CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA-onderbouwing EOS Koopunt - versie 12-08-2026

Gemeenteraad 21 september 2026, gemeente Den HelderBij agendapunt: 14: Voorstel tot het verlenen van een positief advies over de aanleg van een energieopslag-systeem aan de Koperslagersweg 14F.55.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

5 alinea's met “luchtkwaliteit”: 59 60 61 293 295

33/78 Hoofdstuk 5 Beoordelingsregels waaronder instructieregels 5.1 Inleiding Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Bkl. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening. In bijlage 4 zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 5.2 tot en met 5.14 zijn de relevante instructieregels en de daarbij behorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot een aantal (ruimtelijk) relevante aspecten. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) wel aandacht aan deze aspecten te worden besteed. Dit zijn de aspecten mobiliteit, ecologie (soorten- en gebiedsbescherming) en in dit specifieke geval lokale meerwaarde. In de paragrafen 5.11 tot en met 5.14 wordt ingegaan op deze aspecten in relatie tot de ontwikkeling. 5.2 Waarborgen van de veiligheid Algemeen Een EOS is gelet op bijlage Vl van het Bkl geen (beperkt) kwetsbaar gebouw.

Het aspect omgevingsveiligheid is relevant vanwege (externe) veiligheidsrisico’s voor de omgeving, door de opslag in dit geval. Relevante instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Voor omgevingsveiligheid zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.2 van het Bkl relevant. Omgevingsverordening Noord-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema waarborgen van de veiligheid. Toetsing Huidige situatie Binnen de projectlocatie vinden geen activiteiten met extern veiligheidsrisico plaats. Beoogde situatie De realisatie van de beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de circulaire risicobeheersing 'lithium -ion energiedragers' uit 2020. Onder de Omgevingswet moet zo'n ontwikkeling voldoen aan de PGS -37-1 richtlijn (gericht op EOS). Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio's. 34/78 Deze richtlijn is nog niet definitief gepubliceerd. De verwachting is dat de beoogde activiteit in 2025 als een milieubelastende activiteit (mba) wordt opgenomen in het Bal. Ondanks dat het nog niet definitief opgenomen is in het Bal, is het verstandig dat de ontwikkeling voldoet aan de PGS -37-1. De ontwerpen van de ontwikkeling zijn conform PGS 37-1.

Er wordt een maatwerkvoorschrift genomen om te borgen dat de batterijopslag voldoet aan de PGS 37 -1. Zodoende is het niet noodzakelijk om te toetsen aan de circulaire risicobeheersing 'lithium -ion energiedragers' uit 2020. Het maatwerkvoorschrift luidt dat de batterijopslag voldoet aan de PGS 37-1 richtlijn. De gemeente heeft aangegeven dat er nog onbekendheid is voor wat betreft de risico's voor brandveiligheid van de installatie en dat risico's in kaart moeten worden gebracht. Dit gebeurt in het kader van de PGS 37 -1 richtlijn en maakt geen onderdeel uit van deze bopa -onderbouwing. Door het maatwerkvoorschrift moet het EOS voldoen aan de PGS 37-1 richtlijn en de bijbehorende eisen ten aanzien van brandveiligheid. Volledigheidshalve wordt vermeld dat het RIVM een nieuwe rekenmethode voor omgevingsveiligheid en lithiumhoudende energiedragers heeft opgesteld. Met behulp van deze rekenmethode worden de risico's van EOS'en en opslagen met lithiumhoudende energiedragers voor de omgeving inzichtelijk gemaakt. Ook wordt beschreven hoe deze methode toegepast kan worden bij het afwegen van maatregelen nabij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Voor de grootste EOS systemen zal een PR contour van maximaal 55 meter gelden. Voor het project in Den Helder ligt deze contour tussen de 40 en de 55 meter.

Op basis van het ontwerp van het EOS en de afstand tot kwetsbare objecten kan geconcludeerd worden dat het EOS passend is op deze locatie. Gasleidingen Aan de westzijde van de projectlocatie ligt een gasleidingenstrook. De gasleidingen worden beschermd door een Kathodisch Beschermingssysteem (KB). Dit systeem beschermt gasleidingen tegen corrosie door een elektrische stroom door de leiding te laten lopen. Hierdoor ontstaat een negatieve spanning die voorkomt dat het metaal oxideert (roest). Er kan wederzijdse beïnvloeding optreden tussen het KB en externe elektrische of magnetische velden. Om dit te voorkomen gelden richtlijnen en afstandsregels. De aanbevolen veilige marge is 30 meter. De GasUnie heeft aangegeven het EOS zich op voldoende afstand bevindt van de leidingen (50 meter). Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Voor de volledigheid wordt kort ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen de projectlocatie, de bereikbaarheid van de projectlocatie en de zelfredzaamheid van personen binnen de projectlocatie. Er verblijven geen mensen binnen de projectlocatie. Vanwege de relatief grote afstand tot relevante risicobronnen (ligging buiten brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf, aangezien de bestrijdbaarheid afhankelijk is van het ongevalscenario.

Het is niet nodig om bouweisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico. De locatie is goed bereikbaar voor de hulpdiensten. De projectlocatie wordt ontsloten via de Koperslagersweg die via de Parallelweg aansluit op de N9. De locatie ligt in een bestaande buurt waar reeds voldoende bluswatervoorzieningen beschikbaar zijn. 35/78 Conclusie De ontwikkeling is geen (beperkt) kwetsbaar gebouw. Met de ontwikkeling worden geen risicovolle inrichtingen gerealiseerd. Toetsen aan omgevingsveiligheid is niet noodzakelijk. De ontwikkeling wordt conform PGS-37- 1 gerealiseerd. Dit wordt geborgd in een maatwerkvoorschrift. Op basis van het ontwerp van het EOS en de afstand tot kwetsbare objecten kan geconcludeerd worden dat het EOS passend is op deze locatie. 5.3 Beschermen van de waterbelangen Algemeen Het aspect water is relevant, omdat in de beoogde situatie het verhard oppervlak vanwege de ontwikkeling toeneemt. Relevante instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37, eerste lid, van het Bkl).

