Concept ontwerpregeling GR, 20260831, _VDL
Tekst van het document
Versie 31 augustus 2026 INSTELLINGSBESLUIT VAN DE COLLEGES VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTEN DEN HELDER, HOLLANDS KROON, SCHAGEN EN TEXEL HOUDENDE REGELS OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SAMENWERKINGSORGANISATIE REGIO KOP VAN NOORD- HOLLAND, TEVENS JEUGDREGIO KOP VAN NOORD-HOLLAND (GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SAMENWERKINGSORGANISATIE REGIO KOP VAN NH, TEVENS JEUGDREGIO KOP VAN NOORD-HOLLAND) De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon, Schagen en Texel, Overwegende dat: 1. de colleges in de Kop van Noord-Holland op grond van de Jeugdwet verplicht zijn om een gemeenschappelijke regeling te treffen ten einde te bevorderen dat er een toereikend aanbod is van vormen van jeugdhulp als bedoeld in die wet en van gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en waarbij een regionale entiteit genaamd Jeugdregio wordt ingesteld of aangewezen; 2. de gemeenten in de Kop van Noord-Holland reeds intensief samenwerken binnen het sociaal domein op het gebied van regionaal opdrachtgeverschap, inkoop, contractmanagement, toezicht, monitoring en de ontwikkeling van een toekomstbestendig zorglandschap; 3.
het instellen van een bedrijfsvoeringsorganisatie op grond van artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen de meest geschikte vorm is om invulling te geven aan de wettelijke taken van de Jeugdregio en de regionale samenwerking tussen de deelnemende gemeenten duurzaam te organiseren; 4. de bedrijfsvoeringsorganisatie primair werkzaamheden zal verrichten binnen het sociaal domein; 5. de colleges in de Kop van Noord-Holland de beleidsmatige bevoegdheden bij de deelnemende gemeenten willen behouden, met behoud van de mogelijkheid om gezamenlijk te besluiten tot regionale beleidsvoorbereidende en beleidsondersteunende werkzaamheden; 6. de colleges de gezamenlijke ambitie hebben de regionale samenwerking binnen Jeugd, Wmo en Participatie verder te ontwikkelen, waarbij de omvang van de aan de samenwerkingsorganisatie opgedragen taken per gemeente kan verschillen en de gemeenten zich gezamenlijk blijven inzetten voor verdere regionale samenwerking binnen deze domeinen; 7. de colleges de mogelijkheid willen behouden de samenwerking, indien zij daartoe unaniem besluiten, uit te breiden naar andere gemeentelijke beleidsterreinen, waaronder het fysieke domein; 8. de samenwerking is gericht op het versterken van de kwaliteit, beschikbaarheid, continuïteit, doelmatigheid en toekomstbestendigheid van de uitvoering van de regionale taken; 9.
de colleges in de Kop van Noord-Holland daarom overgaan tot het treffen van de Gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsorganisatie regio Kop van Noord- Holland en daarbij de bedrijfsvoeringsorganisatie Samenwerkingsorganisatie regio Kop van Noord-Holland, tevens genaamd Jeugdregio Kop van Noord-Holland, instellen, die wordt aangewezen als Jeugdregio en uitvoering geeft aan de in deze regeling opgedragen taken. 1 Versie 31 augustus 2026 Gelet op: - de Wet gemeenschappelijke regelingen; - de Gemeentewet; - de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, artikel I, onderdeel G; - de Jeugdwet; - het Besluit verbetering beschikbaarheid jeugdzorg; - de toestemming van de gemeenteraden van Den Helder, Hollands Kroon, Schagen en Texel, op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; Besluiten: de Gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsorganisatie regio Kop van Noord-Holland te treffen waarvan de tekst komt te luiden als volgt: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 – Begrippen 1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. bedrijfsvoeringsorganisatie: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; b. bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 14a van de Wet gemeenschappelijke regelingen; c.
college(s): de colleges van burgemeester en wethouders die aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemen; d. gemeenten: de gemeenten Texel, Den Helder, Schagen en Hollands Kroon; e. fysiek domein: alle gemeentelijke taken, beleidsgebieden en activiteiten die te maken hebben met de inrichting, het beheer en het onderhoud van de fysieke en ruimtelijke leefomgeving, dat wil zeggen de tastbare omgeving waarin mensen wonen, werken en leven; f. gemeenteraden: de gemeenteraden van de gemeenten waarvan de colleges aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemen; g. Jeugdregio: de Jeugdregio als bedoeld in artikel 2.18 van de Jeugdwet; h. samenwerkingsorganisatie: de bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 2 van deze regeling; i. personeelsleden: ambtelijke functionarissen in vaste of tijdelijke dienst van de samenwerkingsorganisatie; j. partijen: de gemeenten en de samenwerkingsorganisatie gezamenlijk; k. plustaken: werkzaamheden die de samenwerkingsorganisatie uitvoert op verzoek en voor rekening van één of meer deelnemende gemeenten op basis van een dienstverleningsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 4, achtste lid; l. regeling: de onderhavige Gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsorganisatie regio Kop van Noord-Holland; m. regio Kop van Noord-Holland: het geografisch gebied waartoe de gemeenten behoren; n.
sociaal domein: gemeentelijke taken op grond van en samenhangend met de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet en de Participatiewet; o. Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Waar in deze regeling artikelen van enige wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden in die artikelen de samenwerkingsorganisatie en het bestuur in de plaats van de gemeente en het college respectievelijk (het college van) burgemeester en wethouders. 2 Versie 31 augustus 2026 3. Waar in deze regeling hij, hem of zijn wordt geschreven moet daar, indien van toepassing, (tevens) zij of haar worden gelezen. Hoofdstuk 2 Samenwerkingsorganisatie regio Kop van Noord- Holland Artikel 2 – Bedrijfsvoeringsorganisatie 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, genaamd Samenwerkingsorganisatie regio Kop van Noord-Holland, tevens Jeugdregio Kop van Noord-Holland. 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie is formeel gevestigd in Den Helder. 3. De bedrijfsvoeringsorganisatie kent één orgaan: het bestuur. Artikel 3 – Doel en te behartigen belangen Deze regeling heeft tot doel de regionale samenwerking tussen de deelnemende gemeenten binnen het sociaal domein vast te leggen.
