Donkere Duinen Jan Verfailleweg 2023_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 7 Archeol.pdf
Tekst van het document
Den Helder, Jan Verfailleweg 616 (Gemeente Den Helder, NH) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Definitief Steekproefrapport 2021-03/21
Den Helder, Jan Verfailleweg 616 (Gemeente Den Helder, NH) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Definitief Steekproefrapport 2021-03/21
Den Helder, Jan Verfailleweg 616 (Gemeente Den Helder, NH) Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Een onderzoek in opdracht van BügelHajema. Steekproefrapport 2021-03/21 ISSN 1871-269X Status: definitief Auteurs: J.S. van der Heul MA (KNA-archeoloog, actorreg. nr. 7284 0015) & R. Exaltus (senior KNAarcheoloog/-prospector, actor reg. nr. 92909010) Autorisatie: dr. J. Jelsma (senior KNA-archeoloog/prospector, actorreg. nr. 3545 3178) Er is geen inhoudelijke reactie van de bevoegde overheid gekomen. Dit onderzoek is ongetoetst gedeponeerd. De Steekproef bv werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 en SIKB-BRL 4000 en bij dit onderzoek volgens protocol 4002 en 4003. Foto’s en tekeningen zijn gemaakt door De Steekproef, tenzij anders vermeld. © De Steekproef bv, april 2021 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder bronvermelding. De Steekproef bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau, Hogeweg 3, 9801 TG Zuidhorn telefoon 050 – 5779784 internet www.desteekproef.nl e-mail info@desteekproef.nl kvk 02067214
Inhoud Samenvatting Gegevens van het plangebied 1. Inleiding........................................................................................................................... 1 • 1.1 Aanleiding en doel (KNA 4.1: LS01)..........................................................................1 • 1.2 Locatie (KNA 4.1: LS01, LS02)..................................................................................1 2. Bureauonderzoek (KNA 4.1: LS06)......................................................................................4 • 2.1 Bronnen................................................................................................................. 4 • 2.2 Fysische geografie (KNA 4.1: LS04)...........................................................................4 • 2.3 Archeologie (KNA 4.1: LS04)....................................................................................9 • 2.4 Historische geografie (KNA 4.1: LS03).....................................................................11 • 2.5 Verwachtingsmodel................................................................................................13 3.
Veldonderzoek (KNA 4.1: VS05)......................................................................................15 • 3.1 Methoden en technieken (KNA 4.1: VS01)..............................................................15 • 3.2 Resultaten veldwerk (KNA 4.1: VS02, VS03)............................................................16 4. Conclusies en advies (KNA 4.1: VS07)..............................................................................20 Gebruikte bronnen Lijst van figuren en tabellen Appendix I: Archeologische periodes Appendix II: DINO boringen Appendix III: Boorbeschrijvingen
Samenvatting In opdracht van BügelHajema is een inventariserend archeologisch veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O) uitgevoerd aan de Jan Verfailleweg 616 te Den Helder, gemeente Den Helder, provincie Noord-Holland. De aanleiding tot het onderzoek vormt de herinrichting van een camping. Hiervoor is nog geen ontwerpplan opgesteld. Ook de geplande bodemingrepen zijn nog niet bekend. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5,5 hectare en valt daarmee ruim buiten de vrijstellingsgrens van vijfhonderd vierkante meter. Het plangebied ligt in het duinlandschap ten zuidwesten van Den Helder dat deel uitmaakte van de Atlantikwall. Resten hiervan kunnen uit munitie en verdedigingswerken bestaan die direct onder het maaiveld liggen. Resten uit de ijzertijd tot de middeleeuwen kunnen vanaf een diepte van circa twee meter onder het duinzand worden aangetroffen in klei- en veenlagen. Bewoning in deze periode vond plaats op verhoogde woonplaatsen ie bestaan uit ophogingslagen met daarin aardewerk, bot, bouwmateriaal, metaal en houtskool. Tijdens overstromingen kunnen dergelijke resten zijn geërodeerd. Op circa acht meter onder het maaiveld kunnen resten uit het mesolithicum worden verwacht in de top van het dekzand. In verband met de grote diepte waarop deze worden verwacht en de naar verwachting niet zo diep reikende bodemingrepen, is hier geen onderzoek naar gedaan.
Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel met betrekking tot de periode ijzertijd tot en met de nieuwe tijd te toetsen, zijn 33 gutsboringen gezet in een dichtheid van zes boringen per hectare. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied een pakket duinzand aanwezig is van ongeveer twee meter dikte. De top hiervan bestaat uit een pakket vergraven zand van gemiddeld ongeveer zestig centimeter. Onder het duinzand is op een diepte van ongeveer 0,5 meter -NAP een pakket grijs, kalk- en schelphoudend zand aangetroffen dat waarschijnlijk op een soort strandvlakte is afgezet. Dit zand gaat na enkele decimeters over in een getijde-afzettingen die bestaan uit een pakket zand- en kleilaagjes met daarin brokken van elders aangevoerd veen. Deze afzettingen lopen binnen het plangebied door tot minimaal drie meter beneden het maaiveld. Selectie-advies door drs. R. Exaltus (senior KNA-archeoloog/-prospector) Binnen het duinzand zijn volstrekt geen vegetatie-horizonten of overige sporen van bodemvorming aangetroffen die samen zouden kunnen hangen met bewoningsniveaus uit de middeleeuwen of de nieuwe tijd. De onder het duinzand aangetroffen afzettingen zijn gevormd in een milieu dat tweemaal per etmaal onder water liep en dat gepaard ging met erosie.
De verwachting voor resten van bewoning uit de periode ijzertijd tot en met de nieuwe tijd kan derhalve worden bijgesteld tot een lage verwachting. Voor resten uit het mesolithicum die mogelijk aanwezig zijn in het naar verwachting op acht meter beneden het maaiveld gelegen top van het dekzand, blijft de archeologische verwachting gehandhaafd. Naar verwachting zullen de voor de herinrichting van de camping benodigde werkzaamheden niet tot vlakdekkende bodemingrepen leiden op deze diepte en wordt derhalve geen archeologisch onderzoek naar dit niveau geadviseerd. Voor het gehele plangebied geldt derhalve dat de resultaten van het onderzoek geen directe aanleiding geven tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek. De verwachting voor wat betreft de mogelijke aanwezigheid van resten van munitie en verdedigingswerken uit de late nieuwe tijd blijft gehandhaafd omdat deze niet door middel van verkennend booronderzoek zijn op te sporen. Met name om deze reden blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Den Helder.