Omgevingsverordening Noord-Holland In artikel 6.75 is beschreven dat in elk ruimtelijke plan rekening moet worden gehouden met klimaatadaptatie op de volgende vlakken: 1. De motivering van een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. 2. In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken het risico op: a. wateroverlast; b. overstroming; c. hitte; d. watertekort; e. verzilting; en f. verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit. 3. De beschrijving omschrijft tevens de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de in het tweede lid omschreven risico's te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 4. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het waterschap in wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Huidige situatie De projectlocatie bevindt zich in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier waardoor er getoetst moet worden aan de waterschapsverordening van het Hoogheemraadschap. De gronden van de projectlocatie bestaan momenteel uit grasland en zijn volledig onverhard. Er bevinden zich geen bouwwerken binnen de projectlocatie.

36/78 Bodem en grondwater De projectlocatie maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem uit Kalkhoudende vlakvaaggronden; matig fijn zand. Binnen de projectlocatie is sprake van grondwatertrap IVu. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 44 centimeter onder het maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op circa 110 centimeter onder het maaiveld. Het maaiveld is gelegen op circa 0,5 meter boven NAP. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Het grondwaterpeil wordt niet (tijdelijk) gewijzigd, daarnaast wordt de bodem niet vervuild. Waterkwantiteit De projectlocatie wordt omringd door watergangen: een secundaire in het westen, een tertiaire in het zuiden en een sloot in het oosten. Deze watergangen hebben een beschermingszone, zie het onderstaande figuur. Figuur 5.1: Legger waterschap, projectlocatie aangeduid met rood kader. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen de projectlocatie of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van de projectlocatie.

Beoogde situatie De werkzaamheden vallen buiten de beschermingszone van de watergangen. De projectlocatie is momenteel niet verhard. De verhardingstoename door bebouwing bedraagt maximaal 3.896 m 2. De verhardingtoename door verhardingen bedraagt maximaal 3.344 m2. Op het perceel is voldoende ruimte voor de maximale watercompensatie. Daarmee is voldoende rekening gehouden met waterbelangen voor de ontwikkeling. In totaal is sprake van een maximale toename in verharding van 7.240 m 2. Een deel van de projectlocatie is aangewezen voor watercompensatie (793 m2). Mocht watercompensatie aan de orde zijn, dan kan daarmee 10% van het verhard oppervlak worden gecompenseerd (724 m2) . Mogelijk is met de aanleg van het bedrijventerrein al voldoende waterberging gerealiseerd. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier koppelt dit nog terug aan de initiatiefnemer. In dat geval is er mogelijk geen of minder compensatie noodzakelijk. 37/78 Overstromingskans De kans op overstroming vanuit de zee, meer of rivier binnen de projectlocatie is klein, namelijk 1 keer in de 100.000 jaar. Zie het onderstaande figuur. Figuur 5.2: Kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier, projectlocatie aangeduid met zwart kader (bron: www.atlasleefomgeving.nl). De ontwikkeling zorgt verder niet voor wateroverlast, hitte, watertekort , verzilting en verslechtert de ecologische en chemische waterkwaliteit niet.

Conclusie Er wordt bij de ontwikkeling rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en er wordt voldaan aan de instructieregel in artikel 5.37 van het Bkl. 5.4 Beschermen van de gezondheid Algemeen Het aspect gezondheid is relevant omdat de ontwikkeling een milieubelasting voor de omgeving met zich mee kan brengen. Relevante instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4 instructieregels voor het beschermen van de gezondheid en van het milieu. Een omgevingsvergunning voor een bopa kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet de kwaliteit van de fysieke leefomgeving worden gewaarborgd. Dit vereist een brede belangenafweging waarbij ook het belang van de gezondheidsbescherming en - bevordering wordt afgewogen. Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema's samenkomen. Het gaat hierbij om thema's die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals geluid, geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. Maar het gaat bijvoorbeeld ook om agrarische activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. 38/78 Omgevingsverordening Noord-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema gezondheid.

Toetsing Uit de verschillende paragrafen van dit hoofdstuk wordt duidelijk dat binnen de projectlocatie sprake is van een relatief lage milieubelasting. De ontwikkeling maakt daarnaast geen milieugevoelige functie mogelijk. Een EOS kan echter wel een milieubelasting op de omgeving meebrengen. De batterijopslag wordt volgens de PGS -37-1 richtlijn gerealiseerd. Dit is een richtlijn die zich specifiek richt op de veilige opslag van lithiumhoudende energiedragers, zoals batterijen en accu's. De richtlijn PGS -37-1 legt vast met welke maatregelen de risico's van lithiumhoudende energieopslag beheerst kunnen worden. De richtlijn zorgt ervoor dat ongewone voorvallen voorkomen worden en beperkt de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op veiligheid voor de omgeving. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op een afstand van circa 250 meter. Om deze redenen kan vanuit worden gegaan dat de gezondheid van de omwonenden niet in het geding komt door de beoogde ontwikkeling. Geluid in de leefomgeving heeft invloed op gezondheid. Zo kan blootstelling aan geluid leiden tot hinder, verstoring van de slaap, verstoring van de dagelijkse activiteiten en stressreacties. Langdurige blootstelling aan te veel geluid kan aanleiding geven tot chronische effecten zoals verhoogde bloeddruk. De standaardwaarden voor geluid staan vermeld in paragraaf 5.6.

Bij ruimtelijke plannen adviseert de GGD deze standaardwaarden (50 dB Lden en 40 dB Lnight) niet te overschrijden. Uit het akoestisch onderzoek (bijlage 8) en paragraaf 5.6 blijkt dat deze standaardwaarden niet overschreden worden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Om te borgen dat hiervan ook sprake is als de Rijksweg 57 en 58 weer woningen worden, wordt geadviseerd een voorschrift op te nemen om te borgen dat een geluidscherm bij het EOS wordt geplaatst, indien blijkt dat er niet aan de standaardwaarden kan worden voldaan op basis van de werkelijke geluidemissie. De gezondheid van de omwonenden komt niet in het geding door de beoogde ontwikkeling. Conclusie Er wordt op een passende manier rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Er is sprake van een aanvaardbare situatie voor de omwonenden, mits de batterijopslag voldoet aan de PGS -37-1 richtlijn. Hiervoor wordt een maatwerkvoorschrift genomen, zie paragraaf 5.2. Ook wordt geadviseerd om een voorschrift op te nemen bij deze omgevingsvergunning voor een bopa om te borgen dat aan de standaardwaarde voor geluid als gevolg van het EOS wordt voldaan, zie paragraaf 5.6. 5.5 Kwaliteit van de buitenlucht Algemeen Het aspect luchtkwaliteit is relevant omdat ten zuiden van de projectlocatie zich een woning bevindt en omdat de ontwikkeling voor een beperkte verkeerstoename zal zorgen.