Daartoe wordt een bedrijfsvoeringsorganisatie ingesteld die in ieder geval werkzaamheden binnen het sociaal domein verricht en die indien de colleges daartoe unaniem besluiten overeenkomstig deze regeling, tevens werkzaamheden kan verrichten op andere gemeentelijke beleidsterreinen die zich lenen voor regionale samenwerking, die overeenkomstig artikel 4 aan de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn opgedragen. Artikel 4 – Taken 1. De samenwerkingsorganisatie voert binnen het sociaal domein de volgende taken uit: a. de taken die de colleges op grond van artikel 2.19 van de Jeugdwet verplicht door de Jeugdregio moeten laten uitvoeren, waaronder in ieder geval de regionale contractering of subsidiëring van de bij of krachtens de Jeugdwet aangewezen vormen van jeugdhulp, de aangewezen administratieve processen, de vereiste bovenregionale afstemming en het organiseren van het regionale expertteam; en b. de overige taken binnen Jeugd, Wmo en Participatie die bij unaniem besluit van de colleges aan de samenwerkingsorganisatie zijn opgedragen. In dit besluit wordt bepaald welke taken worden opgedragen en voor welke deelnemende gemeenten de samenwerkingsorganisatie deze uitvoert. 2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde taken worden uitgevoerd met inachtneming van de regiovisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Jeugdwet.
Voor de deelnemende gemeenten worden bij de regionale contractering of subsidiëring gelijkluidende contract- en subsidievoorwaarden gehanteerd overeenkomstig artikel 2.19 van de Jeugdwet. 3. De werkzaamheden die de samenwerkingsorganisatie ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde taken verricht, worden per taak bepaald en omvatten, voor zover van toepassing: a. regionaal opdrachtgeverschap, waaronder inkoop, contractmanagement, contractbeheer en leveranciersmanagement; b. bevorderen van de beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit van regionaal georganiseerde ondersteuning en zorg; c. regionaal contracttoezicht, kwaliteitsmonitoring en handhaving, voor zover opgedragen; d. het verzamelen, analyseren en ontsluiten van gegevens, monitoring en managementinformatie ten behoeve van sturing, verantwoording en doorontwikkeling; 3 Versie 31 augustus 2026 e. overige uitvoerende en ondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks voortvloeien uit de hiervoor genoemde taken; 4. De colleges zetten zich gezamenlijk in voor de verdere ontwikkeling van de regionale samenwerking binnen Jeugd, Wmo en Participatie en voeren periodiek overleg over welke overige taken in de toekomst gezamenlijk door de samenwerkingsorganisatie kunnen worden uitgevoerd. 5. De colleges kunnen unaniem besluiten het in het eerste lid, onder b, bedoelde takenpakket uit te breiden of anderszins te wijzigen.
De colleges kunnen unaniem besluiten de samenwerkingsorganisatie aanvullende werkzaamheden te laten verrichten ter ondersteuning van de beleidsvoorbereiding en beleidsontwikkeling, indien deze bijdragen aan de doelstelling van deze regeling met inachtneming van de daarvoor geldende besluitvormingsprocedures. 6. De colleges kunnen unaniem besluiten het takenpakket van de samenwerkingsorganisatie uit te breiden naar andere gemeentelijke beleidsterreinen, waaronder het fysieke domein. Voor zover deze uitbreiding een wijziging van deze regeling vereist of bevoegdheden dan wel besluitvorming van de gemeenteraden raakt, vindt uitbreiding plaats met inachtneming van de daarvoor geldende besluitvormings- en toestemmingsprocedures. 7. Bij de uitvoering van haar taken kan de samenwerkingsorganisatie uitvoering geven aan gezamenlijke regionale programma's en landelijke, provinciale of regionale opgaven waarvoor de deelnemende gemeenten gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen. 8. Het bestuur kan, op verzoek van één of meer deelnemende gemeenten, besluiten werkzaamheden op basis van een dienstverleningsovereenkomst te verrichten die samenhangen met de in dit artikel bedoelde taken en passen binnen het doel en de belangen van deze regeling. 9. Bij een besluit als bedoeld in het achtste lid stelt het bestuur in ieder geval voorwaarden vast over: a. de aard en omvang van de werkzaamheden; b.
de duur van de werkzaamheden; c. de vergoeding van de integrale kosten; d. de benodigde capaciteit; e. de wijze waarop de werkzaamheden worden beëindigd. 10.Het bestuur stelt jaarlijks, in overeenstemming met de colleges, een uitvoeringsplan vast voor de uitvoering van de aan de samenwerkingsorganisatie opgedragen taken. De wijze waarop het uitvoeringsplan wordt vastgesteld, wordt door de colleges en het bestuur nader bepaald, mede met het oog op beperking van de administratieve lasten. 11.Het uitvoeringsplan bevat voor het geheel van de door de samenwerkingsorganisatie uit te voeren taken en werkzaamheden, ongeacht de grondslag waarop deze aan de samenwerkingsorganisatie zijn opgedragen, in ieder geval: a. de uit te voeren werkzaamheden; b. de beoogde resultaten; c. de aard en de omvang van de benodigde capaciteit; d. de financiële middelen die voor de uitvoering beschikbaar worden gesteld. 12.De samenwerkingsorganisatie en de deelnemende gemeenten leggen nadere afspraken over de uitvoering van de opgedragen taken vast, waaronder afspraken over kwaliteit, kosten, capaciteit, bekostiging, informatievoorziening en verantwoording. Met het oog op de sturing op de kwaliteit van de dienstverlening kunnen deze afspraken worden uitgewerkt in een servicelevel agreement (SLA) of een vergelijkbaar sturingsinstrument.
4 Versie 31 augustus 2026 Artikel 5 – Bevoegdheden ten behoeve van de taakuitvoering 1. De colleges dragen er zorg voor dat de samenwerkingsorganisatie beschikt over de bevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de op grond van artikel 4 opgedragen taken. 2. De daarvoor benodigde bevoegdheden worden, met inachtneming van de wettelijke mogelijkheden, bij afzonderlijke besluiten door middel van delegatie, mandaat, volmacht of machtiging belegd. 3. De in het tweede lid bedoelde besluiten sluiten aan bij de in artikel 4 opgenomen taakverdeling en worden bij wijziging van het opgedragen takenpakket zo nodig aangepast. 4. De samenwerkingsorganisatie vangt de uitvoering van een opgedragen taak niet aan voordat de voor de uitvoering van die taak noodzakelijke besluiten als bedoeld in het tweede lid in werking zijn getreden. 5. Het bestuur draagt zorg voor een actueel overzicht van de voor de uitvoering van de opgedragen taken benodigde en verleende bevoegdheden. Bij het opdragen of wijzigen van een taak wordt beoordeeld welke bevoegdheden voor de uitvoering daarvan noodzakelijk zijn en of de in het tweede lid bedoelde besluiten moeten worden vastgesteld of gewijzigd. Hoofdstuk 3 Inrichting en samenstelling van het bestuur Artikel 6 – Het bestuur 1. Het bestuur bestaat uit vier leden. Ieder college wijst uit zijn midden één lid aan als vertegenwoordiger in het bestuur.
