CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Quickscan Natuurwaarden Noordkop Groen.pdf

Gemeenteraad 9 mei 2022, gemeente Den HelderBij agendapunt: 17: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Doggersvaart naast 11 aa7.299 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming soorten Bestemmingsplan wijziging naast Doggersvaart 11AA, Den Helder

Quickscan Wet natuurbescherming soorten Bestemmingsplan wijziging naast Doggersvaart 11AA, Den Helder

Uitvoerder:

Noordkop Groen Van Galenstraat 131 1782 EZ Den Helder Tel.06-20005334 Email: Noordkopgroen@gmail.com

Opsteller:

Ing. M. L. de Jong

Paraaf:

Project: Bestemmingsplanwijziging Doggersvaart naast 11 AA, Den Helder Rapportnummer: 2021-04 Status: Eindrapportage Datum: 31-01-2021 Opdrachtgever: Singeladvies Contactpersonen: Ilja de Wilt en fam. Bakker

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 2

INHOUDSOPGAVE 1. 2.

3.

4. 5.

6.

7.

INLEIDING BESCHERMING CONFORM DE NATIONALE WETGEVING 2.1 Wet natuurbescherming; soortenbescherming 2.2 Wet natuurbescherming; gebiedsbescherming 2.3 Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) 2.4 Weidevogelleefgebieden GEBIEDSBESCHRIJVING 3.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving 3.2 Toekomstig gebruik van het plangebied 3.3 Te verwachten werkzaamheden en ingrepen 3.4 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden ONDERZOEKSMETHODIEK ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 5.1 Nationale databank Flora en Fauna Habitatrichtlijnsoorten 5.2 Vleermuizen 5.3 Overige zoogdieren 5.4 Amfibieën, reptielen en vissen 5.5 Libellen en vlinders 5.6 Vaatplanten 5.7 Vogels

4 5 5 8 9 9 10 10 13 13 14 16 17 17 17 18 18 19 20 20

ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 6.1 Natura 2000-gebieden 6.2 Natuur Netwerk Nederland 6.3 Weidevogelleefgebieden CONCLUSIES

21 21 21 21 22

BIJLAGE: A. B. C. D. E.

- Geraadpleegde internetsites bronnen - Resultaten Quickscanhulp - Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3. Soorten - Artikel 19 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen - Artikel 25 Weidevogelleefgebieden

Rapportnummer: 2021-04

24 25 26 29 31

Pagina 3

1. INLEIDING Noordkop Groen heeft van Singeladvies de opdracht gekregen voor het uitvoeren van een Quickscan Wet natuurbescherming soorten ten behoeve van de voorgenomen bestemmingsplan wijziging Naast de Doggersvaart 11AA, 1784 PD Den Helder. Doel van de bestemmingsplan wijziging is om het perceel te splitsen en er een bouwvlak op te realiseren. De Quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er als gevolg van de werkzaamheden sprake kan zijn van een overtreding van de verbodsbepalingen voor de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Tevens zal nagegaan worden hoe de ligging is ten opzichte van Natura-2000 gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en het Weidevogelleefgebied. Ook eventuele effecten op deze gebieden zullen worden beschreven. Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. De Quickscan is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en kan niet gezien worden als volwaardig ecologisch onderzoek. Voor de Quickscan zijn geen uitgebreide inventarisaties uitgevoerd naar soorten en soortgroepen. Zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek zijn door Martin de Jong, ecoloog van Noordkop Groen uitgevoerd.

Het veldbezoek is uitgevoerd op 29 januari 2021.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 4

2. BESCHERMING CONFORM DE NATIONALE WETGEVING Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door de naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Slechts één wet en minder regels maakt de wet overzichtelijker. Bescherming van dieren en planten Veel verschillende planten- en dierensoorten zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en steenuilen zijn kwetsbaar. In een dichtbevolkte samenleving als Nederland is daarom goede natuurbescherming belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Rolverdeling provincies en Rijk Vanaf 1 januari 2017 is de bevoegdheidsverdeling tussen provincies en het Rijk vastgelegd in het Besluit Natuurbescherming. In principe is Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie waarin de activiteit (hoofdzakelijk) plaatsvindt het bevoegd gezag. Op het gebied van natuurbeleid is het, zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wnb, de provincie die een kerntaak heeft en een regisseursrol vervult bij de inrichting en het beheer van het landelijke gebied.

Sinds 1 januari zijn gedeputeerde staten bevoegd om ontheffing te verlenen in het kader van soortenbescherming. Uitzondering hierop waarbij het Rijk het bevoegd gezag heeft zijn o.a. provinciegrensoverschrijdende infra en hoogspanning 220 kV. Voor de vaststelling van gedragscodes is het Rijk altijd het bevoegd gezag. De rol van de gemeente Ook de rol van de gemeente is enigszins veranderd. De gemeente had al de plicht om te toetsen op volledigheid en informatieplicht. Met de decentralisatie is de verplichting tot toetsen op volledigheid bij omgevingsvergunningen veel belangrijker geworden.

