CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

RES 1.0 NHN - def 2 april 2021.pdf

Raadscommissie Stadsontwikkeling en Beheer 2 juni 2021, gemeente Den HelderBij agendapunt: 5: Voorstel tot vaststellen Regionale Energie Strategie Noord-Holland Noord27.853 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Gebiedsaanpak A9-zone Ontwerptraject A9 Opwekking van hernieuwbare energie langs of in de buurt van infrastructuur is een veelvoorkomende keuze in de deelregio’s. Hiervoor bestaat echter geen generieke aanpak. Een one size fits all-aanpak doet geen recht aan de landschappelijke context waar de infrastructuur zich in begeeft. Het is dus van belang om rekening te houden met de karakteristieken van zowel het landschap als van de infrastructuur. De A9-zone van Haarlem tot aan Alkmaar is een snelweg die een groot deel van de provincie doorsnijdt en waarlangs door verschillende gemeenten zoekgebieden zijn ingetekend, direct gekoppeld aan, of in de directe omgeving van de weg. In een ontwerptraject zijn de (on)mogelijkheden van duurzame energieopwekking langs de A9 verkend (zie katern Thematafels voor meer toelichting over het proces en de volledige uitwerking van het traject).

4 Zie voor meer informatie het Katern Thematafels.

5 Zie ook katern Thematafels.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

19

Principes Door gebruik te maken van overkoepelende ruimtelijke principes bij de concretisering, kunnen de landschappelijke kwaliteiten worden behouden en/of bevorderd. Wanneer de inpassing van zonne- en/of windenergie op een consistente en eenduidige manier gebeurt, kunnen hiermee de identiteit en samenhang van de A9-zone worden versterkt. Uit de verschillende werksessies is een aantal kansrijke principes naar voren gekomen: •

Benutten van restruimtes: knooppunten en verzorgingsplaatsen. Op en rondom knooppunten zijn veel kleinere en grotere restruimtes te vinden die met zonneen/of windenergie kunnen worden gecombineerd. Naast de ruimte binnen de knoop kan het voor een aantal knooppunten, vanuit het principe van ‘clustering’, interessant zijn om ook naar de ruimte direct rond het knooppunt te kijken voor energieopweklocaties. Bij verzorgingsplaatsen zijn ook veel restruimtes te benutten en bestaat tevens de mogelijkheid om parkeren te overkappen met zonnepanelen.

•

Benutten van geluidsschermen en -wallen. Langs de A9 ligt een aantal geluidsschermen en -wallen. Deze zijn goed te combineren met het opwekken van zonne-energie. Op deze locaties kan eventueel ook de berm van de A9 worden benut.

•

Multifunctionele stedelijke randen. Ook bij de stedelijke randen langs de A9 liggen kansen om zonne-energie in te passen, bijvoorbeeld gecombineerd met het verbeteren van natuur- of recreatiewaarden.

Van ruimtelijke samenhang naar inpassing en ruimtelijke kwaliteit Naast ruimtegebruik en -samenhang op (boven)regionaal niveau, is ook de ruimtelijke kwaliteit op projectniveau van belang. Voor alle zoekgebieden geldt dat na de vaststelling van de RES 1.0 moet worden bekeken hoe een duurzame opwek zo optimaal mogelijk in de omgeving kan worden ingepast. Daarbij gaat het om het zuinig gebruik van ruimte door meervoudig ruimtegebruik, en combinaties van hernieuwbare opwek met andere opgaven zoals biodiversiteit, waterhuishouding, recreatiewerken of natuurontwikkeling. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt ernaar gestreefd dat:

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

20

•

nieuwe projecten de landschappelijke waarde en natuurwaarde van het gebied verbeteren;

•

negatieve effecten op de natuur en omgeving worden gemitigeerd (bijvoorbeeld door middel van een gebiedsfonds). Advies jongeren: “Creatief naar een nieuw normaal” We moeten niet in het verleden blijven hangen, maar een balans zoeken tussen ‘polderen’ en het halen van de klimaatdoelstellingen. De inpassing van duurzame energie kan creatiever om draagvlak te vergroten, zonder dat hierbij de doelgerichtheid uit het oog moet worden verloren. Jongeren kijken vooral naar meervoudig ruimtegebruik en het combineren van functies. Voor de inpassing van zonne-energie in het landschap moet op een planmatige manier gewerkt worden aan het versterken van de biodiversiteit. Daarnaast moet er ruimte zijn voor innovatieve manieren van inpassing, zoals drijvende zonnevelden. Om de inpasbaarheid van windenergie te vergroten moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van locaties waar al sprake is van geluidshinder en ‘horizonvervuiling’. Je moet duurzame opwek overal tegenkomen. Ook op onverwachte plekken en in verrassende vormen.

Samenhang met omliggende RES-regio’s De energietransitie vraagt om een integrale benadering en om een passende weging van belangen. Dat is nog van groter belang in gebieden die qua ruimtelijke kwaliteit uniek en kwetsbaar zijn. In die gebieden lopen veel ontwikkelingen gelijktijdig. Zonder passende afstemming kan dit tot onsamenhangende keuzes leiden. Dit geldt ook voor gebieden die RES-regiooverstijgend zijn, zoals het IJsselmeergebied dat zich over meerdere RESregio’s uitstrekt. Als RES-regio’s hebben we een verantwoordelijkheid om keuzes die regio-overstijgende effecten kunnen hebben, af te stemmen met omliggende RES-regio’s. Zowel in provinciaal beleid als in rijksbeleid (de Nationale Omgevingsvisie) wordt het belang van dit soort gebieden benadrukt. Voor dit soort regio-overstijgende gebieden wordt in samenwerking met de relevante overheidspartijen zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Rijkswaterstaat gewerkt aan gedeelde uitgangspunten voor hernieuwbare energieopwekking.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

21

2.5 Energie-infrastructuur De opgave voor het elektriciteitsnet als gevolg van het Klimaatakkoord is groot: in tien jaar moet meer werk gerealiseerd worden dan in de afgelopen veertig jaar. Systeemefficiëntie is daarom een van de aspecten van het afwegingskader. Uit de netimpactanalyse bij de RES blijkt dat het elektriciteitsnet nog efficiënter kan worden gebruikt. Hoe slimmer we met het elektriciteitsnet omgaan, hoe minder gevolgen er zijn voor de schaarse ruimte, doorlooptijden en maatschappelijke kosten. Dit beïnvloedt ook het draagvlak en maakt de RES haalbaar en betaalbaar voor de regio.

Wat is een netimpactanalyse? Een robuuste energie-infrastructuur is randvoorwaardelijk voor een toekomstbestendige regio en dus ook voor het realiseren van de ambities in de RES en het Klimaatakkoord. Immers, als energie opgewekt is, moet deze via de energie-infrastructuur naar de verbruikers toe. De netbeheerder bekijkt in hoeverre de ambitie voor duurzame opwek past op de huidige energieinfrastructuur en doet aanbevelingen voor manieren waarop de ambitie van de regio voor 2030 aangesloten kan worden. In deze paragraaf staan de belangrijkste uitgangspunten, de stand van zaken en de bevindingen van de netimpactanalyse van netbeheerder Liander voor de energieregio NoordHolland Noord (zie bijlage 3, Netimpactanalyse Liander, voor de volledige analyse) 6. Ontwerpprincipes om het bestaande elektriciteitsnet zo slim en efficiënt mogelijk te gebruiken De transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energie betekent dat het elektriciteitsnet moet worden verzwaard en uitgebreid. Dat is een gigantische operatie met grote maatschappelijke impact. Een operatie die bovendien veel tijd, geld en mankracht kost. Het is onmogelijk om alle aanpassingen tegelijkertijd te doen. Om de doelstellingen voor 2030 te kunnen halen, is het belangrijk om zo efficiënt mogelijk te werk te gaan.

