CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Koningin Maximalaan 63 - 67_Toelichting.pdf

Raadscommissie Stadsontwikkeling en Beheer 24 mei 2023, gemeente Den HelderBij agendapunt: 4: Voorstel tot vaststellen van het bestemmingsplan Koningin Máximalaan 63-6711.990 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico's voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht ook om gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen waar kwetsbare objecten worden mogelijk gemaakt, zoals woningen, rekening te houden met externe veiligheid. Dit betekent bijvoorbeeld dat de woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een risicovol bedrijf dat werkt met grote hoeveelheden aan gevaarlijke stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen die gevaarlijke stoffen vervoeren onder hoge druk. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan.

Ook is geldt dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een nieuwe kwetsbare functie wordt mogelijk gemaakt, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de druk in de leiding. Binnen deze strook mag er niet gebouwd worden. Er kan bij omgevingsvergunning van worden afgeweken voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen waar vervoer over plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk als er een toename van het aantal mensen wordt toegestaan. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken, buiten de 200 m, in de toelichting aandacht moet worden besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen.

Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 26 van 35

beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: 1. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; 2. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; 3. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen bij het realiseren van nieuwe kwetsbare objecten aandacht besteed moet worden aan de effecten van een plasbrand. Het kan zijn dat er extra bouwkundige maatregelen nodig zijn om de zelfredzaamheid van de personen te verhogen. Planspecifiek Het bestemmingsplan maakt kwetsbare objecten (woningen) mogelijk.

Echter, in het moederplan zijn op deze locatie reeds 18 woningen mogelijk. Er is daarmee sprake van een afname van het aantal personen dat aanwezig kan zijn binnen de planlocatie. Hiermee kan de conclusie worden getrokken dat geen sprake zal zijn van een toename in het groepsrisico. Bovendien bevindt het plangebied zich niet binnen een risicocontour van een risicobron. Dit is te zien op de navolgende afbeelding van de Risicokaart. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Afbeelding: uitsnede Risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 27 van 35

5.10

Milieuzonering

Ten aanzien van de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt hierbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van een milieugevoelige functie (zoals woningen), sprake is van een aanvaardbaar leefen verblijfsklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige functies en bedrijven dient milieuzonering te worden toegepast. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Het doel van de VNG-publicatie is het bieden van een handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk en de publicatie biedt mogelijkheden voor maatwerk en flexibiliteit bij het inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving en bij het inpassen van woningen en andere gevoelige functies nabij bedrijven. Planspecifiek Omdat binnen het voorliggende plangebied op basis van het moederplan reeds woningen mogelijk zijn, zullen er geen bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van voorliggend bestemmingsplan. Tevens kan kortweg worden geconcludeerd dat sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Deze afweging is immers gemaakt bij het moederplan. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande kan worden beoordeeld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de woonbestemming en bedrijven in de omgeving zullen niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd. Doordat de afstand tussen de woonbestemming en de agrarische gronden niet wijzigt en de afstand ten opzichte van gronden waar sprake is van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 50 meter bedraagt, is van een beperking van bedrijven die gebruik maken van gewasbeschermingsmiddelen ook geen sprake.

5.11

M.e.r.-beoordeling

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze activiteiten geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Planspecifiek Bezien moet worden of de voorgenomen ontwikkeling valt onder categorie D 11.2 “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. Niet iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, kan aangemerkt worden als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. In voorliggend geval wordt het aantal mogelijke woningen teruggebracht van 18 naar 3 en worden woonhuizen mogelijk gemaakt in plaats van woongebouwen. Gelet op voormelde omstandigheden afgezet tegen de stedelijke context c.q. het gebied waarin reeds diverse woningen mogelijk zijn, biedt dit aanknopingspunten voor de beoordeling dat geen sprake is van de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Mocht de conclusie worden getrokken dat toch sprake is van (de wijziging van) een stedelijk ontwikkelingsproject, dan blijkt uit voorliggende toelichting dat geen Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 28 van 35

sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Omdat de gemeente Den Helder initiatiefnemer is, is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling niet benodigd.