Relevante instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Voor luchtkwaliteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl relevant. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. 39/78 Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan vormt het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling. Omgevingsverordening Noord-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema luchtkwaliteit. Toetsing Huidige situatie Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van de projectlocatie.

Maatgevend is het toetspunt aan de N9, direct ten westen van de projectlocatie. Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022; 11,0 µg/m³ voor NO2, 15,2 µg/m³ voor PM 10 en 6,7 voor PM 2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 -uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Beoogde situatie De projectlocatie bevindt zich niet in artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek is om deze reden niet nodig. De ontwikkeling valt onder de standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 Bkl. Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit maatwerkvoorschriften op te nemen. 5.6 Geluid door activiteiten 5.6.1 Wettelijk kader Algemeen Voor invoering van de Omgevingswet werd altijd aandacht besteed aan milieuzonering op basis van de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009). Dit was een systematiek op basis van richtafstanden per gebiedstype en milieucategorie.

Werd aan de richtafstanden voldaan, dan was de aanname dat ook aan de onderliggende richtwaarden voor een bepaald milieu -aspect werd voldaan (zonder nader onderzoek). Na de ruimtelijke afweging was voor een bedrijf/activiteit de milieuregelgeving van toepassing, meestal het Activiteitenbesluit. Met invoering van de Omgevingswet is het de bedoeling dat er meer naar effecten wordt gekeken. De voorheen toegepaste richtafstanden kunnen nog wel gebruikt worden als indicatie. In de meeste gevallen was/is het aspect geluid maatgevend voor de richtafstand, zodat hier in deze paragraaf nader op wordt ingegaan. Er is inmiddels een nieuwe Handreiking milieuzonering opgesteld door de VNG. Deze handreiking biedt handvatten hoe om te gaan met de instructieregels van het Bkl, maar de instructieregels van het Bkl zijn leidend. Bkl In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen 5,1 en 5.2.

Tabel 5.1: standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen | -- | 70 dB(A) | 70 dB(A) LAmax door andere piekgeluiden | -- | 65 dB(A) | 65 dB(A) Tabel 5.2:standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen | -- | 55 dB(A) | 55 dB(A) LAmax door andere piekgeluiden | -- | 45dB(A) | 45 dB(A) Deze tabellen zijn ontleend aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), maar zijn nog niet geïmplementeerd in het omgevingsplan van de gemeente Smallingerland. In de berekening/beoordeling van geluid blijft onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. Bruidsschat Met het vervallen van het Activiteitenbesluit zijn de daarin opgenomen geluidregels opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (par. 22.3.4) en hieronder weergegeven in tabel 5.3.

Tabel 5.3: waarden voor geluid op een geluidgevoelige gebouw (Bruidsschat) 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) LAmax als gevolg van activiteiten | 70 dB(A) | 65 dB(A) | 60 dB(A) 5.6.2 | Toetsing en conclusie Een EOS veroorzaakt geluidemissie. Het geluid wordt veroorzaakt door de batterijen/inverters | en de mv-stations/trafo's. Om de geluidemissie inzichtelijk te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. 40/ | 78 41/78 De berekeningen zijn, vanwege de snelle veranderingen in de techniek, worst -case uitgevoerd in twee verschillende mogelijke indelingen van het bouwvlak. Bij locatie 1 zijn de batterijen aan de westzijde van het bouwvlak gesitueerd en de transformator aan de oostzijde. Bij locatie 2 zijn de batterijen aan de oostzijde van het bouwvlak gesitueerd en de transformator aan de westzijde. In het rekenmodel zijn toets-/rekenpunten opgenomen ter plaatse van woningen aan de Rijksweg en de Middenvliet. Op basis van de berekeningen is het geluidniveau voor beide locaties bepaald bij de woningen (zie tabel 5.3 uit het akoestisch onderzoek). Tabel 5.3: Berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus EOS voor locatie 1 en locatie 2 (overschrijdingen zijn vetgedrukt) (bron: Tritium Advies).

Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:  Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) kan worden gesteld dat met de gehanteerde worst -case bronvermogens in beide situaties kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden als de gesloopte woningen aan de Rijksweg 57 en 58 buiten beschouwing worden gelaten;  Bij de keuze van de batterijen en transformatoren dient rekening te worden gehouden met de maximale bronvermogens zoals deze in hoofdstuk 4 van het akoestisch onderzoek zijn aangegeven. Het is daarnaast niet geheel uitgesloten dat het geluid afkomstig van de batterijopslag tonaal van karakter is. Mocht bij de keuze van de batterijen en transformatoren duidelijk zijn dat een toeslag voor tonaal geluid van toepassing is, dan moeten de geluidniveaus van tabel 4.1 uit het akoestisch onderzoek met 5 dB gecorrigeerd worden. De toelaatbare bronvermogens zijn dan 5 dB lager;  Het is mogelijk de geluidemissie in de richting van Rijksweg 57 en 58 te reduceren door afscherming (geluidscherm). Op basis van de nu (worst -case) gehanteerde geluidgegevens volgens hoofdstuk 4 uit het akoestisch onderzoek is er bij beide locaties een scherm van 4,0 meter hoogte nodig om ook in de nachtperiode te kunnen voldoen. Het scherm dient een massa te hebben van minimaal 10 kg/m2 en kierdicht te worden uitgevoerd.

Een alternatief voor het aanbrengen van een geluidscherm is het toepassen van installaties met een 3 dB lagere geluidvermogenniveau dan in hoofdstuk 4 van het akoestisch onderzoek is omschreven;  Met betrekking tot de maximale geluidniveaus (LAmax) kan worden gesteld dat voldaan wordt aan de gestelde eisen conform Bkl en omgevingsplan. 42/78 Omdat de noodzakelijkheid van een geluidsscherm afhangt van de toekomstige situatie, wordt geadviseerd om een vergunningvoorschrift voor een controleverplichting op te nemen naar de werkelijke geluidemissie na realisatie en de plaatsing van wel/geen scherm voorwaardelijk te maken. Dat wil zeggen dat de plaatsing van een scherm alleen noodzakelijk is als Rijksweg 57 en/of 58 weer woningen worden en er niet aan de standaardwaarden kan worden voldaan op basis van de werkelijke geluidemissie. De controle kan bestaan uit een aanvullende berekening op basis van de daadwerkelijk te plaatsen batterijsystemen. Samenvattend kan worden gesteld dat ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige gebouwen na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon - en leefklimaat kan worden gerealiseerd en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De noodzakelijkheid van een geluidscherm rond het EOS hangt uiteindelijk af van het te plaatsen batterij-systeem.