Door het bestaande elektriciteitsnet slim te gebruiken, zijn er minder kabels, uitbreidingen en nieuwe transformatorstations nodig. Dit scheelt tijd, hectares aan schaarse

6 De netimpactanalyse van de RES 1.0 is een momentopname. Liander heeft gerekend met de

maximale opwekpotentie van de zoekgebieden (p.4 van de netimpactanalyse), zoals deze in februari 2021 bekend waren. De ambitie van de regio is lager dan de maximale potentie. De bevindingen en aanbevelingen van de netimpactanalyse blijven echter van belang.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

22

ruimte en miljoenen aan (maatschappelijke) kosten die we anders terugzien op onze energierekening. Dat kan helpen om draagvlak te krijgen voor gebieden waar nu al wind- of zonne-energie aangesloten kan worden. Zo blijft de energietransitie haalbaar, betaalbaar en toekomstbestendig. Om tot een efficiënte energietransitie te komen, adviseert Liander de volgende vijf ontwerpprincipes voor de energie-infrastructuur: 1. Benut de bestaande energie-infrastructuur optimaal. Sluit nieuwe projecten voor het opwekken van energie aan op plekken waar nu ruimte op het net is. 2. Combineer opwek en verbruik. Plaats projecten voor het opwekken van energie in de buurt van plekken waar veel energie nodig is. Zo minimaliseren we het energietransport over lange afstanden. 3. Zorg voor een constante productie van energie. Combineer zon en wind in een 50/50-vermogensverdeling, omdat zon en wind verschillende opwekpieken hebben. 4. Cluster projecten voor duurzame opwek. Zet in op grootschalige projecten. Het is makkelijker om eenmalig aanpassingen te doen in een groot gebied, dan meerdere aanpassingen in kleinere gebieden. 5. Gebruik slimme technische oplossingen, zoals cable pooling (zon en wind combineren op één aansluiting) en curtailment (beperken van de opwekpiek). Zie bijlage Netimpactanalyse (p.66-67) voor meer uitleg en de handreiking Slimme energiecombinaties in de regio.

Wat is de huidige situatie van het elektriciteitsnet? In Noord-Holland Noord groeit de vraag naar energie door elektrische mobiliteit en energie-intensieve sectoren, zoals de glastuinbouw en datacenters. Bovendien worden op sommige plekken veel nieuwe woningen gebouwd. Ook wordt er veel energie opgewekt, onder meer in zonneparken. In de Wieringermeer staat bovendien het grootste Nederlandse windmolenpark op land, met 99 windturbines. Het elektriciteitsnet raakt op steeds meer plekken vol. In dunbevolkte gebieden was tot voor kort relatief weinig vraag naar stroom en vermogen om energie terug te leveren. Daarom zijn de kabels van oudsher lang en dun. Maar in deze gebieden wordt tegenwoordig juist veel duurzame energie opgewekt. Daardoor groeit de vraag naar vermogen op deze netten, terwijl de capaciteit daarvoor vaak niet toereikend is.

“Zijn we deze avond niet te veel luchtkastelen aan het bouwen, als we niet zeker weten of de infrastructuur het wel aankan?” Deelnemer lokale bijeenkomst Medemblik

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

23

Een veranderend energiesysteem Van eenrichtingsverkeer (van grote elektriciteitscentrales naar gebruikers) naar tweerichtingsverkeer, waarbij op verschillende netvlakken duurzame energie wordt ingevoed. Het elektriciteitsnet is hier nog onvoldoende op aangepast, waardoor knelpunten ontstaan. Zo kan het voorkomen dat de kabel in de straat onvoldoende capaciteit heeft voor teruglevering door zon op dak terwijl een windpark in dezelfde gemeente wel kan worden aangesloten omdat er beschikbare capaciteit op het transformatorstation is.

Liander werkt hard aan het versterken van de energie-infrastructuur. Maar het tempo waarin nu zonneweides en zonnepanelen op daken worden gerealiseerd, kan de netbeheerder niet bijhouden. Tijdige afstemming en samenwerking met de netbeheerder is essentieel. Daarom is netbeheerder Liander nauw betrokken bij de RES Noord-Holland Noord. Een actueel overzicht van beschikbare transportcapaciteit voor het afnemen en terugleveren van elektriciteit is hier te vinden. Impact van de Regionale Energiestrategie 1.0 In de RES 1.0 ligt de focus met name op zonne-energie – zowel zonneweides als zon op dak – en heeft windenergie een kleiner aandeel. Het algemene beeld is dat dit een ongunstige ontwikkeling is voor de energie-infrastructuur, want juist een een-op-een verhouding tussen het vermogen van zon en wind is optimaal voor de belasting van het elektriciteitsnet. De analyse van netbeheerder Liander met betrekking tot de impact van de Regionale Energiestrategie 1.0 van Noord-Holland Noord op het elektriciteitsnet (zie bijlage Netimpactanalyse) bevestigt dit beeld. Uit deze analyse blijkt dat in de gebieden waar de regio stroom wil opwekken, de capaciteit op veel plekken niet toereikend is.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

24

Impact op stationsniveau op basis van de RES 1.0

Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit de netimpactanalyse: • Op dit moment raken al steeds meer stations overbelast, ondanks het feit dat er hard gebouwd wordt aan uitbreiding van energieinfrastructuur, bijvoorbeeld door de recente bouw van de transformatorstations De Weel en Middenmeer. Kijkend naar de huidige energie-infrastructuur en de opwekpotentie in de RES 1.0, dan is de verwachting dat: o Zestien transformatorstations vóór 2030 de maximale capaciteit hebben bereikt. o Tien transformatorstations voldoende capaciteit hebben tot 2030 om duurzaam opgewekte energie te leveren aan het elektriciteitsnet. • In de RES 1.0 is een groot zoekgebied in de Wieringerhoek (IJsselmeer) met zonneatollen. De opwekpotentie van dit zoekgebied is dermate groot dat de verwachting is dat dit rechtstreeks wordt aangesloten op de landelijke netbeheerder van de hoogspanning, TenneT. Dit zoekgebied is dan ook niet meegenomen in de analyse door Liander, de regionale netbeheerder. TenneT geeft echter wel op pagina 30-31 van de Netimpactanalyse (bijlage 4) een toelichting met

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

25

•

•

•

betrekking tot de mogelijkheden voor aansluiting op het hoogspanningsnet. De grootschalige opwek van zonne-energie is voor alle deelregio’s de belangrijkste oorzaak voor het bereiken van de maximale capaciteit op de transformatorstations. Zon op dak brengt daarnaast grote uitdagingen met zich mee in de lokale netten. De versnippering van zon op dak zorgt over de hele deelregio voor een grote uitdaging in de maakbaarheid van de RES. De piekbelasting van zon op dak zorgt ervoor dat Liander veelal lagergelegen netdelen (transformatorstations, kabels) moet verzwaren. Dit is een enorme opgave, omdat daarvoor veel straten opengebroken moeten worden. Deze werkzaamheden kennen vaak lange doorlooptijden, brengen hoge maatschappelijke kosten en mogelijke overlast met zich mee. Zonder coördinatie heeft dit grote impact op de omgeving en invloed op de haalbaarheid naar 2030. Elektrische mobiliteit vraagt in alle deelregio’s veel energie; de sterke groei draagt bij aan de overbelasting van het elektriciteitsnet. Hier ligt wel een kans om het elektriciteitsnet te ontlasten door overdag elektrisch te laden wanneer de zon het hardst schijnt. Alleen met directe koppeling van vraag en aanbod haal je druk van het net af. Om de opwekpotentie van de RES 1.0 aan te kunnen sluiten, moet Liander de bestaande overbelaste transformatorstations uitbreiden én nieuwe stations realiseren.

