CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept ontwerpregeling GR, 20260831, _VDL

Gemeenteraad 21 september 2026, gemeente Den HelderBij agendapunt: 18: Voorstel over de zienswijze ontwerp Gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsorganisatie Regio Kop van Noord-Holland.11.432 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zij maken geen onderdeel uit van het reguliere gezamenlijk opgedragen takenpakket. Het bestuur stelt bij een besluit over plustaken in ieder geval voorwaarden vast over de aard en omvang van de werkzaamheden, de duur, de vergoeding van de integrale kosten, de benodigde capaciteit en de wijze waarop de werkzaamheden worden beëindigd. Deze afspraken worden uitgewerkt in een dienstverleningsovereenkomst met de betrokken gemeente of gemeenten. Lid 10 tot en met 12 – Uitvoeringsplan en nadere afspraken 20 Versie 31 augustus 2026 De laatste leden van artikel 4 regelen het uitvoeringsplan en de nadere afspraken over de uitvoering. De colleges en het bestuur stellen jaarlijks gezamenlijk een uitvoeringsplan vast voor de aan de samenwerkingsorganisatie opgedragen taken. Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval de uit te voeren werkzaamheden, de beoogde resultaten, de benodigde capaciteit en de financiële middelen die voor de uitvoering beschikbaar worden gesteld. Het uitvoeringsplan ziet op het geheel van de door de samenwerkingsorganisatie uit te voeren taken en werkzaamheden, ongeacht de grondslag waarop deze zijn opgedragen. Daarnaast leggen de samenwerkingsorganisatie en de deelnemende gemeenten nadere afspraken over de uitvoering van de opgedragen taken vast.

Daarbij kan worden gedacht aan afspraken over kwaliteit, kosten, capaciteit, bekostiging, informatievoorziening en verantwoording. Deze afspraken kunnen worden uitgewerkt in een servicelevel agreement of een vergelijkbaar sturingsinstrument. Het uitvoeringsplan en de nadere afspraken vormen samen het praktische kader waarbinnen de samenwerkingsorganisatie haar werkzaamheden verricht. Artikel 5 – Bevoegdheden ten behoeve van de taakuitvoering Het opdragen van een taak aan de samenwerkingsorganisatie brengt niet zonder meer mee dat daarmee ook de voor de uitvoering benodigde publiekrechtelijke en privaatrechtelijke bevoegdheden bij de samenwerkingsorganisatie zijn belegd. Afhankelijk van de aard van de taak kunnen daarvoor afzonderlijke delegatie-, mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluiten noodzakelijk zijn. De regeling borgt daarom dat de uitvoering van een opgedragen taak pas kan aanvangen nadat de daarvoor noodzakelijke bevoegdhedenbesluiten in werking zijn getreden. Deze besluiten moeten onderling samenhangen en aansluiten bij de in artikel 4 opgenomen taakverdeling. Om dit te bewaken wordt een actueel overzicht van de benodigde en verleende bevoegdheden bijgehouden. Bij iedere wijziging van het takenpakket wordt tevens beoordeeld of wijziging of aanvulling van de bevoegdhedenbesluiten noodzakelijk is. Artikel 6 – Het bestuur Het bestuur bestaat uit vier leden.

Ieder college wijst uit zijn midden één lid aan als vertegenwoordiger in het bestuur. Daarmee zijn alle deelnemende gemeenten gelijkwaardig vertegenwoordigd. Ieder college kan daarnaast een plaatsvervangend lid aanwijzen. Het plaatsvervangend lid treedt op bij afwezigheid of verhindering van het bestuurslid. Artikel 7 – Werkwijze Het bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en verder zo vaak als nodig is. Elk bestuurslid heeft één stem. Uitgangspunt is dat besluiten unaniem worden genomen in een vergadering waarin alle bestuursleden aanwezig zijn. Daarmee wordt recht gedaan aan het karakter van de samenwerking tussen vier deelnemende gemeenten. Indien geen besluit kan worden genomen omdat niet alle leden aanwezig zijn, kan het voorstel in een volgende vergadering opnieuw aan de orde komen. In dat geval kan besluitvorming plaatsvinden overeenkomstig de in de regeling opgenomen stemverhouding. Deze bepaling voorkomt dat noodzakelijke besluitvorming uitsluitend door afwezigheid van één of meer leden langdurig wordt geblokkeerd. Artikel 8 – De voorzitter De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden door het bestuur uit zijn midden aangewezen voor een periode van maximaal vier jaar. De voorzitter is niet herbenoembaar voor een 21 Versie 31 augustus 2026 aansluitende termijn. Hiermee wordt bevorderd dat het voorzitterschap tussen de deelnemende gemeenten kan rouleren.