5.7 Bodem Algemeen Het aspect bodem is relevant omdat er een ruimtelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd. Relevante instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie, zijn de instructieregels van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl van belang. Deze instructieregels verplichten tot de volgende zaken: 1. In het omgevingsplan opnemen van waarden voor de toelaatbare kwaliteit (artikel 5.89i Bkl); 2. Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl); 3. Als in het omgevingsplan is bepaald dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig is, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Tevens wordt in het omgevingsplan bepaald dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning resultaten van bodemonderzoek en gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen (artikel 5.89ka Bkl); 4. Voor zover het bouwen van een bodemgevoelig gebouw niet vergunningplichtig is, bepaalt het omgevingsplan dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89l Bkl); 5. Een omgevingsplan bepaalt dat bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel 5.89k, zijn getroffen (artikel 5.89m Bkl). 43/78 Omgevingsverordening Noord-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema bodem die betrekking hebben op omgevingsplannen. Toetsing Huidige situatie Uit de informatie op de kaart van de bodemloket blijkt dat de bodem voldoende onderzocht en gesaneerd is. Figuur 5.3: Informatie m.b.t. bodem (bron: www.bodemloket.nl).

44/78 Beoogde situatie Het onderstation is het enige bouwwerk dat aan te merken is als een gebouw dat betreedbaar is voor mensen. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. In het onderstation verblijven mensen niet meer dan 2 uur per dag aaneengesloten. De ontwikkeling realiseert daarmee geen bodemgevoelig gebouw. Onderzoek naar de bodemkwaliteit is niet noodzakelijk. De batterijen in het EOS bevatten elektrolyt waardoor er in principe sprake is van een bodembedreigende activiteit. De batterijen zijn voorzien in opslagkasten die vloeistofdicht zijn en het systeem is daarmee een gesloten installatie. Er is dan ook sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. De bodemkwaliteit zal in de beoogde situatie niet verslechteren. Conclusie Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect bodem maatwerkvoorschriften op te nemen. 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Algemeen Het aspect cultureel erfgoed is relevant omdat de ontwikkeling voorziet in een nieuwe ontwikkeling die invloed kan hebben op het bestaande cultureel erfgoed. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed.

Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit. Hieronder vallen onder andere het behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten zoals het behoud van de vrije horizon vanaf de gemiddelde hoogwaterlijn met de blik op zee. Ook het cultureel en natuurlijk UNESCO-werelderfgoed, kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en cultuurhistorische waarden in of op de zeebodem vallen hier onder. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met cultureel erfgoed. Daar vallen ook cultuurlandschappen onder, zoals historische verkavelingsstructuren met houtsingels of landgoederen. Onder cultureel erfgoed vallen ook archeologische monumenten, gebouwde en aangelegde monumenten. Het gaat hierbij om cultureel erfgoed dat deel uitmaakt van of anderszins relevant is voor de fysieke leefomgeving. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa dient rekening gehouden te worden met het belang van het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Omgevingsverordening Noord-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema cultureel erfgoed. 45/78 Toetsing Huidige situatie Binnen de projectlocatie bevinden zich geen monumenten en beeldbepalende elementen.

Tevens zijn er geen landschappelijke kernkwaliteiten aanwezig. Beoogde situatie Voor de projectlocatie geldt op basis van het gemeentelijk beleidskader archeologie, zoals opgenomen in paragraaf 4.5.4, een onderzoeksverplichting bij een bodemingreep van meer dan 500 m 2 en een ontgravingsdiepte meer dan 3 m-mv. De bodemingreep ten behoeve van het EOS is groter dan 500 m 2 maar de ontwikkeling overschrijdt de maximaal toegestane ontgravingsdiepte van 3m-mv niet. Archeologisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk. De ontwikkeling heeft eveneens geen invloed op omliggende monumenten, beschermde stads -en dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen. Conclusie De ontwikkeling houdt rekening met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en levert geen strijdigheid op met de beoordelingsregels uit het Bkl. 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking is relevant omdat moet worden onderzocht of de ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling en daarmee een motivatieplicht heeft. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl regelt in paragraaf 5.1.5.4 de ladder voor duurzame verstedelijking. Het oogmerk van dit thema is het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand.

Artikel 5.129g Bkl is het enige artikel in deze paragraaf en heeft de titel 'zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand'. Het artikel regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b, eerste lid onder a van het Bkl bepaalt dat hoofdstuk 5 van het Bkl ook geldt voor een bopa. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 46/78 Omgevingsverordening Noord-Holland Het artikel 6.13 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen sluit aan op de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: de Ladder), zoals vastgelegd in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het accent van dit artikel ligt op datgene wat niet in de Rijksregelgeving is vastgelegd.

Dat is de regionale afstemming in de vorm van regionale afspraken. Toetsing Huidige situatie In de huidige situatie bestaan de gronden van de projectlocatie uit agrarische gronden. Er bevinden zich geen stedelijke functies binnen de projectlocatie. Beoogde situatie Op basis van jurisprudentie 1 onder de Wet ruimtelijke ordening blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Als niet stedelijke ontwikkeling worden genoemd: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark, een zonnepark en een transformatorstation. Een EOS is aan te merken als een voorziening op het gebied van energiedistributie en is daarmee tevens niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er grote behoefte bestaat aan een EOS binnen de regio Noord -Holland Noord. Met een EOS wordt de productiviteit van de duurzame energieopwekking verbetert. Tijdens piekuren kan energie worden opgeslagen in het EOS. Voor de stabiliteit van het elektriciteitsnetwerk en het stabiele aanbod van groene stroom is het belangrijk om dit overschot aan groene stroom op te slaan, zodat deze buiten de piekuren op het elektriciteitsnetwerk kan worden aangeboden. Het voorliggende EOS is specifiek beoogd op een bedrijventerrein.

