CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Veegplan Den Helder 2023_Bijlagen toelichting.pdf

Gemeenteraad 1 juli 2024, gemeente Den HelderBij agendapunt: 14: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023.8.236 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023 vastgesteld

bestemmingsplan Bijlagen toelichting

Veegplan Den Helder 2023 vastgesteld

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

5

Bijlage 1

Overzicht percelen snippergroen

7

Bijlage 2

Natuurwaardenonderzoek

11

Bijlage 3

Reactienota vooroverlegreacties

25

3

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

4

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Bijlagen toelichting

5

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

6

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Bijlage 1 Overzicht percelen snippergroen

7

Snippergroen Den Helder Grondverkooptransacties bijgewerkt tot en met 26 juli 2022

Adres

Bestemmingsplan

IMRO-code

Huidige bestemming

Toekomstige bestemming

Amerstraat 3

NL.IMRO.0400.317BPNWDHCENTR 2013-VST1

Verkeer - Verblijf

Bedrijf

Baljuwstraat 141

bestemmingsplan Nieuw Den Helder Centrum 2013 DE SCHOOTEN 2012

Groen

Bedrijf

Boterzwin 3435

Julianadorp 2017

Verkeer - Verblijf

Gemengd - 3

Marsdiepstraat 300

bestemmingsplan Nieuw Den Helder Centrum 2013 LANDELIJK GEBIED 2011 LANDELIJK GEBIED 2011 LANDELIJK GEBIED 2011 LANDELIJK GEBIED 2011 bestemmingsplan Stadshart Zuid 2012 bestemmingsplan Stadshart Zuid 2012 NIEUW DEN HELDER ZUID 2012 DE SCHOOTEN 2012

NL.IMRO.0400.312BPSCHOOTEN2 012-VST1 NL.IMRO.0400.511BPJULDORP201 7NL.IMRO.0400.317BPNWDHCENTR 2013-VST1

Groen

Maatschappelijk

NL.IMRO.0400.412BPLANDGEB20 11-VST1 NL.IMRO.0400.412BPLANDGEB20 11-VST1 NL.IMRO.0400.412BPLANDGEB20 11-VST1 NL.IMRO.0400.412BPLANDGEB20 11-VST1 NL.IMRO 0400.220BPStadshartZuid2012-VS T1 NL.IMRO 0400.220BPStadshartZuid2012-VS T1 NL.IMRO.0400.318BPNWDHZUID2 012-VST1 NL.IMRO.0400.312BPSCHOOTEN2 012-VST1

Groen

Recreatie

Groen

Recreatie

Groen

Recreatie

Groen

Recreatie

Verkeer - Verblijf

Tuin

Bedrijf

Tuin

Groen

Tuin

Verkeer - Verblijf

Tuin

NIEUW DEN HELDER ZUID 2012 Nieuw Den Helder West 2006 bestemmingsplan Stadshart Zuid 2012 Bestemmingsplan Stadshart Centrum 2010 Julianadorp 2017

NL.IMRO.0400.318BPNWDHZUID2 012-VST1 NL.IMRO.04000000311BPNWDHW 2006NL.IMRO 0400.220BPStadshartZuid2012-VS T1 NL.IMRO.0400.214BPStadshart201 0-VST1

Verkeer - Verblijf

Tuin

Verkeer - Verblijf

Tuin

Verkeer - Verblijf

Tuin

Wonen Woongebouw

Tuin

NL.IMRO.0400.511BPJULDORP201 7-

Verkeer - Verblijf

Tuin

Julianadorp 2017

NL.IMRO.0400.511BPJULDORP201 7NL.IMRO.0400.317BPNWDHCENTR 2013-VST1

Groen

Tuin

Groen

Tuin

NL.IMRO.04000000311BPNWDHW 2006-

Verblijfsdoeleinden

Tuin

NL.IMRO.0400.214BPStadshart201 0-VST1

Wonen

Verkeer - Verblijf

Ereprijs 4 Watermunt 31; Watermunt 33 Ogentroost 20 22 24 Visstraat 35

Jonkerstraat 6

Jolstraat 15 Simon Blauwboerstraat 25 Galjoenstraat 4749 Hortensiastraat 28 Ruyghweg 1c-31

Loodsgracht 6

Mr J. Henderikxstraat 50 Vogelzand 2277 Jekerstraat 11

Duinroosstraat 22 Molenstraat 182184

bestemmingsplan Nieuw Den Helder Centrum 2013 Nieuw Den Helder West 2006 Bestemmingsplan Stadshart Centrum 2010

Kruiszwin 3143

Julianadorp 2017

NL.IMRO.0400.511BPJULDORP201 7-

Verkeer - Verblijf

Wonen

Doorzwin 5301

Julianadorp 2017

Verkeer - Verblijf

Wonen; Tuin

Hector Treubstraat 33 Timorlaan 7

Verkeer - Verblijf

Wonen

Groen

Wonen

Doorzwin 2234

STADSHART WEST 2016 STADSHART WEST 2016 Julianadorp 2017

Verkeer - Verblijf

Wonen

Badhuisstraat 9-17

Huisduinen en de Stelling 2015

NL.IMRO.0400.511BPJULDORP201 7NL.IMRO.0400.211BPSHWEST2016 -VST1 NL.IMRO.0400.211BPSHWEST2016 -VST1 NL.IMRO.0400.511BPJULDORP201 7NL.IMRO.0400.612BPSTELLING201 5-VST1

Verkeer - Verblijf

Wonen

Rw van de Wintstraat 26

Huisduinen en de Stelling 2015

NL.IMRO.0400.612BPSTELLING201 5-VST1

Verkeer - Verblijf

Wonen

Middelzand 5309

Julianadorp 2017

Groen

Wonen

Oostslootstraat 99

Bestemmingsplan Stadshart Centrum 2010 Bestemmingsplan Stadshart Centrum 2010 Julianadorp 2017

NL.IMRO.0400.511BPJULDORP201 7NL.IMRO.0400.214BPStadshart201 0-VST1

Verkeer - Verblijf

Wonen

NL.IMRO.0400.214BPStadshart201 0-VST1

Gemengd; Verkeer - Verblijf

Wonen

NL.IMRO.0400.511BPJULDORP201 7NL.IMRO.0400.211BPSHWEST2016 -VST1 NL.IMRO.0400.211BPSHWEST2016 -VST1 NL.IMRO.0400.315BP0012010-VST 1

Verkeer - Verblijf

Wonen

Verkeer - Verblijf

Tuin

Verkeer - Verblijf

Tuin

Groen; Water

Woongebied

Stationstraat 1618 Kruiszwin 3327 Sportlaan 9 Sportlaan 11 Doggersvaart 9

STADSHART WEST 2016 STADSHART WEST 2016 Bestemmingsplan De Dogger Zuid-West 2010

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Bijlage 2 Natuurwaardenonderzoek

11

Natuurtoets

paraplubestemmingsplan

Den

Helder Opdrachtgever:

projectnummer: P001221

Onderwerp:

Natuurwaardenonderzoek paraplubestemmingsplan Den Helder

Datum:

06-03-2023

Inleiding KADER De gemeente Den Helder wil een paraplubestemmingsplan opstellen om een aantal kleinschalige ontwikkelingen mogelijk te maken binnen het gemeentegebied. Het gaat om het mogelijk maken van kleine windturbines en schuilstallen in het buitengebied. Ook worden opslagunits mogelijk gemaakt op bestaande bedrijventerreinen. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een toets aan de natuurwetgeving uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of het plan effecten kan hebben op in 1

het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde soorten en gebieden. Vanwege de globale opzet van het plan, zonder vastlegging van exacte locaties, is het onderzoek beperkt tot een bureauonderzoek. Bij een concreet voornemen voor de plaatsing van een kleine windturbines of een schuilstal kan een meer gedetailleerde natuurtoets worden uitgevoerd. In deze toets worden ook de specifieke kenmerken van een locatie beoordeeld, onder meer door een veldonderzoek uit te voeren. Een dergelijke meer specifieke toets is geen onderdeel van dit onderzoek. VOORNEMEN Het voornemen bestaat onder andere uit het mogelijk maken van kleine windturbines met een maximale hoogte van 15 meter. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt om een kleine windturbine op een gebouw te plaatsen waarvan de maximumhoogte 7 meter bedraagt, zolang de hoogte niet meer dan 15 meter boven maaiveld bedraagt. De kleine windturbines mogen uitsluitend worden geplaatst binnen de bouwvlakken van meer dan een hectare groot met een agrarische bestemming of een bestemming waar een stedelijke ontwikkeling mogelijk is (bijvoorbeeld Wonen of Bedrijf). Per bouwvlak is het mogelijk om maximaal één windturbine te plaatsen. Het plaatsen van windturbines binnen Natura 2000-gebieden, NNN en open agrarisch gebied wordt niet mogelijk gemaakt.

1

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.

Daarnaast wordt de plaatsing van schuilstallen voor de huisvesting van hobbydieren. Toegestaan is 2

een maximale oppervlakte van 30 m , een goothoogte van 2 meter en een nokhoogte van 3 meter. De schuilstallen moeten worden opgetrokken uit gepotdekselde houten gevelbekleding, waarbij geen sterk contrasterende felle of bonte kleuren zijn toegestaan, en een schuine afdekking met een dakbedekking van bitumen singels, leitjes of donkere dakpannen. Een groen sedumdak is ook toegestaan. De constructie mag maximaal drie dichte wanden hebben. Een schuilstal mag enkel worden opgericht op percelen met de bestemming agrarisch, waarbij sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing. Schuilstallen dienen aan de randen van het perceel te worden gepositioneerd of in de hoek van een perceel bij voorkeur aansluitend bij bestaande opstanden. Het dient te gaan om een solitair gelegen weiland. Indien een weiland aansluit op het huisperceel van de aanvrager, dient de schuilgelegenheid binnen het bouwperceel en binnen de vigerende bebouwingsvoorschriften te worden gerealiseerd. Schuilstallen in natuur- en bosgebieden niet zijn toegestaan. Verder wordt het mogelijk gemaakt om bij bedrijven opslagunits te realiseren met een oppervlakte 2

van minimaal 100 m . Voorwaarde is dat deze alleen mogelijk worden gemaakt conform de huidige bouwregels (de huidige planologische ruimte). PLANGEBIED Het plangebied bestaat uit het buitengebied van de gemeente Den Helder. Specifiek omvat het plangebied de gronden van de volgende vigerende bestemmingsplannen: •

LANDELIJK GEBIED 2011 (vastgesteld 2013-07-01)

•

Bestemmingsplan Kooypunt 2012 (vastgesteld 2014-06-16) *

•

Bestemmingsplan Julianadorp Zuid-Oost 2010 (vastgesteld 2010-10-04) *

•

Rijksweg 109 (vastgesteld 2016-09-12)

*) Alleen het grondgebied dat onderdeel is van het buitengebied Dit betreft een groot gebied dat globaal ligt ingeklemd tussen de Den Helder in het noorden het open agrarisch gebied van de gemeente Callantsoog in het zuiden, de Rijksweg in het oosten en de Noordzee met aangrenzende stranden en duinen in het westen. Soortbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: -

alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4);

-

dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);

-

nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

2

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. INVENTARISATIE Uit het raadplegen van de gegevens van de afgelopen 5 jaar in de Nationale Database Flora en Fau2

na op 1 september 2022 blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving veel beschermde dieren plantensoorten bekend zijn. Het gaat hierbij om vaatplanten, vogels met jaarrond beschermde nesten, zoogdieren, amfibieën, ongewervelden, reptielen en een vissoort (noordzeehouting). In en in de omgeving van het plangebied zijn twee beschermde plantensoorten bekend, namelijk groot spiegelklokje en grote leeuwenklauw (NDFF). Van beide soorten is één waarneming bekend in of nabij het plangebied. Deze zeldzame soorten stellen hoge eisen aan de groeiplaatsen, waardoor de kans nihil is dat deze voorkomen op een locatie waar een kleine windturbine, schuilstal of opslagunit wordt geplaatst. Ook andere beschermde plantensoorten die niet bekend zijn uit het plangebied stellen hoge eisen aan de groeiplaats en zijn gewoonlijk beperkt tot voedselarme bodems. Bij een concreet voornemen kan worden bepaald of beschermde plantensoorten op een locatie voorkomen. Uit het plangebied en de directe omgeving is een aantal vleermuissoorten bekend, te weten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en tweekleurige vleermuis (NDFF). Veel van deze soorten zijn één of enkele keren waargenomen.

Alleen de soorten gewone en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis zijn meer dan tienmaal in het plangebied waargenomen. Meervleermuis, watervleermuis, baardvleermuis, tweekleurige vleermuis en kleine dwergvleermuis zijn door de eisen aan hun leefomgeving en/of grote zeldzaamheid nauwelijks op locaties te verwachten waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Rosse vleermuis is een soort die graag op grote hoogte foerageert en zal zodoende ook niet veel op locaties van kleine windturbines foerageren. De andere soorten (gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis) kunnen door hun eisen aan het biotoop, het foerageergedrag en de verspreiding regelmatig op plaatsen voorkomen waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Op locaties waar doorlopende bomenrijen of brede watergangen aanwezig zijn, kan ook sprake zijn van vliegroutes van vleermuizen.

2

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF is de meeste complete natuurdatabank van Nederland. De NDFF geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren en bevat uitsluitend gevalideerde gegevens.

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

3

Uit het plangebied en omgeving is een fors aantal vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen bekend (NDFF). Met name de meer algemene soorten die graag op agrarische erven broeden en/of in agrarisch gebied foerageren, zoals huismus, kerkuil en buizerd, zijn ook te verwachten op de locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Verder zijn meer algemene soorten als roek en buizerd nabij de kleine windturbines en schuilstallen te verwachten. Behalve vogels met jaarrond beschermde nesten, kunnen ook andere vogels broeden op de locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Te verwachten zijn vooral vogels van erven en bedrijventerreinen, zoals spreeuw, houtduif en boerenzwaluw. Bij de ontwikkeling van de schuilstallen kan het ook gaan om akker- en weidevogels, zoals kievit en scholekster. In het plangebied en omgeving is een aantal algemene grondgebonden zoogdiersoorten bekend (NDFF), waarvan een deel ook verblijfplaatsen kan hebben op locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, zoals huisspitsmuis, veldmuis, egel en haas. Voor deze algemene soorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit het plangebied zijn ook de niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten boommarter, bunzing en wezel bekend (NDFF).