2.1 Wet natuurbescherming; soortenbescherming Een groot deel van de in Nederland van nature voorkomende flora en fauna is beschermd. Deze bescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Dit betekent onder meer dat het verboden is om de onder de Wet natuurbescherming beschreven soorten vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en een aantal vissoorten te verstoren, te vangen of te doden en dat het verboden is om hun rust-, verblijf- en nestplaatsen uit te halen, te verwijderen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 5

Het is mogelijk om ontheffing te krijgen van deze verboden. Dat kan nodig zijn in het geval beschermde soorten schade aanrichten, zoals bijvoorbeeld gewasschade, schade aan de volksgezondheid of schade aan flora of fauna. Een ontheffing kan ook nodig zijn in het geval werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, zoals bouwen, onderhoud, slopen of aanleg van infrastructuur. Indien deze werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor beschermde planten- of diersoorten dient daarvoor bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) een ontheffing te worden aangevraagd. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten: - Vogelrichtlijnsoorten (alle broedende vogels) - Habitatrichtlijnsoorten (zie voor Den Helder tabel 1) - Andere soorten (zie voor Den Helder tabel 1) Soort Soortgroep Bescherming Rugstreeppad Amfibie Art 3.5 Wnb Kamsalamander Amfibie Art 3.5 Wnb Duinparelmoervlinder Dagvlinder Art. 3.10 Wnb Grote parelmoervlinder Dagvlinder Art. 3.10 Wnb Grote vos Dagvlinder Art. 3.10 Wnb Kommavlinder Dagvlinder Art. 3.10 Wnb Gevlekte witsnuitlibel Libel Art 3.5 Wnb Lederschildpad Reptiel Art 3.5 Wnb Zandhagedis Reptiel Art 3.5 Wnb Lederschildpad Reptiel Art 3.5 Wnb Glad biggenkruid Zaadplant Art. 3.10 Wnb Groenknolorchis Zaadplant Art 3.5 Wnb Grote leeuwenklauw Zaadplant Art. 3.10 Wnb Rozenkransje Zaadplant Art. 3.10 Wnb Schubvaren Sporenplant Art.

3.10 Wnb Baardvleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Brandts vleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Bosvleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Gewone dwergvleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Gewone grootoorvleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Kleine dwergvleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Laatvlieger Vleermuis Art. 3.5 Wnb Ruige dwergvleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Tweekleurige vleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Watervleermuis Vleermuis Art. 3.5 Wnb Boommarter Zoogdier Art. 3.10 Wnb Bunzing Zoogdier Art. 3.10 Wnb Damhert Zoogdier Art. 3.10 Wnb Hermelijn Zoogdier Art. 3.10 Wnb Wezel Zoogdier Art. 3.10 Wnb Tabel 1. Rondom Den Helder waargenomen soorten met een beschermde status. De zeezoogdieren zijn hier verder buiten beschouwing gelaten.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 6

Onder de Wet natuurbescherming wordt één op één aangesloten bij de beschermingsartikelen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor ‘nationale’ andere soorten geldt nu een kleiner aantal verbodsbepalingen. Het meest in het oog springend is het vervallen van het verbod op het verstoren van soorten. Daarnaast zijn voor alle nationale soorten (of zij nu vroeger onder tabel 1, 2 of 3 vielen) de toetsingscriteria gelijkgesteld en moet aan de drie voorwaarden bij het verlenen van een ontheffing of vrijstelling voldaan worden. Wel kennen de ‘nationale’ andere soorten ruimere ontheffingsmogelijkheden dan de soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.3 Wnb Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Niet van toepassing

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort Niet van toepassing Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Niet van toepassing

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Tabel 2. Beschermingsregime’s soorten

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 7

Algemene zorgplicht Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat u de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

2.2 Wet natuurbescherming; gebiedsbescherming Voortvloeiend uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn is in Nederland een groot aantal gebieden aangewezen als beschermd Natura2000-gebied. Deze bescherming is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming kent voor de Natura 2000-gebieden een toetsingskader. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Hierbij gaat het om de bescherming van leefgebieden van vogels (Vogelrichtlijn) en de bescherming van habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Het is verboden om zonder vergunning een project uit te voeren die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied de kwaliteit van natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd.

Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 8

2.3 Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) In de Nota Ruimte is in het verleden op landelijk niveau het Natuur Netwerk Nederland (destijds de Ecologische Hoofdstructuur genoemd) vastgelegd. Het NNN bestaat uit verbindingszones en beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt uitwisseling plaats van planten en dieren tussen gebieden. Het NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Het beschermingsregime is onder de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd in het Barro en werkt via provinciale verordeningen door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Met ingang van 1 oktober 2012 is het NNN juridisch geborgd in titel 2.10 van het Barro. Conform die titel zijn in artikel 19 en kaart 4 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van Noord-Holland (hierna: PRV) gebieden aangewezen die in de provincie het NNN vormen (naam in de relevante Provinciale Ruimtelijke Verordening is echter nog Ecologische Hoofdstructuur).

Voor die gebieden zijn in het Natuurbeheerplan 2018 wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld en geldt het beschermingsregime van artikel 19 van de PRV.10 Binnen het NNN zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van NNN-gebieden of van de samenhang tussen die gebieden. Hier zijn wel uitzonderingen voor volgens de Provinciale Ruimtelijke Verordening: • nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten voor zover: o er sprake is van een groot openbaar belang; o er geen reële andere mogelijkheden zijn en; o de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd of; • een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de NNN of de Natuurverbinding per saldo te verbeteren. Het NNN omvat in Noord-Holland ca 56.000 ha, waarvan ca 6.000 ha nog niet is gerealiseerd en nu veelal nog in agrarisch gebruik is. De provincie zorgt voor realisatie van de laatste 6.000 NNN, voor het beheer van het gerealiseerde NNN en ook voor de planologische bescherming van het gehele NNN.

2.4 Weidevogelleefgebied Weidevogelleefgebieden maakten voorheen deel uit van de PEHS (Provinciale Ecologische Hoofdstructuur: voorheen EHS (NNN), Natuurverbindingen en weidevogelleefgebied). De weidevogelleefgebieden zijn “agrarische gebieden die actuele of potentiële waarde hebben voor de weidevogels. Voortzetting van het agrarisch gebruik is een vereiste voor behoud of ontwikkeling van die waarden. Binnen het totale areaal is voor een beperkt aantal hectares (rijks)geld beschikbaar voor het afsluiten van overeenkomsten voor actief weidevogelbeheer. Planologische bescherming en compensatie zijn daarom voor deze categorie gebieden onmisbare aanvullende instrumenten om de weidevogels daadwerkelijk te kunnen beschermen” (tekst afkomstig uit “Handreiking ruimtelijke bescherming en compensatie natuur en recreatie van de Provincie Noord-Holland).

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 9

3. GEBIEDSBESCHRIJVING 3.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving In de onderstaande figuren 1 en 2 is de huidige situatie weergegeven. De planlocatie ligt in Den Helder, aan de Doggersvaart naast 1AA, 1784 PD Den Helder. Het gebied ligt aan de Doggersvaart die de zuidgrens van Den Helder vormt. Pal naar het noorden ligt een stuk nog braakliggend terrein dat onderdeel uitmaakt van het bedrijvenpark De Dogger. Er zijn initiatieven voor de aanleg van een grote zonneweide. Op dit stukje Doggersvaart is lintbebouwing aanwezig en even naar het westen ligt de wijk Nieuw Den Helder Zuidoost. Naar het zuiden ligt agrarisch gebied, vooral in gebruik voor de bollenteelt.

Figuur 1. Overzicht ligging (Google Earth) De planlocatie zelf zoals weergeven in figuur 2 omvat het woonhuis met schuur resp. Doggersvaart 11AA en 11A. Het beoogde bouwblok bestaat uit een grasveld met wat elzenhagen. Deze dateren nog van de voormalige minicamping Doggersbank. Aan de noordzijde ligt een vrij brede sloot die de afscheiding vormt met het achterliggende bedrijventerrein De Dogger.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 10

Figuur 2. Huidige situatie in detail (Google earth).

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 11

Figuur 3. Foto’s huidige situatie.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 12

3.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie Na een bestemmingsplan wijziging en het toestaan van een woning zal de in figuur 4 aangegeven planlocatie van 900 m2 worden afgesplitst van het huidige perceel. Op dit perceel zal op de aangegeven plek van hjet bouwblok een woning gerealiseerd worden.

Figuur 4. Situatieschets van de berstemmingsplan wijziging.

3.3 Te verwachten werkzaamheden en ingrepen aanlegfase Voor de bouw van de woning zal dit deel van het terrein bouwrijp gemaakt worden, waarna de bouw zal plaatsvinden alsmede de rest van de inrichting van het perceel.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 13

3.4 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden De ligging van de planlocatie is op ca. 1,2 kilometer van het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder – Callantsoog, op 2,8 kilometer van Natura-2000 gebied Waddenzee en 2,4 kilometer van Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (zie figuur 5).