Dit betekent vier nieuwe én twaalf uit te breiden stations. In kosten, ruimte en tijd betekent dit globaal:

Alleen al in 2020 investeerde Liander ruim 250 miljoen euro in de regio Noord-Holland en sloot het gemiddeld zo’n 720 zonne-installaties per week aan (een groei van 30 procent!). Dus het gaat sneller én er is veel mogelijk. Toch blijft het een grote uitdaging om alle zoekgebieden in de RES 1.0 vóór 2030 aan te sluiten. Liander verwacht 50 procent van de benodigde uitbreidingen en nieuwe transformatorstations voor 2030 te kunnen realiseren. Het gaat dan om drie nieuwe stations en vijf uitbreidingen die gaan helpen om een groot deel van de RESzoekgebieden aan te sluiten. Deze transformatorstations zijn opgenomen in de investeringslijn van Liander tot 2030 en worden reeds verkend of voorbereid. De netbeheerder kijkt voor nieuwe stationslocaties ook verder vooruit dan 2030 in haar netvisie tot 2050. Daaruit blijkt dat bijna de totale omvang van de RES-potentie in te passen is in het net van de

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

26

toekomst. Daarvoor moet nog veel gebeuren en is regionale samenwerking noodzakelijk. Bovendien heeft Liander voldoende zekerheid en concreetheid in de RES-plannen nodig om investeringen te kunnen verantwoorden, en te zorgen voor een tijdige realisatie. Daarom is het van belang om, naast uitbreidingen van de energie-infrastructuur, ook in te zetten op slim gebruik van deze infrastructuur. Wat gaat de energieregio doen? De omvangrijke investeringen in de energie-infrastructuur worden uiteindelijk door de inwoners en bedrijven betaald. Bovendien heeft deze infrastructuur zowel boven- als ondergronds een aanzienlijke ruimtelijke impact en kent de aanleg vaak lange doorlooptijden. Daarom is het, naast de noodzakelijke uitbreidingen van deze infrastructuur, belangrijk dat de regio inzet op slim gebruik hiervan. Op deze wijze zijn er minder kabels, uitbreidingen en nieuwe transformatorstations nodig, en draagt systeemefficiëntie bij aan een haalbare, betaalbare en toekomstbestendige RES. 1. We maken systeemefficiënte keuzes. Dat scheelt tijd, geld en ruimte, zonder dat concessies in de ambitie nodig zijn. Door bijvoorbeeld het opwekpotentieel in een aantal zoekgebieden minimaal te verlagen, vallen deze zoekgebieden wel binnen de huidig beschikbare transportcapaciteit.

Of door zon en wind te combineren op één aansluiting kan er meer opwek worden aangesloten op datzelfde transformatorstation met alleen zon. Op deze manier kan de ambitie gehaald worden zonder een aantal stations uit te breiden of nieuw te bouwen. De tijd- en ruimtewinst die hiermee worden behaald, helpen te versnellen op andere (opwek)locaties. 2. We willen het zon-op-dakpotentieel coördineren. Voor zon op dak is veel draagvlak, maar dit potentieel brengt enorme uitdagingen voor het elektriciteitsnet met zich mee. Begin eerst op daken die geclusterd liggen of waar een hoog constant verbruik van energie is. Dit zorgt voor minder uitbreidingen van kabels en minder transport van energie doordat de opgewekte energie tegelijkertijd verbruikt wordt op deze locaties. Bedrijventerreinen zijn hiervoor, vanuit slim gebruik van het elektriciteitsnet, in de regel een goed startpunt. Ook het lokaal samenwerken aan (innovatieve) oplossingen om slimmer om te gaan met het huidige elektriciteitsnet, kan hier deel van uitmaken. 3. We concretiseren zoekgebieden verder in een gezamenlijk regionaal uitvoeringsprogramma. Zo kan per zoekgebied worden vastgesteld wanneer de grootschalige opwek in het gebied kan worden aangesloten en wat de tijdslijnen daaraan vooraf zijn. Dit vergroot de haalbaarheid van de RES-doelstellingen.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

27

2.6 Effecten Door de verschillende maatschappelijke en financiële effecten van energieprojecten in beeld te brengen, wordt het makkelijker om alternatieven of varianten te vergelijken. Het in beeld brengen van de effecten is geen doel op zich, maar kan helpen bij de verdere besluitvorming over de zoekgebieden. Effectbepaling tot de RES 1.0 In het traject tot de RES 1.0 heeft Noord-Holland Noord al op verschillende manieren aandacht besteed aan de effecten 7. Er is onderzoek gedaan naar de effecten en de beoordeling van de effecten (directe economische effecten, indirecte economische effecten, kosten en exploitatie, effecten op natuur, landschap, ruimtegebruik en hinder en energieopwekking en -gebruik)8. Dit was een algemeen onderzoek, niet gericht op specifieke locaties. Vervolgens zijn de effecten op natuur, landschap, ruimtegebruik, kosten en opbrengsten van verschillende scenario’s in beeld gebracht. Dit hielp bij het vergelijken van de scenario’s en het komen tot de zoekgebieden. Daarnaast is in de conceptRES een beoordeling op hoofdlijnen van de effecten op natuur en landschap gemaakt op het niveau van de RES-regio. Voor de kosten en opbrengsten zijn in de concept-RES de aandachtspunten in beeld gebracht op het niveau van de RES-regio. Deze effectbeoordelingen sluiten aan bij het abstractieniveau van de conceptRES en de RES 1.0.

Detailonderzoeken naar leefbaarheidseffecten zoals geluid, zicht, slagschaduw en ecologische veldonderzoeken, zijn nog geen onderdeel van de RES 1.0. Dergelijke onderzoeken zijn pas zinvol op lokale schaal, omdat deze afhangen van de precieze locatie en van de concrete scope van het project (zoals omvang, type windturbine, wijze van aanleg enz.). Deze onderzoeken zullen dan ook pas plaatsvinden in het kader van bijvoorbeeld het nader uitwerken van het zoekgebied, het opstellen van het omgevingsplan of in het kader van de omgevingsvergunning. Ook voor de effecten op de netinfrastructuur zijn al de nodige onderzoeken uitgevoerd. Liander heeft zowel voor de concept-RES als voor de RES 1.0 een netimpactanalyse uitgevoerd, waarin de netbeheerder inzicht geeft in de effecten op kosten en ruimtegebruik van de benodigde netinfrastructuur.

7 Zie voor meer details het katern RES 1.0 en MER en milieueffecten. 8 Zie ook document expertsessies.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

28

Daarnaast hebben de provincies Noord-Holland en Flevoland onderzoek 9 laten uitvoeren naar de werkgelegenheidseffecten in Noord-Holland. In aanloop naar de RES 1.0 is een aantal zoekgebieden verder onderzocht. Daarbij zijn voor enkele zoekgebieden ruimtelijke impactstudies natuur en landschap opgesteld. Waar mogelijk zijn de uitkomsten verwerkt in de gebiedspaspoorten10. In onderstaand kader is aangegeven wat de wijzigingen ten opzichte van de concept-RES betekenen voor de effecten op het gebied van natuur, landschap, kosten en opbrengsten. Verschil tussen de concept-RES en de RES 1.0: wat valt op voor de effecten natuur en landschap, en kosten en opbrengsten? Natuur en landschap Op het schaalniveau van de regio is iets te zeggen over de gewijzigde effecten op natuur en landschap. Ten opzichte van de concept-RES zijn in Noord-Holland Noord enkele zoeklocaties voor windenergie afgevallen, zoals op Texel, in het IJsselmeer, aan de Hondsbossche Zeewering en nabij Uitgeest en het Alkmaardermeer. Het afvallen van de zoeklocaties voor wind aan de kusten voorkomt negatieve effecten op natuur, zoals voor de hierdoorheen lopende migratieroutes van vogels en vleermuizen. Het afvallen van de zoeklocatie voor windenergie op het IJsselmeer voorkomt de aantasting van openheid.

Het afvallen van de windlocaties bij Uitgeest en het Alkmaardermeer voorkomt aantasting van verschillende landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals UNESCO-gebied, weidevogelkerngebied, een provinciaal monument en een aardkundig monument. Kosten en opbrengsten De kosten en opbrengsten zijn sterk afhankelijk van de locatie en exacte uitwerking. Op het schaalniveau van de regio is het mogelijk iets te zeggen over de gewijzigde effecten op de kosten. Het toevoegen van de grootschalige zonneatollen op het IJsselmeer in het zoekgebied is een keuze voor een kostenefficiënte inpassing van duurzame energieopwekking. Door de schaal van deze energieopwekking zouden de zonneatollen aangesloten moeten worden met een hoogspanningsaansluiting. Dit is kostenefficiënter dan plannen van dezelfde omvang op middenspanning aan te sluiten. In regio Alkmaar is bij de concretisering van de zoekgebieden rekening gehouden met de energieinfrastructuur. In de aanpak is de kostenefficiëntie beschouwd en dit heeft een positief effect op het efficiënt gebruik (lagere kosten) van de energie-infrastructuur.