In de gemeentelijke omgevingsvisie is aangegeven dat voor het bedrijventerrein Kooypunt ruimte wordt geboden aan bedrijvigheid rondom de energietransitie. Er is dan ook sprake van een gemotiveerde locatiekeuze. 1 ABRvS 23 januari 2019; ECLI:NL:RVS:2019:178, ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724. Conclusie De ontwikkeling houdt rekening met zorgvuldig ruimtegebruik en levert geen strijdigheid op met de beoordelingsregels uit het Bkl en de omgevingsverordening. 47/78 5.10 Behoud van ruimte voor toekomstige functies Algemeen Het aspect behoud van ruimte voor toekomstige functies is relevant voor de ontwikkeling omdat de projectlocatie nabij Den Helder Airport ligt (vliegveld De Kooy). Hier is niet alleen een burgervliegveld gesitueerd, maar ook een maritiem vliegkamp. De ontwikkeling mag deze functies niet belemmeren. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl regelt in paragraaf 5.1.7.5 een instructieregel (artikel 5.161a) waarin regels worden gesteld om communicatie-, navigatie - en radarapparatuur voor burgerluchtvaart niet te verstoren. Hoge bouwwerken en windturbines in gebieden rond deze apparatuur kunnen leiden tot verstoring van de werking daarvan. Daarbij dienen bouwwerken te voldoen aan de gestelde eisen uit bijlage XVa.

Verder zijn in paragraaf 5.1.7.2 Landsverdediging en nationale veiligheid instructieregels opgenomen met als doel militaire installaties en terreinen te beschermen. Activiteiten die het gebruik belemmeren zijn niet toegestaan. Relevant is in dit geval artikel 5.155 (geen belemmeringen voor militair radarbeeld). Militaire en civiele radarstations zorgen voor de beveiliging van het nationale luchtruim. Ze zorgen ook voor de veilige afhandeling van het militaire verkeer en het burgerluchtverkeer. Hoge bouwwerken en windturbines in gebieden rond een radarstation kunnen het radarbeeld verstoren. De gemeente kan daarom in het omgevingsplan geen bouwwerken en windturbines toelaten, die de maximaal toegelaten hoogte overschrijden. Daarbij dienen de bouwwerken te voldoen aan de gestelde eisen uit bijlage XIV onder E. Omgevingsverordening Noord-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema behoud van ruimte voor toekomstige functies. Toetsing Huidige situatie In de huidige situatie bevinden zich binnen de projectlocatie geen bouwwerken. Beoogde situatie Het hoogste onderdeel van het EOS is de transformator (hoofdonderstation). De transformator heeft een maximale bouwhoogte van 6,1 meter. De minimale hoogte van bouwwerken die het ILS systeem verstoren is 21,1 meter.

Het CVOR/DME systeem en LAR systeem worden verstoord bij respectievelijk 20 en 30 meter. Daarmee verstoord het EOS de apparatuur niet. Conclusie De ontwikkeling levert geen strijdigheid op met de beoordelingsregels uit het Bkl. 48/78 5.11 Mobiliteit Algemeen Het aspect mobiliteit moet in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. Het beleid van de gemeente gaat wel op deze aspecten in. Naast het gemeentelijk beleid blijven de CROW -richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten mobiliteit en parkeren. Hierna wordt ingegaan op de ontsluiting van de projectlocatie, het parkeren en de verkeersgeneratie. Toetsing Huidige situatie De projectlocatie wordt ontsloten via de Koperslagersweg. Vanaf deze weg gaat het verkeer richting de N -wegen (N9, N99 en N250). Binnen de projectlocatie bevinden zich in de huidige situatie geen verkeersaantrekkende functies. Beoogde situatie De realisatie van het EOS leidt niet tot een structurele toename van de verkeersgeneratie. Alleen tijdens onderhoudswerkzaamheden zullen enkele verkeersbewegingen kunnen ontstaan. Op basis van soortgelijke projecten blijkt dat er naar verwachting op jaarbasis 20 keer iemand naar de locatie gaat voor onderhoud. In totaal zijn dit 40 verkeersbewegingen (20 x 2 (heen - en terug)) per jaar.

De omliggende verkeersstructuur wordt in staat geacht deze zeer geringe toename zonder problemen op te kunnen vangen. Zoals aangegeven in paragraaf 4.5.3 kent de functie EOS conform de parkeernota en de parkeerkencijfers van CROW geen parkeervraag. Wel is er binnen de projectlocatie ruimte aanwezig voor een opstelplaats voor een voertuig (voor bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden). Conclusie Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Er is vanuit het aspect mobiliteit met de ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.12 Ecologie: soortenbescherming Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Toetsing Huidige situatie De projectlocatie is ingericht als graslandperceel met eutrofe plantsoorten als Witte honingklaver, Duizendblad, Heermoes, Rode klaver en Gewone berenklauw. Binnen de projectlocatie ontbreken bebouwing, hoge bomen en open oppervlaktewateren.

49/78 Beoogde situatie Om te bepalen of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde soorten is door ecologisch bureau Van der Goes en Groot een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 9. Uit de quickscan volgen de volgende resultaten:  De projectlocatie is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen;  Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van de ontwikkeling en inrichting;  In de oevers ten zuiden van de projectlocatie kunnen broedvogels met niet -jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig.

Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli;  Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van de projectlocatie door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat de projectlocatie slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De projectlocatie biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken;  Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van de projectlocatie en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. De projectlocatie biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen;  Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen binnen de projectlocatie wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat de projectlocatie slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten.

Er is vanuit het aspect soortenbescherming met de ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.13 Ecologie: gebiedsbescherming Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000 -gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat een ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000 -gebied niet zal aantasten. Om dit aan te tonen is een stikstofberekening uitgevoerd. 50/78 Toetsing Huidige situatie De projectlocatie is geen onderdeel van een natuur - of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 -gebied Waddenzee ligt op circa 1 kilometer (zie figuur 5.4). De projectlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevinden zich op circa 1 kilometer (zie figuur 5.5). Figuur 5.4: Projectlocatie (aangeduid met rood kader) t.o.v. Natura 2000-gebieden. Figuur 5.5: Projectlocatie (aangeduid met rood kader) t.o.v. Natuurnetwerk Nederland.