Figuur 5. Overzicht ligging t.o.v. Natura 2000-gebieden.

Figuur 6. Ligging t.o.v. de Natuur Netwerk Nederland De planlocatie ligt tussen Mariëndal in het westen op 740 meter en De Nollen in het oosten op 460 meter. Beide gebieden vallen binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het tussenliggende gebied naar beide kanten is verstedelijkt en er liggen diverse wegen tussen.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 14

Figuur 7. Ligging t.o.v. weidevogelleefgebied. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ligt op 6,4 kilometer afstand.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 15

4. ONDERZOEKSMETHODIEK Aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen op de onderzoeklocatie. Daarnaast is er gebruik gemaakt van de gevalideerde waarnemingen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), gebruikt via de uitvoerportaal. (https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal). Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in bijlage A. Naast het bureau onderzoek heeft er een veldbezoek plaatsgevonden. Het veldbezoek is afgelegd op 29 januari 2021 door Martin de Jong van Noordkop Groen. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoeklocatie alsmede het omliggende terrein bezocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.

Tijdens het veldbezoek is de volgende checklist afgewerkt gericht op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (indien van toepassing): • Waarnemingen van aanwezige vogelsoorten • Beoordelen van potentieel habitat en nestgelegenheden • Controle op jaarrond beschermde nesten • Controle op vleermuisverblijfsplaatsen in gebouwen • Beoordelen van bomen op een planlocatie op holtes en loszittend schors • Zoeken naar sporen van overige zoogdieren • Waarnemingen van overige fauna • Check van aanwezige waterpartijen • Check waardplanten en habitat vlinders en libellen • Check op beschermde planten

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 16

5. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 5.1 Nationale Databank Flora en Fauna De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van planten- en diersoorten. Er zijn ruim 100 miljoen waarnemingen in de NDFF opgeslagen. De waarnemingen zijn veelal door vrijwilligers gedaan. Hierdoor kan enigszins een vertekend beeld ontstaan. Op plekken waar relatief veel natuurliefhebbers komen zijn meer waarnemingen bekend, en daarbij worden juist de leukere en vaak schaarsere soorten wel ingevoerd en algemene vaak niet. Van met name vogels worden veel waarnemingen ingevoerd. Dit kan een enigszins vertekend beeld geven. Uit de Nationale Databank Flora en Fauna komen de volgende gevalideerde gegevens naar voren voor het plangebied. De gegevens uit de NDFF geven een indicatie van de aanwezigheid van soorten. Als soorten niet vermeld staan hoeft dat niet in te houden dat deze soorten ook daadwerkelijk ontbreken. Binnen 100 meter van de planlocatie zijn er alleen een waarneming van een zieke of gewonde Laatvlieger bekend in de NDFF van beschermde soorten onder de habitatrichtlijn.

5.2 Vleermuizen Er is binnen het plangebied een waarnemingen bekend van vleermuizen, en wel de zieke of gewonde laatvlieger van 11-7-2017. Binnen 1 kilometer zijn er waarnemingen bekend van laatvliegers en de gewone en ruige dwergvleermuis. Het is aannemelijk dat de omgeving gebruikt worden als foerageergebied van de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger. Verblijfplaatsen Hoewel iedere soort specifieke voorkeuren voor verblijfplaatsen heeft, komt de seizoenscyclus in verblijfplaatsen voor alle soorten overeen. Per seizoen kiezen vleermuizen verblijfplaatsen voor een andere functie: • Winterslaapplaatsen • Tussenverblijfplaatsen • Zomerverblijfplaatsen (niet-kraamverblijfplaatsen) • Kraamverblijfplaatsen • Paarverblijfplaatsen met territorium • Zwermlocaties: “Verblijfplaatsen” met centrale zwermfunctie De gewone dwergvleermuis vindt zowel ’s zomers als ’s winters een verblijfplaats in gebouwen. Er zijn geen gebouwen in de buurt, en er wordt ook niks gesloopt. De ruige dwergvleermuis is naast gebouw bewonend ook zeker boom bewonend waarbij gebruik wordt gemaakt van holtes en ruimtes onder schors, ook worden wel nestkasten gebruikt. De te kappen bomen met een stamomvang van 20-30cm zijn te jong om holtes te hebben. Ook in de dikkere bomen die gespaard blijven zijn geen holtes waargenomen.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 17

Bij de laatvlieger komen alleen verblijfplaatsen in gebouwen voor. ➢

➢

Het is uitgesloten dat er in de te kappen elzenhaag verblijfsplaatsen aanwezig zijn van vleermuizen, daar deze te dun voor. Bij een visuele controle vanaf de grond zijn er ook geen holtes waargenomen. Verder is het van belang om verstoring van actief foeragerende vleermuizen te voorkomen door de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren en/of dient er vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast.

