ontwerpbestemmingsplan Doggersvaart naast 11aa - regels en toelichting.pdf
Tekst van het document
het laagste punt van een bouwwerk: het laagste punt vanaf peil tot aan de onderkant van de afgewerkte constructie van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde;
g. de (horizontale) diepte van een gebouw: de buitenwaartse lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel; h. de breedte van een bouwwerk: tussen de buitenzijde van beide zijgevels en/of harten van scheidsmuren gezien vanaf de voorgevel of het verlengde daarvan; i.
de afstand tot de (achter/zijdelingse) perceelsgrens; vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (achter/zijdelingse) perceelgrens.
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 0,5 m wordt overschreden.
33
Artikel 3 Wonen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een woonhuis, al dan niet in combinatie met ruimte voor aan-huis-gebonden beroepen; met daaraan ondergeschikte aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met de daarbij behorende: a. tuinen en erven; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2 Bouwregels Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: 1. als hoofdgebouw mag uitsluitend 1 woonhuis worden gebouwd; 2. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; 3. ter plaatse van de aanduiding “gevellijn” mag de naar de weg gekeerde gevel van een hoofdgebouw uitsluitend in de gevellijn te worden gebouwd; 4. de goot- en bouwhoogte en de dakhelling van een hoofdgebouw mogen niet meer zijn dan de ter plaatse van de aanduiding “maximale goot- en bouwhoogte (m) en dakhelling (graden)” aangegeven goot- en bouwhoogte en dakhelling. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: 1. de gezamenlijke oppervlakte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer dan 45 m2 bedragen.; 2. de gezamenlijke oppervlakte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak voor zover gelegen buiten het bouwvlak; 3. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen; 4.
de goothoogte van een aan- en uitbouw en een aangebouwd bijgebouw mag niet meer dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw bedragen; 5. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 4,5 m bedragen;. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:
34
1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van terreinafscheidingen vóór de naar de weg gelegen gevel dan wel in het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen; 2. de bouwhoogte van masten en palen mag niet meer dan 9 m bedragen; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 m bedragen. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen, met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: a. de verkeersveiligheid; b. de sociale veiligheid; c. de milieusituatie en/of; d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing. 3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van bijgebouwen als woning, woonhuis of voor bewoning; b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor beroeps- of bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van de uitoefening van een aan huis gebonden beroep, wanneer voldaan wordt aan de volgende criteria: 1. het betreft een aan huis gebonden beroep, waarbij zowel voor wat betreft het gebruik als de visuele aspecten geen afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de betreffende woning; 2.
de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 30% van de totale gezamenlijke begane grond vloeroppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt met een maximum van 35 m2; 3. er is geen sprake van detailhandel, tenzij dit internetdetailhandel betreft. 3.5 Ontheffing van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van: a. het bepaalde in lid 3.4 sub b onder 2 ten behoeve van vergroting van het daar genoemde percentage tot maximaal 40% van de begane grond vloeroppervlakte van de woning met een maximum van 50 m2, mits wordt voldaan aan de eis van artikel 4.1.
35
Artikel 4 Algemene bouwregels 4.1 Parkeervoorzieningen Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk en/of het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Den Helder 2017-2021’ (vastgesteld op 20 januari 2017) en diens rechtsopvolger(s). 4.2 Afwijkingsbevoegdheid Parkeervoorzieningen Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 en toestaan dat: a. Voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid in de omgeving, al dan niet in samenhang met parkeergelegenheid op eigen terrein; b. In minder parkeergelegenheid wordt voorzien, indien het specifieke gebruik en/of de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geven en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid. 4.3. Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw, dan wel bestemmingsvlak, aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor laden en lossen van goederen, moet deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.
Dit ter beoordeling van bevoegd gezag, waarbij het bevoegd gezag toetst aan het op het moment van het verlenen van een omgevingsvergunning geldende gemeentelijke beleid omtrent laden en lossen. Artikel 5 Algemene gebruiksregels Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen: 1. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen; 2. het gebruiken of laten gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen; 3. het gebruiken of laten gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van risicovolle inrichtingen; 4. het gebruiken of laten gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van geluidszoneringsplichtige inrichtingen; 5. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als staan- of ligplaats voor onderkomens; 36
6. het gebruik van de gronden voor opslag van (aan de oorspronkelijk verkeer onttrokken) voer, vaar- of vliegtuigen, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering; 7. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en het storten van vuil, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering; 8. het opslaan of storten van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, buiten erven van gebouwen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gericht beheer van de gronden. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 7 Algemene ontheffingsregels 7.1 Algemeen Indien niet met toepassing van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden, kan het bevoegd gezag overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van de desbetreffende bepalingen van dit bestemmingsplan, ten behoeve van: 1. afwijkingen ten aanzien van de voorgeschreven maten en getallen, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, met dien verstande dat: 1.
de afwijkingen niet meer dan 10% bedragen van de in deze regels genoemde, dan wel op de verbeelding aangegeven afmetingen; 2. deze bepaling niet van toepassing is op het bebouwd grondoppervlak, het bruto vloeroppervlak en de aantallen zoals aangegeven op de verbeelding; 2. het verhogen van bouwwerken, zijnde kunstwerken, geen gebouw zijnde, en zend-, ontvangen/of sirenemasten, tot een hoogte van niet meer dan 46 meter. 7.2 Voorwaarden aan het verlenen van de afwijking Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.1 kan niet worden verleend indien: a. enig aangrenzend terrein of aangrenzende bebouwing in een toestand wordt gebracht, die strijdig is met het plan en/of indien op enig aangrenzend terrein de verwerkelijking van het plan wordt belemmerd en dit niet door het stellen van voorwaarden aan de ontheffing kan worden voorkomen, en b. hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid, de woonsituatie, de milieusituatie, het straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
37
Artikel 8 Overgangsrecht 8.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 8.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 9 Slotregel Deze regels kunnen worden aangehaald onder de titel: Regels deel uitmakend van het bestemmingsplan ‘Doggersvaart naast 11aa’ van de Gemeente Den Helder. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van
De voorzitter, 38
De raadsgriffier,
39