Gegevens van het plangebied Tabel 1: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Administratieve gegevens. Provincie
Noord-Holland
Gemeente
Den Helder
Plaats
Den Helder
Toponiem
Jan Verfailleweg 616
Kaartblad
14W
Centrumcoördinaat plangebied
110.902 / 550.180
Kadastraal perceelnummer
F 553, 649 en 651
Oppervlakte van het onderzoeksgebied
Circa 55 hectare
NAP-hoogte maaiveld
Tussen 1,1 en 2,1 meter NAP
Bestemmingsplannen
Duinzoom 2013: dubbelbestemming waarde archeologie
Huidig grondgebruik
Camping en recreatiegebied
Soort onderzoek
Booronderzoek, inventariserende fase
Opdrachtgever
BügelHajema
Uitvoerder
De Steekproef bv
Bevoegde overheid
Gemeente Den Helder
Steekproef projectcode
2021-03/21
Onderzoeksmeldingsnummer
4996108100
Datum veldwerk
30-03-21
Maximale diepte onderzoek
5 meter onder maaiveld
Beheer en plaats documentatie
De Steekproef bv / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed / DANS / Provinciaal depot Noord-Holland te Castricum
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel (KNA 4.1: LS01) In opdracht van BügelHajema is een inventariserend archeologisch veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase) uitgevoerd aan de Jan Verfailleweg 616 te Den Helder, gemeente Den Helder, provincie Noord-Holland (zie Figuur 1). De aanleiding voor het onderzoek is de herinrichting van een camping. Hiervoor is nog geen ontwerpplan opgesteld. Ook de geplande bodemingrepen zijn nog niet bekend, maar graafwerk kan leiden tot aantasting van in de ondergrond aanwezige archeologische waarden. Op het bestemmingsplan Duinzoom 2013 ligt het plangebied in een zone met dubbelbestemming waarde archeologie (bestemmingsplan geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl). Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Den Helder heeft dit gebied een hoge archeologische verwachting. Volgens het beleid van de gemeente dient bij werkzaamheden met een oppervlak groter dan 500 m2 en bij dieper dan 0,35 meter onder het maaiveld een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd (Verniers 2018). Het gebied heeft een oppervlakte van circa 55 hectare en valt ruim buiten de vrijstellingsgrens. Dit booronderzoek heeft als doel om de bodemopbouw in het plangebied vast te stellen en om te bepalen of er nog archeologische resten verwacht kunnen worden.
Aan de hand van beschikbare fysisch-geografische, archeologische en historisch-geografische informatie is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Tijdens het veldonderzoek is dit verwachtingsmodel getoetst. Daartoe zijn de opbouw en gaafheid van de bodem bepaald en is gezocht naar archeologische indicatoren.
1.2
Locatie (KNA 4.1: LS01, LS02) Het plangebied ligt aan de westzijde van de Jan Verfailleweg 616. Deze weg loopt vanuit het ‘oude’ centrum van Den Helder, circa drie kilometer ten noordwesten, naar Callantsoog dat ongeveer tien kilometer ten zuiden van het plangebied ligt. Vanaf het plangebied loopt de weg nog circa 900 meter in zuidwestelijke richting door voordat deze afbuigt richting het zuiden en bekend staat als de Zanddijk. De Zanddijk was de oorspronkelijke naam voor de gehele weg, maar met de aanleg van de woonwijk Nieuw Den Helde in de jaren 50 en 60 van de 20e eeuw, direct ten noordoosten van het plangebied, kreeg het noordelijk deel van de Zanddijk een nieuwe naam, de Jan Verfailleweg (zie Figuur 1). Het plangebied zelf bestaat uit de camping De Donkere Duinen. De camping grenst aan de noord- en westzijde aan het natuurgebied met de gelijknamige naam. Het natuurgebied bestaat uit een aangeplant dennenbos gelegen achter de hoge kustduinen. Het campingterrein bestaat uit open kampeerplekken die door brede heggen en bomenrijen van elkaar zijn gescheiden. Binnen het terrein staan vijf gebouwen voor de facilitaire voorzieningen van de camping. Voor het plangebied is een melding gedaan bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC). Op de melding (21G185142) zijn verscheidene kabels en leidingen te zien in het zuidelijk deel van het plangebied (zie Figuur 2).
Hierop staan echter geen kabels en leidingen weergegeven die naar mogelijke stroom- en waterpunten bij de kampeerplekken gaan. Bij aanvang van het veldwerk is de campingbeheerder geraadpleegd voor de ligging van dergelijke kabels en leidingen.
1
Figuur 1: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Uitsnede van de topografische kaart van de omgeving van het plangebied (rood). Het plangebied ligt tegen het natuurgebied, de Donkere Duinen, aan. Ten noorden ligt de 20e eeuwse uitbreiding van Den Helder. Bron: Opentopo.nl
2
Figuur 2: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Luchtfoto van het plangebied (paars) met de ligging van de kabels en leidingen in het plangebied. De kabels en leidingen liggen voornamelijk in het zuidelijk deel van het plangebied. Het is echter zeer waarschijnlijk dat er ook stroom- en waterpunten nabij de kampeerplekken staan. Kabels en leidingen hiervan staan niet op de KLIC. Bron: Publieke Dienstverlening op de Kaart en KLIC-melding 21G185142.
3
2.
Bureauonderzoek (KNA 4.1: LS06)
2.1
Bronnen Tijdens het bureauonderzoek is de bestaande relevante kennis van het plangebied verzameld. De gebruikte bronnen voor het onderzoek staan aan het eind van dit rapport. Eén van de bronnen is ARCHIS 3, het archeologisch registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Deze databank is toegankelijk voor organisaties die werkzaam zijn in de archeologie. Het bevat een GIS-systeem waarin onder meer een archeologische kaart en aardkundige kaarten geraadpleegd kunnen worden. Een andere bron is Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK), een dienst van de overheid met opendatasets van actuele geo-informatie.
