CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage III Bureauonderzoek.pdf

Gemeenteraad 15 februari 2021, gemeente Den HelderBij agendapunt: 10: Voorstel tot het vaststellen van bestemmingsplan Parkstraat 24 Julianadorp4.550 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Archeologisch bureauonderzoek Parkstraat 24 te Julianadorp, gemeente Den Helder (NH)

HOLLANDIA reeks XXX

COLOFON Hollandia reeks nr. Titel: Archeologisch bureauonderzoek Parkstraat 24 te Julianadorp, gemeente Den Helder Toponiem: Julianadorp Parkstraat 24 Gemeente: Den Helder (NH) Onderzoeksmeldingsnummer Archis:

4736121100

Hoekcoördinaten: 112476-545621 112501-545616 112497-545582 112471-545586 Auteurs: M.E. Luitjes In opdracht van: Prommenz Harmenkaag 11 1741 LA Schagen Contactpersoon opdrachtgever:

Lotte Borst

Wetenschappelijke leiding:

P.M. Floore

Illustraties:

M.E. Luitjes, tenzij anders vermeld

Definitieve versie:

2019

Oplage: 6 ISSN: 1572-3151

© Hollandia archeologen, Zaandijk 2019 HOLLANDIA archeologen Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk  075 - 622 49 57  info@archeologen.com

Inhoudsopgave Samenvatting 7 1. Inleiding 9 2. Onderzoeksgebied 11 3. Beleid 13 4. Methode 15 5. Aardwetenschappelijke gegevens 17 6. Historische en archeologische gegevens

19

7. Gespecificeerde archeologische verwachting

21

8. Conclusie en advies 23 Literatuur 25 Bijlagen 27

NAAM RAPPORT

7

Samenvatting

In september 2019 heeft Hollandia Archeologen een bureauonderzoek opgesteld voor een onderzoesgebied aan de Parkstraat 24 te Julianadorp, gemeente Den Helder (NH). Hiervoor zijn de relevante historische en archeologische gegevens van het gebied in kaart gebracht. Het onderzoeksgebied ligt in de historische kern van Julianadorp. Het bijbehorende bestemmingsplan ‘Julianadorp Oost 2011’ stelt dat bij werken met een oppervlak boven de 500 m2 en grondroering dieper dan 0,35 m onder maaiveld rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast moet bij de sloop van bestaande bebouwing vooraf een archeoloog worden ingeschakeld die eventuele cultuurhistorische waarden kan documenteren. Het onderzoeksgebied is ca. 920 m2 en de grondroering bij de realisatie van de nieuwbouw zal zeker dieper reiken dan 0,35 m, dus volgens het heersende bestemmingsplan is archeologisch onderzoek noodzakelijk op deze locatie. Op historisch kaartmateriaal en in historische bronnen zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bebouwing binnen het onderzoeksgebied. Op basis van de beschikbare gegevens is aan het plangebied een lage archeologische verwachting voor archeologische sporen en vondsten uit het paleolithicum tot en met de nieuwe tijd toegekend. Deze is enerzijds gebaseerd op de lage trefkans die de IKAW schetst.

Anderzijds is deze gebaseerd op de omvang, karakter en ligging van waarnemingen uit ARCHIS, alsmede de onderzoeksmeldingen en de daaraan verbonden conclusie(s). Verder is deze ook gebaseerd op de gebiedsspecifieke gegevens uit de literatuur die hieromtrent is geschreven. Daarnaast dient ook nog vermeld te worden dat in 1940, teneinde de Duitse opmars te stuiten, het hele gebied ten zuiden van Den Helder onder water werd gezet. Dit heeft ongetwijfeld geleid tot een aanzienlijke verstoring van het bodemprofiel. Advies Geadviseerd wordt om in het onderzoeksgebied geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