Artikel 9 – Taken en bevoegdheden voorzitter De voorzitter leidt de vergaderingen van het bestuur, ondertekent samen met de secretaris de stukken die van het bestuur uitgaan en vertegenwoordigt de samenwerkingsorganisatie in en buiten rechte. Artikel 10 – Bijzondere bevoegdheden van het bestuur Artikel 10 regelt de bevoegdheid van het bestuur om te besluiten tot oprichting van of deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen, indien dat aangewezen is voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang en past binnen het doel en de belangen van de regeling. Voordat een dergelijk besluit wordt genomen, worden de gemeenteraden in de gelegenheid gesteld wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Artikel 11 – Verantwoordings- en informatieplicht Artikel 11 regelt de verantwoordings- en informatieplicht van bestuursleden en van het bestuur. Een bestuurslid verstrekt inlichtingen aan het college dat hem heeft aangewezen en aan de gemeenteraad van die gemeente. Ook legt het bestuurslid verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Daarnaast verstrekt het bestuur de gemeenteraden en colleges de inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Daarbij geldt dat informatie tijdig, op hoofdlijnen en op passende wijze wordt verstrekt, tenzij specifieke omstandigheden om meer detail vragen.

Artikel 12 – Secretaris De directeur wordt aangewezen als ambtelijk secretaris van het bestuur. De secretaris ondersteunt het bestuur en de voorzitter, bereidt vergaderingen voor, draagt zorg voor agendering en verslaglegging en bewaakt de uitvoering van de besluitvorming. Artikel 13 – Inrichting ambtelijke organisatie en directeur De samenwerkingsorganisatie heeft een ambtelijke organisatie met aan het hoofd één directeur. De directeur is belast met de dagelijkse leiding en met de zorg voor een juiste taakvervulling van de samenwerkingsorganisatie, onder verantwoordelijkheid van het bestuur. Het bestuur legt de structuur en werkwijze van de ambtelijke organisatie schriftelijk vast en regelt de benoeming, schorsing, ontslag en vervanging van de directeur. Artikel 14 – Personeelsleden Het bestuur is bevoegd personeelsleden in dienst te nemen. Deze bevoegdheid kan geheel of gedeeltelijk worden gemandateerd aan de directeur. Op de personeelsleden is de CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties van toepassing, tenzij het bestuur daarvan voor zover van belang voor de taken van de samenwerkingsorganisatie afwijkt. Artikel 15 – Financieel beheer Het bestuur stelt regels vast voor het financiële beleid, het financiële beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop.

Daarbij zijn de relevante bepalingen uit de Gemeentewet, het Besluit begroting en verantwoording en de Wet financiering decentrale overheden van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de Wgr niet is afgeweken. Artikel 16 – Boekjaar 22 Versie 31 augustus 2026 Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 17 – Kadernota De kadernota bevat de financiële en beleidsmatige uitgangspunten voor de begroting. De gemeenteraden krijgen de gelegenheid om een zienswijze op de kadernota naar voren te brengen. Het bestuur betrekt deze zienswijzen bij de vaststelling van de kadernota. Artikel 18 – Begroting Artikel 18 regelt de procedure voor de begroting. De gemeenteraden krijgen de gelegenheid een zienswijze op de conceptbegroting te geven. Het bestuur stelt de begroting vast en motiveert hoe met de ingediende zienswijzen is omgegaan. Artikel 19 – Begrotingswijzigingen Voor begrotingswijzigingen geldt eveneens een zienswijzeprocedure, tenzij sprake is van een begrotingswijziging die voor de gemeenten administratief budgettair neutraal is. Artikel 20 – Jaarrekening De jaarrekening wordt jaarlijks vastgesteld door het bestuur. De gemeenteraden kunnen een zienswijze geven op de conceptbestemming van het rekeningresultaat. Het bestuur betrekt deze zienswijzen bij de vaststelling van de jaarrekening.