2. Ieder college kan uit zijn midden een plaatsvervangend lid aanwijzen ter vervanging van het bestuurslid bij afwezigheid of verhindering. Artikel 7 – Werkwijze 1. Het bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als een lid van het bestuur dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoekt. 2. Het bestuur stelt een reglement van orde vast voor diens vergaderingen en andere werkzaamheden. 3. Elk lid van het bestuur heeft één stem. 4. Besluiten van het bestuur worden unaniem genomen in een vergadering waarin alle leden van het bestuur aanwezig zijn. Als geen besluit kan worden genomen, omdat niet alle leden van het bestuur aanwezig zijn, zal het desbetreffende besluit in een volgende vergadering genomen kunnen worden met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigende ten minste drie vierde van het aantal stemmen dat in een vergadering kan worden uitgebracht. 5. De vergaderingen van het bestuur zijn in beginsel openbaar. De deuren worden evenwel gesloten wanneer een van de aanwezige leden van het bestuur daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd en de vergadering aldus niet in openbaarheid wordt gehouden. Artikel 8 – De voorzitter 1.
De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden door het bestuur uit zijn midden aangewezen voor een bepaalde periode van maximaal vier jaar. 2. De voorzitter is niet herbenoembaar voor een aansluitende termijn. 3. Het voorzitterschap eindigt indien betrokkene ophoudt lid van het bestuur te zijn. Het bestuur voorziet dan onmiddellijk uit zijn midden in de vervanging. 5 Versie 31 augustus 2026 Artikel 9 – Taken en bevoegdheden voorzitter 1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het bestuur. 2. De voorzitter en de secretaris als bedoeld in artikel 12, zesde lid, ondertekenen de stukken die van het bestuur uitgaan. 3. De voorzitter vertegenwoordigt de samenwerkingsorganisatie in en buiten rechte. Artikel 10 – Bijzondere bevoegdheden van het bestuur 1. Het bestuur besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang en voor zover dit past binnen het doel en de belangen van deze regeling. 2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet genomen dan nadat de gemeenteraden een ontwerpbesluit is toegezonden en zij in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuur te brengen.
Artikel 11 – Verantwoordings- en informatieplicht 1. Een lid van het bestuur verstrekt aan het college dat hem heeft aangewezen en zijn gemeenteraad alle inlichtingen die door het college, de gemeenteraad, of één of meer leden daarvan worden verlangd. 2. Een lid van het bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen en zijn gemeenteraad verantwoording verschuldigd voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid. 3. De gemeenteraden en colleges bepalen de wijze waarop het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in het eerste lid en het ter verantwoording roepen als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt. 4. Een lid van het bestuur geeft geen inlichtingen en legt geen verantwoording af over zaken waaromtrent op grond van artikel 23 van de Wgr geheimhouding is opgelegd, behoudens na opheffing van de geheimhouding door het bestuur. 5. Het bestuur verstrekt aan de gemeenteraden en de colleges alle inlichtingen die door één of meer leden van de gemeenteraden of colleges worden verlangd. 6. Het bestuur verstrekt de gemeenteraden de inlichtingen die de gemeenteraden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden.
Bij de informatieverstrekking geldt dat: - relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verschaft; - informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; - het bestuur schriftelijke inlichtingen rechtstreeks zendt naar en gelijktijdig aan de gemeenteraden en in cc aan de colleges. Als de informatie wordt verstrekt door de voorzitter wordt het bestuur vooraf geïnformeerd. Artikel 12 – Secretaris 1. Het bestuur wijst de directeur als bedoeld in artikel 13, eerste lid en verder, aan als ambtelijk secretaris. 2. De secretaris staat het bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. 3. De secretaris is in de vergaderingen van het bestuur aanwezig. 4. De secretaris draagt zorg voor: a. het voorbereiden, agenderen en notuleren van de vergaderingen van het bestuur; b. het coördineren en bewaken van en zorgdragen voor de uitvoering van de besluitvorming van het bestuur. 6 Versie 31 augustus 2026 5. De taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de secretaris worden door het bestuur vastgesteld. 6. De secretaris tekent als zodanig met de voorzitter alle stukken die van het bestuur uitgaan. 7. De secretaris wordt bij verhindering of ontstentenis vervangen op een door het bestuur te bepalen wijze.
Hoofdstuk 4 Ambtelijke organisatie Artikel 13 – Inrichting ambtelijke organisatie en directeur 1. De samenwerkingsorganisatie heeft een ambtelijke organisatie met aan het hoofd één directeur. 2. Het bestuur legt de structuur en werkwijze van de ambtelijke organisatie van de samenwerkingsorganisatie schriftelijk vast. 3. De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het bestuur. 4. De directeur is, onder verantwoording van het bestuur, belast met de dagelijkse leiding en de zorg voor een juiste taakvervulling van de samenwerkingsorganisatie. 5. De invulling van de taken van de directeur wordt nader geregeld door het bestuur en schriftelijk vastgelegd. 6. Het bestuur regelt de vervanging van de directeur. Artikel 14 - Personeelsleden 1. Het bestuur is bevoegd personeelsleden in dienst te nemen. 2. Het bestuur kan overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht de uitoefening van de onder het eerste lid bedoelde bevoegdheid zowel geheel als gedeeltelijk mandateren aan de directeur als bedoeld in artikel 13, eerste lid en verder. 3. Op de personeelsleden van de samenwerkingsorganisatie is de CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (SGO) van toepassing. Voor zover van belang voor de taken van de samenwerkingsorganisatie kan het bestuur hiervan afwijken. Hoofdstuk 5 Financiën en beheer van de samenwerkingsorganisatie Artikel 15 – Financieel beheer 1.
Het bestuur stelt bij verordening vast: a. de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie; b. regels voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. 2. De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet, alsmede het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) en de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) zijn van overeenkomstige toepassing voor zover daarvan bij of krachtens de Wgr niet is afgeweken. Artikel 16 – Boekjaar Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 7 Versie 31 augustus 2026 Artikel 17 – Kadernota 1. Het bestuur biedt uiterlijk 15 december de kadernota aan de gemeenteraden aan voor zienswijze (T-2). 2. De gemeenteraden geven uiterlijk 1 maart hun zienswijze over de kadernota aan het bestuur. 3. Het bestuur stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de kadernota schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze als bedoeld in het tweede lid alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Het bestuur stelt de kadernota vóór 15 maart vast. 5. Het bestuur geeft in het besluit tot vaststelling van de kadernota aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. 6.