Met name wezel en bunzing kunnen voorkomen op locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Deze soorten komen namelijk regelmatig voor in het buitengebied en kunnen op of nabij agrarische erven verblijfplaatsen hebben. Het is mogelijk dat locaties in het plangebied waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt geschikt landbiotoop vormen voor amfibieën, zoals de algemene soorten bastaardkikker, meerkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander die uit het plangebied bekend zijn (NDFF). Voor deze algemene amfibieënsoorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. De niet-vrijgestelde amfibieënsoorten kamsalamander en rugstreeppad zijn ook bekend uit het plangebied en omgeving (NDFF). Bij kamsalamander gaat het om slechts één waarneming uit de bebouwde kom van Julianadorp. Deze soort zal niet voorkomen op de locaties in het plangebied waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Bij rugstreeppad, waarvan 76 waarnemingen bekend zijn, ligt dit anders. Deze soort komt voor op agrarische erven en bedrijventerreinen als hier vergraafbare grond of materialen aanwezig zijn waaronder rugstreeppadden kunnen wegkruipen. De soort kan zich zelfs voortplanten op de erven en bedrijventerreinen indien hier ondiepe plassen of met water gevulde rijsporen aanwezig zijn.

Aanwezigheid van rugstreeppad kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten.

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

4

In de omgeving van het plangebied is de reptielensoort zandhagedis bekend (NDFF). Zandhagedis komt uitsluitend voor in de zandige duingebieden ten westen van het plangebied. De soort kan worden uitgesloten op locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. De beschermde vissoort noordzeehouting is bekend van één waarneming nabij het plangebied in het Marsdiep (NDFF). Aanwezigheid van deze en andere beschermde vissoorten op locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, kan worden uitgesloten. Uit het plangebied en de directe omgeving zijn drie beschermde dagvlindersoorten en één beschermde libellensoort bekend (NDFF). Duinparelmoervlinder en kommavlinder zijn beperkt tot schraalgraslanden in duingebieden en kunnen worden uitgesloten op de locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. De dagvlindersoort grote vos komt voor in lichte bossen, lanen, houtsingels en boomgaarden met de waardplanten voor de rupsen, zoals boswilg, iep en zoete kers. Ook voor deze soort vormen de duinen geschikt leefgebied, maar de soort kan ook voorkomen buiten de duinen. Deze soort is zeer zeldzaam in het plangebied en omgeving met negen waarnemingen op slechts twee locaties.

De kans dat grote vos voorkomt op de locatie waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt is nihil, omdat de schuilstallen en kleine windturbines alleen op agrarische bouwvlakken, bedrijventerreinen (opslagunits) of in open agrarisch gebied (schuilstallen) mogen worden geplaatst waar gewoonlijk geen geschikt leefgebied aanwezig is. De libellensoort gevlekte witsnuitlibel is gebonden aan wateren met een goede waterkwaliteit en een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie, zoals duinmeertjes. Deze soort kan worden uitgesloten op de locaties in het plangebied waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. TOETSING De kans dat beschermde plantensoorten voorkomen op een locatie waar een kleine windturbine of schuilstal wordt geplaatst is nihil. Bovendien kan bij een concreet voornemen worden bepaald beschermde plantensoorten op een locatie voorkomen, zodat bij de exacte locatiebepaling voor de plaatsing van een kleine windturbine of schuilstal rekening kan worden gehouden met de eventueel aanwezige groeiplaatsen. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten zijn niet te verwachten.

Als gevolg van het plaatsen van de kleine windturbines, opslagunits of kleine schuilstallen gaan naar verwachting geen vleermuisverblijfplaatsen verloren, aangezien de kans door het geringe ruimtebeslag of de locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt uiterst klein is dat voor de plaatsing gebouwen gesloopt of bomen gekapt worden, te meer omdat bij een concreet plan rekening kan worden gehouden met eventueel aanwezige verblijfplaatsen. Windturbines kunnen in potentie wel zorgen voor verstoring en voor aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen. Er is nog weinig bekend over de effecten van kleine windturbines op vleermuizen. Enke-

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

5

le studies beschrijven de effecten van kleine windturbines op het foerageergedrag van vleermuizen. Uit deze studies komt naar voren dat lagere aantallen foeragerende vleermuizen worden waargeno3

men tot op in ieder geval 20-25 meter afstand van de kleine turbines (Minderman et al., 2012 ; Min4

derman et al., 2017 ). Minderman et al. (2017) geven aan dat effecten van windturbines tot op 100 meter afstand meetbaar zijn, maar dat de verstoring vermoedelijk voor het grootste deel binnen 25 meter afstand van de windturbines plaatsvindt. Gelet op de grote foerageergebieden van vleermuizen, zal bij één windturbine op een erf geen sprake zijn van negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied, temeer omdat naar verwachting veel kleine windturbines in relatief intensief beheerde agrarische gebieden zullen worden geplaatst. Hetzelfde gaat op voor de schuilstallen die door de geringe grootte weinig ruimte innemen en gewoonlijk in intensief beheerde agrarische gebieden zullen worden geplaatst. Deze agrarische gebieden hebben geen hoge kwaliteit als foerageergebied voor vleermuizen. Voor het risico op aanvaringsslachtoffers is relevant welke soorten worden verwacht rond de windturbines. Daarnaast is de vlieghoogte van de te verwachten soorten relevant. Van de uit de omgeving van het plangebied bekende en te verwachten vleermuissoorten foerageren gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis in open agrarisch landschap. Al deze soorten jagen op 5 tot 50 meter hoogte en daarmee op rotorhoogte van de kleine windturbines. Rosse vleermuis jaagt meestal echter op grotere hoogtes. Gewone grootoorvleermuis jaagt graag op agrari5

sche erven en kan op rotorhoogte van de kleine windturbines vliegen. Minderman et al. (2015) berekenen op basis van gevonden slachtoffers bij kleine windturbines het aantal vleermuisslachtoffers van 0,008 – 0,169 exemplaren/turbine/jaar. Doordat er weinig onderzoeken zijn gedaan naar aanvaringsslachtoffers bij kleine windturbines, moeten deze getallen vooral gezien worden als globale indicatie. In de provincie Groningen is inmiddels ook een onderzoek uitgevoerd naar aanvaringsslachtof6

fers bij kleine windturbines (Jonge Poerink & Van Houten – Munten ). Hierbij werden helemaal geen vleermuisslachtoffers gevonden, maar er werden wel foeragerende en langsvliegende vleermuizen waargenomen nabij de kleine windturbines. Het ging hierbij om de soorten gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Gewone en ruige dwergvleermuis waren daarbij de soorten die het meeste zijn waargenomen.