8

NAAM RAPPORT

NAAM RAPPORT

9

1. Inleiding

958000. 000

6960000. 000

6962000. 000

6964000. 000

6966000. 000

In september 2019 heeft Hollandia Archeologen, in opdracht van mevr. L. Borst namens Prommenz, een archeologisch bureauonderzoek opgesteld voor een planlocatie aan de Parkstraat 24 te Julianadorp, gemeente Den Helder (NH). Het onderzoeksgebied vormt de tuin bij het huis aan de Parkstraat 24 en is onbebouwd (zie afb. 1). Hier zal nieuwbouw worden gerealiseerd en de hiermee gepaard gaande grondroering zal mogelijk een bedreiging vormen voor het archeologisch bodemarchief. Dit bureaonderzoek brengt bekende historische, archeologische en bodemkundige gegevens van het plangebied en de omgeving in kaart om in een vroeg stadium een zo nauwkeurig mogelijk beeld te vormen van de te verwachten archeologische resten. Op basis daarvan wordt een advies geformuleerd waarop de gemeente Den Helder besluit over eventueel te nemen vervolgstappen. In Archis is het onderzoek aangemeld onder onderzoeksmeldingsnummer 4736121100.

522000. 000

524000. 000

526000. 000

528000. 000

Afbeelding 1: Luchtfoto van het onderzoeksgebied (rode stip)

530000. 000

NAAM RAPPORT

10

2. Onderzoeksgebied

6963250. 000

6963500. 000

6963750. 000

6964000. 000

6964250. 000

De RD-coördinaten van het onderzoeksgebied zijn: 112476/545621 (NW), 112501/545616 (NO), 112497/545582 (ZO) en 112471/545586 (ZW). De nieuwbouw zal worden gerealiseerd in de huidige tuin van het huis aan de Parkstraat 24. Het totale oppervlak van het onderzoeksgebied bedraagt ca. 920 m2 (zie afb. 2). Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) ligt het onderzoeksgebied binnen een terrein met een lage kans op het aantrefen van archeologische sporen.

528750. 000

529000. 000

529250. 000

529500. 000

529750. 000

Afbeelding 2: Luchtfoto van het onderzoeksgebied (rood kader)

530000. 000

NAAM RAPPORT

11

3. Beleid

In 2006 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Holland het beleidskader Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen archeologische terreinen zoveel mogelijk behouden te blijven en ingepast te worden in de nieuwe ruimtelijke structuur. Terreinen van zeer hoge waarde envan hoge waarde dienen in het bestemmingsplan te worden opgenomen en beschermd. Bij ontwikkeling geldt dat werkzaamheden die kunnen leiden tot aantasting van de aanwezige waarden vergunningsplichtig zijn. Archeologische overblijfselen moeten door een archeologisch vooronderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium worden gelokaliseerd. Waardevolle vindplaatsen die niet behouden kunnen blijven moeten voorafgaand aan de planuitvoering worden onderzocht door opgraving. De provincie bepleit om bij planontwikkeling de cultuurhistorische waarden in een zo vroeg mogelijkstadium te inventariseren en bij het ruimtelijk ontwerp zoveel mogelijk in te passen. In de Beleidsnota Cultuurhistorische waarden Den Helder (2001) geeft de gemeente een algemene aanzet voor het cultuurhistorische beleid in Den Helder. Het beleid voor de historische (steden)bouwkunst, archeologie en historische geografie is gericht op het: inventariseren en documenteren van cultuurhistorische waarden, behouden, ontwikkelen of versterken van cultuurhistorische waarden, en vergroten van de bewustwording over de cultuurhistorie.

Op basis van de beleidsnota ‘Cultuurhistorischewaarden Den Helder’ (2001) hanteert de gemeente Den Helder als uitgangspunt dat archeologie in een vroeg stadium van planontwikkeling wordt onderzocht. Daarnaast heeft de gemeente Den Helder een archeologische beleidskaart opgesteld, met plaatsen waar archeologische sporen verwacht kunnen worden. De gemeente Den Helder heeft als uitgangspunt dat bij sloop van bestaande bebouwing, of bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, getoetst dient te worden of er bouwhistorische of, in de ondergrond, archeologische waarden aanwezig zijn. Is dit het geval, dan dienen deze waarden gedocumenteerd te worden door een archeoloog respectievelijk bouwhistoricus, zodat informatie over de ontwikkelingsgeschiedenis van de stad niet verloren gaat. Voor dit onderzoeksgeied geldt het bestemmingsplan ‘Julianadorp Oost 2011’. Hierin is opgenomen dat bij werken met een oppervlak boven de 500 m2 en grondroering dieper dan 0,35 m onder maaiveld rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Bij het realiseren van de nieuwbouw zal in iedergeval dieper dan 0,35 m onder maaiveld worden gegraven, dus een archeologisch onderzoek vooraf is noodzakelijk.