5.3 Overige zoogdieren Van de terrestrische zoogdiersoorten zijn geen waarnemingen bekend binnen 5 kilometer die beschermd zijn onder paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming. Ook van soorten beschermd onder paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming zoals de boommarter, bunzing, damhert en wezel zijn binnen 1 kilometer geen waarnemingen bekend. Deze soorten zijn wel bekend van een zone binnen 5 kilometer. Voor soorten als egel, haas, huisspitsmuis, en konijn geldt dat ze provinciaal vrijgesteld zijn. Onder de algemene zorgplicht is het nog steeds verboden ook deze soorten opzettelijk te doden. In de directe omgeving zijn geen waarnemingen bekend van onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Gezien het intensieve gebruik in het recente verleden, en verder de open structuur van de hagen zullen deze geen habitat vormen voor soorten als boommarter, bunzing, hermelijn of wezel. ➢ Effecten op beschermde marterachtigen als de boommarter, bunzing, hermelijn en wezel zijn uitgesloten. Verder zijn er alleen een beperkt aantal algemene soorten te verwachten als de egel, de huismuis of een huisspitsmuis. Al deze soorten vallen onder de algemene zorgplicht, maar zijn verder vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen.

5.4 Amfibieën, reptielen en vissen Amfibieën De bouwlocatie is ongeschikt voor watergebonden amfibieën. Binnen 1 tot 5 kilometer zijn er waarnemingen bekend van de bastaardkikker, kamsalamander en meerkikker. Ook een rugstreeppad is in de omgeving niet uit te sluiten. De planlocatie is in de huidige vorm niet geschikt als overwinteringsplaats voor rugstreeppadden of andere amfibieën. Door graafwerkzaamheden kan ook tijdelijk geschikt habitat ontstaan. Als pas gestart wordt nadat de trek naar overwinteringsplaatsen start zijn effecten op rugstreeppadden uitgesloten. Algemene soorten als de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ingrepen, maar vallen wel onder de algemene zorgplicht. ➢ Effecten op voortplantingshabitat is uitgesloten.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 18

➢

Door de werkzaamheden uit te voeren nadat de trek naar overwinteringsplaatsen van rugstreeppadden is afgerond is een effect op deze soort uitgesloten.

Reptielen De zandhagedis komt voor in de droge duinen. Er zijn geen waarnemingen bekend buiten het duingebied. Ondanks de geïsoleerde ligging van De Nollen is het niet uitgesloten dat hier ook zandhagedissen voorkomen. Verder is de planlocatie met gras en elzenhagen ongeschikt als habitat. ➢ De planlocatie is niet geschikt als habitat voor reptielen, effecten zijn uitgesloten. Vissen Binnen 50 kilometer zijn er geen waarnemingen bekend van de beschermde zoetwater vissoorten. ➢ De bouwlocatie is ongeschikt als habitat. Verder vinden er ook geen werkzaamheden plaats aan de watergang ten noorden van de planlocatie.

5.5 Libellen en vlinders Libellen Binnen 5 kilometer van het plangebied zijn er enkele waarnemingen bekend van beschermde gevlekte witsnuitlibel. De soort lijkt zich uit te breiden, maar zijn nog uiterst zeldzaam. Voor libellen geldt dat ze water nodig hebben voor voortplanting. ➢ De brede sloot vormt geen optimaal habitat voor deze soort. Verder vinden er hier geen werkzaamheden plaats en zal er geen effect zijn op beschermde libellen soorten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Binnen een straal van ca. 5 kilometer zijn er waarnemingen bekend van beschermde soorten als de duinparelmoervlinder, grote parelmoervlinder en kommavlinder. De periode waarin de meeste intensieve werkzaamheden van de bouw zullen plaatsvinden valt na de tijd dat imago’s actief zijn. Duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder De waardplanten van de duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder zijn diverse soorten viooltjes waarbij voor in de duinen het duinviooltje en het hondsviooltje het meeste voorkomen. Het habitat bestaat verder uit duingraslanden, droge heischrale graslanden op lemige bodems, blauwgraslanden en kalkgraslanden. De duinparelmoervlinder overwintert als ei en de grote parelmoervlinder als rups in de strooisel laag binnen geschikt habitat zoals hiervoor beschreven.