51/78 Beoogde situatie De realisatie en het gebruik van de ontwikkeling heeft gevolgen voor de depositie van stikstof. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gekeken naar de effecten op Natura 2000 -gebieden. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000 -gebied voor de realisatiefase en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie Bijlage 10). Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatiefase en gebruiksfase van de ontwikkeling. De bijbehorende memo is opgenomen in Bijlage 11. Conclusie De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor Natura 2000 -gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op het voorgaande, draagt de ontwikkeling voor het aspect gebiedsbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.14 Lokale meerwaarde Algemeen De maatschappelijke doelen van de wet bestaan uit het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van natuur, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften (artikel 1.3 van de Omgevingswet).

De gemeente Den Helder vindt het belangrijk dat het EOS ook een lokale meerwaarde heeft en zo niet alleen op een hoger schaalniveau maatschappelijke behoeften vervult. Toetsing Netbatterijen spelen een cruciale rol in de energietransitie en kunnen bijdragen aan een duurzamer en stabieler energienet. De ontwikkeling heeft de volgende lokale meerwaarde:  Een netbatterij kan overtollige energie van duurzame bronnen, zoals windmolens en zonnepanelen, opslaan wanneer de productie hoog is. Deze energie kan vervolgens worden gebruikt wanneer de vraag groot is of de productie laag is;  Netbatterijen kunnen helpen om het elektriciteitsnet te stabiliseren door snel te reageren op schommelingen in vraag en aanbod. Dit is vooral belangrijk in een omgeving met veel fluctuerende hernieuwbare energiebronnen zoals Den Helder waar veel energie van offshore wind aan land komt;  Door energie op te slaan en af te geven kan een netbatterij helpen om pieken in de energievraag af te vlakken en congestie op het elektriciteitsnet te verminderen;  De toezichthouder staat toe dat meerdere partijen gebruik maken van één aansluiting, wat de samenwerking tussen de netbatterij en andere gevestigde partijen vergemakkelijkt. Dit heet cable pooling.

Anesco is bereid te onderzoeken of er een mogelijkheid is haar transportcapaciteit van haar elektriciteitsaansluiting te delen met een naburig bedrijf op bedrijventerrein Kooypunt (er zijn al gesprekken gaan met een eerste geïnteresseerde partij). Zo kunnen beide partijen profiteren van de beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnetwerk. Dit lost een knelpunt op, namelijk de huidige transportschaarste in de regio;  De bouw en het onderhoud van een netbatterij kunnen zorgen voor werkgelegenheid in de regio. Anesco zoekt waar mogelijk samenwerkingen met lokale partijen. De ontwikkeling kan zo een bijdrage leveren aan de lokale economie; 52/78  De haven van Den Helder kan en wil een belangrijke rol spelen in de energietransitie. Een netbatterij kan bijdragen aan de verduurzaming van de havenactiviteiten;  Een nabijgelegen bedrijf heeft bijenkasten en zaaien jaarlijks bloemen in. In het kader van de landschappelijke inpassing wordt bij het EOS ook een aantal bijenkasten geplaatst door dit bedrijf. Dit heeft meerwaarde voor de lokale biodiversiteit en versterkt samenhang en samenwerking binnen de lokale gemeenschap. Conclusie De ontwikkeling draagt bij aan een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving, terwijl het tegelijkertijd de lokale economie stimuleert en zodoende lokale meerwaarde creëert.

Door de mogelijke samenwerking met andere bedrijven en het toepassen van innovatieve concepten zoals cable pooling wordt de maatschappelijke waarde van de ontwikkeling verder versterkt. De ontwikkeling is een voorbeeld van hoe technologische ontwikkelingen en samenwerking kunnen bijdragen aan een duurzame toekomst. 53/78 Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: a. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en b. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een EOS. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan. Kostenverhaal Indien een ontwikkeling nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. De ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit niet aangewezen als een kostenverhaalplichtige activiteit (artikel 8.13 lid a). Kostenverhaal is daarmee niet aan de orde.

54/78 Hoofdstuk 7 Evenwichtige t oedeling van functies aan locaties Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4 en 5 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt of de aangevraagde activiteit(en) kunnen worden vergund met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De onderhavige onderbouwing hoort bij de eerste aanvraag voor een BOPA-omgevingsvergunning, waarbij toestemming wordt gevraagd voor het gebruik van de locatie en voor het uitvoeren van werkzaamheden. Deze aanvraag voor het gebruik van de locatie vormt het kader voor de volgende aanvragen. Samengevat: De activiteiten uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren is in overeenstemming met het beleidskader en de beoordelingsregels. De activiteit het gebruiken van gronden en bouwwerken is in overeenstemming met het beleidskader en de beoordelingsregels onder de voorwaarde dat er een voorschrift bij de vergunning wordt opgenomen en er een maatwerkvoorschrift wordt genomen. Het voorschrift is nodig voor:  Geluid door activiteiten: om te borgen dat het geluid afkomstig van het EOS de standaardwaarde voor geluid van activiteiten niet overschrijdt ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige gebouwen, is een voorschrift nodig.

Dit voorschrift borgt een controleverplichting naar de werkelijke geluidemissie na realisatie en de plaatsing van wel/geen geluidsscherm voorwaardelijk te maken. De plaatsing van een geluidsscherm is alleen noodzakelijk als aan de Rijksweg 57 of 58 weer woningen worden en er niet aan de standaardwaarden kan worden voldaan op basis van de werkelijke geluidemissie. Met dit voorschrift is sprake van een aanvaardbare situatie. Het maatwerkvoorschrift is nodig om:  De ontwikkeling conform PGS-37-1 te realiseren. Het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bopa heeft tot gevolg dat de volgende regels bij het vertalen van de bopa in het omgevingsplan moeten worden opgenomen:  Om het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een EOS binnen de projectlocatie toe te staan dient dit gebruik expliciet opgenomen te worden in het omgevingsplan;  De uitgangspunten zoals opgenomen in figuur 2.7 dienen vertaald te worden in regels. Conclusie: De aangevraagde activiteiten kunnen worden verleend met het oog op een e venwichtige toedeling van functies a an locaties en voldoe n aa n het beoordelingskader voor de bopa als de hierbove n beschreve n bepalingen worden opgenomen. BIJLAGEN