Het bestuur zendt het vaststellingsbesluit en de kadernota aan de gemeenteraden, binnen twee weken na de vaststelling als bedoeld in het vierde lid. Artikel 18 – Begroting 1. Het bestuur biedt uiterlijk 15 april de conceptbegroting aan de gemeenteraden aan voor zienswijze (T-1). 2. De gemeenteraden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de conceptbegroting aan het bestuur. 3. Het bestuur stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting vóór 15 juli (T-1) schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze als bedoeld in het tweede lid alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. Het bestuur geeft in het vaststellingsbesluit aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. 5. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september, aan de gemeenteraden, waarbij laatstgenoemden ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Artikel 19 – Begrotingswijzigingen 1.
Het bestuur biedt uiterlijk veertien weken voorafgaande aan het vaststellen van een begrotingswijziging, de gemeenteraden de conceptbegrotingswijziging aan voor zienswijze, tenzij sprake is van een begrotingswijziging die voor de gemeenten administratief budgettair neutraal is. 2. De gemeenteraden geven uiterlijk vier weken voorafgaande aan het vaststellen van een begrotingswijziging hun zienswijze over de conceptbegrotingswijziging aan het bestuur. 3. Het bestuur stelt de gemeenteraden uiterlijk twee weken voorafgaande aan het vaststellen van de begrotingswijziging schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze als bedoeld in het tweede lid alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Het bestuur geeft in het besluit tot vaststelling van de begrotingswijziging aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. Artikel 20 – Jaarrekening 1. Het bestuur stuurt uiterlijk 15 april de voorlopige jaarrekening van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient aan de gemeenteraden toe (T). 2. De gemeenteraden kunnen op de concept bestemming van het rekeningresultaat hun zienswijze kenbaar maken aan het bestuur. 3. De gemeenteraden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de concept bestemming van het rekeningresultaat aan het bestuur. 8 Versie 31 augustus 2026 4.
Het bestuur stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de jaarrekening schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze als bedoeld in het tweede en derde lid alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het bestuur geeft in het besluit aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. 6. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedeputeerde staten van Noord-Holland en aan de gemeenteraden. 7. Uiterlijk 15 juli na afloop van het boekjaar stelt het bestuur een jaarverslag vast van de door het bestuur verrichte werkzaamheden. Dit jaarverslag wordt ter kennis toegezonden aan de gemeenteraden. Artikel 21 – Verdeling van de kosten 1. De lasten van de samenwerkingsorganisatie worden gedekt door: a. bijdragen van de gemeenten ten behoeve van de uitvoering van de taken en werkzaamheden die op grond van artikel 4 aan de samenwerkingsorganisatie zijn opgedragen; b. overige inkomsten. 2. De bijdragen als bedoeld in het eerste lid, onder a, bestaan uit: a.
een bijdrage in de algemene kosten van de samenwerkingsorganisatie, die wordt vastgesteld naar rato van de inwoneraantallen van de gemeenten, en; b. een bijdrage in de kosten die rechtstreeks samenhangen met de uitvoering van op grond van artikel 4 opgedragen taken die niet voor alle gemeenten worden uitgevoerd. Deze kosten komen uitsluitend voor rekening van de gemeenten voor wie de betreffende taken worden uitgevoerd en worden naar rato van hun inwoneraantallen verdeeld. 3. Voor de toepassing van het tweede lid worden de inwoneraantallen gebaseerd op de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde inwoneraantallen per 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient. 4. Betaling van de bijdragen als bedoeld in het eerste lid, onder a, zal bij wijze van voorschot plaatsvinden in halfjaarlijkse gelijke termijnen, waarbij de voorschotbedragen voortvloeien uit de voor het desbetreffende jaar vastgestelde begroting. De halfjaarlijkse termijnen worden uitbetaald in januari en juli. 5. Op basis van de, overeenkomstig artikel 20, vastgestelde jaarrekening zal de daadwerkelijk verschuldigde bijdrage als bedoeld in het eerste lid, onder a, per gemeente worden vastgesteld. 6.
Verrekening van het verschil tussen het op grond van het vierde lid betaalde voorschot en de op grond van het vijfde lid daadwerkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats binnen vier weken na de mededeling aan de gemeenteraden over de vaststelling van de jaarrekening door het bestuur. 7. Indien een gemeente gelden ontvangt vanuit een Algemene of Specifieke Uitkering die bestemd zijn voor de uitvoering van op grond van artikel 4 aan de samenwerkingsorganisatie opgedragen taken of werkzaamheden, stellen het bestuur en de betreffende gemeente gezamenlijk en in redelijkheid vast welk bedrag aan de samenwerkingsorganisatie beschikbaar wordt gesteld. Dit bedrag wordt aangemerkt als overige inkomsten als bedoeld in het eerste lid, onder b. De gemeente betaalt dit bedrag binnen vier weken na ontvangst van de betreffende gelden aan de samenwerkingsorganisatie. 9 Versie 31 augustus 2026 8. De samenwerkingsorganisatie verleent aan een gemeente als bedoeld in het vorige lid alle benodigde medewerking ten behoeve van de SISA-verantwoording van aan haar betaalde bedragen vanuit een Specifieke Uitkering. De samenwerkingsorganisatie betaalt, bij een terugbetalingsverplichting aan de uitkerende instelling, (een deel van) deze bedragen, op diens verzoek, tijdig terug aan de gemeente, zodat de gemeente aan haar verplichtingen jegens de uitkerende instelling kan voldoen. 9.
In geval van een overschot op een bijdrage vanuit een Algemene Uitkering of Specifieke Uitkering, die niet via SISA wordt afgerekend, wordt dit overschot in de jaarrekening verwerkt. 10.Voor zover het bestuur heeft besloten onder voorwaarden plustaken te verrichten als bedoeld in artikel 4 achtste lid, betreffen de daarvoor aan de samenwerkingsorganisatie te betalen vergoedingen overige inkomsten als bedoeld in het eerste lid, onder b. 11.De voorwaarden waar plustaken onder worden verricht, worden vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst met de betreffende gemeente(n) en behelzen in elk geval de vergoeding van de kosten voor en de duur van de uitvoering van de betreffende plustaken. 12.De gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de samenwerkingsorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 13.Bij het aangaan van verplichtingen houdt de samenwerkingsorganisatie rekening met de financiële kaders van de deelnemende gemeenten en, voor zover relevant, met voorzienbare wijzigingen in de rijksmiddelen die voor de uitvoering van de opgedragen taken beschikbaar zijn. Hoofdstuk 6 Archief Artikel 22 – Archiefzorg en beheer 1. Het bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het bestuursorgaan van de samenwerkingsorganisatie. 2.