9 Zie Onderzoek naar de werkgelegenheidseffecten van de energietransitie in Noord-Holland en

Flevoland. 10 Zie online RES-viewer.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

29

Voor de overige zoekgebieden zullen de kosten en opbrengsten richting de RES 2.0 en verder nog in beeld gebracht moeten worden. Zoekgebieden met relatief hoge kosten worden niet op voorhand uitgesloten hoewel dit de uitvoerbaarheid zal verkleinen. De keuzes hierin moeten op basis van een brede belangenafweging worden gemaakt. De netbeheerder heeft in de netimpactanalyse aanbevelingen gedaan om kosten, tijd en ruimte te besparen.

Effectbepaling na de RES 1.0 Met de verdere concretisering van de zoekgebieden in de komende jaren richting RES 2.0 en de borging in omgevingsbeleid, zullen de maatschappelijke en financiële effecten en de effecten op de energieinfrastructuur, voor zover mogelijk en nodig, verder in beeld worden gebracht. Gemeenten kunnen voor deze beleidsafwegingen gebruikmaken van verschillende afwegingsmethoden. Belangrijke vragen daarbij zijn hoe en wanneer belanghebbenden worden betrokken en welke effecten van belang zijn. Zo zet de effectenmatrix de effecten alleen op een rij, worden in een multicriteria-analyse effecten ten opzichte van elkaar gewogen, geeft een businesscase inzicht in de financiële gegevens en leidt een maatschappelijke kosten-batenanalyse tot inzicht in maatschappelijk rendement. Om de besluitvorming zo zorgvuldig mogelijk te laten plaatsvinden, zullen gemeenten moeten bepalen of, en zo ja welke afwegingsmethode ze het best kunnen toepassen tijdens de verschillende momenten van besluitvorming.

Gezondheidsaspecten en de RES De RES is de uitwerking van een deel van de in het nationaal Klimaatakkoord gemaakte afspraken met als doelstelling de uitstoot van broeikasgassen substantieel te verlagen. De energietransitie, het stap voor stap overgaan van fossiele brandstoffen naar duurzame opwek van energie, zorgt hiermee ook voor een schonere en duurzamere leefomgeving. Zo wordt met het vervangen van bijvoorbeeld kolencentrales niet alleen CO2-uitstoot gereduceerd, maar ook de hoeveelheid stikstofdioxine, zwaveloxide en kwik. Het middel mag niet erger zijn dan de kwaal. Het opwekken van duurzame energie met zonneweides en windturbines, het verwarmen en koelen van gebouwen door het gebruik van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater, mogen ons niet voor nieuwe gezondheidsrisico’s stellen. Daarom is hier bij het opstellen van de RES rekening mee gehouden. Dit geldt in het bijzonder voor de hinder en geluidsoverlast van windturbines. De hoeveelheid geluid die een windturbine produceert is afhankelijk van de windsnelheid, het bouwjaar en de hoogte van de turbine. Nieuwe windturbines produceren minder geluid. Hogere turbines draaien langzamer en maken daardoor minder geluid. In de wet staat dat het geluid van een windturbine gemiddeld per jaar

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

30

niet meer dan 47 decibel mag zijn, gemeten op de gevel van een woonhuis. ’s Nachts mag dit niet meer dan gemiddeld 41 decibel zijn. Ter vergelijking: het geluidsniveau van een gesprek is 60 decibel, dat van een drukke verkeersweg op 100 meter afstand is 80 decibel en van een opstijgend vliegtuig op 200 meter hoogte 100 decibel (zie ook het informatieblad van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). Voordat een vergunning voor een windturbine kan worden afgegeven, is het verplicht een onderzoek uit te voeren naar de geluidscontouren. In een vergunning kunnen voorwaarden worden gesteld aan de mate van hinder en kunnen maatregelen opgenomen worden om de hinder binnen bepaalde normen te houden. Hierbij mag het bevoegd gezag strengere normen hanteren dan wettelijk vastgesteld. Veel mensen maken zich hierbij zorgen over het zogenoemde laagfrequent geluid (lage tonen) van windturbines. Bij het opstellen van de RES wordt steeds weer gebruikgemaakt van de meest actuele inzichten. Op dit moment zijn dit vooral de studies uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In Nederland accepteren we een bepaalde mate van hinder. Dat geldt voor bijna alles wat in de openbare ruimte wordt gedaan. Denk bijvoorbeeld aan de bouw van wegen en het bijkomende lawaai van wegverkeer.

Via milieuwetgeving zijn normen gesteld aan de hoeveelheid geluid die windturbines mogen veroorzaken. Hiervoor wordt voor windturbines gebruikgemaakt van de in de Activiteitenregeling milieubeheer beschreven reken- en meetvoorschriften.

Advies jongeren: de wortel en de stok De energietransitie moet zichtbaarder zijn: “We moeten er bij wijze van spreken constant tegenaan lopen.” Wil de RES enige kans van slagen hebben, dan is het van groot belang dat de kosten en baten van de energietransitie duidelijk zijn voor inwoners, bedrijven en andere stakeholders. Bovendien moet het lonen om nu in te stappen. De overheid moet inwoners subsidiëren naar financiële draagkracht om te voorkomen dat inwoners met meer financiële middelen ook meer profiteren van de energietransitie. Het opleggen van boetes is minder effectief om de slagingskans van de RES te vergroten. Dit is een laatste redmiddel om ‘achterblijvers’ in beweging te brengen. Wanneer er toch boetes worden opgelegd, bijvoorbeeld voor milieuovertredingen, gebruik die dan nu al als investeringspotje voor inwoners, woningcorporaties en bedrijven die wel (willen) bijdragen aan de energietransitie.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

31

3. Regionale Structuur Warmte Het deel van de RES dat over warmte gaat, heet de Regionale Structuur Warmte (RSW). Elke energieregio maakt een RSW. De RSW beschrijft hoe de beschikbare warmtebronnen en de warmtevraag in de regio op een logische, efficiënte en betaalbare wijze aan elkaar kunnen worden gekoppeld en welke consequenties dit heeft voor het aanleggen van warmtenetten. In de RES gaat het vooral over bovengemeentelijke warmtebronnen: grotere warmtebronnen die relevant kunnen zijn voor het invullen van de warmtevraag in meerdere gemeenten. Parallel aan het RES-traject ontwikkelen gemeenten een zogeheten Transitievisie Warmte (TVW). In de TVW wordt op buurtniveau inzicht gegeven in de best passende warmtetechnieken (warmtenetten, of bijvoorbeeld het gebruik van warmtepompen) en wordt nagedacht over de volgorde van het aardgasvrij maken van buurten. De TVW’s zijn een verantwoordelijkheid van de gemeenten, niet van de RES-regio’s. De RES maakt geen keuze in welk type warmtevoorziening waar wordt toegepast, dat doen de gemeenten in hun TVW. De RSW levert inzichten op over de beschikbare bovengemeentelijke warmtebronnen die meegenomen kunnen worden in de TVW. Andersom vormen de TVW’s en de bijbehorende uitvoeringsplannen input voor de Regionale Structuur Warmte. Deze wisselwerking is dus een iteratief proces (zie figuur).