➢ Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Kommavlinder De waardplanten van de kommavlinder zijn kleine polletjes van schapengras; soms ook andere zwenkgrassen, buntgras en struisgras. Het habitat bestaat verder uit droge, schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heide. Als het vrouwtje op zoek is naar een plaats om de eitjes af te zetten, vliegt zij laag boven de grond. Een geschikt polletje groeit vaak aan de rand van een stukje open zand op een warme en luwe plek. Het vrouwtje is zeer selectief en betast de waardplant met

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 19

de voorpoten en de voelsprieten. De grote witte eitjes worden afzonderlijk afgezet, bij voorkeur aan de basis van een kleine jonge plant, waar ze ook overwinteren. De belangrijkste oorzaak van de huidige achteruitgang is verrijking van het leefgebied en afname van de begrazing door konijnen in de duinen. Hierdoor verruigt de vegetatie en verdwijnt de afwisseling tussen open grond en lage vegetatie. Het is gewenst om in zulke dichtgegroeide vegetaties weer open plekken te creëren. Dit kan door gedeelten te plaggen, te frezen of (tijdelijke) begrazing. Indien zo'n gevarieerde vegetatie hierna niet spontaan in stand blijft, is het mogelijk deze te behouden door middel van extensieve begrazing, gefaseerd maaien of eventueel door in meerjaarlijkse cycli kleinschalig te

➢ Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Grote vos De grote vos is een zeer zeldzame soort waarvan voortplanting in recente jaren niet is vastgesteld in Nederland. De soort is een zeer zwerflustige soort waardoor deze op afwijkende plaatsen waargenomen kan worden. De waardplanten zijn vooral iep, ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Het habitat bestaat uit vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden.

➢ Significante effecten op deze soort zijn uitgesloten. 5.6 Vaatplanten De planlocatie is ongeschikt als groeiplaats voor wettelijk beschermde soorten. Er zijn er binnen een straal van 5 kilometer waarnemingen bekend van beschermde soorten als de grote leeuwenklauw. ➢ De planlocatie is geen geschikte groeiplaats voor beschermde vaatplanten. Het voorkomen van deze soorten en daarmee een effect op deze soorten door de werkzaamheden is uitgesloten.

5.7 Vogels Bij het veldbezoek zijn waarnemingen gedaan van een merel, roodborst, huismus en een koolmees. In de hagen zullen zeker vogels broeden. Er zijn geen nestplaatsen aangetroffen met een jaarrond beschermde status. ➢ Door de werkzaamheden als bouwrijp maken buiten het broedseizoen te plannen zal er geen effect zijn op broedvogels. Nesten met een jaarrond beschermde status zijn niet aangetroffen. ➢ Er zijn op deze locatie geen vaste slaapplaatsen te verwachten.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 20

6. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 6.1 Natura 2000-gebieden De ligging van de planlocatie is op ca. 1,2 kilometer van het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder – Callantsoog, op 2,8 kilometer van Natura-2000 gebied Waddenzee en 2,4 kilometer van Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Gezien de afstand en de kleinschalige werkzaamheden zal is een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van betreffende gebieden uitgesloten.

6.2 Natuur Netwerk Nederland (NNN) De planlocatie ligt tussen Mariëndal in het westen op 740 meter en De Nollen in het oosten op 460 meter. Beide gebieden vallen binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het tussenliggende gebied naar beide kanten is verstedelijkt en er liggen diverse wegen tussen. ➢

De bestemmingsplan wijziging en later nieuwbouw van een woning geen effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuur Netwerk Nederland.

6.3 Weidevogelleefgebied Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ligt op ca. 6.8 kilometer van de planlocatie. ➢

Gezien de afstand en omdat alle werkzaamheden na het broedseizoen uitgevoerd worden zal er geen effect zijn op het weidevogelleefgebied.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 21

7. CONCLUSIES In het kader van de Wet natuurbescherming soorten hoeft er geen vergunning aangevraagd te worden. Onderstaand zijn de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken samengevat. Een nadere onderbouwing is in de betreffende hoofdstukken te vinden.

Beschermde soorten Vleermuizen ➢ Het is uitgesloten dat er in de te kappen elzenhaag verblijfsplaatsen aanwezig zijn van vleermuizen, daar deze te dun voor. Bij een visuele controle vanaf de grond zijn er ook geen holtes waargenomen. ➢ Verder is het van belang om verstoring van actief foeragerende vleermuizen te voorkomen door de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren en/of dient er vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Overige zoogdieren ➢ Effecten op beschermde marterachtigen als de boommarter, bunzing, hermelijn en wezel zijn uitgesloten. Amfibieën ➢ Effecten op voortplantingshabitat is uitgesloten. ➢ Door de werkzaamheden uit te voeren nadat de trek naar overwinteringsplaatsen van rugstreeppadden is afgerond winter is een effect op deze soort uitgesloten. Reptielen ➢ De planlocatie is niet geschikt als habitat voor reptielen, effecten zijn uitgesloten. Vissen ➢ De bouwlocatie is ongeschikt als habitat. Verder vinden er ook geen werkzaamheden plaats aan de watergang ten noorden van de planlocatie. Libellen ➢ De brede sloot vormt geen optimaal habitat voor deze soort. Verder vinden er hier geen werkzaamheden plaats en zal er geen effect zijn op beschermde libellen soorten.