Bijlage 1 Figuur EOS

17A/1 17A/22 | 17A/23 | plangebied Blokmakersweg | 17A/2 17A/21 17A/3 | 17A/24 17A/20 | 17A/25 | landschappelijke inpassing en verkeer 17A/4 17A/19 | 17A/26 17A/5 17A/18 | 17A/27 | watercompensatie 17A/6 17A/17 | 17A/28 5 | 17A/7 17A/16 | bouwvlak 17A/8 17A/15 | 17A/29 10 | 17A/9 | 17A/30 | 70% | maximum bebouwingspercentage (binnen bouwvlak) 7 | 17A/14 | 17A/31 17A/36 17A/1017A/13 | 17A/32 | maximum verhardingspercentage 30% (binnen plangebied) 17A/11 17A/12 | 17A/35 17A/3317A/34 geluidscherm, maximale bouwhoogte 4m (binnen bouwvlak) 19A/20 | 19A/6 19A/19 | ontsluiting (indicatief) 9 | Koperslagersweg19A/18 19A/119A/219A/319A/419A/519A/7 19A/17 | 19A/8 19A/1519A/1419A/1319A/1219A/9 | EOS onderdelen, te realiseren binnen het bouwvlak: 19A/16 | 19A/11 19A/10 | A | batterijblokken, maximale bouwhoogte 4m 2-4 | B | onderstation, maximale bouwhoogte 4m 19B | C | inkoopstation, maximale bouwhoogte 4m D | transformator, maximale bouwhoogte 7m Ondersteunende onderdelen EOS, te realiseren binnen en buiten het bouwvlak: Nagelklinkersweg | bliksempieken, maximale bouwhoogte 7m 19A | 19B 19C | 21A21B 21C21D | hekwerken, maximale bouwhoogte 2m 19D 19E 19F | 21E 21F 21G 21H 19O | 12G | 12F 19N 19M | 19K 19J 19H 19G | 21U21T 21S21R21P 21N | 12H 21M21K21J | 12E 12J | 12D 12K | 12C 21-21A 12M | 12B 12N | 12A 14A 70% | 14B 14C 14D 14E 14F 23 Rijksweg GEMEENTE DEN HELDER BOPA Den Helder

Kooypunt BESS project Figuur 56 | PROJECT | 20240541 Karel Doormanweg | FORMAAT | A2 SCHAAL | 1:1000 KAART | 1/1 | Definitief GETEKEND | K. Heijmeriks | Concept | 25-02-2026 57 | RHO ADt0SEhRS | info@rho.nl | N www.rho.nl

Bijlage 2 Concept ontwerp EOS

Ketelmakersweg Koperslagersweg Main entrance Nagelklinkersweg 19A | A Emergency entrance A 19B | 19C | B B 19D | 19E | 19F 19O 19N | 19M | 19K 19J | 19H 19G | Scale @ 1:20000 LEGEND SITE BOUNDARY SECURITY FENCE GATE WITHIN SECURITY FENCE 4 HR BESS BLOCK 50kV INKOOPSTATION ACCESS DOORACCESS DOOR COMBINED SUBSTATION 6,0 | 6,0 | 5,7 | 5,0 4,0 | 5,5 | 32,8 | ACCESS TRACK 3,5 | CCTV (located inside the fence) ACCESS DOOR ACCESS DOOR 3,7 | 4,5 | 50 KV SUBSTATION SOUND BARRIER NOT FOR CONSTRUCTION 17,5 | 1 BESS BLOCK CONTAINS: 1 x MVS5000UD-LV MV STATION COMPRISING OF - 1 x 5000kVA 0.69kV/33kV TRANSFORMER - 1 x 36kV RMU 3,1 | 17,5 | 4 x ST5015UX (5015kWh) BATTERY CONTAINERS COMPRISING OF V&G V&G 5,0 | - 1 x 5015kWh LFP BATTERIES V&G REMOVABLE FLOOR PLATE - 6 x SC210HX (210kVA) PCS REMOVABLE FLOOR PLATES ACCESS DOOR MAIN DOOR | 3,3 14C 13,3 | TOTAL BLOCKS: | 12 4,5 14D | INSTALLED BATTERY CAPACITY: | 240.72MWH USABLE BATTERY CAPACITY | 216.5MWH 14E | (EXCLUDING AUX.): POWER GENERATING FACILITY | 60.48MVA APPARENT POWER RATING: 14F POWER GENERATING FACILITY C-RATE: | 0.25C SITE RATED POWER OUTPUT @POC: | 50MW 5,5 INSTALLED POWER: | 60MW Area available for | TOTAL AREA (RED BOUNDARY) | 11,150 SQM water compensation | FENCING AREA (ORANGE BOUNDARY) | 8,663 SQM BUILDING FOOTPRINT (INSIDE FENCE) | 2,506.73 SQM Battery containers1,207.44 sqm Customer Substation48.9 sqm 50kV Inkoopstation

room21 sqm Main Substation306.39 sqm Pavement923 sqm WATER COMPENSATION AREA | 791.01 SQM Installer Details | Comments | Revision | Description | Revised By | Date | Drawn By | Installation Address | Project A | Issued for comment | MS | 04/05/2023 Anesco Ltd. | Not for Construction | B | Updated with measurements and elevations | MS | 13/12/2023 | RD | Koperslagersweg, | Den Helder Note 1: In the elevations shown in this drawing for MV Stations and Battery Blocks an addition height of 200mm is added | C | Amendments to BESS, fencing and other areas | MS | 15/01/2024 The Green, | from the ground for cable management.(This height is subject to further review and approval.) | D | New Map ovelayed, elevations updated | RD | 22/04/2024 | Bedrijventerrein Easter Park, | E | Updated with 4 hour solution. Distances modified. | PVB | 04/08/2024 | Scale | Title Note 2: Each of the 12 BESS blocks charge/discharge an total amount of 20.06MWh. The output voltage from the 4 (four) | J | Added water mark and new notes for municipality | PVB | 18/12/2024 | Kooypunt, Benyon Road, | battery containers on each BESS block is 0.69V that is then stepped-up to 33kV through a step-up transformer located in | K | Acoustic wall added and Minor adjustments. | PVB | 17/06/2025 | 1:500@m the MV-skid.

