkingengebiedactiviteit In dit onderdeel wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen in artikel 1.1, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Ow. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de VFL. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied. Binnen een dergelijk gebied kan al hogere regelgeving van toepassing zijn op grond waarvan de werking van bepaalde regels van de VFL voor dat gebied moet worden uitgezonderd. In verschillende artikelen van de VFL staat dat een verbod niet van toepassing is

op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar de bijlage, onder A bij de Ow: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.

Omgevingsvergunning Ook met het begrip ‘omgevingsvergunning’ wordt aangehaakt bij de Ow. Zie die hiervoor gegeven toelichting bij het begrip bevoegd gezag. De betreffende vergunningstelsels voor a) het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg, b) het maken van een uitweg, c) het aanbrengen van handelsreclame, d) het vellen van houtopstanden, e) het veranderen van een gemeentelijk monument en f) het slopen van een bouwwerk binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht die nu zijn opgenomen in de VFL waren aangewezen in artikel 2.2 van de Wabo (onderdeel b. tot en met e. en g. tot en met i. van dit artikel). Vandaar dat de vergunningsplicht voor deze activiteiten in de VFL uitgaat van een omgevingsvergunning.

De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college, maar bij Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Ow valt, staan, voor zover van belang voor de vergunningsregels van de VFL, in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde). Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten van artikel 4:2, eerste lid van de Awb (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekeningen en aanduiding van de gevraagde beschikking).

Daarnaast staan in hoofdstuk 22, paragraaf 22.5.2 van het (tijdelijke) omgevingsplan (de Bruidsschat) nog bijzondere, aanvullende indieningsvereisten voor deze vergunningsregelingen. Artikel 22.287 tot en met 22.294 van het omgevingsplan bevatten indieningsvereisten voor omgevingsvergunningsaanvragen met betrekking tot gemeentelijke monumenten (artikel 6.14), artikel 22.296 bevat de indieningsvereisten voor een vergunningaanvraag voor het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht (artikel 6.18), artikel 22.297 bevat de indieningsvereisten voor een aanvraag omgevingsvergunning met betrekking tot een uitweg (artikel 3.3), artikel 22.229 bevat deze eisen voor een aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand (artikel 2.3) en artikel 22.300 bevat deze eisen voor een omgevingsvergunning met betrekking tot handelsreclame (artikel 5.2). Voor zover er daarbij sprake is van een omgevingsvergunning staan er in artikel 22.284 tenslotte indieningsvereisten voor een

vergunningsaanvraag met betrekking tot het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg (artikel 3.2).

Artikel 1.2 Beslistermijn

Eerste lid Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de VFL is een beslistermijn van acht weken opgenomen (eerste lid). Deze termijn is overgenomen van de APV waarin de algemene beslistermijn ook op acht weken is gesteld. Dit is eveneens gelijk aan de maximale redelijke termijn die bij gebreke van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb wordt gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in de VFL, conform de regeling in de APV, op acht weken gesteld (tweede lid).

Tweede lid Deze beslistermijn is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Vandaar de in het derde lid van dit artikel gemaakte uitzondering. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5.3 van de Ow. In verreweg de meeste gevallen zal volgens de Ow voor een aanvraag omgevingsvergunning op grond van de VFL de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor de aangevraagde omgevingsvergunning een beslistermijn van acht weken zal gelden. Materieel is er op dit punt dus geen verschil met de in de verordening opgenomen beslistermijn. Een verschil is wel dat de volgens de Ow de beslistermijn niet met acht maar slechts met zes weken kan orden verlengd.

Artikel 1.3 Voorschriften en beperkingen

Eerste lid In de literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook – ten overvloede – worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1.5 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

Tweede lid De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Op grond daarvan is in het tweede lid voor degene

aan wie een vergunning of ontheffing op grond van de VFL is verleend een verplichting opgenomen om zich te houden aan de daaraan (eventueel) verbonden voorschriften en beperkingen.