3 Minderman, J., C.J. Pendlebury, J.W. Pearce-Higgins, K.J. Park, Experimental Evidence for the Effect of Small Wind Turbine Proximity and Operation on Bird and Bat Activity. PLoS ONE 7(7): e41177. doi:10.1371/journal.pone.0041177 4 Minderman, J., M.H. Gillis, H.F. Daly, K.J. Park, 2017. Landscape-scale effects of single- and multiple small wind turbines on bat activity. Anim Conserv.DOI: 10.1111/acv.12331 5 Minderman, J., E. Fuentes-Montemayor, J.W. Pearce-Higgins, C.J. Pendlebury, K.J. Park, 2015. Estimates and correlates of bird and bat mortality at small wind turbine sites. Biodiversity and Conservation Volume 24, Issue 3, pp 467–482 6 Jonge Poerink, B. en S. van Houten – Munten, 2020. Eindrapportage effecten kleine windturbines vogels en vleermuizen. Ecosensys, rapportnummer 20190408

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

6

Gelet op de vlieghoogtes, het voorkomen binnen het plangebied, het voorkomen in relatief open gebieden en de waarnemingen in Groningen is te verwachten dat gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger het grootste risico lopen op aanvaringen bij windturbines in het plangebied. Indien een kleine windturbine wordt geplaatst op een locatie waar deze vleermuizen veel vliegen, zoals langs een vliegroute of nabij een verblijfplaats, is niet uit te sluiten dat meer dan incidenteel slachtoffers onder deze vleermuissoorten vallen en dat er sprake is van negatieve effecten op de populaties van deze soorten. Daarom is het nodig om bij concrete plannen voor de plaatsing van kleine windturbines te letten op de eventuele aanwezigheid van verblijfplaatsen en belangrijke vliegroutes van vleermuizen. De plaatsing van kleine windturbines en schuilstallen mag niet plaatsvinden op locaties met bezette nesten van broedvogels of op locaties met jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels. Dit kan alleen bij een concreet plan worden beoordeeld. Negatieve effecten op nesten van vogels kunnen naar verwachting altijd worden voorkomen bij de positionering van de kleine windturbines, opslagunits en schuilstallen, vanwege het zeer geringe oppervlak dat wordt ingenomen door deze bouwwerken.

Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde niet-jaarrond beschermde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van het plan rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Verder zijn in potentie effecten door verstoring van foeragerende vogels en door aanvaringsslachtoffers onder vogels mogelijk door de kleine windturbines. Minderman et al. (2012) vonden geen effect van kleine windturbines op de dichtheid van foeragerende vogels nabij kleine windmolens. Per locatie zal hooguit een zeer klein gebied ongeschikt wordt voor foeragerende vogels, omdat één kleine turbine per bouwvlak mogelijk wordt gemaakt. In de omgeving blijft in die gevallen in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig, gelet op het kleine invloedsgebied van de kleine windturbines. Negatieve effecten op vogels door verlies van foerageergebied zijn niet te verwachten. Minderman et al. (2017) berekenen op basis van gevonden slachtoffers bij kleine windturbines het aantal vogelslachtoffers van 0,079 – 0,278 exemplaren/turbine/jaar, waardoor op basis van dit onderzoek niet meer dan incidentele slachtoffers bij een kleine windturbine te verwachten zijn.

In Groningen is ook naar vogelslachtoffers bij kleine windturbines gezocht (Jonge Poerink & Van Houten – Munten). Hier werden op 6 locaties met kleine windturbines bij 10 bezoeken per locatie in totaal 2 mogelijke slachtoffers gevonden. Het ging om een houtduif en een huiszwaluw. Bij het onderzoek is ook gekeken in hoeverre vogels in de risicozone van kleine windturbines vliegen nabij de rotors. Hieruit

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

7

kwam naar voren dat de soorten huiszwaluw, torenvalk, boerenzwaluw, houtduif en gierzwaluw relatief vaak in de risicozone vliegen, waardoor deze soorten een hoger aanvaringsrisico hebben. Het plan kan leiden tot aanvaringsslachtoffers onder vogels bij een kleine windturbine, maar bij een goede locatiebepaling zal naar verwachting hooguit sprake zijn van incidentele slachtoffers. Om te voorkomen dat er meer dan incidentele slachtoffers onder vogels vallen, is het bij een concreet plan voor plaatsing van kleine windturbines nodig om bij de locatiekeuze te letten op aanwezigheid van nestplaatsen met de bijbehorende aanvliegroutes van de hierboven genoemde risicosoorten en andere soorten die veel op agrarische erven broeden, zoals huismus en kerkuil. In dat geval kunnen negatieve effecten op de broedpopulaties van de betroffen soorten naar verwachting voorkomen worden. De kans dat niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voorkomen op locaties waar kleine windturbines, opslagunits of schuilstallen worden geplaatst is klein, maar bij kleine marterachtigen en rugstreeppad niet op voorhand uit te sluiten.

Naar verwachting kan echter door het zeer geringe oppervlak dat een kleine windturbine, opslagunit of schuilstal inneemt voldoende rekening worden gehouden met eventueel aanwezige verblijfplaatsen of essentieel leefgebied, zodat een negatief effect op de te verwachten soorten kan worden voorkomen. Dit dient bij een concreet plan te worden beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de minimale kans op de aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden. Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen tot slot verblijfplaatsen van enkele algemene amfibieën- en of zoogdierensoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie NoordHolland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Gebiedsbescherming Voor

onderhavig plangebied

is

de

volgende wet-

en

regelgeving

op

het

gebied

van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. WET NATUURBESCHERMING In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

8

NATUURNETWERK NEDERLAND EN NATUURVERBINDINGEN Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Dit netwerk moet voldoende robuust zijn voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN en de bijbehorende natuurverbindingen is voor Noord-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening NH2020. BIJZONDER PROVINCIAAL LANDSCHAP Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid (omgevingsverordening NH2020) wordt buiten de NNNgebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van bijzonder provinciaal landschap. Dat zijn gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn én niet vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. INVENTARISATIE Ten noorden en oosten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Waddenzee en ten westen liggen de Natura 2000-gebieden Duinen Den Helder – Callantsoog en Noordzeekustzone.

De duingebieden aan de westzijde van het plangebied, randen van de Waddenzee ten oosten van het plangebied en het gebied De Nollen aan de noordzijde van het plangebied zijn in de Omgevingsverordening aangewezen NH2020 als NNN (zie figuur 1). Binnen het plangebied liggen geen gronden die zijn aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL).

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

9

Figuur 1. NNN-gebieden weergegeven in groen. (bron: Omgevingsverordening NH2020, www.ruimtelijkeplannen.nl)

TOETSING De schuilstallen, opslagunits en kleine windturbines mogen op grond van de regels niet in een Natura 2000-gebied worden geplaatst. Het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder – Callantsoog heeft alleen instandhoudingsdoelen voor habitattypen, zodat negatieve effecten door aanvaringsslachtoffers of anderszins op voorhand kunnen worden uitgesloten. De Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Waddenzee hebben wel instandhoudingsdoelen voor broedvogels en niet-broedvogels. Niet al deze broedvogels en nietbroedvogels verblijven continu in het Natura 2000-gebied. Sommige soorten, met name watervogels en steltlopers, kunnen ook in open agrarisch gebied foerageren. De broedvogels en niet-broedvogels van open kustgebieden en open agrarisch gebied, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd, vliegen of foerageren echter niet of nauwelijks op en rond agrarische erven, vanwege de openheid van het landschap die deze soorten prefereren. De kans op aanvaringsslachtoffers onder kwalificerende broedvogels en niet-broedvogels van de Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Waddenzee door de plaatsing van kleine windturbines binnen bestaande bouwvlakken is daarom nihil. De plaatsing van de kleine windturbines op agrarische bedrijfspercelen zal dan ook niet leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.