2.2
Fysische geografie (KNA 4.1: LS04) Vanaf het Holoceen, circa 10.000 jaar geleden, smolten de ijskappen als gevolg van de globale temperatuurstijging. Hierdoor raakte het Noordzeebekken en grote delen van Nederland onder water. In de loop der tijd ontstonden door golfwerking en zeestromingen strandwallen die zijn opgebouwd uit sediment afkomstig vanuit de zee. Door de opbouw van sediment verschoven de kustlijn en de strandwallen geleidelijk in westwaartse richting tot de huidige kustlijn. De ontwikkeling van het kustlandschap is op de paleogeografische kaarten van Vos et al. (2018) in grote lijnen weergegeven (zie Figuur 3). Omstreeks 2750 vC was de kustlijn nog niet geheel gesloten. Via rivieren en beken kon het water van het hogere achterland afwateren naar zee. De zee had echter via deze zelfde rivieren ook een grote invloed op het omliggende land. Bij hoog water en stormen kon er tot ver buiten de rivieroevers sediment worden afgezet. Omstreeks 1500 vC was sloot de kustlijn zich. Het water van het achterland kon niet meer wegstromen naar zee, hierdoor ontstond achter de duinen een zeer nat milieu waarin een groot veengebied ontstond. Dit natte veenmoeras zal voor de mens zeer moeilijk toegankelijk zijn geweest. Rond 500 vC veranderde dit. Het water dat zich had verzameld in een groot meer ten oosten van het plangebied, het Flevomeer (later het Almere).
Toen dit meer in verbinding kwam te staan met de (Wadden)zee trad was er weer sprake van een afwatering van het veengebied. Door de inklinking van het veen werd het gebied droger en weer toegankelijker voor de mens. De open verbinding met de zee nam de invloed van de zee op het landschap ook toen. Getijdenwerking en stormen sloegen delen van het veen weg en bedekte de overgebleven delen. De mensen die nog in dit gebied verbleven waren genoodzaakt om hun woonplaatsen op te hogen waardoor er terpen ontstonden. Omstreeks 1250 nC had de zee het landschap sterk gefragmenteerd in meerdere geïsoleerde eilanden. Door de aanleg van dijken trachtte de mens het land weer terug te winnen. In de 16 e eeuw leek deze strijd te zijn gewonnen. In 1570 had de hele Nederlandse kust te leiden onder een extreme storm die de geschiedenisboeken in zou gaan als de Allerheiligenvloed van 1570. Talloze dijken braken door, grote stukken land werden ondergelopen, vele dorpen werden verwoest en duizenden mensen verloren hun leven. Ondanks de tegenslag ging men stug verder met de bedijking en het herwinnen van het land. Omstreeks 1850 nC lag vrijwel de gehele kop van Noord-Holland binnendijks.
4
Figuur 3: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Paleogeografische reconstructies van de omgeving van het plangebied (rode stip). Het dekzandniveau raakte vanaf 2750 vC bedekt onder een pakket van klei en veen. De sterke invloed van de zee creëerde een gefragmenteerd land, wat goed te zien is op de kaart uit 1250 nC. Pas na de bedijking kon het grootste deel van het land in gebruik worden genomen. Bron: Vos et al. 2018. 5
Op de geomorfologische kaart (niet afgebeeld) ligt het plangebied deels in een gebied dat is geclassificeerd als kustduinen en deels in een ingesloten strandvlakte. Ten westen van het plangebied zijn deze kustduinen op de hoogtekaart goed te zien (zie Figuur 4). Het plangebied ligt in de luwte van de duinen en ligt relatief gezien een stuk lager. De NAP hoogte in het plangebied varieert tussen de 1,1 en 2,1 meter boven NAP. In de nabije omgeving zijn de gegevens van drie boringen bekend bij het DINOloket. De locaties van deze boringen zijn in Figuur 4 weergegeven en de boorprofielen staan in Appendix II. Boring B09D0352 ligt net buiten het plangebied. Het boorprofielen toont een bodem die tot twee meter onder het maaiveld bestaat uit fijn zand. De boring B09D0436, ten noorden van het plangebied en de boring B14B0729, ten zuiden, tonen een bodemprofiel die tot een grotere diepte reiken. Vanaf circa, respectievelijk 1,5 meter en twee meter onder het maaiveld gaat het zand over in een circa 0,5 meter dikke kleilaag. Onder deze laag ligt een laag veen. Deze veenlaag is bij boring B09D0436 circa 0,5 meter dik en wordt gevolgd door een bijna drie meter dik pakket van kleilagen. Onder deze kleilagen ligt het getijdezand op circa 5,8 meter onder het maaiveld. Bij boring B14B0729 is de veenlaag een stuk dikker, namelijk 1,5 meter. Hieronder ligt een dunne kleilaag van circa 0,9 meter.
Het getijdezand ligt hier op circa 5 meter onder het maaiveld, met daaronder nog een dunne laag van het Basisveen. Het dekzand bevindt zich op circa 8,4 meter onder het maaiveld. Op de bodemkaart is het grootse deel van het plangebied gekarteerd als bebouwd. Alleen een klein deel aan de oostzijde is gekarteerd als zijnde een vlakvaaggrond van grof zand (Zn30) (zie Figuur 6). Het is zeer waarschijnlijk dat deze kartering voor het hele plangebied van toepassing is.
6
Figuur 4: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Hoogtekaart van de omgeving van het plangebied (rood). De hoge duinen ten oosten van het plangebied zijn duidelijk zichtbaar. Het plangebied ligt in de luwte achter de duinen, waarin de hoogte verschilt tussen de 1,1 en 2,1 meter boven NAP. De blauwe stippen geven de locaties weer van de boorprofielen uit het DINO-Loket (zie Appendix II). Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland 3 (AHN3).
7
Figuur 5: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Uitsnede van de bodemkaart. Hoewel het grootste deel van het plangebied is gekarteerd als zijnde bebouwing, zal de bodem waarschijnlijk bestaan uit een vlakvaaggrond met grof zand (Zn30). Bron: Publieke Dienstverlening op de Kaart.