Artikel 21 – Verdeling van de kosten Artikel 21 regelt hoe de lasten van de samenwerkingsorganisatie worden gedekt. De lasten worden onder meer gedekt door algemene bijdragen van de gemeenten, bijdragen vanuit algemene of specifieke uitkeringen en overige inkomsten. De algemene bijdragen bestaan uit een bijdrage in de algemene kosten van de samenwerkingsorganisatie en, waar van toepassing, een bijdrage in de kosten die rechtstreeks samenhangen met taken die niet voor alle gemeenten worden uitgevoerd. De bijdrage in de algemene kosten wordt vastgesteld naar rato van de inwoneraantallen van alle deelnemende gemeenten. Kosten die rechtstreeks samenhangen met taken die niet voor alle gemeenten worden uitgevoerd, komen uitsluitend voor rekening van de gemeenten voor wie deze taken worden uitgevoerd. Ook deze kosten worden binnen de groep van deelnemende gemeenten naar rato van hun inwoneraantallen verdeeld. Hiermee blijft inwonertal de algemene verdeelsleutel, terwijl wordt voorkomen dat een gemeente bijdraagt aan een reguliere taak die de samenwerkingsorganisatie niet voor die gemeente uitvoert.

Voor gelden die een gemeente ontvangt vanuit een algemene of specifieke uitkering ten behoeve van de uitvoering van taken van de samenwerkingsorganisatie, stellen het bestuur en de betreffende gemeente gezamenlijk en in redelijkheid vast welk bedrag als bijdrage aan de samenwerkingsorganisatie wordt betaald. Vergoedingen voor plustaken worden aangemerkt als overige inkomsten. De voorwaarden waaronder plustaken worden verricht, worden vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst met de betreffende gemeente of gemeenten. Daarbij worden in ieder geval afspraken gemaakt over de vergoeding van de kosten en de duur van de uitvoering. De kostenverdeling tijdens een overgangsperiode waarin bestaande overeenkomsten op grond van het wettelijke overgangsrecht nog worden uitgevoerd, kan nadere financiële afspraken vergen. Deze tijdelijke uitwerking laat de in dit artikel opgenomen structurele 23 Versie 31 augustus 2026 verdeelsystematiek onverlet en wordt, waar nodig, betrokken bij de afspraken over de overgang en de uitvoering. Bij het aangaan van verplichtingen dient de samenwerkingsorganisatie rekening te houden met de financiële kaders van de deelnemende gemeenten en met voorzienbare wijzigingen in relevante rijksmiddelen.

Deze bepaling laat de verplichting van de gemeenten om ervoor zorg te dragen dat de samenwerkingsorganisatie aan haar verplichtingen jegens derden kan voldoen onverlet. Artikel 22 – Archiefzorg en beheer Het bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het bestuursorgaan van de samenwerkingsorganisatie. De directeur is belast met het beheer van deze archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Artikel 23 – Archiefbewaarplaats, toezicht en verantwoording Voor de bewaring van over te brengen archiefbescheiden wordt de archiefbewaarplaats van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar aangewezen. De archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden die nog niet zijn overgebracht. Artikel 24 – Terbeschikkingstelling De colleges stellen aan het bestuur de archiefbescheiden beschikbaar die nodig zijn voor de uitvoering van de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 4. De periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer worden vastgelegd in een verklaring van terbeschikkingstelling. Artikel 25 – Beheer archiefbescheiden uit te voeren taken De colleges besteden het beheer van archiefbescheiden die worden ontvangen of opgemaakt als gevolg van de uit te voeren taken uit aan de samenwerkingsorganisatie.