Ook de plaatsing van de kleine schuilstallen aan de rand van agrarische percelen, waar mogelijk aansluitend aan bestaande bebouwing of binnen het bestaande bouwvlak, zal ook niet leiden tot een noemens-

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

10

waardig verlies van foerageergebied van de aangewezen vogels, mede gelet op het kleine ruimtebeslag en de verstoring die al uitgaat van bestaande bebouwing en infrastructuur. Daarom zijn (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door de plaatsing van schuilstallen eveneens niet te verwachten. De plaatsing van opslagunits op bedrijventerreinen, binnen bestaande bouwrechten, zal niet leiden tot een noemenswaardige toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande bouwrechten. Een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige delen van Natura 2000gebieden wordt dan ook niet verwacht. Ook de schuilstallen en de windturbines zorgen niet voor een extra uitstoot van stikstof die kan leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000gebieden. Een ruimtelijk plan mag op basis van de Omgevingsverordening NH2020 geen nieuwe activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het NNN of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. Aantasting van oppervlakte of de samenhang is niet aan de orde, omdat de kleine windturbines en schuilstallen niet binnen NNN of natuurverbindingen mogen worden geplaatst op grond van de regels.

De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in en rond het plangebied zijn beschreven voor vier delen, namelijk: - Het nollenlandschap - Grafelijkheidsduinen - Noordduinen, Mariëndal & Botgat - Balgzand Onder de wezenlijke kenmerken en waarden van deze vier gebieden, worden ook een aantal kenmerken en waarden van vogels en vleermuizen genoemd. Het gaat om de wezenlijke kenmerken en waarden, hoogwatervluchtplaats(en), vleermuizen, broedvogels van pioniervegetaties, vogels van heide en open zand, bos- en/of struweelvogels en weidevogels. Hiervan kunnen vleermuizen, weidevogels en in veel mindere mate vogels van hoogwatervluchtplaatsen en broedvogels van pioniervegetaties ook gebruik maken van het open agrarisch gebied om te foerageren of broeden. Het gaat hierbij echter om vogels van open gebieden die op of direct rond de agrarische erven niet tot nauwelijks voorkomen door het gebrek aan openheid. De kans op aanvaringsslachtoffers onder vogelsoorten van open gebieden die behoren tot de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-gebieden is daarom nihil. Voor vleermuizen geldt dat de kans heel klein is dat vleermuizen die in de NNNgebieden verblijven en die hier hoogwaardige natuur ter beschikking hebben om te foerageren ook buiten de NNN-gebieden foerageren in het open agrarisch gebied rond agrarische erven.

De kans op aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen die onderdeel vormen van de wezenlijke kenmerken en

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

11

waarden is daarom eveneens nihil. Een negatief effect op het NNN als gevolg van het plan is dan ook niet te verwachten. Conclusie Voor een globale toetsing van het paraplubestemmingsplan voor kleine windturbines, opslagunits en schuilstallen aan de natuurwetgeving is een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan uit het bronnenonderzoek. Uit het natuurwaardenonderzoek komt naar voren dat er bij een concreet plan voor de plaatsing van een kleine windturbine, schuilstal of opslagunit moet worden bepaald of er sprake is van verblijfplaatsen, vliegroutes of een belangrijk foerageergebied van vleermuizen. Daarnaast is het nodig om te bepalen of nesten en/of functioneel leefgebied van vogels met jaarrond beschermde nesten en andere vogels met een hoog aanvaringsrisico (huiszwaluw, torenvalk, boerenzwaluw, houtduif en gierzwaluw) op deze locaties aanwezig is. Indien deze soorten in de omgeving aanwezig zijn, moet bij de positionering rekening worden gehouden met deze soorten, zodat het aanvaringsrisico wordt geminimaliseerd. In dat geval is niet meer dan een incidenteel slachtoffer te verwachten. Verder dient bij de plaatsing aantasting en verstoring van bezette nestplaatsen van vogels en verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde amfibieën (rugstreeppad) en grondgebonden zoogdieren (kleine marterachtigen) te worden voorkomen.

Mede omdat het plaatsen van kleine windturbines en schuilstallen binnen NNN en Natura 2000gebied niet mogelijk wordt gemaakt, zijn geen negatieve effecten op deze de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de oppervlakte, samenhang en wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-gebieden te verwachten.

datum 06-03-2023

projectnummer P001221

12

bestemmingsplan Veegplan Den Helder 2023

Bijlage 3 Reactienota vooroverlegreacties

25

Eindverslag vooroverlegreacties Voorontwerp bestemmingsplan ‘Veegplan Den Helder’ Team Omgeving

INHOUDSOPGAVE 1. Overzicht van de gevolgde procedures 2. Bespreking ingekomen overlegreacties 1. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2. Omgevingsdienst Noord-Holland Noord 3. Port of Den Helder 4. Provincie Noord Holland 5. Veiligheidsregio Noord-Holland Noord 6. Gemeente Hollands Kroon 7. Defensie

1. Overzicht van de gevolgde procedures Vooroverleg Het voorontwerp van het bestemmingsplan “Veegplan Den Helder” is het kader van het wettelijk voorgeschreven vooroverleg voorgelegd aan die diensten en instanties, welke een belang bij het plan hebben. In dit kader is het voorontwerp aan diverse partners toegezonden met verzoek om advies. Van onderstaande partijen is een reactie ontvangen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier; Omgevingsdienst Noord-Holland Noord; Port of Den Helder; Provincie Noord Holland; Veiligheidsregio Noord-Holland Noord; Gemeente Hollands Kroon; Defensie.

In hoofdstuk 2 is een samenvatting van elke afzonderlijke overlegreactie opgenomen met aansluitend het commentaar van de gemeente.

2

2. Overlegreacties 1: Reactie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) a. Het HHNK wil graag voor het onderwerp 'kleine windturbines in het buitengebied' een aanvulling zien in de technische plaatsingscriteria en de voorwaarden kleine windturbines buitengebied (2.4.3): 'De afstand van een kleine windturbine tot een waterkering bedraagt niet minder dan de hoogte van de windturbine'. Deze regel is ook opgenomen in onze waterschapsverordening, die per 1 januari van kracht gaat. Commentaar gemeente: Omdat niet duidelijk was wat het HHNK verstaat onder de hoogte van de windturbine is dit nagevraagd. Het HHNK heeft aangegeven dat het gaat om de afstand van de voet van de mast tot de bovenkant van de vleugel als deze naar boven wijst. (Met andere woorden de tiphoogte.) De voorgestelde aanpassingen worden doorgevoerd in de regels van het bestemmingsplan. b. Het HHNK verzoekt om het beleid van HHNK op te nemen in de waterparagraaf (paragraaf 3.7 van de toelichting). Dat gaat hier om de Keur, het Waterplan HHNK 2022-2027 en de KRW. Commentaar gemeente: De voorgestelde aanpassing wordt doorgevoerd in de plantoelichting van het bestemmingsplan. 2: Reactie Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) Onderdeel Bodem a. Opgenomen tekst is akkoord, geen belemmering.