Derde lid De regels van dit artikel zijn niet van toepassing op een omgevingsvergunning. De Ow bevat een uitputtende regeling over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow.

Artikel 1.4 Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing

Eerste lid De VFL gaat er vanuit dat een vergunning of ontheffing wordt verleend aan een bepaald persoon (de aanvrager). Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de aanvrager. De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt.

Tweede lid Ook dit artikel geldt niet voor een omgevingsvergunning. De Ow bevat zelf een uitputtende regeling voor wie een omgevingsvergunning geldt (artikel 5:37 Ow).

Artikel 1.5 intrekken of wijziging van de vergunning of ontheffing

Eerste lid De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften hoeven te leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.

Onder onderdeel d. wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt.

Tweede lid De in dit artikel opgenomen regeling voor het intrekken of wijzigen van een vergunning of ontheffing is niet van toepassing op een krachtens deze verordening verleende omgevingsvergunning. De Ow bevat ook hier zelf een uitputtende regeling voor de wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning (zie paragraaf 5.1.5 van de Ow).

Artikel 1.6 Termijnen

Eerste lid

Artikel 1.6 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit de Europese Dienstenrichtlijn die stelt dat vergunningen op een aantal uitzonderingen na geen beperkte geldingsduur mogen hebben. Verlenen van een vergunning op basis van VFL voor een beperkte tijd is eventueel nog wel mogelijk. Daarvoor moet echter worden gemotiveerd dat een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang: als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend moet beargumenteerd worden waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Artikel 4, onder 8, van de Dienstenrichtlijn geeft een definitie van ‘dwingende redenen van algemeen belang’: “redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid”.

In dit verband kan ook nog worden gewezen op het vorige artikel. Artikel 1.5 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning (niet zijnde een omgevingsvergunning) kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom normaal gesproken in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseis.

Tweede lid Een andere uitzondering op het verlenen van een vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd zijn de schaarse vergunningen. Dit is geregeld in het tweede lid. Uit de jurisprudentie blijkt (ABRvS 02-112016, ECLI:NL:RVS:2016:2927,) dat schaarse vergunningen zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd.

Artikel 1.7 Weigeringsgronden

Eerste lid Vergunnings- of ontheffingsstelsels zijn in de VFL als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning of ontheffing. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen deze verordening is er voor gekozen om in hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’ algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere of aanvullende weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1.7 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.

Tweede lid Het tweede lid van dit artikel bevat een weigeringsgrond voor aanvraag die als gevolg van het door het (late) tijdstip van indienden van de aanvraag waarvan een volledige en goede beoordeling redelijkerwijs niet (meer) mogelijk is voor vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de

aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Het is weinig zinvol - voor zowel de aanvrager als de gemeente - om nog te beginnen met een inhoudelijk toetsing van zo’n aanvraag. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Houtopstanden

Algemeen In de gemeente Den Helder geldt in beginsel een algemeen kapverbod. Deze bepalingen zijn bedoeld om toe te zien op het onderhoud en bewaren van het (openbare) groen. Op dit verbod zijn verschillende uitzonderingen gemaakt. Deze zijn terug te vinden in artikel 2.3, lid 2. Bij de formulering van de uitzonderingen is onder andere rekening gehouden met de potentiële waarde, de functie en de locatie van de houtopstand.

Van belang is om bij de aanvrager onder de aandacht te brengen dat er bij het vellen van een houtopstand volgens de Ow ook nog sprake kan zijn van een flora- en fauna-activiteit: een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Hiervoor gelden op grond de Ow aanvullende regels. Als er rust- of verblijfplaatsen van niet beschermde planten- en/of diersoorten aanwezig zijn die door het vellen van een houtopstand worden verstoord of vernield dan moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen om dit te voorkomen. Indien er rust- of verblijfplaatsen van beschermde planten en/of diersoorten aanwezig zijn dan is er voor het vellen van een houtopstand ook een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de flora- en fauna-activiteit nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1949/documents/19754