NAAM RAPPORT

12

4. Methode

Het doel van een bureauonderzoek is om aan de hand van bestaande bronnen informatie te verzamelen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen een bepaald gebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de datering, gaafheid en conservering en de relatieve kwaliteit van de archeologische waarden. Afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, de aard van de aanleiding tot het onderzoek en de vraagstelling (welke archeologische waarden kunnen binnen het plangebied verwacht worden? En in hoeverre zullen de graafwerkzaamheden deze archeologische resten bedreigen?) zullen aanvullende gegevens verzameld dienen te worden. Het bureauonderzoek resulteert in een rapport met een gespecificeerd verwachtingsmodel. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt een (selectie)advies gegeven. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Den Helder, kan hierop een (selectie)besluit maken ten aanzien van (eventueel) vervolgonderzoek. Tevens kan door middel van het bureauonderzoek in een vroeg stadium rekening worden gehouden in de planvorming met aanwezige archeologische waarden in de bodem. Bij een bureauonderzoek worden, indien voorhanden, bronnen geraadpleegd die informatie verschaffen over de geologie en archeologie van het betreffende gebied. Onder andere wordt gebruik gemaakt van: 1.

Kaartmateriaal, zoals bodemkundige, geomorfologische, geologische en historische kaartgegevens, evenals beleidskaarten zoals gemeentelijke en provinciale verwachtingskaarten. 2. Gegevens omtrent eerder verricht onderzoek en vondstmeldingen in het gebied uit de database van het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). 3. Relevante geologische, historische en archeologische literatuur.

NAAM RAPPORT

13

5. Aardwetenschappelijke gegevens

De onstaanswijze van het gebied hangt samen met de stijgende zeespiegel in het Holoceen. Perioden met grote invloed van de zee werden afgewisseld met perioden waarin de zee zich juist terugtrok. In het plangebied liggen dan ook holocene afzettingen, die voornamelijk zijn afgezet door de zee (zeeklei en -zand). In de diepere ondergrond ligt het pleistocene oppervlak, dat bestaat uit dekzand. In de koudste en droogste perioden van de laatste ijstijd was de vegetatie vrijwel verdwenen. Er kon op grote schaal verstuiving optreden en er werd dekzand afgezet. Dit wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Door de zeespiegelstijging en daarmee ook de stijging van de grondwaterspiegel iser veen gevormd op het pleistocene oppervlak. Dit is de Basisveen Laag die behoort tot de Formatie van Nieuwkoop. Het huidige Julianadorp ligt in het centrum van de Koegras polder. Hier ligt de onderkant van de Basisveen Laag op een diepte van ca. 4,0-6,0 m -NAP. De zee heeft er voor gezorgd dat dit veen op veel plaatsen erodeerde en dat het Laagpakket van Wormer, van de Formatie van Naaldwijk, werd afgezet (zeeklei en -zand). Waar het Basisveen nog aanwezig is, is het een 1-70 cm dikke laag. Achter de strandwallen ontstond een lagune, waarin op grote schaal veenvorming plaatsvond.