5.12

Verkeer en Parkeren

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de aspecten verkeer en parkeren. Zoals in paragraaf 2.3 en 4.4.4 is beschreven wordt voor wat betreft parkeren getoetst aan de Nota Parkeernormen Den Helder. De verkeersgeneratie wordt bepaald op basis van de CROW-publicatie 381. 5.12.1 Verkeer Het moederplan Julianadorp Oost 2011 maakt reeds 18 woningen mogelijk. Dit aantal wordt met voorliggend bestemmingsplan teruggebracht tot drie. Doordat er in de eerdere planvorming rekening is gehouden met meer woningen kan worden geconcludeerd dat de bestaande en aan te leggen ontsluitingswegen voor het plangebied voorzien in voldoende capaciteit om het verkeer als gevolg van de drie woningen op te vangen. 5.12.2 Parkeren De navolgende tabel is afkomstig uit de Nota Parkeernormen Den Helder. Op basis van deze nota dient gerekend te worden met de normen voor 'rest bebouwde kom'. Uit deze tabel blijkt dat gerekend moet worden met een norm van maximaal 2,0 parkeerplaats (pp). Middenwoningen hebben bijvoorbeeld een lagere norm (1,9). Deze normen zijn via dit bestemmingsplan vastgelegd in de regels door de Nota Parkeren Den Helder als voorwaarde te koppelen aan omgevingsvergunningen voor het bouwen. Voldoende parkeerplaatsen per woning zijn hiermee geborgd.

Afbeelding: tabel met parkeernormen (bron: Nota Parkeernormen Den Helder)

In de stedenbouwkundige opzet die is opgesteld voor de planlocatie wordt gerekend met een norm van 2,0 voor alle woningen. Voor de drie woningen worden 6 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Daarnaast worden er aan de oostzijde van het plangebied 6 openbare parkeerplaatsen aangelegd. Voor de drie woningen is dit ruim voldoende. Er is een parkeertelling opgesteld voor het gehele gebied Willem Alexanderhof Oost. Hieruit blijkt dat er ruim voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd in verhouding tot het aantal woningen. Er zal daarom worden voldaan aan de Nota Parkeren Den Helder.

Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 29 van 35

Afbeelding: voorgenomen ontwikkeling (bron: Overzicht matenplannen, 1903.02_MPT_021 C0.32)

5.12.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.13

Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen

Planologische relevante buisleidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. De bestemming leiding wordt gecombineerd met de bestemming van de gronden waarin de leiding is gelegen en beperkt de rechten en het gebruik van die gronden (de zogenaamde dubbelbestemming). Planologisch relevante leidingen zijn: hoofdtransportleidingen; hoogspanningsleidingen van 50 KV en hoger; buisleidingen voor het transport van brandbare gassen met een druk van 20 bar of hoger; buisleidingen voor het transsport van brandbare vloeistoffen met een diameter van 400 mm en groter; buisleidingen voor het transsport van giftige stoffen; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter en gelegen buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor het transport van afvalwater van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met een diameter van 400 mm en groter (hoofdleidingen van en naar de afvalwaterzuiveringsinrichting); optisch vrije paden (straalpaden). Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming/regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen (riool(pers)leidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) vervullen uitsluitend een functie voor de aanwezige functies in het gebied (kavelaansluitingen) en kunnen ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Deze leidingen zijn veelal aangelegd langs en/of in combinatie met aanwezige infrastructuur.

Bij de technische uitwerking van het plan wordt de veiligheid van deze kabels en leidingen gewaarborgd via het KLIC-systeem. Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 30 van 35

Planspecifiek Er is getoetst aan de vigerende bestemmingsplannen en de risicokaart van Nederland om inzicht te krijgen in mogelijke belemmeringen in of in de directe nabijheid van het plangebied. Uit dit onderzoek zijn geen relevante kabels, leidingen, straalpaden of andere belemmeringen naar voren gekomen, die mogelijk een belemmering zouden kunnen zijn voor deze ontwikkeling.

Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 31 van 35

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke ontwikkeling juridisch is vertaald in dit bestemmingsplan. Het juridisch bindende deel bestaat uit de regels en de verbeelding. De regels vormen het juridisch instrumentarium voor wat betreft het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft de functie van visualisering van de bestemmingen en aanduidingen die in de regels worden benoemd.

6.2

Verbeelding

De verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan geeft de bestemming en aanduidingen van de gronden aan. Deze bestemming correspondeert met de artikelen in de regels, zoals beschreven in paragraaf 6.3. Op de verbeelding staan de symbolen en maatvoeringen waarbij in de planregels is opgenomen wat de mogelijkheden en beperkingen zijn.