Voor de uitvoering van dat beheer dragen zij de daarvoor benodigde bevoegdheden over aan het bestuur. Bij de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden wordt, voor zover van toepassing, aangesloten bij de binnen Noord-Holland Noord geldende regionale afspraken over archief- en informatiebeheer. Deze afspraken doen niet af aan de wettelijke verantwoorde Artikel 26 – Wijziging Artikel 26 regelt de procedure voor wijziging van de regeling. Een college en het bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging. Wijziging van de regeling kan plaatsvinden indien de colleges daartoe unaniem besluiten, nadat de gemeenteraden daarvoor toestemming hebben gegeven overeenkomstig de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 27 – Toetreding Toetreding tot de regeling is zonder wijziging van de regeling niet mogelijk. Artikel 28 – Uittreding De regeling gaat uit van duurzame samenwerking. Daarom is uittreding gedurende de eerste vier jaar niet mogelijk. Na afloop van die termijn kan een college geheel of gedeeltelijk uittreden. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien een college slechts een deel van de door de samenwerkingsorganisatie ten behoeve van dat college uitgevoerde taken en bevoegdheden of plustaken wenst terug te nemen.

24 Versie 31 augustus 2026 De mogelijkheid tot gehele of gedeeltelijke uittreding wordt begrensd door de wettelijke verplichtingen die gelden voor de Jeugdregio. Een deelnemende gemeente kan de werkzaamheden die op grond van artikel 2.19 van de Jeugdwet verplicht door een Jeugdregio moeten worden uitgevoerd niet door middel van gedeeltelijke uittreding terugnemen voor lokale uitvoering. Ook gehele uittreding is niet mogelijk indien de gemeente daardoor niet langer aan haar wettelijke verplichtingen ten aanzien van deelname aan een Jeugdregio en de regionale uitvoering van deze werkzaamheden voldoet. Deze bepaling staat niet in de weg aan een wijziging van de regionale indeling of aansluiting bij een andere Jeugdregio, voor zover dit overeenkomstig de Jeugdwet en de daarvoor geldende procedures plaatsvindt. Bij uittreding geldt als uitgangspunt dat de financiële gevolgen van die keuze niet worden afgewenteld op de achterblijvende gemeenten. Daarom bevat artikel 28 regels over de uittreedsom. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen frictiekosten en desintegratiekosten. Frictiekosten zijn incidentele kosten die rechtstreeks verband houden met de uittreding. Desintegratiekosten zijn kosten die ontstaan doordat capaciteit, verplichtingen of voorzieningen na uittreding niet direct kunnen worden afgebouwd.

De regeling bepaalt op welke wijze deze kosten worden toegerekend en vastgesteld. Bij uittreding vindt geen algemene afrekening van het vermogen van de samenwerkingsorganisatie plaats. Wel wordt bij de vaststelling van de uittreedsom het aandeel van de uittredende gemeente in een overschot dan wel tekort van de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen betrokken, overeenkomstig de in dit artikel opgenomen systematiek. De procedure voorziet in een conceptuittredingsregeling waarin de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen van de uittreding worden geïnventariseerd en vastgelegd. De accountant en de onafhankelijke externe deskundige hebben ieder een onderscheiden rol. De accountant levert de voor de berekening benodigde financiële gegevens uit de financiële administratie en de vastgestelde jaarrekeningen. De onafhankelijke externe deskundige bepaalt, mede op basis van deze gegevens en met toepassing van de in dit artikel opgenomen uitgangspunten, de hoogte van de uittreedsom. Het advies over de hoogte en berekening van de uittreedsom is bindend. De regeling bevat een voorziening voor het geval het bestuur en het uittredende college geen overeenstemming bereiken over de benoeming van de onafhankelijke externe deskundige of over de inhoud van de conceptuittredingsregeling.

Daarmee wordt voorkomen dat het ontbreken van overeenstemming de uittredingsprocedure blokkeert. Voor geschillen over de hoogte of berekening van de uittreedsom is het oordeel van de onafhankelijke externe deskundige bindend. Het uittredende college neemt niet deel aan de besluitvorming over de eigen uittredingsregeling. Voor vaststelling van de uittredingsregeling is instemming van alle overige colleges vereist. Daarmee wordt geborgd dat alle achterblijvende gemeenten instemmen met de financiële en organisatorische gevolgen van de uittreding. Artikel 29 – Opheffing De regeling kan worden opgeheven op voorstel van het bestuur door een unaniem besluit van de colleges, nadat de gemeenteraden daarvoor toestemming hebben gegeven. Bij opheffing stelt het bestuur, na de colleges te hebben gehoord, een liquidatieplan vast. Dit plan regelt de financiële gevolgen van de opheffing en de gevolgen voor het personeel. De 25 Versie 31 augustus 2026 samenwerkingsorganisatie blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dat nodig is voor de vereffening van het vermogen. Artikel 30 – Privacy, gegevensbescherming en informatiebeveiliging De uitvoering van de taken van de samenwerkingsorganisatie kan verwerking van persoonsgegevens meebrengen.