In deze RSW wordt inzicht gegeven in de warmtevraag, het aanbod van warmtebronnen en de (regionale) warmte-infrastructuur. Ook worden de context en regionale samenwerking beschreven. De focus ligt daarmee op kansen voor (grootschalige) warmtenetten. Lokaal worden de kansen voor overige technieken (warmtepompen en lokale warmtenetten) in de TVW in beeld gebracht. De eenheid die voor warmte-energie wordt gebuikt is joule. In de RES wordt met name gesproken over energie uit elektriciteit, waarbij de eenheid wattuur wordt gebruikt. Deze getallen zijn eenvoudig naar elkaar om te rekenen: 1 TWh komt overeen met 3,6 PJ.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

32

3.1

Warmtevraag

Met warmtevraag wordt bedoeld: de vraag naar warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater. Deze vraag komt vanuit woningen en gebouwen, landbouw (met name glastuinbouw) en de industrie. Er is vooral veel bekend over de huidige verwarmingsvraag van woningen en gebouwen in de energieregio. Deze hebben ook de grootste vraag naar warmte 11. Het bedrijfsleven en industrie hebben daarnaast nog een warmtevraag voor de bedrijfsprocessen. Daar gaat de RSW niet over. Woningen en gebouwen De warmtevraag valt uiteen in een vraag voor woningen en een vraag voor andere gebouwen: kantoren, ziekenhuizen en scholen. De warmtevraag in Noord-Holland Noord wordt gedomineerd door woningen. De totale warmtevraag voor woningen is ongeveer 10 PJ. De totale warmtevraag voor andere gebouwen is veel minder, namelijk circa 4 PJ (zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.38). De warmtevraag in de dienstverlening is het hoogst in de gemeente Alkmaar, gevolgd door Den Helder en Hoorn. De verdeling in de warmtevraag voor woningen en gebouwen in de regio is weergegeven in onderstaand kaartbeeld.

11 Gegevens hierover zijn opgehaald vanuit de analysekaarten van het NP RES. Voor landbouw en

industrie is gebruikgemaakt van gegevens van de systeemstudie Noord-Holland.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

33

Warmtevraag voor de woningen en gebouwen in Noord-Holland Noord, uitgedrukt in woningequivalenten12.

Huidige warmtevraag woningen en utiliteit in Energieregio Noord-Holland Noord (Bron: Analysekaarten NP RES, 2020)’

WONINGEN

UTILITEIT

Warmtevraag 2017 (PJ)

Warmtevraag 2017 (PJ)

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

34

Regio Alkmaar

4,8

2,1

Holland

2,6

1,7

Westfriesland

2,9

1,1

Totaal RES NHN

10,3

4,9

Kop van Noord-

Landbouw De warmtevraag van de landbouw komt met name voort uit de glastuinbouw. De exacte warmtevraag van de landbouw is niet bekend. Indicatief ligt de warmtevraag ergens tussen de 0,7 en 6,5 PJ. De ligging van de glastuinbouwclusters zijn ook weergegeven in bovenstaande figuur. Industrie Ook de warmtevraag van de industrie in Noord-Holland Noord is niet volledig bekend. Dit komt doordat aardgas in de industrie niet enkel wordt ingezet voor ruimteverwarming, maar ook wordt gebruikt voor het aandrijven van processen. De totale vraag van de industrie naar zowel proces- als verwarmingsenergie komt neer op circa 2,5 tot 4,7 PJ. Effecten van besparing De getallen voor woningen en gebouwen gaan nog niet uit van de effecten van besparing. Wanneer woningen en gebouwen worden geïsoleerd, zal de warmtevraag dalen. Het energieverbruik gaat daarbij niet naar nul. Voorbeeld: de isolatie van een woning met een huidig energielabel E naar label B levert een energiebesparing op van circa 24 procent13. De gemeenten in de energieregio werken actief aan het stimuleren van energiebesparing (zie hiervoor de katern Rollen, kader en instrumenten van overheden). Voor de glastuinbouwsector geldt dat de warmtevraag in grote mate afhankelijk is van de gebruikte teelttechnieken. Ook zijn nieuwe kasconcepten, zoals gesloten kas en gestapelde teelt, in ontwikkeling waardoor de warmtevraag nog kan dalen.

Voor industrie worden de plannen voor verduurzaming en energiebesparing in de Cluster Energie Strategie (strategische weergave van de energie en infrabehoefte van grote industrieclusters) gemaakt.

12 Woningequivalenten zijn een methode om de warmtevraag van kantoren en ander vastgoed

(utiliteit) op te kunnen tellen bij die van woningen. Een woningequivalent is gelijk aan één woning of 130 m2 utiliteit. Buurten met een warmtevraag lager dan 2 WEQ/ha zijn niet ingekleurd op deze kaart. 13 Bron: CE Delft.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

35

3.2 Aanbod van warmtebronnen In deze paragraaf gaan we nader in op de beschikbare warmtebronnen in Energieregio Noord-Holland Noord14. Hierbij is gekeken of bronnen bovengemeentelijk relevant zijn en hoe de potentie kan worden geduid. Onder andere wordt het aanbod van warmte uit restwarmte en omgevingswarmte (aquathermie en geothermie) besproken. Tot slot wordt kort ingegaan op de (nog beperkte) rol die hernieuwbaar gas als warmtebron voor de gebouwde omgeving kan spelen. Niet alle warmtebronnen zijn bovengemeentelijk relevant Niet alle warmtebronnen zijn relevant voor bovengemeentelijke warmtelevering. Het is economisch gezien interessant om warmte over de gemeentegrenzen heen te transporteren wanneer de warmte een voldoende hoog temperatuurniveau heeft. Bronnen met een leveringstemperatuur van boven de 70ºC zijn daarmee geschikt voor (regionaal) transport, maar het is economisch wel voordeliger om deze dicht bij de bron in te zetten. Voorbeelden zijn restwarmte en geothermie. Warmtebronnen met een lagere leveringstemperatuur (lager dan 70ºC, maar vaak met temperaturen rond de 40ºC) zijn minder geschikt als bron voor regionaal warmtetransport. Voorbeelden van lokale bronnen zijn aquathermie, zonthermie en lage temperatuur-restwarmte uit bijvoorbeeld datacenters.

Daar waar veel van deze bronnen dicht bij elkaar liggen biedt dit wel kansen voor het aanleggen van een warmtenet op lage temperatuur. Zo’n net kan ook over de gemeentegrenzen heen uitgelegd worden. Potentiële warmtebron niet altijd bruikbaar De theoretische of technische potentie van warmtebronnen zegt vaak nog niet of deze warmte in de praktijk ingezet kan gaan worden (zie onderstaande figuur). Soms is er wel een warmtebron, maar geen nabijgelegen vraag. En zelfs als er vraag is, dan zal deze niet altijd volledig kunnen worden ingezet. Dat hangt onder andere af van de maatschappelijke acceptatie voor de warmtebron en de vraag of er een verdienmodel kan worden gevonden zodat de warmte ook daadwerkelijk kan worden ontsloten. Deze concretere potenties zijn enkel te bepalen in lokale detailstudies. Deze RSW geeft dan ook enkel de bekende theoretische potentie van warmtebronnen. Het is daarmee niet zinvol om de warmtevraag uit de RSW een-op-een te vergelijken met de theoretische potenties. Wel laten deze potenties zien waar welke warmtebronnen aanwezig zijn en welke warmtebronnen een hoge, dan wel lage potentie hebben.

14 Het warmtedataregister Noord-Holland biedt een geografisch overzicht van duurzame

warmtebronnen en warmtenetten.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

36

Theoretisch potentieel

Theoretische maximumhoeveelheid

Technisch potentieel

Houdt rekening met technische beperkingen Praktisch potentieel

Houdt rekening met de match tussen vraag en aanbod

Inzetbare warmte

Daadwerkelijk in te zetten warmte

Restwarmte Restwarmte is warmte uit bedrijfs- en industrieprocessen, die nu naar de lucht wordt uitgestoten of in het water wordt geloosd. Energieregio Noord-Holland Noord heeft relatief weinig grote restwarmtebronnen. In Alkmaar is één grote restwarmtebron aanwezig, namelijk de afvalenergiecentrale van HVC. Verder ligt er in Anna Paulowna (gemeente Hollands Kroon) een mogelijk interessante bovengemeentelijk warmtebron vanuit een gascompressorstation van Gasunie.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

37

Restwarmtebronnen in Noord-Holland Noord

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

38

Ook restwarmte uit datacenters is een potentiële warmtebron. Deze warmte heeft een lage temperatuur (30°C), maar de temperatuur kan eventueel met een warmtepomp nog worden opgehoogd. Op Agriport A7, in de gemeente Hollands Kroon, zijn verschillende datacenters gevestigd. Uit onderzoek blijkt de toepassing van restwarmte uit deze datacenters niet realistisch voor de gebouwde omgeving maar mogelijk wel voor de glastuinbouw. Deze mogelijkheid wordt door de gemeente Hollands Kroon, samen met de provincie Noord-Holland en de betrokken bedrijven nader verkend. Verder heeft de regio lagetemperatuur restwarmtebronnen uit koelprocessen van bedrijven (zie figuur Restwarmtebronnen in Noord-Holland Noord). Fabrieken, koel- en vrieshuizen, de ICT-sector en supermarkten gebruiken veel energie voor hun koelsystemen. Door het koelen wordt lucht of water (waarmee wordt gekoeld) warmer en zodoende ontstaat er een restwarmtebron. Dit is echter vaak een relatief kleine bron, die geen bovengemeentelijke meerwaarde heeft en ook niet kan dienen als hoofdwarmtebron voor een warmtenet. Echter, wanneer er veel van deze bronnen bij elkaar liggen, kunnen warmte en koude onderling lokaal worden uitgewisseld. Een mooi voorbeeld van samenwerking en uitwisseling van warmte en koude is de Duurzame Ring Heerhugowaard.