De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van het bestuursorgaan van de samenwerkingsorganisatie, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Bij de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden van de samenwerkingsorganisatie wordt, voor zover van toepassing, aangesloten bij de binnen Noord-Holland Noord geldende regionale afspraken over archief- en informatiebeheer. 4. Het bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van het bestuursorgaan van de samenwerkingsorganisatie, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 5. Persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk. De daarvoor geldende termijnen en criteria worden door het bestuur vastgelegd en toegepast. Artikel 23 – Archiefbewaarplaats, toezicht en verantwoording 1. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van het bestuursorgaan van de samenwerkingsorganisatie wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. 2. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van het bestuursorgaan van de samenwerkingsorganisatie, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. 3.
De archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar brengt tweejaarlijks aan het bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van het 10 Versie 31 augustus 2026 bestuursorgaan van de samenwerkingsorganisatie, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 4. Het bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan de colleges over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van het bestuursorgaan van de samenwerkingsorganisatie. Artikel 24 – Terbeschikkingstelling 1. De colleges stellen aan het bestuur de archiefbescheiden beschikbaar die nodig zijn voor de uitvoering van de op grond van artikel 4 opgedragen taken en de daarvoor overeenkomstig artikel 5 belegde bevoegdheden. 2. De colleges stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. Artikel 25 – Beheer archiefbescheiden uit te voeren taken 1. De colleges besteden het beheer van de archiefbescheiden, ontvangen en opgemaakt als gevolg van de uit te voeren taken, uit aan de samenwerkingsorganisatie. 2.
Voor de uitvoering van het beheer als bedoeld in het vorige lid, dragen de colleges de bevoegdheden voortvloeiende uit de Archiefwet, het Archiefbesluit en de Archiefregeling over aan het bestuur. Hoofdstuk 7 Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Artikel 26 – Wijziging 1. Een college alsmede het bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging van deze regeling. 2. Wijziging van deze regeling kan geschieden indien de colleges hiertoe unaniem besluiten. 3. Als het voorstel uitgaat van het bestuur zendt het bestuur het voorstel aan de colleges, die binnen twaalf maanden na ontvangst van dit voorstel een besluit nemen en dit terstond aan het bestuur meedelen. 4. Als het voorstel uitgaat van één of meer colleges zendt/zenden dit/deze college/colleges het voorstel aan het bestuur. Het bestuur doet het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen drie maanden aan de colleges toekomen, waarna verder wordt gehandeld als omschreven in het tweede en derde lid. 5. De colleges besluiten niet tot wijziging dan nadat zij ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Wgr toestemming hebben gekregen van hun gemeenteraden. 6. Het bestuur stelt de colleges in kennis van de aanvaarding, verwerping en de eventuele goedkeuring van de in dit artikel bedoelde voorstellen. 7. De wijziging wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt. 8. De wijziging bepaalt wanneer deze in werking treedt.
Artikel 27 – Toetreding Toetreding tot deze regeling is, zonder wijziging van deze regeling, niet mogelijk. Artikel 28 – Uittreding 1. Gedurende een termijn van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot deze regeling, is uittreding niet mogelijk. 2. Een college kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de gemeenteraad en het college. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het bestuur de betreffende besluiten heeft 11 Versie 31 augustus 2026 ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien het college slechts een deel van de door de samenwerkingsorganisatie ten behoeve van dit college uitgevoerde taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 4, wenst terug te nemen. 3. Gehele of gedeeltelijke uittreding is niet mogelijk voor zover deze ertoe leidt dat een deelnemende gemeente niet langer voldoet aan de verplichting op grond van de Jeugdwet om deel te nemen aan deze Jeugdregio en de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.19 van de Jeugdwet door deze Jeugdregio te laten uitvoeren. 4. Het bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een college aan de gemeenteraden en de colleges van de overige gemeenten. 5.
Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 6. Na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde besluiten, komen het uittredende college en het bestuur, uiterlijk zes maanden voor de datum van uittreding, een conceptuittredingsregeling overeen, welke door de colleges wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende gemeente en die van de achterblijvende gemeenten op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen. In de conceptuittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd en de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende gemeente opgenomen. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de conceptuittredingsregeling. 7.
Indien het bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van het college de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in deze regeling redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de colleges een voorstel tot opheffing van deze regeling als bedoeld in artikel 29. 8. Het bestuur en het uittredende college zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor de samenwerkingsorganisatie en de uittredende gemeente zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 9. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende gemeente de reële schade van de samenwerkingsorganisatie én de overblijvende gemeenten dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van vijf jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 10.De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in het negende lid wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vaststaat dat deze zich zullen voordoen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende gemeente naar rato wordt vastgesteld.
11.De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in het negende lid genoemde afbouwperiode. 12.Bij de vaststelling van de uittreedsom vindt verrekening van het aandeel van de uittredende gemeente in de algemene reserve plaats overeenkomstig dit lid. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende gemeente in de algemene reserve van de samenwerkingsorganisatie op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het 12 Versie 31 augustus 2026 aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van de bijdrage die de uittredende gemeente verschuldigd is als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder a en de kosten die de uittredende gemeente verschuldigd is op basis van een eventuele plustaak als bedoeld in artikel 4, achtste lid, voor zover het gaat om een plustaak met een looptijd van meer dan twaalf maanden. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze.
13.Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van het college, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa. 14.De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende gemeente. 15.Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in het negende lid genoemde afbouwperiode. 16.De desintegratiekosten die direct aan de uittredende gemeente kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende gemeente voor de duur van maximaal vijf jaar.
Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende gemeente kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etcetera komen naar rato van de algemene bijdrage die de uittredende gemeente verschuldigd is als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder a, en de kosten die de uittredende gemeente verschuldigd is op basis van een eventuele plustaak als bedoeld in artikel 4, achtste lid, voor zover het gaat om een plustaak met een looptijd van meer dan twaalf maanden, voor rekening van de uittredende gemeente bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 17.De accountant van de samenwerkingsorganisatie verstrekt de voor de berekening van de kosten als bedoeld in het dertiende tot en met het zestiende lid benodigde financiële gegevens, gebaseerd op de jaarrekeningen over de drie jaren voorafgaand aan de datum van uittreding, en beoordeelt de juistheid en volledigheid van deze gegevens. De beoordeling van de kosten van uittreding wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding.