8
2.3
Archeologie (KNA 4.1: LS04) De bekende archeologische waarden uit de omgeving van het plangebied zijn weergegeven in Figuur 6 en een korte beschrijving staat in Tabel 2. Het plangebied ligt binnen de contouren van een onderzoek naar de geschiedenis van de Westelijke Waddenzee (zaaknr. 2475630100 zie Tabel 2, Manders, et al. 2014). In deze studie is de historisch geomorfologische ontwikkeling van het Waddenzeegebied uiteen gezet. Circa een kilometer ten zuidoosten van het plangebied is in 2009 een bureauonderzoek uitgevoerd voor het versterken van de Zwakke Schakel, Duinen Kop van Noord-Holland door ARCADIS (2252612100). De rapportage van dit onderzoek is niet aanwezig in Archis of beschikbaar op DANS Easy. Ten noorden van het plangebied zijn drie onderzoeksmeldingen bekend. Bij zowel een bureauonderzoek aan de Waddenzeestraat (2315630100, Nillesen 2011) als een onderzoek bij de Streepjesberg (4644568100, Overmars en Weerheijm 2018) werd het plangebied vrijgegeven. Hoewel bij beide onderzoeken een archeologische verwachting aanwezig was voor resten uit het mesolithicum en late ijzertijd tot vroege middeleeuwen, werden deze resten pas op een diepte verwacht waar deze niet konden worden aangetast. Mogelijke resten van ontginningen uit de nieuwe tijd zouden relatief te weinig informatie opleveren om vervolgonderzoek te kunnen verantwoorden.
Een booronderzoek is wel uitgevoerd voor een plangebied bij Huis ter Duin, ook gelegen aan de Waddenzeestraat (2164039100, De Boer en Nederpelt 2007). Bij dit onderzoek is tot in het pleistocene niveau geboord (circa zes meter onder het maaiveld) met een avegaarboor. Bij het onderzoek werden geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied. Vlak ten zuiden van het bovengenoemde onderzoek zijn bij een veldkartering in 1954 aardewerkscherven (met kartelranden) aangetroffen en is bewerk (dierlijk) bot gevonden (2925601100). De vondsten zouden op een oude woongrond zijn gedaan en zijn grofweg gedateerd tussen de late ijzertijd en de Romeinse tijd.
`
Tabel 2: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Archeologische waarden rondom het plangebied. Voor de ligging zie Figuur 6. Voor dateringen zie Appendix I. Zaaknr.
Omschrijving
Datering
Onderzoeksmeldingen 2164039100 Bureau- en booronderzoek zorgcentrum Huis ter Duin. Met een avegaarboor is tot in het pleistocene dekzand geboord (circa 6 meter diep). Geen aanwijzingen voor archeologische resten. De Boer en Nederpelt 2007. 2252612100 Bureauonderzoek uit 2009 voor het versterken van de Zwakke Schakel, Duinen Kop van NoordHolland door ARCADIS. Rapport niet aanwezig in Archis of DANS Easy. 2315630100 Bureauonderzoek Waddenzeestraat. Archeologische verwachting tot 2,5 meter onder het maaiveld laag. Geen vervolgonderzoek geadviseerd tot deze diepte. Nillesen 2011. 2475630100 De gelaagde geschiedenis van de Westelijke Waddenzee, historisch geo-morfologische kaartenset van de Waddenzee. Manders, et al. 2014. 4644568100 Bureauonderzoek Streepjesberg. Kans op resten uit het meolithicum, late ijzertijd tot vroege middeleeuwen. Deze liggen echer op een diepte dat deze niet worden bedreigd. Geen vervolgonderzoek geadviseerd. Overmars en Weerheijm 2018. Vondstmelding 2925601100 Veldkartering in 1954. Aardewerkscherven (met kartelranden) en bewerkt Late ijzertijd – bot gevonden op een woongrond. Romeinse tijd
9
Figuur 6: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Archeologische waarden in de omgeving van het plangebied (rood). De groene stip is de locaties van een archeologische vondstmelding. De gele terreinen zijn in het verleden archeologisch onderzocht. Bron: Archis 3.
10
2.4
Historische geografie (KNA 4.1: LS03) Sporen van historische bebouwing kunnen mogelijk in het zuidelijk deel van het plangebied, langs de Jan Verfailleweg, worden aangetroffen. Op de kaart 1955 is er al een gebouw te zien dat zeer waarschijnlijk overeen komt met de locatie van de huidige bebouwing (zie Figuur 7). Op een oudere kaart uit 1915 is ook bebouwing aan de zuidzijde te zien, net buiten het plangebied. Het ligt hier echter voor de hand dat de oude kaart niet geheel juist is ingetekend en gegeorefereerd. En dat de bebouwing dezelfde is als op de latere kaarten. De kaart van 1875 laat echter geen bebouwing zien in de 19 e eeuw. Een van de oude namen van de Jan Verfailleweg is echter wel op de kaarten te zien, de Strooweg. Pas na de aanleg van de woonwijk Nieuw Den Helder werd deze naam vervangen (zie Figuur 7, 1975). Een oudere naam van de Strooweg is de Zanddijk. Ten zuidwesten van het plangebied heeft de weg nog steeds deze oude naam. De Zanddijk dateert uit 1610. De kop van Noord-Holland bestond in deze periode uit een waddengebied waar de bewoning op kleine eilanden plaatsvond. De Zanddijk werd aangelegd tussen Den Helder en Callantsoog om de achterliggende polders te beschermen. De dijk groeide door het aanplanten van helmgras en in de 18 e was deze sterk aangegroeid.
Pas na de aanleg van het Noordhollandschkanaal in het begin van de 19 e eeuw werd het tussenliggende land ingepolderd (de polder Koegras). Den Helder werd in de 18e eeuw een belangrijke marine-basis. Tijdens de Napoleontische oorlogen werd de omgeving van deze marine stad sterk verstevigd met meerdere forten en bunkers. In augustus 1799 vond een Brits-Russische expeditie plaats. Na de landing van Britse en Russische troepen nabij Callantsoog versloegen zij het Bataafse (Nederlandse) leger. Den Helder werd opgegeven en de Bataafse vloot kwam in handen van de Britten en Russen. Het expeditie leger trok verder naar het zuiden waar het uiteindelijk op meer verzet stuitte. In oktober werd door beide partijen een wapenstilstand afgekondigd en de laatste Britse en Russische troepen trokken zich in november terug. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de omgeving van Den Helder binnen de Atlantikwall, een aaneengesloten verdedigingslinie van Noorwegen tot Zuid-Frankrijk van het Duitse Rijk. Talloze bunkers, radartorens, commandocentra en andere verdedigingswerken werden langs de kust gebouwd. Veel van deze werken zijn bekend, maar velen zijn ook bedolven geraakt onder het duinzand. Vanwege al deze gevechtshandeling, vormen veel gebieden in de omgeving van Den Helder een risico voor niet gesprongen explosieven (NGE).