Op dit bedrijven/industrieterrein is in potentie 25 GWh (90.000 GJ) per jaar aan industriële restwarmte op lage temperatuur beschikbaar, wat goed is voor levering van warmte aan zo’n 6000 woningequivalenten (WEQ’s) voor nieuwbouwwoningen. Omgevingswarmte Omgevingswarmte is warmte uit de directe leefomgeving, zoals het water of de grond. De belangrijkste bronnen zijn aquathermie en geothermie. Strikt genomen is ook de lucht een bron van omgevingswarmte, maar hiervan is de potentie vooral relevant voor de inzet van elektrische warmtepompen. De locaties van de omgevingswarmtebronnen zijn weergegeven in onderstaande figuur. Vervolgens wordt ingegaan op de potentie van de verschillende bronnen.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

39

Ligging bestaande geothermiebronnen en de aanwezigheid van potentiële bronnen van omgevingswarmte in Noord-Holland Noord

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

40

Aquathermie Aquathermie, ofwel het benutten van warmte en koude uit water, kent drie typen: thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), uit afvalwater (TEA) en uit drinkwater (TED). De temperaturen van aquathermie zijn laag, waardoor aquathermie een lokale warmtebron is. TEO, TEA en TED Bij thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) wordt warmte onttrokken uit diepe plassen of stromend water. Bij thermische energie uit afvalwater (TEA) wordt warmte uit rioolwater of uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) gewonnen. Thermische energie uit drinkwater (TED) gebruikt de grotere watertransportleidingen en drinkwaterleidingen om warmte aan te onttrekken. Voor het inzetten van de warmte uit deze bronnen is veelal (warmtekoude)opslag nodig.

Energieregio Noord-Holland Noord wordt omringd door de zee, het IJsselmeer en het Markermeer. Langs de kusten in de regio is dan ook een grote theoretische potentie voor het winnen van thermische energie uit oppervlaktewater. Deze potentie kan niet overal worden benut, want aquathermie win je het liefst zeer dicht bij de gebouwen die je wilt verwarmen (maximaal enkele kilometers). Daarnaast moet voor het winnen van de warmte soms door zekeringen en dijken geboord worden. Het is dan ook nog maar de vraag of de theoretische potentie van deze wateren ook praktisch kan worden ingezet. Daarnaast liggen er kansen in de boezemwateren en kanalen van de polders. Thermische energie uit afvalwater kan gewonnen worden bij enkele gemalen en rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s), en uit de rioolleidingen van en naar de RWZI’s. Er zijn gemalen in de hele regio en meerdere rioolwaterzuiveringsstations, zowel op het vasteland als op Texel. Hiervan hebben de RWZI’s bij Wervershoof (gemeente Medemblik) en Geestmerambacht (gemeente Langedijk) de hoogste technische potentie. Binnen de RES Noord-Holland Noord is al veel bekend over de warmtepotentie van aquathermie. Voor enkele gemeenten ontbreekt nog de gemeentelijke TEApotentie, ofwel de potentie van de gemeentelijke riolen. In opdracht van de provincie Noord-Holland wordt deze potentie nader onderzocht.

Dit onderzoek wordt medio 2021 opgeleverd. De data worden ontsloten via het online warmtebronnenregister Noord-Holland. De waterschappen van Noord-Holland onderzoeken de mogelijkheden van aquathermie en willen de regio helpen bij de inzet ervan. Er is een actieagenda opgesteld voor de ontwikkeling van aquathermie. Deze is opgenomen in de katern Thematafels.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

41

Tot slot kan ook uit de drinkwaterpersleidingen die door de regio lopen thermische energie worden gewonnen. De potentie van deze leidingen moet nader bepaald worden. Actieagenda aquathermie In het kader van de RES 1.0 is er een thematafel Aquathermie opgericht. De thematafel Aquathermie heeft tot doel dilemma’s op te lossen, kansen te benutten en inspiratie op te doen waarmee de RES verrijkt kan worden. De thematafel Aquathermie heeft een actieagenda opgesteld waarin de meest prangende kwesties rondom de verdere ontwikkeling en realisatie van aquathermie zijn benoemd. Deze actieagenda is te vinden in de katern Thematafels. Het gaat hierbij om het nader bepalen van de potentie van verschillende bronnen van aquathermie, het ondersteunen van gemeenten met kennis en kunde over het inzetten van aquathermie, meer kennis opdoen, en duidelijkheid scheppen over de eisen en benodigde vergunningen voor aquathermieprojecten.

Geothermie Geothermie (ook aardwarmte genoemd) kan een geschikte warmtebron zijn om warmtenetten mee te voeden. Een geothermiebron is een flinke investering, een businesscase heeft daarom zo’n 4.000 tot 8.000 woningequivalenten op een warmtenet nodig voordat een installatie financieel haalbaar is. Ook moet de ondergrond geschikt zijn voor geothermie. Dit is afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen. De huidige bekende theoretische potentie is weergegeven in onderstaande figuur.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

42

Technische potentie geothermie in Noord-Holland Noord

Zoals te zien is op het kaartbeeld is de potentie van geothermie nog niet overal bekend. Pas na het uitvoeren van een proefboring is definitief vast te stellen of een geothermieproject kans van slagen heeft en dus ook daadwerkelijk inzetbaar is.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

43

In de gemeenten Hollands Kroon en Medemblik (Agriport A7, en Het Grootslag in Andijk) leveren geothermiebronnen op dit moment al warmte aan het kassengebied (zie figuur over omgevingswarmte en onderstaand kader). Er lopen onderzoeken om de geothermiebron bij de Agriport A7 ook in te zetten voor bedrijfspanden en woningen in Medemblik. Uit een verkenning is al gebleken dat inzetten van deze bron in de gemeente Hollands Kroon niet haalbaar is. De Energie Combinatie Wieringermeer (ECW) zorgt op twee locaties in Noord-Holland Noord voor de realisatie en exploitatie van geothermie: Agriport A7 – Door het installeren van drie geothermieprojecten wordt het energiegebruik op de Agriport A7 verduurzaamd. In plaats van aardgas kan nu de warmte die wordt gewonnen aan de hand van geothermie worden gebruikt voor de bedrijfsprocessen. Het Grootslag – Het Grootslag is een glastuinbouwgebied van 150 tot 200 ha. In het gebied zijn twee geothermieprojecten gerealiseerd waar tien glastuinbouwbedrijven warmte van ontvangen. Het doel is om circa 50 procent van de warmte in het gebied duurzaam in te vullen.