18.Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom vragen het uittredende college en het bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De onafhankelijke externe deskundige bepaalt, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel en mede op basis van de in het zeventiende lid bedoelde financiële gegevens, de hoogte van de uittreedsom. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende gemeente. 19.Indien het bestuur en het uittredende college binnen zes weken geen overeenstemming bereiken over de benoeming van de onafhankelijke externe deskundige, benoemen het bestuur en het uittredende college ieder één onafhankelijke deskundige. De aldus benoemde deskundigen wijzen gezamenlijk een derde onafhankelijke deskundige aan, die als deskundige als bedoeld in het achttiende lid optreedt. 20.Indien het bestuur en het uittredende college geen overeenstemming bereiken over de inhoud van de conceptuittredingsregeling, legt ieder van hen zijn standpunt voor aan de onafhankelijke externe deskundige. Voor zover het geschil betrekking heeft op de hoogte of berekening van de uittreedsom, beslist de onafhankelijke externe deskundige daarover bij bindend advies.
13 Versie 31 augustus 2026 21.Het bestuur stelt, met inachtneming van een eventueel bindend advies als bedoeld in het twintigste lid, de conceptuittredingsregeling vast en stuurt deze aan de colleges ter besluitvorming. Het uittredende college neemt niet deel aan de besluitvorming over de eigen uittredingsregeling. De uittredingsregeling is vastgesteld indien alle overige colleges daarmee instemmen. 22.Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende gemeente gehouden al haar verplichtingen na te komen. 23.De uittreedsom dient binnen een termijn van zes maanden na vaststelling als bedoeld in het eenentwintigste lid door de uittredende gemeente te zijn voldaan. Artikel 29 – Opheffing 1. Deze regeling kan op voorstel van het bestuur worden opgeheven door een daartoe strekkend unaniem besluit van de colleges, na toestemming van hun gemeenteraden. 2. Het bestuur stelt, na de colleges te hebben gehoord, een liquidatieplan vast om tot opheffing van de samenwerkingsorganisatie te komen. Hierbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. 3.
Bij ontbinding van de samenwerkingsorganisatie in verband met opheffing van deze regeling of anderszins, blijft de samenwerkingsorganisatie voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. Hoofdstuk 8 Privacy, gegevensbescherming en informatiebeveiliging Artikel 30 – Privacy, gegevensbescherming en informatiebeveiliging 1. De colleges en de samenwerkingsorganisatie dragen ieder, voor zover het hun eigen taken, bevoegdheden en verwerkingen betreft, zorg voor de naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming, de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, de Cyberbeveiligingswet en overige toepasselijke wet- en regelgeving op het gebied van privacy, gegevensbescherming en informatiebeveiliging. 2. Persoonsgegevens worden in het kader van deze regeling uitsluitend verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij of krachtens deze regeling opgedragen taken en daarvoor een rechtmatige grondslag bestaat. Indien sprake is van bijzondere categorieën van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, worden deze uitsluitend verwerkt voor zover aan de daarvoor geldende aanvullende voorwaarden is voldaan. 3. De samenwerkingsorganisatie treft passende technische en organisatorische maatregelen ter bescherming van persoonsgegevens.
Daarbij wordt, voor zover van toepassing, aangesloten bij de voor de deelnemende gemeenten geldende normen voor informatiebeveiliging. 4. De samenwerkingsorganisatie draagt, voor zover zij persoonsgegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van haar taken, zorg voor een zorgvuldige signalering, registratie en afhandeling van verzoeken van betrokkenen en van inbreuken in verband met persoonsgegevens. Zij stemt hierover tijdig af met het verantwoordelijke college of de verantwoordelijke colleges. 5. De Functionaris Gegevensbescherming van de betrokken deelnemende gemeente of gemeenten wordt tijdig betrokken bij aangelegenheden die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens. Indien de samenwerkingsorganisatie beschikt 14 Versie 31 augustus 2026 over een eigen Functionaris Gegevensbescherming, worden de taken en afstemmingsafspraken tussen de betrokken Functionarissen Gegevensbescherming schriftelijk vastgelegd. Artikel 31 - Rolverdeling bij verwerking van persoonsgegevens 1. De colleges en de samenwerkingsorganisatie leggen schriftelijk vast in welke hoedanigheid zij bij de verwerking van persoonsgegevens optreden, waaronder als zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. 2.
Indien de samenwerkingsorganisatie persoonsgegevens verwerkt ten behoeve van een of meer deelnemende gemeenten en daarbij optreedt als verwerker, worden hierover passende schriftelijke afspraken gemaakt. Indien de Algemene verordening gegevensbescherming daartoe verplicht, wordt een verwerkersovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming. 3. Indien twee of meer colleges en/of de samenwerkingsorganisatie gezamenlijk de doeleinden van en de middelen voor een verwerking van persoonsgegevens bepalen, treden zij op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken als bedoeld in artikel 26 van de Algemene verordening gegevensbescherming. 4. In het geval als bedoeld in het derde lid leggen de betrokken partijen in een onderlinge regeling op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden vast. Deze regeling heeft in ieder geval betrekking op de uitoefening van rechten van betrokkenen, de informatieverstrekking aan betrokkenen, de beveiliging van persoonsgegevens, de afhandeling van datalekken en de onderlinge afstemming over verwerkingsdocumentatie. 5. De wezenlijke inhoud van de in het vierde lid bedoelde regeling wordt aan betrokkenen beschikbaar gesteld.
Onverminderd de gemaakte onderlinge afspraken kunnen betrokkenen hun rechten uit hoofde van de Algemene verordening gegevensbescherming uitoefenen jegens iedere gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke. Hoofdstuk 9 Overige bepalingen Artikel 32 – Evaluatiebepaling 1. Deze regeling wordt ten minste eenmaal per vier jaar geëvalueerd. De eerste evaluatie vindt plaats vóór 1 januari 2030. 2. De colleges bepalen bij meerderheid van stemmen welke onderwerpen in de evaluatie worden betrokken. 3. Het bestuur informeert de colleges uiterlijk één jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie plaatsvindt over de voorgenomen evaluatie en het proces voor het aandragen en vaststellen van de onderwerpen die in de evaluatie worden betrokken. 4. Het bestuur draagt zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 5. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de gemeenten tot gevolg heeft. 6. Het bestuur bepaalt voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie of en, zo ja, op welke wijze ingezetenen en belanghebbenden bij de evaluatie worden betrokken. 7. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het bestuur in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven.