Op de risicokaart van de gemeente Den Helder ligt het plangebied buiten een risicogebied. Het duingebied circa 300 ten westen is wel een risicogebied. Hier kunnen klein kaliber munitie, handgranaten, geschutmunitie en mijnen worden aangetroffen.
11
Figuur 7: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Historisch-topografische kaarten uit 1875, 1915, 1955 en 1975. Er zijn geen sporen van bebouwing in het plangebied. Bron: Topotijdreis.
12
2.5
Verwachtingsmodel Het plangebied ligt in het duingebied ten zuidwesten van Den Helder dat een hoge archeologische verwachting heeft, (zie Figuur 9). Voor dit gebied geldt een hoge archeologische verwachting voor resten uit de nieuwe tijd (Tweede Wereldoorlog). Dit gebied maakte deel uit van de Atlantikwall, een uitgebreid netwerk van bunkers, loopgraven, commandocentra, radartorens, luchtafweer, en andere militaire structuren. In het plangebied kunnen resten van dergelijk structuren vlak onder het maaiveld worden aangetroffen. Oudere archeologische resten kunnen onder het duinzand worden aangetroffen in de klei- en veenlagen vanaf een diepte van circa twee meter onder het maaiveld. Deze resten kunnen dateren vanaf de ijzertijd tot de middeleeuwen. In deze periode vond de bewoning plaats op verhoogde woonplaatsen, terpen. In mogelijke ophogingslagen van deze terpen kunnen vondsten worden gedaan bestaande uit onder meer aardewerk, bot, bouwmateriaal, metaal en houtskool. Overstromingen in het verleden kunnen mogelijke archeologische niveaus in het veen hebben weggespoeld of sterk hebben aangetast. Resten uit het mesolithicum kunnen op een grote diepte, circa 8,4 meter onder het maaiveld, worden verwacht in de top van het dekzand. Vanwege de latere veen- en klei afdekking kunnen resten uit deze periode goed bewaard zijn gebleven. Tabel 3:
Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Specificatie archeologische verwachting.
datering:
mesolithicum
ijzertijd – middeleeuwen
nieuwe tijd
complextype:
kampen
nederzettingen, terpen
militaire infrastructuur
omvang:
enkele tientallen meters enkele tientallen meters
onbekend
diepteligging: top van het pleistocene dekzand, circa 8,4 meter onder maaiveld
Veen en kleilagen, vanaf circa 2 meter onder het maaiveld
direct onder het maaiveld
gaafheid en conservering:
onbekend, mogelijk afgedekt en goed bewaard
onbekend, mogelijk afgedekt met duinzand, organische conservering mogelijk
goed, mogelijk overstoven
locatie:
overal mogelijk
overal mogelijk
overal mogelijk
uiterlijke kenmerken:
vuursteen, houtskoolresten
Aardewerk, bot, bouwmateriaal, metaal, houtskool, ophogings-/terplagen
bouwmateriaal (beton, baksteen), metaal
mogelijke verstoringen:
erosie van het dekzand
verspoeling, afgeslagen veen
sloop
13
Figuur 8: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Den Helder. Het plangebied (rood) ligt in de zone DH4-1A, het duingebied, in deze zone kunnen verdedigingswerken of resten daarvan worden aangetroffen van de Atlantikwall. Bron: Verniers 2018.
14
3.
Veldwerk
3.1
Methoden en technieken (KNA 4.1: VS01) Het veldwerk is uitgevoerd op 30 maart 2021. Er zijn 33 boringen gezet in een zo gelijkmatig mogelijk netwerk met telkens vijftig meter afstand tussen de boringen en veertig meter afstand tussen de boorraaien (zie Figuur 10). Hierdoor is een gemiddelde boordichtheid bereikt van zes boringen per hectare. De boringen zijn gezet met een guts met een diameter van drie centimeter om aaneengesloten monsters te kunnen bestuderen. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB). De boorpunten zijn ingemeten en de RD-coördinaten zijn bepaald met behulp van GPS. De hoogtes zijn bepaald met behulp van een waterpas en het Actueel Hoogtebestand Nederland 3. De resultaten van de boringen zijn opgenomen in Figuren 12 en 13 en in Appendix III in de vorm van boorbeschrijvingen.
Figuur 9: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Het noordelijke deel van het plangebied gezien vanuit het oosten.
15
Figuur 10: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Boorpuntenkaart met RD-coördinaten.
3.2
Resultaten veldwerk (KNA 4.1: VS02, VS03) Bovenin alle boringen is een pakket humusrijk zand aangetroffen met een brokkelige opbouw. Het humusgehalte in deze brokken wisselt enigszins waardoor dit pakket een rommelige indruk maakt. De dikte van dit pakket loopt uiteen van ongeveer vijftien centimeter in de boringen 6 en 22 tot veertig centimeter in de boringen 1 en 2. De gemiddelde dikte van deze rommelige, humusrijke toplaag bedraagt ongeveer dertig centimeter. Hieronder is, behalve op de boorpunten 6 en 7, een dik pakket vergraven zand aanwezig dat bestaat uit geelgrijs zand met daarin brokken humeus zand of uit humeus zand met daarin brokken schoon, geelgrijs zand. De dikte van dit pakket loopt uiteen van ruim vijftien centimeter op boorpunt 13 tot 1,2 meter op boorpunt 21. De gemiddelde dikte van 16
dit pakket bedraagt ongeveer een halve meter. Dit vergraven zandpakket is kalkloos en is waarschijnlijk ontstaan ten gevolge van inrichtingswerkzaamheden ten behoeve van de inrichting van het campingterrein. Het vergraven zand bestaat uit duinzand. Dit blijkt uit de aanwezigheid direct hieronder, van ongeroerd duinzand. Op de boorpunten 6 en 7, is dergelijk duinzand al direct onder de (dunne) humusrijke toplaag aangetroffen. Het ongeroerde duinzand is kalkarm en lichtgeel en loopt overal binnen het plangebied door tot een diepte van ongeveer 0,6 meter beneden NAP. Binnen dit duinzand zijn volstrekt geen vegetatie-horizonten of andere sporen van (beginnende) bodemvorming aangetroffen. Onder het duinzand is kalkhoudend, lichtgrijs zand aanwezig met daarin een geringe hoeveelheid schelpfragmenten. Het gaat waarschijnlijk om een afzetting die voorafgaande aan de duinvorming, is ontstaan op een soort strandvlakte. Rond een meter beneden NAP gaat dit zandpakket over in een door kleilaagjes onderbroken zandpakket met daarin brokken elders geërodeerd veen (zie Figuur 11).