Dit is het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop, maar het grootste deel van dit veenpakket is verdwenen door oxidatie of erosie. Met de vorming van nieuwe zeegaten als het Marsdiep, Heersdiep (ter hoogte van Julianadorp) en de Zijpe in de 12e eeuw, kreeg de zee weer meer invloed op het gebied en trad er veel erosie op. Hierbij werd kalkrijke klei afgezet; het Laagpakket van Walcheren van de Formatie van Naaldwijk. Deze kalkrijke klei is ook te vinden in de polder en is minder geschikt voor bewoning. Het onderzoeksgebied zal in een getijdenlandschap hebben gelegen. Rond 1500 werden enorme pakketten zand afgezet in de Kop van Noord-Holland door de sterke kusterosie. Via het Heersdiep werd er in de Koegraspolder kalkhoudend, fijn zand afgezet. Deze strandafzettingen zijn ca. 50-150 cm dik; de dikte neemt geleidelijk af naar het oosten toe. Deze afzettingen behoren ook tot de Formatie van Naaldwijk. De zandplaten waren op gegeven moment hoog genoeg en vielen soms tijdelijk droog, waardoor het zand verstoof. In de Koegraspolder ontstonden hierdoor veel kleine duintje (nollen). Deze nollen zijn echter afgegraven en geëgaliseerd om de bloembollenteelt te faciliteren en zijn hierdoor bijna allemaal verdwenen (Kerkhoven 2013). Geomorfologie en bodem Het onderzoeksgebied is niet geclassificeerd op de Geomorfologische kaart van 2008.

De locatie wordt echter wel omringd door gronden met code M76; ingesloten strandvlaktes (2M76ysV). Op de bodemkaart staat het gebied aangegeven als |h BEBOUW, wat staat voor bebouwing. De locatie wordt echter wel omringd door gronden met code Zn50a, wat staat voor kalkhoudende vlakvaggronden; matig fijn zand. Volgens het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) ligt de Parkstraat 24 tussen de 0,2 en 0,4 m +NAP.

14

NAAM RAPPORT

Afbeelding 3: schets van de Atlantikwall rond Julianadorp. Bron: Kerkhoven 2013

Afbeelding 4: Uitsnede van het Bonneblad uit 1917 (Archis3). Rode stip geeft het onderzoeksgebied aan. Niet op schaal, noorden is boven.

NAAM RAPPORT

15

6. Historische en archeologische gegevens

Het huidige Julianadorp vormt het centrum van de polder ‘het Koegras’. De Koegraspolder is langzaam tot stand gekomen. Het eerste begin bestond uit de aanleg van de Oldebarneveldsedijk in 1570 en de polder kreeg vaste vorm met de aanleg van het Noordhollands Kanaal vanaf 1800 en de realisatie van de Koegras Zeedijk tussen 1819 en 1824 (Kerkhoven 2013). De inpoldering was compleet in 1824. De eerste bebouwing in het huidige Julianadorp was de lagere school in 1836 en was bedoeld voor kinderen uit Koegras en Callantsoog. Deze school werd in 1871 herbouwd in steen, de Eerste Gemeenteschool. In 1907 werd er dichtbij deze school een buurtschap gerealiseerd waar ambachtslieden en neringdoenden zich vestigden. In 1909 werd de eerste kerk gebouwd, de huidige Ontmoetingskerk, en het buurtschap groeide hiermee uit tot een dorp. Dit dorp kreeg de naam Loopuytdorp, naar de financierder van de Eerste Gemeenteschool, Pieter Loopuyt. Hier was de familie Loopuyt zelf echter niet blij mee. De kleinzoon van deze Pieter Loopuyt verzocht in 1909, naar aanleiding van de geboorte van de prinses Juliana in dit jaar, aan het Koninklijk Huis het nieuwe dorp Julianadorp te mogen noemen en dit verzoek werd ingewilligd. Zo werd de officiele stichtingsdatum van Julianadorp 8 oktober 1909. In de Tweede Wereldoorlog waren de Duitsers niet blij met deze plaatsnaam, gezien de relatie met het koningshuis.

Zij veranderden de naam daarom terug in Loopuytdorp en ook straatnamen werden aagepast. Na de bevrijding kreeg het dorp zijn oude naam weer terug. (https://www.plaatsengids.nl/julianadorp). Ten zuiden van Julianadorp groef men vanuit het Noordhollands kanaal tot aan de duinrand een natte anti-tankgracht die in de duinen overgingen in betonnen obstakels/hindernissen. Ter hoogte van Julianadorp werd tevens een zwaar verdedigd landfort gebouwd. Het was onderdeel van de tweede fase van de Atlantikwall, een verdedigingslinie met versterkingen, forten en bunkers die vanuit Noorwegen en Denemarken via Duitsland, Nederland, België, Frankrijk naar Spanje zou moeten gaan lopen. Deze nooit helemaal voltooide linie zou voor de Duitsers een verdediging vormen tegen geallieerde aanvallen. Het gedeelte van de Atlantikwall ten westen, zuiden en oosten van Julianadorp diende als verdedigingslinie tegen aanvallen vanuit het zuiden over land en aanvallen over zee vanuit het westen. De verdediging was bedoeld voor het op vier kilometer ten noorden van Julianadorp gelegen vliegveld De Kooy en de rijksscheepswerf en marinehaven in de stad Den Helder.