Hernieuwbaar gas Hernieuwbaar gas wordt onderverdeeld in de categorieën groen gas en waterstofgas. Deze gassen hebben een belangrijke rol in het energiesysteem omdat ze goed opgeslagen en over lange afstand getransporteerd kunnen worden en een hoge energiedichtheid hebben. Deze gassen zijn echter schaars. Het is dan ook belangrijk om deze gassen daar in te zetten waar zij de meeste (toegevoegde) waarde hebben. Dit is met name het geval in de industrie en het zwaar wegverkeer15. Specifiek voor het verwarmen van gebouwen met groen gas en waterstof, geeft de Rijksoverheid aan dat er voor 2030 nog geen grootschalige beschikbaarheid zal zijn van waterstof en groen gas. Waterstof en groen gas zullen naar verwachting een sluitstuk zijn van de warmtetransitie; deze gassen zullen worden ingezet op die plekken waar andere technieken geen oplossing kunnen bieden. Wel kan er al geleerd worden door het uitvoeren van pilots en het opschalen van de productiecapaciteit. De regio Noord-Holland Noord werkt vanuit een innovatieprogramma aan het uitvoeren van (pilot)projecten met onder andere waterstof en groen gas. Meer informatie over de rol van

15 Dit blijkt uit de Visie waterstof en het Duurzaamheidskader biogrondstoffen van de

Rijksoverheid, alsmede de Ladder voor inzet van waterstof van Natuur & Milieu.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

44

waterstof in de regio vindt u in het katern Innovatie en in hoofdstuk 8.1.3 bij het thema Waterstof. Kansen voor uitwisseling van warmte Energieregio Noord-Holland Noord heeft op dit moment een zeer beperkt aantal regio-overstijgende restwarmtebronnen. Lokaal wordt gekeken naar de uitwisseling van datacenterwarmte, maar de studies tot nu toe laten een beperkte inzetbaarheid zien. De potentie van geothermie kan mogelijk bovengemeentelijk worden ingezet. Hier lopen momenteel ook studies naar.

3.3 Warmte-infrastructuur Om warmte van de ene naar de andere gemeente te transporteren is een warmte-infrastructuur nodig. Deze infrastructuur is kostbaar. Er zal dan ook altijd goed gekeken moeten worden of het economisch zinvol is om warmte via een warmteleiding naar een andere locatie te transporteren, of dat lokaal beter ingezet kan worden op andere warmtetechnieken. Er is een regionaal warmtenet aanwezig in Alkmaar, Heerhugowaard en Broek op Langedijk (Langedijk). Dit warmtenet is op de kaart aangegeven. De bron voor dit warmtenet is de bio-energiecentrale van HVC. In Schagen, Medemblik, Heerhugowaard en Heiloo liggen enkele warmtenetten van Eteck. Het gaat hierbij om zeer kleine warmtenetten, bijvoorbeeld een gemeenschappelijke WKO voor de verwarming van een (aantal) appartementencomplex(en). Daarnaast liggen in de Agriport A7/Wieringermeer en Andijk warmtenetten die worden ingezet voor de verwarming van de glastuinbouw. Deze warmtenetten voor de glastuinbouw maken gebruik van geothermie. Momenteel worden deze netten niet ingezet voor de gebouwde omgeving.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

45

Ligging bestaande warmtenetten in Noord-Holland Noord

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

46

3.4 Visie op de warmtevoorziening De visie op de warmtevoorziening wordt vastgesteld in de lokale Transitievisies Warmte (TVW). Op het moment van schrijven hebben tien van de achttien gemeenten een Transitievisie Warmte vastgesteld (zie onderstaande figuur). De overige gemeenten zijn hard bezig met het opstellen van hun Transitievisie Warmte.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

47

Stand van zaken Transitievisies Warmte in Noord-Holland Noord

De gemeenten die nu al een TVW hebben vastgesteld gaan vooral eerst aan de slag in buurten waar een warmtenet een interessante optie lijkt. Dit is voornamelijk het geval in de grotere kernen, waar de benodigde schaalgrootte voor een warmtenet eerder in beeld komt. Het gaat in de regio Noord-Holland Noord met name om warmtenetten op lagere temperatuur, met een lokale warmtebron (zoals aquathermie en mogelijk zonthermie).

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

48

In Heerhugowaard, Alkmaar, Langedijk en Heiloo wordt actief gekeken naar de mogelijkheden van het uitbreiden van het bestaande warmtenet van HVC. In Hoorn werkt men aan een nieuw warmtenet in de wijk Kersenboogerd voor 1.850 corporatiewoningen. Ook wordt onderzocht of het net in de toekomst uitgebreid kan worden naar omliggende wijken. Zo wordt op termijn voldoende schaal bereikt om geothermie als bron mogelijk te maken. Tot die tijd zet men in Hoorn in op kleinschaliger lokale warmtebronnen, zoals aquathermie, als alternatief indien opschaling naar geothermie niet mogelijk is. In Medemblik lopen onderzoeken om het warmtenet van Agriport A7 uit te breiden richting een aantal wijken in de kern Medemblik. Daarnaast wordt in de TVW’s actief ingezet op energiebesparing en zijn er enkele buurten aangewezen als kansrijk voor verwarming met elektrische warmtepompen. Dat laatste geldt voornamelijk voor de kleinere woonkernen in landelijk gebied. Voor deze kernen ligt een warmtenet vaak minder voor de hand. De voortgang van de TVW in de regio Noord-Holland Noord wordt regionaal bijgehouden en is in te zien via een webviewer. Coöperatieve warmte Net als bij plannen voor hernieuwbare elektriciteit op land, bieden lokale initiatieven en een coöperatieve werkwijze kansen voor de warmtetransitie.

Participatie in de wijkaanpakken van de TVW leidt tot betere plannen; inwoners kennen hun buurt en hun woning het best. Lokale initiatieven verhogen het draagvlak; koplopers mobiliseren de andere inwoners in de buurt. Lokale initiatieven kunnen worden gestimuleerd door uitgangspunten hiervoor op te nemen in de TVW. De wijze waarop dit wordt vastgelegd verschilt per gemeente. Op schaal van de energieregio kunnen kennis en ervaring worden uitgewisseld. De Vereniging van Energiecoöperaties en Initiatieven in Noord-Holland (VEINH) kan daarbij ondersteuning bieden, zij heeft kennis over en ervaring met buurtwarmte 16.

3.5 Regionale samenwerking Energieregio Noord-Holland Noord heeft op dit moment een beperkt aantal regio-overstijgende restwarmtebronnen. Enkel in de deelregio Alkmaar is er al

16 Voor meer informatie, zie de website van Energie Samen en ‘Twintig lessen uit de praktijk van

bewonersinitiatieven in de warmtetransitie’.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

49

sprake van een bovengemeentelijke warmte-infrastructuur. Deze deelregio heeft hiervoor een goed functionerende overlegstructuur opgericht die hieronder nog verder wordt toegelicht. In de andere deelregio’s is op dit moment nog geen sprake van bovengemeentelijke warmte-infrastructuren en is er daarom geen sprake van regionale samenwerking op dit onderwerp. Wanneer projecten zich ontwikkelen kan ook in de Kop van Noord-Holland verdere samenwerking alsnog worden opgezet. De gemeenten in Noord-Holland Noord hebben een breed gedeelde wens om van elkaar te kunnen leren en hebben behoefte aan inhoudelijke ondersteuning bij het treffen van maatregelen in de warmtetransitie. Hoewel er in de regio Westfriesland nog geen sprake is van bovengemeentelijke warmteinfrastructuren, willen de gemeenten hierin samen optrekken. Bijvoorbeeld bij de afstemming met de regionaal actieve woningcorporaties, netbeheerders en op het gebied van kennis delen. In de Kop van Noord-Holland overleggen de gemeenten regelmatig over de Transitievisie Warmte. Hier delen zij kennis en ervaringen en pakken gezamenlijk onderzoeken op naar kansrijke warmtetechnieken. Zo is er in het verleden al gezamenlijk gekeken naar de uitwisseling van warmte tussen Den Helder en Hollands Kroon, en eventuele aansluiting van kernen bij de regio Alkmaar. De regio zet deze samenwerking ook de komende jaren voort.