6.3

Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: I. hoofdstuk 1 – Inleidende regels; II. hoofdstuk 2 – Bestemmingsregels; III. hoofdstuk 3 – Algemene regels; IV. hoofdstuk 4 – Overgangs- en slotregels. In deze paragraaf worden de regels per hoofdstuk toegelicht. Hoofdstuk1 – Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat de inleidende bepalingen van de regels en onderstaande artikelen zijn in dit hoofdstuk opgenomen:

Artikel 1: Begrippen Dit artikel geeft de betekenis aan van in de regels voorkomende begrippen. De begripsbepalingen staan op alfabetische volgorde. Voor een aantal begrippen zijn de wettelijk in de SVBP 2012 voorgeschreven definitiebepalingen gebruikt. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke wijze de berekening van maten plaatsvindt. Hoofdstuk2 – Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. Voor ieder bestemmingsvlak op de verbeelding, bevat hoofdstuk 2 een regeling. Als op de verbeelding een bouwvlak is opgenomen, is de hoofdregel dat de hoofdgebouwen binnen de bouwgrenzen dienen te worden opgericht. Bij de indeling van de bestemmingsregels is conform de Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 32 van 35

SVBP 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: I. bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); II. bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); III. eventuele nadere eisen die het college van burgemeester en wethouders aan de bebouwing kan stellen; IV. eventuele afwijking van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); V. eventuele specifieke gebruiksregels (regels die aangeven welk specifiek gebruik verboden is); VI. eventuele afwijking van de gebruiksregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels). Artikel 3: Woongebied Deze bestemming is toegekend aan het gehele plangebied. Op gronden met de bestemming Woongebied is het toegestaan om woonhuizen inclusief bijbehorende bouwwerken, gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen en gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen te realiseren. Tevens zijn daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, woonstraten en paden, openbare nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan.

In totaal zijn er maximaal 3 woonhuizen toegestaan met een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter.

Hoofdstuk3 – Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het hele plangebied.

Artikel 4: Anti-dubbeltelregel Op grond van de antidubbeltelregel is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft (artikel 3.2.4 Bro). Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan er wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Artikel 5: Algemene gebruiksregels In dit artikel worden regels gesteld aan het gebruik die gelden voor alle bestemmingen in dit bestemmingsplan.

Artikel 6: Algemene afwijkingsregels Deze bepaling geeft de mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan onder meer ten aanzien van het overschrijden van bepalingen inzake goothoogte, hoogte en oppervlakte van bouwwerken. Artikel 7: Overige regels In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen die gelden ten behoeve van parkeren.

Hoofdstuk4 – Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs en slotregels. Deze regels gelden voor het hele plangebied.

Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 33 van 35

Artikel 8: Overgangsrecht In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond en was toegestaan bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De regeling is overgenomen uit de standaardbepaling in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.2.1 Bro stelt regels voor overgangsrecht van bouwwerken en artikel 3.2.2 Bro stelt regels voor overgangsrecht van gebruik. Artikel 9: Slotregels In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingsplan, Koningin Máximalaan 63 - 67 bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 34 van 35

Hoofdstuk 7

7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Indien sprake is van een bouwplan en voor de goedkeuring van dit bouwplan een wijziging of afwijking van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk is, is een gemeente verplicht om haar kosten op de initiatiefnemer en/of grondeigenaar te verhalen. Er moet een exploitatieplan worden vastgesteld ter verzekering van het verhaal van kosten. In artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn categorieën aangewezen waarbij deze verplichting van toepassing is. Het bouwen van woningen valt onder de verplichting een exploitatieplan op te stellen. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan op basis van artikel 6.12 lid 2 onder a Wet ruimtelijke ordening worden afgezien als er op een andere wijze is voorzien in het verhaal van kosten. In het moederplan is reeds aandacht besteed aan de economische uitvoerbaarheid. De Gemeente Den Helder heeft op 6 oktober 2004 een overeenkomst gesloten met Woningstichting Den Helder over de samenwerking en uitvoering van het project Julianadorp Oost. Samen met de woningstichting heeft de gemeente alle gronden in bezit en/of contractuele afspraken gemaakt met de particuliere eigenaren binnen het plangebied.

Alle te verhalen kosten met betrekking tot het plangebied kunnen daarmee via de gronduitgifte verhaald worden. Kostenverhaal is op deze manier verzekerd, waardoor het niet noodzakelijk was om gelijktijdig met het moederplan een exploitatieplan vast te stellen. Op 15 november 2015 heeft de gemeenteraad van Den Helder de grondexploitatie voor Julianadorp Oost vastgesteld. Het project Julianadorp Oost werd destijds op basis van de grondbalans economisch uitvoerbaar geacht. Voor ontwikkelingen waar ten tijde van de grondbalans nog geen duidelijkheid over was, is het doel om deze voor de gemeente ten minste budgetneutraal uit te voeren.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan heeft conform artikel 3.8 Wro voor zes weken ter inzage gelegen van 24 december 2022 tot en met 3 februari 2023. Gedurende deze termijn bestond er voor eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Tijdens deze periode is één zienswijze ingediend, welke is beantwoord in de Nota van Beantwoording (Bijlage 2). Het bestemmingsplan wordt met inachtneming van de ingediende zienswijze vastgesteld en er bestaat de mogelijkheid om beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gedurende zes weken.

Koningin Máximalaan 63 - 67 Pagina 35 van 35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1933/documents/20246