Rondom Julianadorp werd deze verdedigingslinie gevormd door de Alte Südlinie (evenwijdig aan de Middenvliet, ten noorden van Julianadorp), de Neue Südlinie (ten zuiden van het dorp), de kustlinie in de duinen en de linie langs de rijksweg N9 naar het noorden. De zuidelijke verdedigingslinie (Neue Südlinie) volgde een traject vanaf het Noordhollands kanaal, kruiste eerst de Rijksweg N9 bij de afslag Schoolweg en ging om Julianadorp heen, verder tot de Zandddijk bij strandslag Julianadorp, vervolgens aansluitend over de duinen via de Zanddijk tot aan de Noordzeekust met als eindpunt strandpaal nummer 6. De linie bestond uit een wegversperring over en

NAAM RAPPORT

16

Archisnummer Type onderzoek 2114434100 2145255100 2115455100

2405598100 3133763100

3133755100

3136996100

Beschrijving van de vondsten

Bureau- en boor- 8 boringen tot 4,5-5,7 m -mv, geen indicatoren voor archeologische onderzoek sporen, geen advies voor aanvullend onderzoek. Bureauonderzoek Advies voor booronderzoek, voornamelijk om de verdedigingslinie en andere resten uit WOII in kaart te brengen. Bureau- en boor- 11 boringen tot 4,0 m -mv, geen indicatoren voor archeologische sporen, onderzoek geen advies voor aanvullend onderzoek. Enkel recent bouwpuin in de geroerde bovengrond. De ligging van de tankgracht is vastgesteld. Bureauonderzoek Geen advies voor aanvullend onderzoek. Graafwerk ‘Materiaal gevonden in uitgeworpen grond uit bermsloot naast nieuwe (‘‘ tekst afkomstig weg. Diepte niet meer na te gaan (waarschijnlijk op of uit het veen). van rcc-fiche) Op korte afstand van deze plek werden bij eerder graafwerk menselijke skeletresten gevonden’. Het zou om laat-middeleeuws kogelpotaardewerk en dierlijk bot gaan. Graafwerk (‘‘tekst ‘Opgespit uit rioleringssleuf; diepte onbekend. Materiaal zat op of in het afkomstig van veen, mogelijk verspoeld.’ Het zou gaan om ‘meerdere menselijke skeletrcc-fiche) delen uit de bronstijd-vroege middeleeuwen’. Veldkartering Vondst uit een bouwput (exacte locatie onbekend), ‘mesolithische vondsten uit afgedekt dekzandduin dat de top van het laagterras vormt, op een vaste B-laag’. Dit betrof vuursteen uit het mesolithicum.

Tabel 1: Overzicht van de onderzoeken die in de nabijheid van het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd.

NAAM RAPPORT

17

langs de Rijksweg, een anti-tankgracht vanaf de Rijksweg N9 tot aan de duinen van 20 meter breed, met een diepe geul over de halve breedte. Langs de anti-tankgracht werden, verspreid, ongeveer 25 bunkers gebouwd, van verschillend formaat, met een eigen functie, zoals geschutsbunkers, gevechtsschuilplaatsen, woonschuilplaatsen, watertankbergplaatsen en munitiebergplaatsen. De anti-tankgracht liep dwars door het huidige Julianadorp, en liep parallel aan de Schoolweg. Net buiten het plangebied, aan de Parkstraat, grenzend aan de Landbouwstraat, werd een klein complex van drie bunkers (waterbunker, schuilbunker en een grote bunker als gevechtsschuilplaats) gebouwd. Ten noorden van de Schoolweg, tegenover het Loopuytpark (net noordelijk van het plangebied) staan tevens twee bunkers (van der Kuijl, Hagens 2007) (zie afb. 3). Volgens het Bonneblad van 1917 wordt het onderzoeksgebied voor het eerst in gebruik genomen als boomgaard in 1917 (zie afb. 4). Hiervoor lijkt het gebied steeds onbebouwd te zijn. Vanaf de jaren ‘50 wordt de eerste echte bebouwing gerealiseerd in het onderzoeksgebied. Het Delpher archief en het Regionaal Archief van Den Helder, dat is verplaatst naar het Regionaal Archief van Alkmaar, leverden voor de locatie specifiek geen extra informatie op.