Artikel 30 legt vast dat de colleges en de samenwerkingsorganisatie ieder, voor zover het hun eigen taken, bevoegdheden en verwerkingen betreft, zorg dragen voor naleving van de toepasselijke wet- en regelgeving op het gebied van privacy, gegevensbescherming en informatiebeveiliging. Persoonsgegevens worden uitsluitend verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de opgedragen taken en daarvoor een rechtmatige grondslag bestaat. Voor bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard gelden aanvullende voorwaarden. De samenwerkingsorganisatie treft passende technische en organisatorische maatregelen ter bescherming van persoonsgegevens. Ook regelt dit artikel de betrokkenheid van de Functionaris Gegevensbescherming en de afstemming over verzoeken van betrokkenen en inbreuken in verband met persoonsgegevens. Artikel 31 – Rolverdeling bij verwerking van persoonsgegevens Bij de uitvoering van de taken kunnen de colleges en de samenwerkingsorganisatie verschillende rollen vervullen bij de verwerking van persoonsgegevens. Zij kunnen bijvoorbeeld optreden als zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. Artikel 30 bepaalt dat deze rolverdeling schriftelijk wordt vastgelegd.

Indien de samenwerkingsorganisatie optreedt als verwerker, worden passende schriftelijke afspraken gemaakt en wordt, indien de Algemene verordening gegevensbescherming dat vereist, een verwerkersovereenkomst gesloten. Indien twee of meer partijen gezamenlijk de doeleinden en middelen van een verwerking bepalen, treden zij op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. In dat geval worden de onderlinge verantwoordelijkheden transparant vastgelegd in een afzonderlijke regeling. Artikel 32 – Evaluatiebepaling Deze regeling wordt ten minste eenmaal per vier jaar geëvalueerd. De eerste evaluatie vindt plaats vóór 1 januari 2030. De colleges bepalen bij meerderheid van stemmen welke onderwerpen in de evaluatie worden betrokken. Het bestuur draagt zorg voor de voorbereiding en uitvoering van de evaluatie. De uitvoering begint met een procesbeschrijving waarin in ieder geval het onderwerp, de wijze van uitvoering, de planning en eventuele financiële gevolgen worden beschreven. Indien de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, verwerkt het bestuur in een voorstel hoe daaraan gevolg wordt gegeven. Artikel 33 – Overgangsrecht bestaande overeenkomsten Artikel 33 maakt onderscheid tussen de wettelijke taakopdracht aan de Jeugdregio en de feitelijke overgang van bestaande overeenkomsten.

De werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.19 van de Jeugdwet zijn vanaf de inwerkingtreding van de regeling volledig aan de samenwerkingsorganisatie opgedragen. Het wettelijke overgangsrecht doet aan deze taakopdracht niet af. 26 Versie 31 augustus 2026 Voor overeenkomsten waarop artikel VIII van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg van toepassing is, geldt dat deze gedurende hun bestaande overeengekomen looptijd kunnen worden uitgediend. Gedurende deze overgangsperiode kan de feitelijke uitvoering daardoor nog plaatsvinden op basis van een vóór 1 januari 2027 gesloten overeenkomst. De betrokken gemeente en de samenwerkingsorganisatie maken tijdig afspraken over de overgang naar regionale contractering of subsidiëring na afloop van de beschermde looptijd. Het overgangsrecht biedt geen zelfstandige grondslag voor verlenging, uitbreiding of wijziging van dergelijke overeenkomsten. Artikel 34 – Slotbepaling Artikel 34 bevat de slotbepalingen. In gevallen waarin de regeling niet voorziet, beslist het bestuur. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd, treedt na bekendmaking in werking op 1 januari 2027 en wordt bekendgemaakt door de zorg van het college van de gemeente Den Helder. 27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2361/documents/27501