15 Versie 31 augustus 2026 8. De gevolgen als bedoeld in het vorige lid kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daaropvolgende evaluatieperiode. Artikel 33 – Overgangsrecht bestaande overeenkomsten 1. De taken en werkzaamheden die de colleges op grond van artikel 2.19 van de Jeugdwet verplicht door de Jeugdregio moeten laten uitvoeren, zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling volledig aan de samenwerkingsorganisatie opgedragen overeenkomstig artikel 4, eerste lid, onder a. 2. In afwijking van de feitelijke uitvoering van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden kunnen overeenkomsten die vóór 1 januari 2027 rechtsgeldig zijn gesloten en waarop het overgangsrecht van artikel VIII van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg van toepassing is, gedurende hun bestaande overeengekomen looptijd worden uitgediend overeenkomstig dat overgangsrecht. 3. Het bestaan of voortduren van een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid doet niet af aan de taakopdracht aan de samenwerkingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid. Het betrokken college en het bestuur maken tijdig afspraken over de overgang van de feitelijke uitvoering naar regionale contractering of subsidiëring door de Jeugdregio. 4.
Het tweede lid biedt geen grondslag voor verlenging, uitbreiding of wijziging van een bestaande overeenkomst, voor zover deze niet onder het wettelijke overgangsrecht valt. Artikel 34 – Slotbepaling 1. In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het bestuur, voor zover de aard van het onderwerp zich daartegen niet verzet en de bevoegdheid niet op grond van deze regeling of de wet aan een ander bestuursorgaan toekomt. 2. Deze regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. 3. Deze regeling treedt, na haar bekendmaking, in werking op 1 januari 2027. 4. De in artikel 26 van de Wgr voorgeschreven bekendmaking van deze regeling zal geschieden door de zorg van het college van de gemeente Den Helder. 5. Deze regeling kan worden aangehaald als "Gemeenschappelijke Regeling Samenwerkingsorganisatie regio Kop van NH". Aldus vastgesteld door: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, met toestemming van de gemeenteraad van [datum], in zijn vergadering van [datum], ………………………. ………………………. burgemeester, secretaris, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, met toestemming van de gemeenteraad van [datum], in zijn vergadering van [datum], ………………………. ……………………….
burgemeester, secretaris, 16 Versie 31 augustus 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, met toestemming van de gemeenteraad van [datum], in zijn vergadering van [datum], ………………………. ………………………. burgemeester, secretaris, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, met toestemming van de gemeenteraad van [datum], in zijn vergadering van [datum], ………………………. ………………………. burgemeester, secretaris, 17 Versie 31 augustus 2026 TOELICHTING OP DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SAMENWERKINGSORGANISATIE REGIO KOP VAN NOORD- HOLLAND Algemene toelichting Met de invoering van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg is de Jeugdwet gewijzigd. Daarmee zijn de colleges van de gemeenten in de Kop van Noord-Holland verplicht om een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen te treffen. Deze regeling moet ertoe bijdragen dat er een toereikend aanbod beschikbaar is van vormen van jeugdhulp en van gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. De wettelijke verplichting om een Jeugdregio in te stellen vormt de directe aanleiding voor deze regeling.
De keuze om de regeling niet te beperken tot uitsluitend deze wettelijke verplichting, maar ook ruimte te bieden voor bredere regionale samenwerking binnen het sociaal domein, sluit aan bij de Regiovisie Sociaal Domein Kop van Noord-Holland 2024- 2029. In die regiovisie hebben de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon, Schagen en Texel vastgelegd dat de opgaven binnen het sociaal domein niet alleen de afzonderlijke wettelijke domeinen Jeugd, Wmo en Participatie overstijgen, maar ook de gemeentegrenzen. Vraagstukken zoals passende en tijdige ondersteuning, vergrijzing, druk op het sociaal domein, personeelstekorten, bestaanszekerheid, preventie en de beschikbaarheid van specialistische hulp vragen om een gezamenlijke regionale aanpak. Met deze gemeenschappelijke regeling wordt de Samenwerkingsorganisatie regio Kop van Noord-Holland ingesteld als samenwerkingsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De samenwerkingsorganisatie wordt tevens aangewezen als Jeugdregio Kop van Noord-Holland. De keuze voor een samenwerkingsorganisatie sluit aan bij het uitgangspunt dat de beleidsmatige bevoegdheden bij de deelnemende gemeenten blijven. De samenwerkingsorganisatie voert taken uit en ondersteunt de regionale samenwerking, maar neemt de beleidsmatige besluitvorming van de afzonderlijke gemeenten niet over.
De samenwerkingsorganisatie verricht primair werkzaamheden binnen het sociaal domein. Artikel 4 maakt daarbij onderscheid tussen de taken die de colleges op grond van artikel 2.19 van de Jeugdwet verplicht door de Jeugdregio moeten laten uitvoeren, overige taken binnen Jeugd, Wmo en Participatie die bij unaniem besluit van de colleges aan de samenwerkingsorganisatie zijn opgedragen, de werkzaamheden die de samenwerkingsorganisatie ter uitvoering van die taken verricht, de verdere doorontwikkeling van de regionale samenwerking en plustaken die één of meer gemeenten afzonderlijk kunnen afnemen. Voor de overige taken binnen Jeugd, Wmo en Participatie kan de omvang van het opgedragen takenpakket per gemeente verschillen. Bij het besluit tot opdrachtverlening wordt bepaald welke taken worden opgedragen en voor welke deelnemende gemeenten de samenwerkingsorganisatie deze uitvoert. Dit laat de gezamenlijke ambitie onverlet om de regionale samenwerking binnen Jeugd, Wmo en Participatie verder te ontwikkelen. Uitbreiding of wijziging van het reguliere takenpakket vindt uitsluitend plaats bij unaniem besluit van de colleges. De taakopdracht aan de samenwerkingsorganisatie moet worden onderscheiden van de bevoegdheden die voor de uitvoering van die taken nodig zijn. Waar delegatie, mandaat, volmacht of machtiging noodzakelijk is, worden daarvoor afzonderlijke besluiten genomen.
