Bijlage A - Wijzigingbesluit Verordening Fysieke Leefomgeving.pdf
Tekst van het document
Tweede lid
De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 6.1, lid g van de VFL). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Ow en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.
Artikel 6.7 Voorbescherming
Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden.
De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten. De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Ow via de definities ‘voorbeschermd rijksmonument’ en ‘rijksmonumentenactiviteit’ en de vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningplichtig en betreft gelet op de definitie ook voorbeschermde rijksmonumenten. In de definitie van ‘voorbeschermd rijksmonument’ staat wat er onder wordt verstaan.
Artikel 6.8 Advies gemeentelijke adviescommissie
Onder de Ow zal op basis van artikel 17.9 een gemeentelijke adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Ow) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Ow) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Ow maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk. De gemeentelijke adviescommissie is geregeld in het door de gemeenteraad van Den Helder op 2 juni 2020 genomen Instellingsbesluit Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit.
In dit artikel is geregeld dat burgemeester en wethouders bij deze commissie advies inwinnen over het voornemen tot aanwijzing van een gemeentelijk monument. Burgemeester en wethouders betrekken dit advies vervolgens bij het besluit tot aanwijzing,
Artikel 6.9 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
Met de in het eerste lid opgenomen beslistermijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).
Artikel 6.10 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving
Eerste lid
Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wkpb. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.
Tweede lid
De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wkpb.
Artikel 6.11 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 6.8 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.
Artikel 6.12 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale omgevingsverordening.
Artikel 6.13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument
Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met
inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Het verbod op beschadigen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten wordt onder de Ow geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal).
Artikel 6.14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument
Dit artikel is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het overgangsrecht van de Ow tot en met 2029 inhoudelijk zoveel mogelijk gelijk gebleven. Wel is een bepaling conform artikel 3.11 van het Bal onder andere handelend over rijksmonumentenactiviteiten bij begraafplaatsen en grafmonumenten toegevoegd.
Artikel 6.15 Weigeringsgronden
In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Dit geldt ook deels voor artikel 16.58 van de Ow, maar er is geen gebruik gemaakt van het eerste lid van dit artikel waarin wordt gesproken over “overleg” en niet over “overeenstemming” omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft. Omdat de regels voor en doelstelling van deze vergunningsregeling van artikel 6.14 en 6.15 uitsluitend betrekking hebben op de bescherming van het erfgoed zijn de algemene weigeringsgronden van artikel 1.7 in dit artikel uitgezonderd.
Artikel 6.16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht
Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen die vervolgens krachtens het omgevingsplan moeten worden beschermd. Met de inwerkingtreding van de Ow is het aanwijzen gemeentelijke van stads- of dorpsgezichten mogelijk via deze verordening (tot het eind van de overgangsfase) of het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht gelden de artikelen 5.1 en 5.22 van de Ow en van gemeentelijke monumenten artikel 6.13. Ook het Rijk regelt de bescherming van nieuwe stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis op basis van de Ow via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Voor bestaande rijksbeschermde stadsen dorpsgezichten geldt artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zevende lid
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op een stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd heeft op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Ow, of provinciaal beschermd heeft op grond van artikel 2.33, eerste lid, van de Ow.
Artikel 6.17. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.
Artikel 6.18 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning
Artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Ow geeft de gemeenten de mogelijkheid een dergelijke verplichting op te nemen als een omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan. Totdat het omgevingsplan is aangepast, kan het verbod in de Erfgoedverordening blijven staan, in aanvulling op het overgangsrecht ten aanzien van de 2.2 van de Wabo activiteiten. De Ow regelt in de artikelen 22.2, 22.8 en 2.1a van het Omgevingsbesluit het overgangsrecht.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.1 Strafbepaling
Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Art 154, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de maximale boete die de gemeenteraad op overtreding van verordeningen kan stellen een geldboete van de tweede categorie is. Artikel 7.1 regelt dat het niet-naleven van de in dit artikel genoemde bepalingen van de VFL genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert.
De strafbaarstelling geldt in aanvulling op de Ow en de Wet economische delicten (hierna: Wed). Het handelen zonder vergunning zoals vereist op grond van de artikelen 2.3, 3.3, 5.2, 6.14, eerste lid en 6.18 is strafbaar gesteld in de Wed. Voor inwerkingtreding van de Ow was dit ook strafbaar op grond van de Wed, onder verwijzing naar artikel 2.2 van de Wabo.