Er is in de onderhavige gevallen geen sprake van wijzigingen naar een gevoeliger gebruik waarbij risico's op kunnen treden bij het beoogde gebruik. De onderbouwing in paragraaf 3.1 is akkoord. Commentaar gemeente: De reactie wordt voor kennisname aangenomen. Onderdeel externe veiligheid a. In één van de voorwaarden is gesteld dat een afstand gehouden moet worden van 25 meter tot gasinfrastructuur, tenzij leidingbeheerder instemt met een kortere afstand. Niet duidelijk is welke infrastructuur hier bedoeld wordt. Hiervoor zou bij voorkeur verwezen kunnen worden buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen op van toepassing is. In dat geval heeft de voorwaarde ook betrekking op buisleidingen anders dan uitsluitend aardgasleidingen. Door te verwijzen naar het Bevb (en/of het BKL) is duidelijk wat bedoeld en beoogd wordt. Commentaar gemeente: De voorgestelde aanpassing wordt doorgevoerd in de regels van het bestemmingsplan. Er wordt geregeld dat de afstand tot ondergrondse en bovengrondse leidingen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (dan wel diens rechtsopvolger) niet minder dan 25,00 m bedraagt, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand. b. Aan hoogspanningsinfrastructuur zijn ook afstandseisen gesteld aan de windturbines. Hier is niet duidelijk of het gaat om bovengrondse en/of ondergrondse hoogspanningsleidingen.

Ook hier kan de term hoogspanningsinfrastructuur voor verwarring zorgen. Bij voorkeur wordt hiervoor ondergrondse en/of bovengrondse hoogspanningsleidingen opgenomen. Commentaar gemeente: In de regels wordt opgenomen dat het hier gaat om ondergrondse en bovengrondse leidingen. Zie commentaar onder 2a. c. Daarnaast is nog een afstandseis opgenomen tot openbaar gebied. Het betreft de wieken die niet mogen overhangen boven openbaar gebied. Onduidelijk is waarom dat niet mag. Daarnaast is openbaar gebied niet nader gedefinieerd. Groenstroken zijn over het algemeen openbaar gebied. Nut en noodzaak om deze te beschermen is onduidelijk. Mocht er een plausibele aanleiding toe zijn dan is het wellicht zinvol om de minimale afstand van de windturbine tot de erfscheiding te beperken tot (minimaal) de wieklengte. 3

Commentaar gemeente: Vanuit veiligheidsoverwegingen is geregeld dat de wieken niet overhangen boven openbaar gebied. Dit zal in de praktijk veelal buiten de grenzen van het eigen erf zijn, waarop en waarbinnen de windturbine wordt geplaatst. De gemeente vindt het niet noodzakelijk om openbaar gebied te definiëren. Dit wordt conform normaal spraakgebruik opgevat. Daar waar dit in een situatie niet duidelijk is, wordt dit bij de afweging meegenomen. Onderdeel geluid De opgenomen tekst in paragraaf 3.2 is akkoord maar niet volledig en heeft alleen betrekking tot kleine windturbines. d. Met betrekking tot de mogelijke vestiging van opslagunits op bedrijventerreinen (paragraaf 2.1) en internetwinkels op bedrijventerreinen (paragraaf 2.2) wordt in het geheel niet ingegaan op het aspect geluid. Deze bedrijven vallen gelet op hun bedrijfscategorie en omvang onder de Wet milieubeheer (Activiteitenbesluit) maar hebben geen meldingsplicht. Bij een vestiging van dit type bedrijven op een geluidgezoneerd industrieterrein dient er weldegelijk rekening te worden gehouden met de inname van een beperkte geluidruimte in het zone model door deze bedrijven. e. Daarbij is het ook mogelijk om dit type bedrijfsactiviteiten met een beperkte geluiduitstraling voor de toetsing in de geluidzone in zijn geheel buiten beschouwing te laten.

Geadviseerd wordt om of in een zone beheersplan per geluidgezoneerd industrieterrein of in dit veegplan op te nemen hoe hiermee moet worden omgegaan. Commentaar gemeente: De type bedrijvigheid is al toegestaan binnen de (maximale) bedrijfscategorisering die nú is toegestaan. De gemeente reguleert de bedrijvigheid door er extra voorwaarden aan te verbinden. Als de bedrijvigheid plaatsvindt op een gezoneerd industrieterrein, dan moet deze passen binnen deze ruimte. De afweging om een industrieterrein aan te wijzen als gezoneerd, heeft in het kader van eerdere bestemmingsplannen plaatsgevonden. Onderdeel Visuele hinder a. De opgenomen tekst over schuilstallen dient door de gemeente te worden beoordeeld. Dit is geen aspecten wat door de OD NHN kan worden beoordeeld. De opgenomen tekst over de kleine windturbines is akkoord. Opmerking Bij de melding Activiteitenbesluit voor het plaatsen van een kleine windturbine wordt naast een akoestisch onderzoek ook een slagschaduwberekening gevraagd door de OD NHN. Commentaar gemeente: De reactie wordt voor kennisname aangenomen.

Onderdeel ecologie In paragraaf 2.3.2 ( Schuilstallen) en 2.4.3 ( Kleine windturbines ) wordt het volgende aangegeven als voorwaarde: Omdat het op voorhand niet mogelijk is om voor het plangebied in kaart te brengen wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor ecologie, wordt dit niet nu maar ten tijde van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen gedaan. Het is dan de taak van de gemeente om te beoordelen of de Wnb van toepassing is. Er wordt ecologisch onderzoek op dat moment verricht. Zie ook de paragraafecologie (paragraaf 3.6). Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan moet inzichtelijk zijn wat de gevolgen voor een Natura 2000-gebied zijn bij een maximale invulling van het bestemmingsplan. De bijgevoegde natuurtoets is te globaal om hier een antwoordt op te kunnen geven. Zodoende lijkt het alsof de onderzoekverplichting in zijn geheel wordt verlegd wordt naar de vergunningsfase. Dat kan niet in het kader van een bestemmingsplanprocedure. Feitelijk zou dat kunnen betekenen dat deze wijzigingen nooit vergund zouden kunnen worden. Bij een uitvoerbaarheidstoets van het bestemmingsplan moet dit alsnog meegenomen en beoordeeld worden.