Dagvlinders ➢ Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig voor de duinparelmoervlinder en de grote parelmoervlinder en de kommavlinder en grote vos op de planlocatie. Vaatplanten ➢ De planlocatie is geen geschikte groeiplaats voor beschermde vaatplanten. Het voorkomen van deze soorten en daarmee een effect op deze soorten door de werkzaamheden is uitgesloten.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 22

Vogels ➢ Door de werkzaamheden als bouwrijp maken buiten het broedseizoen te plannen zal er geen effect zijn op broedvogels. Nesten met een jaarrond beschermde status zijn niet aangetroffen. ➢ Er zijn op deze locatie geen vaste slaapplaatsen te verwachten.

Beschermde gebieden ➢ ➢ ➢

Er zijn geen negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden Duinen Den Helder – Callantsoog, Noordzeekustzone en Waddenzee. De bestemmingsplan wijziging en later nieuwbouw van een woning geen effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuur Netwerk Nederland. Gezien de afstand en omdat alle werkzaamheden na het broedseizoen uitgevoerd worden zal er geen effect zijn op het weidevogelleefgebied.

Algemene zorgplicht Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat u de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

Noordkop Groen, Ing. M.L. de Jong

Den Helder, 31 januari 2021

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 23

BIJLAGE A GERAADPLEEGDE INTERNETSITES https://www.natura2000.nl/ http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-09-01#Aanhef https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx https://www.ODnhn.nl/Wet_natuurbescherming

https://www.bij12.nl/nieuws/kamerbrief-minister-schouten-met-update-voor-korte-termijn/ http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&hoofdstuk=3&z=2017-09-01&g=201709-01 (Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3 Soorten)

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 24

Bijlage B. Resultaten Quickscanhulp. Naam

Groep

Afstand

Laatvlieger

Vleermuis

0 - 1 km

Egel

Zoogdieren

0 - 1 km

Boomvalk

Vogels

0 - 1 km

Buizerd

Vogels

0 - 1 km

Gierzwaluw

Vogels

0 - 1 km

Grote Gele Kwikstaart

Vogels

0 - 1 km

Huismus

Vogels

0 - 1 km

Ooievaar

Vogels

0 - 1 km

Sperwer

Vogels

0 - 1 km

Wespendief

Vogels

0 - 1 km

Baardvleermuis

Vleermuis

1 - 5 km

Gewone dwergvleermuis

Vleermuis

1 - 5 km

Gewone grootoorvleermuis

Vleermuis

1 - 5 km

Ruige dwergvleermuis

Vleermuis

1 - 5 km

Watervleermuis

Vleermuis

1 - 5 km

Bruinvis

Zeezoogdieren 1 - 5 km

Bultrug

Zeezoogdieren 1 - 5 km

Boommarter

Zoogdieren

1 - 5 km

Bunzing

Zoogdieren

1 - 5 km

Damhert

Zoogdieren

1 - 5 km

Dwergspitsmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Eekhoorn

Zoogdieren

1 - 5 km

Gewone zeehond

Zoogdieren

1 - 5 km

Grijze zeehond

Zoogdieren

1 - 5 km

Huisspitsmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Rosse woelmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Tuimelaar

Zoogdieren

1 - 5 km

Veldmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Wezel

Zoogdieren

1 - 5 km

Bastaardkikker

Amfibieën

1 - 5 km

Kamsalamander

Amfibieën

1 - 5 km

Meerkikker

Amfibieën

1 - 5 km

Rugstreeppad

Amfibieën

1 - 5 km

Zandhagedis

Reptielen

1 - 5 km

duinparelmoervlinder

Dagvlinders

1 - 5 km

grote vos

Dagvlinders

1 - 5 km

kommavlinder

Dagvlinders

1 - 5 km

Gevlekte witsnuitlibel

Libellen

1 - 5 km

Grote leeuwenklauw

Vaatplanten

1 - 5 km

Havik

Vogels

1 - 5 km

Kerkuil

Vogels

1 - 5 km

Ransuil

Vogels

1 - 5 km

Roek

Vogels

1 - 5 km

Slechtvalk

Vogels

1 - 5 km

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 25

BIJLAGE C. Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3. Soorten

§ 3.1. Wet natuurbescherming; Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn.

Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.2 1. Het is verboden vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn dood of levend, of gemakkelijk herkenbare delen daarvan, of uit deze vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of ten verkoop aan te bieden. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel B, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de verkoop, het vervoer voor verkoop, het onder zich hebben voor verkoop of het ten verkoop aanbieden van vogels van soorten, aangewezen op grond van het derde lid, en delen of producten van die vogels. 5. Een vogelsoort wordt op grond van het derde lid uitsluitend aangewezen, indien de handelingen, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd overeenkomstig regels als bedoeld in het vierde lid, er niet toe leiden dat het populatieniveau, de geografische verspreiding of de omvang van de voortplanting van deze soort in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht. 6. Het is verboden, anders dan voor verkoop, vogels, delen of producten als bedoeld in het eerste lid, onder zich te hebben of te vervoeren, tenzij deze vogels, delen of producten aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 26

§ 3.2. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.6 1. Het is verboden dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, onder zich te hebben voor verkoop, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden. 2. Het is verboden, anders dan voor verkoop, dieren of planten als bedoeld in het eerste lid onder zich te hebben of te vervoeren.

3. De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing ingeval de in dat lid bedoelde dieren en planten aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt. § 3.3. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. zaadplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 27

of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 28

BIJLAGE D. Artikel 19 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen (NNN) 1. Een bestemmingsplan voor gebieden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan als natuurnetwerk Nederland of als natuurverbinding strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen. 3. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. 4. In afwijking van het derde lid kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid nieuwe activiteiten mogelijk maken, indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn, en; c. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. 5.

Bij toepassing van het vierde lid voldoet het bestemmingsplan aan de ruimtelijke kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 15 en is een bestemmingsplan in overeenstemming met het gestelde in artikel 5a of artikel 5c. 6. Voor zover het vierde lid, aanhef en onder c van toepassing is, is artikel 25, vierde lid, niet van toepassing. 7. De wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in dit artikel zijn neergelegd in bijlage 3, Wezenlijke kenmerken en waarden natuurnetwerk Nederland provincie Noord-Holland bij de verordening. 8. Gedeputeerde staten kunnen, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten, de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland en de natuurverbindingen, als aangegeven op kaart 4 en de digitale verbeelding ervan, wijzigen: a. ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het natuurnetwerk Nederland, voor zover: * de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland worden behouden; en * de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of b.

ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover: * de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het natuurnetwerk Nederland beperkt is; * de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, of een vergroting van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland; en * de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of c. ten behoeve van de toepassing van het vierde lid.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 29

9. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder c, plaatsheeft, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 30

BIJLAGE E. Artikel 25 Weidevogelleefgebieden

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelleefgebieden, zoals op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven, voorziet niet in: a. de mogelijkheid van nieuwe bebouwing, anders dan binnen een bestaand bouwblok of een uitbreiding daarvan; b. de mogelijkheid van aanleg van nieuwe weginfrastructuur; c. de mogelijkheid van aanleg van bossen of boomgaarden; d. de mogelijkheid verstorende activiteiten, buiten de huidige agrarische activiteiten, te verrichten die het weidevogelleefgebied verstoren, en; e. de mogelijkheid werken uit te voeren die realisatie van nieuwe peilverlagingen mogelijk maken. 1. In een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid wordt de aanleg van hoog opgaande beplantingen of laanbeplanting afhankelijk gesteld van een aanlegvergunning, als bedoeld in artikel 3.3. sub a. van de Wet ruimtelijke ordening. 2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan wel voorzien in de in dat lid omschreven ontwikkelingen indien dit geschiedt ten behoeve van: a. een ingreep waarvoor geen aanvaardbaar alternatief aanwezig is en waarmee bovendien een groot openbaar belang wordt gediend; b. woningbouw indien er sprake is van de toepassing van de regeling Ruimte voor Ruimte als bedoeld in artikel 16 en waarbij de natuurdoelen leidend zijn; c.

woningbouw die bijdraagt aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige natuurkwaliteiten van het landschap of; d. een ingreep die netto geen verstoring van het weidevogelleefgebied geeft. 3. In aanvulling op het derde lid kan het bestemmingsplan hier alleen in voorzien indien in het bestemmingsplan wordt opgenomen: a. op welke wijze schade aan een weidevogelleefgebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd; b. hoe wordt geborgd dat de maatregelen ten behoeve van de compensatie als bedoeld onder a daadwerkelijk worden uitgevoerd; c. op welke wijze aan het gestelde in artikel 5a of artikel 5c wordt voldaan en; d. op welke wijze aan de ruimtelijke kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 15 is voldaan. 4. Gedeputeerde staten kunnen, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten, de begrenzing van de weidevogelleefgebieden wijzigen: a. naar aanleiding van recente tellingen van het aantal broedparen; b. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling of; c. ten behoeve van de krachtens het derde lid gestelde regels. 5. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie plaatsheeft, als bedoeld in het vierde lid onderdelen a en b.

Rapportnummer: 2021-04

Pagina 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1793/documents/18157