The MV-skids are connected to the customer substation, which is a building containing Auxiliary transformer, | A3 | Situatietekening EOS Reading, | switchgears and a control room. From the switchgears, the voltage is stepped-up again to meet the grid values, which is | L | Adjustments required from municipality | PVB | 22/08/2025 | De Kooy, 50kV. That happens through a main 60MVA step-up transformer 33kV/50kV. | M | Adjustments on boundaries and general alignments | PVB | 10/02/2026 RG7 2PQ | Note 3: The dimensions of the substation drawing are conceptual and for illustrative purposes only. | N | Compliance with latest comments from municipality | PVB | 24/02/2026 | Sheet | Den Helder, | Drawing No. | Rev. Tel: 0845 894 4444 | Size | 1786 RA | Q23_0076_01 | N A3

Bijlage 3 Landschappelijk inpassingsplan

BESS KOOYPUNT DEN HELDER DATUM : MAART 2026 PROJECT : DEN HELDER KOOYPUNT BOPA BESS PROJECT OPDRACHTGEVER : ANESCO NEDERLAND B.V, DE HEER M. VAN DE POL PROJECTNR : 20240541 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING GEBIEDSBESCHRIJVING Bedrijvenpark Kooypunt is een bedrijventerrein in de zuidelijkste punt van Den Helder, net onder Vliegveld De Kooy. Het bedrijventerrein ligt ingeklemd tussen het spoor in het westen en in het oosten de A9 en het Noorhollandsch Kanaal. Door deze ligging is het een belangrijk overslagpunt vanuit de havens van Den Helder. Het gebied maakt van oudsher onderdeel uit van polder Het Koegras. Het bedrijvenpark is nog volop in ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich aan de oostelijke rand, vrijwel in het midden. Op het bedrijventerrein wordt ruimte geboden aan productie- en transportbedrijven, maar ook aan ontwikkelingen in regeneratieve energie. BEELDKWALITEIT Volgens het beeldkwaliteitsplan Kooypunt dient de landschappelijke inpassing van de randen van het bedrijvenpark te bestaan uit heesters en bomen. Het plangebied bevindt zich tussen de centrale groene as en de noordoostelijke groene rand. In de huidige situatie zijn deze groenstructuren nog niet volledig ingevuld met beplanting. Het noordelijke deel van de parkstrook is al aangeplant, zoals te zien op de foto’s onder het kaartje.

Daarnaast worden bouwwerken en logo’s op bouwwerken uitgevoerd in niet-felle kleuren, zodat deze passen binnen het beoogde beeldkwaliteitsniveau. Met het voorliggende landschappelijk inpassingsplan (LIP) wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan Kooypunt en de daarbij behorende ruimtelijke ambities. LOCATIE KOOYPUNT DEN HELDER Ruime context bedrijventerrein Luchtfoto plangebied Luchtfoto plangebied met indicatie ontwikkeling De groene as van bedrijventerrein Kooypunt Den Helder Kooypunt Kooypunt Zonneweide VattenfallCentrale groene as Groene rand Plangebied Het Koegras trein A9 Nagelklinkersweg Kooypad Kooyp ad Kooyh aven Kooyhaven Kooyha ven Oostoever weg Touwslagersweg Oo sto ev er weg Schorwe g Blokmakersweg Balgweg Rijksw eg Zeilmake rsweg J. C. d e Le euwwe g Lu chthavenw eg Kete lma kers weg Rij ksw eg Balgweg Sc horweg Kopers lage rsweg Kor tevliet Schrijnwerkersweg Ko pers lag er sweg Bre euwers weg Kete lmake rsweg Takelaarsweg IJzergietersweg Zeilmakersweg J. C. de Leeuwweg Verkeerstoren weg Mas tenm akers we g Lu chthave nw eg Sche epma kersweg Sc heepm ake rsweg Lu cht ha venw eg Sch orwe g Schrijnwerkersweg Middenvliet Ko persla ge rsweg Kor tevl iet Balgweg 3.1 Beeldkwaliteit randen De randen Vanwege de te verwachten soort bedrijven is niet primair gekozen voor het ontwikkelen van een bedrijvenpark als zichtlocatie.

De buitenste schil van het gebied wordt rondom vormgegeven door een groenzone. Beeldbepalend wordt hierbij de forse hoogopgaande groenaanplant met bomen van tenminste de 2de grootte (els, grove den, berk). Op een tweetal locaties is Kooypunt langs de N9 zichtbaar en oriënteren de bedrijven zich naar de N9. De eisen voor deze locaties zijn te vinden in hoofdstuk 2.2. Entree bedrijvenpark Kooypunt De hoofdentree van Kooypunt bevindt zich aan de noordzijde van het plangebied. De hoofdentree sluit aan de op de centrale as, het visitekaartje van bedrijvenpark Kooypunt. 2 / 16 LANDSCHAPPELIJKE KARAKTERISTIEK, BODEM EN HOOGTELIGGING Het plangebied ligt in het oostelijke deel van polder het Koegras: een voormalig stuk Waddenzee dat is ingepolderd bij de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal in het begin van de 19e eeuw. De bodem bestaat hierdoor voornamelijk uit fijn matig zand. Het plangebied is iets hoger gelegen dan het gebied ten zuiden van het water waar het plangebied aan grenst, omdat het land waar het plangebied op ligt is opgehoogd voor de aanleg van het bedrijvenpark. Op dit moment is er stedelijk groen aanwezig in het plangebied. Er worden regelmatig vogels en inheemse planten waargenomen. Deze kwaliteiten kunnen behouden worden in het gebied.

LANDSCHAPPELIJKE ANALYSE Natura2000 (Waddenzee) Kalkhoudende vlakvaaggronden; matig fijn zand Groen in agrarisch gebied Dijk Water Laag Hoog Stedelijk groen NNN (Balgzandpolder & Kooihoekschor) Kalkrijke poldervaaggronden; klei BODEM 1924 1974 RELIËF GROENSTRUCTUUR Vogel Zoogdier Plant Dagvlinder Nachtvlinder Bij/wesp/ hommel Libelle Slak Spin/pissebed BIODIVERSITEIT | LANDSCHAPPELIJKE INPASSING BESS KOOYPUNT DEN HELDER 3 / 16

AANGRENZENDE ONTWIKKELING Zonnepark Vattenfal Ten zuiden van het plangebied heeft Vattenfall recentelijk een zonnepark aangelegd. In de landschappelijke inpassing bij dit zonnepark zijn er in het verlengde van de westelijke grens van het 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 1213 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 195520 | 21 | 22 | 2324 13646 | 17E | 17F17E17F 133091010 | k | k | 13425 7713563 plangebied een aantal bossages langs het water ingetekend, die aansluiten bij de invulling van het park van de centrale groene as. Er vanuitgaande dat de stuiken van deze landschappelijke | 13214 | 17G17G 13474 | 17H17H k k A | inpassing nog zullen worden aangeplant, is het logisch om hierbij aan te sluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2361/documents/27524