Verdere inhoudelijke ondersteuning wordt in de energieregio geleverd door het Servicepunt Duurzame Energie. Hierna gaan we nog dieper in op de regionale samenwerking in de regio Alkmaar, en de ondersteuning van het SPDE. Samenwerking rondom warmtenet regio Alkmaar Het warmtenet in de regio Alkmaar strekt zich uit van de bio-energiecentrale van HVC op bedrijventerrein Boekelermeer in Alkmaar tot aan Broek op Langedijk in de gemeente Langedijk en glastuinbouwgebied Alton in Heerhugowaard. Het warmtenet is volop in ontwikkeling. Zowel nieuwbouw als bestaande bebouwing sluit aan op het warmtenet. HVC, de gemeenten Alkmaar, Heerhugowaard en Langedijk, de woningcorporaties en andere stakeholders werken daarbij samen (Warmtetransitie HAL-gemeenten). Zij streven naar versnelling van de warmtetransitie en het mobiliseren van uitvoeringskracht om kansrijke projecten te realiseren. De afgelopen jaren verliep de samenwerking voornamelijk organisch en projectgestuurd. Nu de warmtetransitie in een stroomversnelling raakt en de plannen van de gemeenten steeds concreter worden, groeit de behoefte aan regie, afstemming en houvast. Deze zijn nodig om afzonderlijke projecten in een regionale en projectoverstijgende structuur en samenhang met elkaar te verbinden.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

50

De verschillende partijen werken daarom aan het opzetten en onderhouden van een overlegstructuur. Hierin wordt op zowel bestuurlijk als strategisch en operationeel niveau efficiënt de afstemming gezocht en kennis gedeeld. Ook zijn de HAL-partijen voornemens om in 2021 gezamenlijk een warmteregisseur aan te stellen. Zo geven de samenwerkingspartners handelingsperspectief aan de Transitievisies Warmte van de gemeenten en aan de prestatieafspraken tussen woningcorporaties en gemeenten. Ondersteuning door het Servicepunt Duurzame Energie Vanuit de Provincie Noord Holland ondersteunt het Servicepunt Duurzame Energie gemeenten en andere organisaties in Noord-Holland bij de energietransitie in de gebouwde omgeving. Het Servicepunt deelt kennis en is gangmaker voor het onderlinge gesprek. Strategie op Maat Welke stappen zet je na je Transitievisie Warmte? Wat betekent de nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening voor gemeenten? Hoe geef je een isolatiestrategie vorm en hoe maak je verbinding met andere duurzaamheidsthema’s? Onder de programmalijn Strategie Op Maat gaat het servicepunt aan de slag met dit soort vraagstukken. Eerste Hulp Bij Uitvoering (EHBU) Eerste Hulp Bij Uitvoering biedt concrete ondersteuning voor wijkaanpakken. Dat kan op technisch, financieel, organisatorisch en juridisch vlak, maar ook op het gebied van participatie en communicatie.

Het servicepunt ondersteunt op maat, passend bij de verschillende fasen waarin gemeenten nu verkeren en de diversiteit aan werkwijzen. Samen Slim Leren (SSL) Binnen de provincie is enorm veel kennis aanwezig en mogelijkheden om kennis te ontwikkelen. Via gezamenlijke leercommunities, games en andere originele methodes daagt het servicepunt gemeenten uit, soms gezamenlijk met hun stakeholders, om samen te werken aan die doorontwikkeling.

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

51

4. Vervolg na de RES 1.0 De RES is een continu proces. Elke twee jaar bekijkt de regio de RES opnieuw. Verloopt de uitvoering volgens planning, moet er worden bijgestuurd of moeten er nieuwe projecten worden opgenomen? Ook kunnen op deze manier nieuwe (technologische) ontwikkelingen worden meegenomen. Vervolgens wordt een nieuwe RES gemaakt (RES 2.0 en verder). In dit proces is opnieuw ruimte voor inwoners en belanghebbenden om hun stem te laten horen. Na vaststelling van de RES 1.0 werken gemeenten door om de zoekgebieden verder uit te werken, worden de uitkomsten van de RES 1.0 verwerkt in de uitvoeringsinstrumenten van het omgevingsbeleid en wordt een regionaal uitvoeringsprogramma opgesteld. Concretisering zoekgebieden De concretisering van de zoekgebieden loopt door na de vaststelling van de RES 1.0. Het is aan gemeenten om hier uitvoering aan te geven en dit samen met initiatiefnemers en belanghebbenden op te pakken. De Participatiecoalitie Noord-Holland kan daarbij een rol spelen. Ook na de RES 1.0 blijft er ruimte voor nieuwe initiatieven. Als een gemeente besluit om een zoekgebied toe te voegen, te wijzigen of te schrappen, wordt dat zichtbaar in de RES-viewer. Deze viewer bevat de meest actuele situatie van de zoekgebieden. Voor het borgen van de ruimtelijke samenhang in de regio heeft de provincie een regierol.

“Elke gemeente zou een iconisch energieproject moeten hebben”. Sanne van Dorp, deelnemer Jongerentafel

Verwerken in omgevingsbeleid De in de RES 1.0 gemaakte afspraken krijgen een juridische status als deze worden uitgewerkt en vastgesteld in omgevingsrechtelijke instrumenten. Het Klimaatakkoord wijst in dit verband op de gemeentelijke omgevingsvisies, programma’s en omgevingsplannen. Ook de provinciale omgevingsvisie, omgevingsverordening en projectbesluiten zijn instrumenten om de RES juridisch vorm te geven. Het bevoegd gezag bepaalt hoe de RES vertaald wordt naar het omgevingsbeleid. Het gaat daarbij zowel om de inpassing van grootschalige energieopwek, als om benodigde ruimte voor de aanpassing van

RES 1.0 NOORD-HOLLAND NOORD – 21 APRIL 2021

52

energie-infrastructuur. Doelstelling is om in 2021 de keuzes in de RES geborgd te hebben in het omgevingsbeleid van gemeenten en provincie. Regionaal uitvoeringsprogramma De programmaorganisatie RES NHN heeft het proces tot aan de vaststelling van de RES 1.0 gefaciliteerd en ondersteund, in de periode 2019, 2020 en de eerste helft van 2021. Door de betrokken overheden en stakeholders is de wens geuit om na de vaststelling van de RES 1.0, de regionale ondersteuning vanuit een programmaorganisatie te continueren. Daarnaast is het voorstelbaar dat regionale samenwerkingsafspraken nodig zijn voor de uitwerking en uitvoering van de RES. Ook is het wenselijk om afspraken, kaders en een aanpak vast te leggen voor het proces naar de RES 2.0. Hiervoor wordt een regionaal uitvoeringsprogramma opgesteld, waarin worden uitgewerkt: •

regionale samenwerkingsafspraken met betrekking tot de uitwerking van de zoekgebieden voor zon en wind en de Regionale Structuur Warmte;

•

afspraken, kaders en aanpak voor het proces naar de RES 2.0;

•

afspraken met betrekking tot data en monitoring van de voortgang van de uitvoering;

•

afspraken over inzet en verdeling van capaciteit en uitvoeringsbudget.

Ook zal in het uitvoeringsprogramma aandacht besteed worden aan: •

de rollen van en afspraken met samenwerkingspartners (Participatiecoalitie Noord-Holland, Coalitie Duurzame Energie, agrariërs, PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, Rijksvastgoedbedrijf enz.);

•

welke mogelijkheden er zijn om lokale initiatieven te ondersteunen en te financieren;

•

hoe en in welke mate gemeenten ondersteund kunnen worden bij de procesparticipatie en verdere uitwerking van de zoekgebieden;

•

aanpak voor transparante informatievoorziening.

Voor en na de zomer van 2021 wordt input opgehaald voor dit regionaal uitvoeringsprogramma bij de betrokken overheden, bestuurders, volksvertegenwoordigers en samenwerkingspartners. De invulling van het regionaal uitvoeringsprogramma is mede afhankelijk van een rijksbijdrage voor het vervolgproces. Het nieuwe kabinet zal hierover besluiten. Besluitvorming over het regionaal uitvoeringsprogramma volgt om deze redenen eind 2021. Advies jongeren: geen ver-van-hun-bedshow Jongeren zijn tot dusver nog niet expliciet in het RES-proces betrokken. Dit terwijl zij de rest van hun leven te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering. Neem daarom lokale influencers mee in de communicatie, betrek scholen, installeer een jongerenraad, en zet gericht sociale media in. Jongeren willen zich gehoord

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1665/documents/15637