4

Onderstaande punten dienen meegenomen te worden in het wijziging /veegplan: Schuilstallen voor hobby vee a. Op basis van de tekst is onduidelijk of het gaat om 'nieuw' hobby vee ( in combinatie met het plaatsen van een schuilstal) of enkel het plaatsen van een schuilstal op een perceel of percelen waar reeds hobby vee al aanwezig is. Als er sprake is van 'nieuw' hobby vee gaat met name de stikstofemissie en daarmee de depositie een rol spelen. Dit dient in kaart gebracht te worden middels een stikstofonderbouwing waarin de (aanlegfase middels ABUmethode) en gebruiksfase gebruikmakend van de meeste recente AERIUS -berekeningen inzichtelijk worden gemaakt. In een uitspraak van de Raad van State in 2017 is een bestemmingsplan met wijzigingsbevoegdheid goedgekeurd waarin een stikstof neutrale voorwaarde is opgenomen. Aan het toepassen van de wijzigingsbevoegdheden is de voorwaarde verbonden dat wordt aangetoond dat een ontwikkeling stikstofneutraal plaatsvindt. In het bestemmingsplan wordt hieronder verstaan: "stikstofneutraal = geen toename van stikstofemissie". Dit kan mogelijk een oplossing bieden voor gebruiken en plaatsen van de schuilstallen.

Commentaar gemeente: Verzoeken voor het oprichten van nieuwe schuilstallen of het legaliseren van al bestaande schuilstallen komen doorgaans van particuliere aanvragers die in het buitengebied, een weiland of stuk grond hebben waarop ze in een hobbymatige context dieren houden. Gekoppeld aan het hobbymatig houden van dieren bestaat ook de wens deze dieren bescherming te bieden tegen regen en kou in de vorm van een schuilstal. Het gaat hierbij dus om het bieden van de mogelijkheid tot het realiseren van een schuilstal voor gronden waar nu al hobbymatig dieren worden gehouden. Kleine windturbines Vanuit het Bevoegd Gezag Wet natuurbescherming wordt, met betrekking tot windturbines /molens en het risico van aanvaringsslachtoffers van soorten, aangegeven dat voor alle diersoorten die redelijkerwijs slachtoffer kunnen worden ontheffing dient te worden aangevraagd. Dit betekent dat in bijna 100% van de gevallen een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is bij het plaatsen van ieder type windturbine, klein of groot.

Voor het aanvragen van een ontheffing is de volgende informatie benodigd: • Een lijst met alle soorten vogels tijdens het broedseizoen vanaf de turbine tot de vogels op foerageerafstand; • een lijst met alle passeerde vogels tijdens de migratie periode; • Van alle vogels die in aanraking komen met de turbine moet de 1 % mortaliteitsnorm berekend ( berekening aanleveren) worden en wat het effect is op de staat van instandhouding; • Een lijst met alle lokaal voorkomende vleermuissoorten; • Een lijst met alle vleermuissoorten tijdens de migratieperiode; • Voor de alle vleermuissoorten moet de 1% mortaliteitsnorm berekend worden; • Wat is de cumulatie met de reeds aanwezige turbines in de directe omgeving en alle andere turbines die geplaats zijn in Noord - Holland waar de soorten mee in aanraking komen; • Er kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen standvogels, lange afstand foerageertrek en trekvogels (voor- en najaar migratie). Daarnaast wordt er aangegeven dat er geen kleine windturbines in Natura 2000-gebieden mogen worden gerealiseerd en dat er zodoende geen effecten zijn op Natura 2000-gebieden. Dit is te voorbarig.

Bij het plaatsen van kleine windturbines nabij Natura 2000-gebieden is het mogelijk dat er (cumulatieve) effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden, met name op aangewezen habitatsoorten (vogels en/of vleermuizen) die van en naar het gebied trekken. Ook is er voor de plaatsing (aanlegfase van windmolens) een stikstofonderbouwing conform de ABU-methode en bijbehorende AERIUS -berekening(en) nodig. Commentaar gemeente: Door de plaatsing van windturbines kunnen ecologische belangen worden geschaad. Het gaat daarbij met name om effecten voor (beschermde) vogels of vleermuizen. Dit is op voorhand niet direct duidelijk en afhankelijk van de locatie. Voor de soortenbescherming geldt dat deze vraag pas aan bod komt als voor een concrete activiteit een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Dit is alleen anders als op voorhand duidelijk is dat de soortenbescherming de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Het enkele feit dat er voor een kleine windturbine mogelijk een ontheffing nodig is op grond van de Wnb vanwege de soortenbescherming betekent dus nog niet dat het veegplan niet uitvoerbaar is. In het uitgevoerde natuurwaardenonderzoek (bijlage twee van de toelichting) is onderbouwd dat er van een ernstige bedreiging van beschermde soorten als gevolg van de planregeling 5

voor de kleine windturbines als geheel geen sprake is. Beargumenteerd wordt dat er een zeker maar beperkt risico is op aanvaringen afhankelijk van de locatiekeuze maar dat er op voorhand geen sprake is van significante effecten. Dit kan dan via een eventueel noodzakelijke Wnb-ontheffing nader worden afgewogen. Voor de gebiedsbescherming (Natura 2000 gebieden) geldt in principe de regel dat een natuuronderzoek of een beoordeling van de ecologische gevolgen van een activiteit niet naar de uitvoering van een bestemmingsplan mag worden geschoven. Het gaat daarbij om de vraag of er (mogelijk) sprake is van een significant negatief effect. Dit in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied. Het gaat in dit geval om drie nabij gelegen Natura 2000 gebieden: Callantsoog, Noordzeekustzone en Waddenzee. Van deze drie gebieden hebben, afgezien van stikstofdepositie, alleen de laatste twee instandhoudingsdoelen voor (broed)vogels. Wat betreft de (broed)vogels in of afkomstig van deze Natura 2000 gebieden wordt in het natuurwaardenonderzoek beoordeeld dat deze vogels niet continue in deze gebieden zullen verblijven. Sommige soorten, met name watervogels en steltlopers, kunnen ook in open agrarisch gebied foerageren. Maar omdat deze volgens open landschap prefereren zullen ze zich niet of nauwelijks op en rond agrarische erven vliegen of ophouden.

Op basis daarvan wordt de kans op aanvaringsslachtoffers, onder volgens waarvoor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 gebieden van toepassing zijn, als nihil ingeschat. In zoverre is er dus geen sprake van een significant negatief effect. Omdat het op voorhand niet mogelijk is om voor het totale plangebied in kaart te brengen wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor ecologie, is in eerste instantie het eerder genoemde natuurwaardenonderzoek op hoofdlijnen uitgevoerd en wordt niet nu, maar ten tijde van een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een kleinschalige windturbine onderzoek voor die specifieke locatie uitgevoerd. De Wet natuurbescherming is hierbij onverkort van kracht. Er zal dus bij elke aanvraag worden afgewogen of de bouw van een windturbine ter plaatse leidt tot onevenredige gevolgen voor de beschermde natuurwaarden in dat gebied. In het bestemmingsplan is geborgd dat elke aanvraag getoetst moet worden aan de natuurbelangen. Dit kan in de vorm van een quickscan. Met een natuurtoets (quickscan) moet worden onderzocht welk effect de windturbine heeft. Worden beschermde soorten verstoord, verwond of zelfs gedood? Dan kan het reden zijn om de windturbine niet toe te staan. Bij elke aanvraag voor plaatsing van een kleinschalige windturbine wordt per locatie gekeken of de Flora- en Faunawet van toepassing is.