Figuur 11: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: Het door kleilaagjes onderbroken zandpakket met daarin brokken elders geërodeerd veen zoals dat overal binnen het plangebied vanaf een diepte van ongeveer een meter -NAP is aangetroffen.
Het door kleilaagjes onderbroken zandpakket vormt een getijde-afzetting. Deze afzetting kwam tot stand in een milieu met een grote afzettingsdynamiek waarin veen werd geërodeerd. Dit tweemaal per etmaal onder water lopende landschap was ongeschikt voor bewoning. De top van eventueel bewoonbare delen van het hieraan voorafgaande landschap is geërodeerd. Omdat de top van het pleistocene landschap binnen het plangebied pas op een diepte van acht meter beneden het maaiveld wordt verwacht, is hier geen onderzoek naar gedaan en zijn de boringen op een diepte van ongeveer drie meter beneden het maaiveld gestaakt.
17
Figuur 12: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: De boringen 1 tot en met 18 in de vorm van boorprofielen. 18
Figuur 13: Den Helder, Jan Verfailleweg 616: De boringen 19 tot en met 33 in de vorm van boorprofielen.
19
4.
Conclusies en advies (KNA 4.1: VS07) Het plangebied ligt in het duinlandschap ten zuidwesten van Den Helder dat deel uitmaakte van de Atlantikwall. Resten hiervan kunnen uit munitie en verdedigingswerken bestaan die direct onder het maaiveld liggen. Resten uit de ijzertijd tot de middeleeuwen kunnen vanaf een diepte van circa twee meter onder het duinzand worden aangetroffen in klei- en veenlagen. Bewoning in deze periode vond plaats op verhoogde woonplaatsen ie bestaan uit ophogingslagen met daarin aardewerk, bot, bouwmateriaal, metaal en houtskool. Tijdens overstromingen kunnen dergelijke resten zijn geërodeerd. Op circa 8,4 meter onder het maaiveld kunnen resten uit het mesolithicum worden verwacht in de top van het dekzand. In verband met de grote diepte waarop deze worden verwacht en de naar verwachting niet zo diep reikende bodemingrepen, is hier geen onderzoek naar gedaan. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel met betrekking tot de periode ijzertijd tot en met de nieuwe tijd te toetsen, zijn 33 gutsboringen gezet in een dichtheid van zes boringen per hectare. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied een pakket duinzand aanwezig is van ongeveer twee meter dikte. De top hiervan bestaat uit een pakket vergraven zand van gemiddeld ongeveer zestig centimeter.
Onder het duinzand is op een diepte van ongeveer 0,5 meter -NAP een pakket grijs, kalk- en schelphoudend zand aangetroffen dat waarschijnlijk op een soort strandvlakte is afgezet. Dit zand gaat na enkele decimeters over in een getijde-afzettingen die bestaan uit een pakket zand- en kleilaagjes met daarin brokken van elders aangevoerd veen. Deze afzettingen lopen binnen het plangebied door tot minimaal drie meter beneden het maaiveld.
Selectie-advies door drs. R. Exaltus (senior KNA-archeoloog/-prospector) Binnen het duinzand zijn volstrekt geen vegetatie-horizonten of overige sporen van bodemvorming aangetroffen die samen zouden kunnen hangen met bewoningsniveaus uit de middeleeuwen of de nieuwe tijd. De onder het duinzand aangetroffen afzettingen zijn gevormd in een milieu dat tweemaal per etmaal onder water liep en dat gepaard ging met erosie. De verwachting voor resten van bewoning uit de periode ijzertijd tot en met de nieuwe tijd kan derhalve worden bijgesteld tot een lage verwachting. Voor resten uit het mesolithicum die mogelijk aanwezig zijn in het naar verwachting op acht meter beneden het maaiveld gelegen top van het dekzand, blijft de archeologische verwachting gehandhaafd. Naar verwachting zullen de voor de herinrichting van de camping benodigde werkzaamheden niet tot vlakdekkende bodemingrepen leiden op deze diepte en wordt derhalve geen archeologisch onderzoek naar dit niveau geadviseerd. Voor het gehele plangebied geldt derhalve dat de resultaten van het onderzoek geen directe aanleiding geven tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek. De verwachting voor wat betreft de mogelijke aanwezigheid van resten van munitie en verdedigingswerken uit de late nieuwe tijd blijft gehandhaafd omdat deze niet door middel van verkennend booronderzoek zijn op te sporen.
Met name om deze reden blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Den Helder.
20
Gebruikte bronnen AHN-Viewer. www.AHN.nl. Actueel Hoogtebestand Nederland. Rijkswaterstaat, Adviesdienst Geoinformatie en ICT. Boer, A. de, en S. Nederpelt. 2007. Zorgcentrum Huis ter Duin, Den Helder. Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een waarderend booronderzoek. ADC Rapport 1066. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Centraal Archeologisch Archief (CAA) en Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) [Archis3]. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 www.SIKB.nl. Centraal College van Deskundigen Archeologie, 2018. Manders, M.R., S. van den Brenk en M. Kosian. 2014. De gelaagde geschiedenis van de Westelijke Waddenzee. Historisch Geo-Morfologische Kaartenset van de Waddenzee. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Nillesen, R. 2011. Bureauonderzoek Waddenzeestraat te Den Helder, gemeente Den Helder. Synthegra Rapport S110020. Synthegra, Doetinchem. Opentopo. www.opentopo.nl Overmars, G en W. Weerheijm. 2018. Archeologisch bureauonderzoek Streepjesberg Den Helder, gemeente Den Helder. Sweco Archeologische Rapporten 2181. Sweco, De Bilt. Publieke Dienstverlening op de Kaart. www.pdok.nl Ruimtelijke plannen. www.ruimtelijkeplannen.nl Topotijdreis. www.topotijdreis.nl Verniers, L. 2018. Beleidskader Archeologie 2017 Gemeente Den Helder Actualisatie archeologiebeleid 2003.