In de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn voornamelijk bureauonderzoeken gedaan, met een enkel booronderzoek en een veldkartering (zie tabel 1). Op de locatie zelf is nog geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het graafwerk en de veldkartering zijn uitgevoerd in 1956 en 1976 en het materiaal dat tijdens dit werk gevonden is, is slecht gedocumenteerd waardoor de vondstlocaties (geheel) onbekend zijn.

18

7. Gespecificeerde archeologische verwachting

Periode

Verwachting laag

Diepte t.o.v. maaiveld n.v.t.

Omschrijving van de te verwachten resten n.v.t.

Prehistorie (paleolithicum tot en met mesolithicum) Prehistorie (neolithicum tot en met bronstijd) Prehistorie (bronstijd tot en met ijzertijd) Romeinse tijd Middeleeuwen Nieuwe tijd

laag

n.v.t.

n.v.t.

laag

n.v.t.

n.v.t.

laag laag laag

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Het booronderzoek uitgevoerd door ADC (2114434100) geeft een goed beeld van de mogelijke bodemopbouw van het onderzoeksgebied. De bovenste 40-50 cm bestaat uit de bouwvoor, die geheel homogeen van uiterlijk en samenstelling is en waarin geen archeologische indicatoren zijn gevonden. Gezien het gebruik van het plangebied als landbouwgrond (egalisatie, ploegen) kan vastgesteld worden dat deze bovenste laag waarschijnlijk is verstoord. Mogelijke overblijfselen van bewoning uit de Nieuwe tijd, die zich in deze bovenste 30 cm zouden bevinden, zullen door deze verstoring verdwenen zijn. Onder de bouwvoor zit een zandpakket van 100-150 cm (tot een gemiddelde diepte van 165 cm –mv) met veel marine indicatoren (schelpjes) waarin geen archeologische indicatoren zijn gevonden. Dit komt overeen met het historische beeld dat met deze laag in relatie moet worden gebracht (zandvlakte waarop lange tijd geen bewoning heeft plaatsgevonden). Onder de zandlaag zit een kleipakket met op verschillende plekken dunne veenbandjes. Het gaat om kalkrijke blauwgrijze klei, met veel schelpjes en humeuze bandjes. De dikte van dit pakket loopt zeer uiteen, van 55 tot 170 cm. De onderlaag van dit pakket zit op een diepte van gemiddeld 250 cm –mv.

De grote variatie in de opbouw van deze laag, de vele marine indicatoren en de dunne veenbandjes geven een onrustig beeld, wat aangeeft dat de genese van deze laag met veel activiteit van water was gemoeid. Dit betekent dat de bovenlaag van het eronder gelegen pakket (het Hollandsveen) hoogstwaarschijnlijk is geërodeerd, waarbij mogelijke sporen van bewoning (die zich aan het oppervlak van die laag zouden moeten manifesteren) zijn verdwenen. Bewoning tijdens de vorming van deze laag is onwaarschijnlijk (gebied heeft in die tijd grotendeels onder water gestaan). In zes van de acht boringen is vervolgens een veenlaag te zien. Dit is het Hollandveen, met een dikte van 20 tot 225 cm. De onderlaag van dit pakket zit op een gemiddelde diepte van 370 cm –mv. Mogelijke archeologische indicatoren moeten aan de top van deze laag zichtbaar zijn geweest. Gezien de grote kans op erosie (zie hierboven) van deze toplaag is het niet verwonderlijk dat ook hier geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Onder het Hollandsveenpakket zit weer een kleipakket, waarin geen archeologische indicatoren te verwachten waren. Dit pakket heeft een dikte van ongeveer 300 cm, tot een diepte van 700 cm –mv. Hieronder zal zich waarschijnlijk nog basisveen en daaronder pleistoceen zand bevinden.