Wanneer dit het geval is, zal de initiatiefnemer een ontheffing moeten aanvragen. In de regels is hiertoe een bepaling opgenomen. Gebiedsbescherming stikstof Voor het onderdeel stikstof is een worst-case berekening (op korte afstand van Natura 2000-gebieden) uitgevoerd om na te gaan wat de effecten zijn van de aanlegfase van een kleine windturbine. Insteek van deze berekening was om na te gaan hoeveel windturbines er maximaal gebouwd kunnen worden zonder dat er sprake is van een depositie. Uit de worst-case berekening blijkt dat er bij de aanleg van één kleine windturbine al sprake is van een depositie. Gelet hierop is in de regels geborgd dat het plaatsen van een kleine windturbine alleen mogelijk is mits dit emissieloos gebeurd. Omdat de berekening worst-case is ingestoken kan het zijn dat er op grotere afstand mogelijk wel mogelijkheden zijn om kleine windturbines te plaatsen waarbij sprake is van emissie. Hiertoe is een ontheffing opgenomen waarin is bepaald dat dit mogelijk is mits dit door middel van een Aeriusberekening is aangetoond. Zo bezien, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen. 3: Port of Den Helder a. In de toelichting en regels van het bestemmingsplan zijn de bepalingen met betrekking tot opslagunits en internetwinkels opgenomen.

Uit het bestemmingsplan blijkt dat het hier gaat om de bestemmingsplannen voor Westoever, De Dogger Zuid-West, Kooypunt en De Schooten. Vanuit de Port of Den Helder wordt gesteld dat hier de bestemmingsplannen voor de Haven, Oostoever en Julianadorp (v. Foreestweg en Schoolweg) missen. Voor Oostoever geldt op dit moment een beheersverordening. Vanuit de Port van Den Helder wordt gevraagd of dit een bewuste keuze is of dat deze bestemmingsplannen zijn vergeten. Met name voor de Haven en Oostoever is het wel van belang dat deze bepalingen m.b.t. opslagunits worden opgenomen. Commentaar gemeente: 6

Ter plaatse van de bestemmingsplannen die nu zijn meegenomen in het veegplan, komen de meeste aanvragen binnen. Deze hebben de meeste behoefte aan de regeling. De gemeente heeft er vooralsnog voor gekozen enkel deze bestemmingsplannen mee te nemen in het veegplan. 4: Provincie Noord Holland a. Wat betreft detailhandel op bedrijventerreinen heeft de provincie artikel 6.13b opgenomen in de Omgevingsverordening NH2020 (OV NH2020). Hier staat vermeld dat afhaalpunten t.b.v. internethandel zijn toegestaan. Dus als het veegplan dit ook bedoelt met de wijziging, dan hebben wij daar geen opmerkingen over. De provincie vraagt om duidelijk te maken of dat ook precies is wat het veegplan mogelijk maakt? Commentaar gemeente: De gemeente reguleert internetdetailhandel. Hieraan koppelt zij voorwaarden, zoals het verbod op een afhaalpunt op de bedrijventerreinen. Dit vanwege de ruimtelijke uitstraling en het verkeer en parkeren dat dit oplevert. Op dit punt is de gemeente dus strenger dan de POV. b. Wat betreft schuilstallen is gekeken naar ons artikel uit de OV NH2020. Dat is positief. Terechte opmerking is dat er binnen NNN-gronden geen schuilstallen mogen worden gerealiseerd. Houdt er rekening mee dat indien men in BPL een schuilstal wil realiseren dat deze schuilstal de BPLkernkwaliteiten niet mag aantasten.

Zou dit er nog in verwerkt mogen worden? Commentaar gemeente: Hierover heeft al afstemming plaatsgevonden met de provincie. Binnen het plangebied is geen sprake van bijzonder provinciaal landschap (BPL). Dit onderdeel is dan ook niet van toepassing op het voorliggende plan. c. Wat betreft de kleine windturbines in het buitengebied is terecht gekeken naar artikel 6.27b van de OV NH2020. Kleine windturbines zijn toegestaan onder de gestelde voorwaarden. De handreiking wind op land moet als onderlegger hierbij gebruikt worden voor wat betreft inpassing etc. Commentaar gemeente: De Handreiking is genoemd in de toelichting van het veegplan. Inhoudelijk zijn een aantal zaken uit de Handreiking vastgelegd in de planregels. Voor het overige is de Handreiking een afwegingskader bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Dit is beschreven in paragraaf 2.4.2 van de toelichting van het veegplan. d. Wat betreft het snippergroen heeft de provincie geen verdere opmerkingen. Commentaar gemeente: De reactie wordt voor kennisname aangenomen. e. Alles overwegende heeft de provincie geen bezwaar met de voorgestelde wijzigingen in het bestemmingsplan. Er lijken geen provinciale belangen in het geding te zijn. De provincie ziet nog wel graag een reactie tegemoet op de hierboven gestelde vragen.

Commentaar gemeente: De reactie wordt voor kennisname aangenomen en de antwoorden op de gestelde vragen zijn hierboven per vraag weergegeven. 5: Veiligheidsregio Noord-Holland Noord a. De veiligheidsregio heeft het bestemmingsplan plan beoordeeld op de bestrijdbaarheid (waaronder bluswatervoorziening en bereikbaarheid), zelfredzaamheid in geval van een calamiteit en (brand)veiligheid. De Veiligheidsregio heeft geen inhoudelijk advies met betrekking tot dit voorontwerp bestemmingsplan Veegplan Den Helder. De verschillende wijzigingen ten opzichte van de bestaande situatie zijn gering van omvang, liggen verspreid door het gehele grondgebied van de gemeente en wijzigen de risico’s niet of niet noemenswaardig. Daar waar het toekomstige gebouwen betreft voorzien wij geen onoverkomelijke knelpunten met betrekking tot bereikbaarheid en bluswater. Hierdoor stelt de Veiligheidsrisico vast dat hulpdiensten kunnen voorzien in noodhulp in het kader van de basiszorg. 7

Commentaar gemeente: De reactie wordt voor kennisname aangenomen. 6: Gemeente Hollands Kroon a. Het aangeleverde plan geeft de gemeente Hollands Kroon geen aanleiding om opmerkingen te maken. Commentaar gemeente: De reactie wordt voor kennisname aangenomen. 7: Defensie a.

Defensie heeft geen aanmerkingen op de tekst.

Commentaar gemeente: De reactie wordt voor kennisname aangenomen. b.

Defensie wil graag werkafspraken maken over aanvragen van windturbines. Deze vallen ook regelmatig buiten de hoogtebeperkingen vanuit Defensie, maar Defensie vindt het wel fijn om dan op de hoogte zijn, ook als er vanuit Defensie geen bezwaar is. Onder het mom van weten wat in de omgeving verandert. Dit hoeft wat Defensie betreft geen vertraging te zijn met betrekking tot het veegplan.

Commentaar gemeente: De gemeente gaat intern na of en hoe eventuele werkafspraken gemaakt kunnen worden. Hierover wordt contact opgenomen met Defensie.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2137/documents/22704