NMF Erfgoedadviesrapport 3. NMF Erfgoedadvies, Castricum. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam, Prometheus. Beleidskader Archeologie 2017. Gemeente Den Helder. Actualisatie archeologiebeleid 2003.
Lijst van figuren en tabellen
Figuren 1 Topografische kaart 2 Luchtfoto plangebied met KLIC 3 Paleogeografische kaarten 4 Hoogtekaart 5 Bodemkaart 6 Archeologische kaart 7 Historisch-topografische kaarten 8 Archeologische verwachtingskaart 9 Foto 10 Boorpuntenkaart 11 Foto 12 Boorstaten 1 tot en met 18 13 Boorstaten 19 tot en met 33
Tabellen 1
Administratieve gegevens
2
Archeologische waarden rondom het plangebied
3
Specificatie archeologische verwachting
Appendix I: Archeologische periodes paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B:
ijzertijd: tot 300.000 BP 300.000 - 35.000 BP 35.000 BP - 8.800 vC 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP - 8.800 vC
mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat:
8.800 - 7.100 vC 7.100 - 6.450 vC 6.450 - 4.900 vC
neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B:
5.300 - 4.200 vC 5.300 - 4.900 vC 4.900 - 4.200 vC 4.200 - 2.850 vC 4.200 - 3.400 vC 3.400 - 2.850 vC 2.850 - 2.000 vC 2.850 - 2.450 vC 2.450 - 2.000 vC
bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:
2.000 - 1.800 vC 1.800 - 1.100 vC 1.800 - 1.500 vC 1.500 - 1.100 vC 1.100 - 800 vC
pleistoceen: elsterien saalien weichselien holoceen:
2,5 miljoen - 10.000 BP 475.000 - 410.000 BP 200.000 - 130.000 BP 116.000 - 10.000 BP 10.000 - heden
vC nC BP
= = =
voor Christus na Christus before present; present = 1950
ijzertijd vroeg: ijzertijd midden: ijzertijd laat:
800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC
romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: romeinse tijd vroeg A: romeinse tijd vroeg B: romeinse tijd midden: romeinse tijd midden A: romeinse tijd midden B: romeinse tijd laat: romeinse tijd laat A: romeinse tijd laat B:
12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC
middeleeuwen: middeleeuwen vroeg: middeleeuwen vroeg A: middeleeuwen vroeg B: middeleeuwen vroeg C: middeleeuwen vroeg D: middeleeuwen laat: middeleeuwen laat A: middeleeuwen laat B:
450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC
nieuwe tijd: nieuwe tijd vroeg: nieuwe tijd midden: nieuwe tijd laat:
1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden
Algemeen
Steentijd (tot 2000 vC) De steentijd is opgedeeld in het paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Het paleolithicum (oude steentijd) wordt vooral gekenmerkt door de ijstijden. Na het laatpaleolithicum verbetert het klimaat. Vindplaatsen uit het late paleolithicum zijn vooral te herkennen aan concentraties vondstmateriaal (bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskool) met weinig en moeilijk te herkennen grondsporen zoals kuilen, paalgaten en houtskoolconcentraties die mogelijk wijzen op haardplaatsen. Vondsten uit het mesolithicum of midden steentijd, gekenmerkt door sporen en vondsten van rondtrekkende jagers en verzamelaars, bestaan voornamelijk uit bewerkt vuursteen, verbrande hazelnootdoppen en houtskoolfragmenten. Mesolithische grondsporen zijn vooral oppervlakte-haarden en haardkuilen. In een natte omgeving kunnen ook werktuigen van gewei of hout bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn geweibijlen, bogen, visfuiken, etc. In het neolithicum (nieuwe steentijd) werden dieren gehouden en in het neolithicum werd eveneens akkerbouw bedreven. Grondsporen uit deze periode kunnen bestaan uit paalgaten van bijvoorbeeld boerderijen, resten van beschoeiingen, greppels, (afval)kuilen en haardplaatsen. Aardewerk komt in deze tijd voor, evenals bewerkt (vuur)steen en geslepen bijlen.
Metaaltijden (2000-12 vC) In de bronstijd en ijzertijd kwam bemesting en wisselbouw binnen de akkerbouw voor. Sporen uit de bronstijd en ijzertijd kunnen bestaan uit kuilen, paalgaten van boerderijplattegronden, bijgebouwen of spiekers, waterkuilen of -putten, erf- ofakkerafscheidingen en sporen van akkerbewerking zoals de kruiselings getrokken voren van een eergetouw. Houtskool kan duiden op de aanwezigheid van haarden voor voedselbereiding of het bakken van aardewerk. Ook kunnen er restanten gevonden worden die duiden op metaalbewerking, zoals stukken ovenwand, brons- of ijzerslakken, sintels, mallen, smeltkroezen, metaal bedoeld voor omsmelten, etc. Vondsten kunnen verder bestaan uit bijvoorbeeld metalen voorwerpen of voorwerpen van aardewerk zoals vaatwerk, maar ook slingerkogels, rammelaars, spinklosjes en weefgewichten. Romeinse tijd (12 vC-450 nC) In de romeinse tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het romeinse rijk. Langs deze grens, de limes, werden grensposten, nederzettingen en wegen gebouwd. In het noorden van Nederland zijn ook romeinse vondsten gedaan, maar dit zijn voornamelijk losse vondsten als romeinse munten, mantelspelden en scherven romeins aardewerk. Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 nC-heden) Na een afname in de bevolkingsdichtheid aan het einde van de romeinse tijd en de periode erna, steeg deze weer in het begin van de middeleeuwen.