NAAM RAPPORT

19

8. Conclusie en advies

Voor het archeologisch bureauonderzoek naar de onderzoekslocatie aan de Parkstraat 24 te Julianadorp, gemeente Den Helder (NH) zijn de relevante bodemkundige, historische en archeologische gegevens in kaart gebracht. Het onderzoeksgebied ligt in de historische kern van Julianadorp. Het bijbehorende bestemmingsplan ‘Julianadorp Oost 2011’ stelt dat bij werken met een oppervlak boven de 500 m2 en grondroering dieper dan 0,35 m onder maaiveld rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast moet bij de sloop van bestaande bebouwing vooraf een archeoloog worden ingeschakeld die eventuele cultuurhistorische waarden kan documenteren. Op basis van de beschikbare gegevens is aan het plangebied een lage archeologische verwachting voor archeologische sporen en vondsten uit het paleolithicum tot en met de nieuwe tijd toegekend. Deze is enerzijds gebaseerd op de lage trefkans die de IKAW schetst. Anderzijds is deze gebaseerd op de omvang, karakter en ligging van waarnemingen uit ARCHIS, alsmede de onderzoeksmeldingen en de daaraan verbonden conclusie(s). Verder is deze ook gebaseerd op de gebiedsspecifieke gegevens uit de literatuur die hieromtrent is geschreven. Daarnaast dient ook nog vermeld te worden dat in 1940, teneinde de Duitse opmars te stuiten, het hele gebied ten zuiden van Den Helder onder water werd gezet.

Dit heeft ongetwijfeld geleid tot een aanzienlijke verstoring van het bodemprofiel. Advies Geadviseerd wordt om in het onderzoeksgebied geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

NAAM RAPPORT

20

Literatuur

Jeneson, C.F. (2006). Julianadorp - De Nieuwe Riepel. Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen, Amersfoort. Kerkhoven, A.A. (2013). Multifunctioneel centrum Middelzand te Julianadorp, gemeente Den Helder. Transect-rapport 269. Kruif, de S. (2006). Nieuwbouw Juniorcollege in Julianadorp, gemeente Den Helder; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek, Amsterdam. Kuijl, van der E.E.A., Hagens, D. (2007). Bureauonderzoek Julianadorp Oost te Den Helder, Den Helder. Synthegra Rapport P0501618.

Bijlagen Inhoudsopgave Bijlage 1: Archeologische perioden Bijalge 2: Archeologische stappenplan

NAAM RAPPORT

Bijlage 1: Archeologische perioden

23

24

25

Bijlage 2: Archeologische stappenplan In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gericht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijke-ordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen - over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder). Een bureauonderzoek bestaat uit een archiefen literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RCE, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v.

universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: * aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat. Dit in verband met het bepalen van het onderzoekskader; * beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens; * beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch geografische gegevens o een korte impressie over de onstaansgeschiedenis van het landschap o een impressie van de bewoningsgeschiedenis; * beschrijven bekende archeologische waarden o archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RCE. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische escherming te krijgen binnen het bestemmingsplan; o archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn.

Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewonings-sporen uit het verleden; * beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden: o aan de hand van de door de RCE ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch

26

onderzoek in aanmerking; o aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart; * rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces. II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gericht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: * non-destructieve methoden: geofysische methoden ; * weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); * destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies.

Nadere toelichting onderzoeksmethoden: 1 en 2: Bij non-destructieve methoden moet men denken aan elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden, eventueel in combinatie met remote sensing technieken. Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek . Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven. Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is.

Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem).

27

Eventueel: III. Opgraven ofwel archeologisch vervolgonderzoek Indien het niet mogelijk is een ‘behoudenswaardige of beschermenswaardige’ vindplaats in situ te bewaren, zal het hier aanwezige bodemarchief voor het nageslacht bewaard dienen te worden door middel van een vlakdekkend onderzoek. Alleen dan is deze stap (stap III) noodzakelijk. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1627/documents/15062