18 Versie 31 augustus 2026 De taakopdracht in deze regeling vormt op zichzelf geen besluit tot delegatie, mandaat, volmacht of machtiging. Artikelsgewijze toelichting Artikel 4 – Taken Artikel 4 is het centrale artikel over de taken van de samenwerkingsorganisatie. Het artikel maakt onderscheid tussen de wettelijk verplichte taken van de Jeugdregio, overige gezamenlijk opgedragen taken binnen Jeugd, Wmo en Participatie, de werkzaamheden die ter uitvoering daarvan worden verricht, de verdere ontwikkeling van de regionale samenwerking en plustaken. Daarmee wordt tevens ruimte geboden voor een gedifferentieerd takenpakket per gemeente, zonder de gezamenlijke ambitie voor verdere regionale samenwerking los te laten. Lid 1 – Opgedragen taken binnen het sociaal domein Het eerste lid bevat de taken die de samenwerkingsorganisatie binnen het sociaal domein uitvoert. Het eerste lid, onder a, borgt dat de samenwerkingsorganisatie als Jeugdregio wordt belast met het volledige pakket aan werkzaamheden dat op grond van artikel 2.19, eerste lid, van de Jeugdwet verplicht regionaal moet worden uitgevoerd.
Om buiten twijfel te stellen dat de taakopdracht zich tot alle wettelijk verplichte onderdelen uitstrekt, zijn de regionale contractering of subsidiëring, de aangewezen administratieve processen, de vereiste bovenregionale afstemming en het organiseren van het regionale expertteam expliciet benoemd. De opsomming is niet limitatief. Onder b gaat het om overige taken binnen Jeugd, Wmo en Participatie die bij unaniem besluit van de colleges aan de samenwerkingsorganisatie worden opgedragen. In dat besluit wordt bepaald welke taken worden opgedragen en voor welke deelnemende gemeenten de samenwerkingsorganisatie deze uitvoert. Daarmee kan de omvang van het takenpakket per gemeente verschillen. Bij aanvang van de regeling wordt bij de opdrachtverlening voortgebouwd op de bestaande regionale samenwerking. De regeling beperkt de opdrachtverlening echter niet tot taken die vóór de inwerkingtreding al regionaal werden uitgevoerd; ook latere uitbreiding of wijziging is mogelijk overeenkomstig de volgende leden. De opdracht van een taak aan de samenwerkingsorganisatie moet worden onderscheiden van de bevoegdheden die voor de uitvoering van die taak nodig zijn. Voor zover daarvoor delegatie, mandaat, volmacht of machtiging noodzakelijk is, worden afzonderlijke bevoegdhedenbesluiten genomen.
De taakopdracht op grond van dit artikel brengt deze bevoegdheidsoverdracht of -verlening niet zelfstandig tot stand. Lid 2 – Regiovisie Het tweede lid bevat de wettelijke randvoorwaarden voor de uitvoering van de in het eerste lid, onder a, bedoelde Jeugdregio taken. De Jeugdregio voert deze taken uit met inachtneming van de regiovisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Jeugdwet. Bij de regionale contractering of subsidiëring worden voor de deelnemende gemeenten gelijkluidende contract- en subsidievoorwaarden gehanteerd overeenkomstig artikel 2.19 van de Jeugdwet. Hiermee wordt geborgd dat de regionale uitvoering aansluit bij de wettelijke eisen die aan de Jeugdregio worden gesteld. Lid 3 – Werkzaamheden ter uitvoering van de opgedragen taken Het derde lid verduidelijkt welke werkzaamheden de samenwerkingsorganisatie ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde taken kan verrichten. Welke werkzaamheden daadwerkelijk worden uitgevoerd, wordt per taak bepaald. Het kan onder meer gaan om regionaal 19 Versie 31 augustus 2026 opdrachtgeverschap, het bevorderen van beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit van ondersteuning en zorg, contracttoezicht, kwaliteitsmonitoring en handhaving voor zover opgedragen, gegevensverzameling, monitoring en managementinformatie en overige rechtstreeks met de opgedragen taken samenhangende uitvoerende en ondersteunende werkzaamheden.
Voor zover voor een concrete werkzaamheid een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke bevoegdheid nodig is, moet deze afzonderlijk rechtsgeldig bij de samenwerkingsorganisatie, het bestuur of een functionaris worden belegd. Lid 4 en 5 – Doorontwikkeling binnen Jeugd, Wmo en Participatie Het vierde lid legt de gezamenlijke inzet vast om de regionale samenwerking binnen Jeugd, Wmo en Participatie verder te ontwikkelen. De colleges voeren periodiek overleg over welke overige taken in de toekomst gezamenlijk door de samenwerkingsorganisatie kunnen worden uitgevoerd. Daarmee wordt de bredere regionale ambitie vastgelegd, zonder dat de overige taken reeds bij voorbaat verplicht aan de samenwerkingsorganisatie worden opgedragen. Op grond van het vijfde lid kunnen de colleges unaniem besluiten het in het eerste lid, onder b, bedoelde takenpakket uit te breiden of anderszins te wijzigen. Ook kunnen zij unaniem besluiten aanvullende werkzaamheden op het gebied van beleidsvoorbereiding en beleidsontwikkeling door de samenwerkingsorganisatie te laten verrichten. Beleidsmatige bevoegdheden blijven daarbij bij de deelnemende gemeenten, tenzij daarover overeenkomstig de wet en deze regeling anders wordt besloten.
Lid 6 – Uitbreiding naar andere beleidsterreinen Het zesde lid maakt het mogelijk de samenwerking bij unaniem besluit van de colleges uit te breiden naar andere gemeentelijke beleidsterreinen, waaronder het fysieke domein. Voor zover een dergelijke uitbreiding wijziging van de gemeenschappelijke regeling vereist of bevoegdheden dan wel besluitvorming van de gemeenteraden raakt, worden de daarvoor geldende besluitvormings- en toestemmingsprocedures gevolgd. Lid 7 – Regionale programma's en opgaven Het zevende lid maakt duidelijk dat de samenwerkingsorganisatie bij de uitvoering van haar opgedragen taken uitvoering kan geven aan gezamenlijke regionale programma's en aan landelijke, provinciale of regionale opgaven waarvoor de deelnemende gemeenten gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen. Dit lid vormt geen zelfstandige grondslag voor uitbreiding van het takenpakket; de werkzaamheden moeten passen binnen de taken die overeenkomstig dit artikel aan de samenwerkingsorganisatie zijn opgedragen. Lid 8 en 9 – Plustaken Het achtste lid biedt één of meer deelnemende gemeenten de mogelijkheid om de samenwerkingsorganisatie te verzoeken aanvullende werkzaamheden te verrichten op basis van een dienstverleningsovereenkomst. Deze plustaken moeten samenhangen met de in artikel 4 bedoelde taken en passen binnen het doel en de belangen van de regeling.