Vondsten uit de middeleeuwen en later bestaan voornamelijk uit scherven aardewerk, waaronder importaardewerk, munten en metalen voorwerpen (zoals mantelspelden, spijkers), resten van aardewerkproductie, metaalbewerking, wolbewerking etc. Belangrijke gebouwen (bijvoorbeeld kerken en borgen) werden van baksteen / kloostermoppen gebouwd.
Appendix II: DINO-loket boringen (zie Figuur 4 voor de ligging)
Appendix III: Boorbeschrijvingen Boorbeschrijving volgens ASB 5.2 Boor Coördinaten LDO Lithologie Nr GD B B K V 1 111.075 35 Z 550.163 68 Z 203 Z 244 Z 300 Z 2 2 111.037 37 Z 550.191 73 Z 220 Z 258 Z 280 Z 2 3 111.005 30 Z 550.217 72 Z 218 Z 244 Z 265 Z 2 4 110.961 17 Z 550.241 42 Z 203 Z 232 Z 250 Z 2 5 110.926 20 Z 550.262 46 Z 179 Z 221 Z 300 Z 2 6 110.890 14 Z 550.289 182 Z 222 Z 300 Z 2 7 110.852 15 Z 550.283 183 Z 208 Z 235 Z 2 8 110.888 25 Z 550.256 42 Z 212 Z 245 Z 300 Z 2 9 110.924 30 Z 550.228 85 Z 176 Z 223 Z 300 Z 2 10 110.959 32 Z 550.201 88 Z 179 Z 220 Z 300 Z 2 11 110.995 25 Z 550.173 76 Z 203 Z 256 Z 290 Z 2 12 110.031 13 Z 550.146 31 Z 202 Z 250 Z 290 Z 2 13 110.984 23 Z 550.125 44 Z 196 Z 234 Z 300 Z 2
BZ
BS B H 3 1 1 1 1
1 1 1
1 1 1
1 1 1
1 1 1
3 1
3 1
3 1
3 1
3 1 1 3 1 1
1 1 1
1 1 1
1 1 1
1 1 1
1 1 1
1 1 1
3 1
3 1
3 1
3 1
3 1
3 1
Kleur HK TK BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GR GR BR GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR
GR BR GR
IK LI LI
Overige kenmerken VLK CO PLH VS SST GE GR
LI LI
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
ROG VRG
ROG
LI
ROG
LI
LI LI
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
DZ SZ GET
KL
GE GR
ROG VRG
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE
VB GR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
GI
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
BI ROG VRG
VB GR BR GR
AIS BH N
DZ SZ GET
KL
GE GR
ROG VRG
VB
KL
DZ SZ GET
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
110.956 550.156
110.917 550.183
110.881 550.210
110.846 550.238
110.811 550.260
110.768 550.247
110.803 550.220
110.839 550.192
110.875 550.165
110.910 550.138
110.946 550.110
110.987 550.083
110.904 550.120
110.868 550.120
110.833 550.147
17 68 204 248 300 17 51 218 253 300 29 49 223 248 300 30 56 248 288 300 25 71 258 300 16 94 273 287 300 25 123 259 287 300 23 139 255 286 300 12 26 227 247 280 23 72 228 272 300 13 92 231 262 300 23 49 203 237 280 25 52 222 253 300 16 43 225 246 300 29 64 223
Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z
1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1 1 1 1
3 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1 1
3 1
2 1 1
3 1
BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR BR GE GE
GR BR GR
LI LI
GE GR
ROG VRG
VB GR BR GR
LI LI
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
GR BR GR
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG DZ SZ
GE GR
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
ROG VRG
LI LI
GE GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
ROG VRG
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
KL
GE GR
VB GR BR GR
KL
GE GR
VB GR BR GR
DZ SZ GET
DZ SZ GET
KL ROG VRG
DZ
29
30
31
32
33
110.797 550.174
110.761 550.202
110.726 550.229
110.755 550.156
110.790 550.129
266 300 30 57 270 300 28 48 268 290 300 27 53 263 300 18 44 252 273 300 21 44 254 280 300
Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z
1 2 1 1 1 1 1 1
3 1
3 1
2 1 1 1 1 1 1
3 1
3 1
2 1 1 1 2
3 1
GR GR BR GE GE GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR BR GE GE GR GR BR GE GE GR GR
VB GR BR GR
LI LI
GR BR GR
LI LI
GE GR
ROG VRG DZ SZ
GE GR
ROG VRG
VB GR BR GR
LI LI
GR BR GR
LI LI
LI LI
DZ SZ GET
KL
GE GR
ROG VRG DZ SZ
GE GR
ROG VRG
VB GR BR GR
SZ GET
KL
DZ SZ GET
KL
GE GR
ROG VRG
VB
KL
DZ SZ GET
Betekenis van de afkortingen: LDO – Onderzijde boortraject Lithologie: GD – Onverharde sedimenten: G = grind, K = klei, L = leem, V = veen en Z = zand, Bst = Baksteen Bijmengsels: BK = bijmengsel klei, BS = bijmengsel silt, BZ =bijmengsel zand, BV= bijmengsel veen, BH = bijmengsel humus. Betekenis toegevoegde cijfers: 1 = zwak, 2 = matig, 3 = sterk en 4 = uiterst. Kleur: HK = hoofdkleur, BL = blauw, BR = bruin, GE = geel, GN = groen, GR = grijs, OL = olijf, OR =oranje, PA = paars, RO = rood, RZ = roze, WI = wit, ZW = zwart. TK = Tweede kleur (kleurafkortingen als boven). IK = Intensiteit kleur: LI = licht en DO = donker VLK = Vlekken (V): 2e en 3e letter is kleurafkorting als boven, 1 = weinig, 2 = matig , 3= veel Overige kenmerken: CO = Consistentie (C ): ZSL-zeer slap, SLA-slap, MSL-matig slap, MST-matig stevig, STV-stevig PLH = plantenresten; VB = veenbrokken SST = Sedimentaire structuren; ZL = zandlaagjes, KL = kleilaagjes, EZL = enkele zandlaagjes BHN = Bodemhorizont; Bha = A-horizont BI = Bodemkundige interpretaties; ROG = rommelig, VRG = vergraven/opgebracht GI = Geologische interpretaties; SZ = strandzand, GET = Getijde-afzetting, DZ = duinzand AIS = Archeologische indicatoren;