De bepalingen van artikel 6.13 en artikel 6.14, derde lid waren al strafbaar gesteld in de (voormalige) erfgoedverordening. Deze strafbaarstelling is ongewijzigd overgenomen in de VFL. Artikel 6.13 bevat de instandhoudingsverplichting van een gemeentelijk monument, zolang deze regel of verplichting nog niet in het omgevingsplan is opgenomen. Als wordt gehandeld in strijd met de instandhoudingsverplichting, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd. Artikel 6.14, derde lid, geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om nadere regels te stellen in het belang van de monumentenzorg met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Als die nadere regels worden overtreden, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd.
Voor de overige bepalingen van hoofdstuk 2 tot en met 5 aansluiting gezocht bij de bestaande strafbaarheidsbepalingen van de APV. Deze strafbaarheidsstelling is in de VFL overgenomen en in op de in artikel 7.1 genoemde bepalingen van deze hoofdstukken van toepassing verklaard. Artikel; 2.5 bevat een aanschrijvingsregeling en een verbod met betrekking gevelde iepen. Artikel 3.2 bevat een verbodsbepaling betrekking tot het aanleggen, beschadigen of veranderen van een uitweg. Artikel 3.4 bevat een verbodsregeling met betrekking tot geveltuintjes Artikel 3.5 bevat een verplicht tot het toelaten van voorzieningen voor verkeer en verlichting en artikel 4.2 bevat een verbod voor het permanent aanwezig hebben van een voorwerp op, in of boven openbaar water. Als wordt gehandeld in strijd met deze verboden, verplichtingen of de krachtens deze artikelen nader gestelde regels, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd.
Voor een meer uitgebreide uitleg over de strafbaarstelling wordt hier verder kortheidshalve verwijzen naar de toelichting van de APV.
Artikel 7.2 Toezichthouders
In dit artikel – en eventueel krachtens dit artikel, door het college dan wel door de burgemeester – worden de toezichthouders aangewezen.
Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend.
De regels van dit artikel zijn gebaseerd op de bepalingen over het aanwijzen van toezichthouders van de APV en de (voormalige) erfgoedverordening. Dat betekent dat dit toezicht inhoudelijk niet verandert. De personen die door burgemeester en wethouders volgens het tweede lid van dit artikel kunnen worden aangewezen als toezichthouders op naleving van de erfgoedbepalingen (hoofdstuk 6) van de VFL zijn dezelfde personen als de personen die volgens de voormalige erfgoedverordening met dit toezicht konden worden belast. En de toezichthouders die waren belast met de APV bepalingen die nu in hoofdstuk 2 tot en met 5 van de VFL zijn opgenomen zijn dezelfde toezichthouders als de
personen/functionarissen die in het eerste lid als toezichthouders zijn aangewezen of op grond van dat lid als toezichthouder kunnen worden aangewezen.
Hierbij past de opmerking dat de Ow zijn eigen aanwijzingsregeling voor toezichthouders kent (artikel 18.6 Ow). De VFL is, zoals hiervoor toegelicht, een gemeentelijke verordening waarvan het de bedoeling is dat de bepalingen van deze verordening tijdens de overgangsfase zullen worden overgezet naar het omgevingsplan. Zolang deze bepalingen nog in deze verordening staan, zijn er dus al toezichthouders aangewezen voor het toezicht op het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Zodra deze regels overgaan naar het omgevingsplan, worden zijn er toezichthouders aangewezen voor het toezicht op het bepaalde bij of krachtens de Ow, waaronder dus het omgevingsplan.
Voor een meer uitgebreide toelichting met betrekking tot de aanwijzing van toezichthouders wordt hier kortheidshalve verwezen naar de toelichting van de APV.
Artikel 7.3 Binnentreden woningen
Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend voor alle plaatsen (dit is een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen), met uitzondering van het binnen treden van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde ‘huisrecht’ regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed.
Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de raad de bevoegdheid om bij verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In dit artikel wordt gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. Dit is in lijn met de in de APV al opgenomen regeling voor het binnentreden van woningen. Ook op grond van de erfgoedverordening was in het kader van het houden van toezicht op de naleving van deze verordening via artikel 5.13 van de Wabo het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner(s) al mogelijk.
Overigens kan een woning (zonder toestemming van de bewoner) op grond van dit artikel nog niet ‘zomaar’ worden betreden. Er moet aanvullend nog worden voldaan aan de vormvoorschriften van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). Dit houdt onder meer in dat voor het binnentreden een
machtiging moet zijn verleend. Ook als de bewoner wel instemt met het binnentreden moeten daarbij door de toezichthouder op grond van de Awbi enkele vormvoorschriften in acht worden genomen.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
Artikel 8.1 Intrekking
Omdat alle bepalingen van de gemeentelijke erfgoedverordening zijn opgenomen in de VFL kan deze komen te vervallen. In artikel 8.1 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude erfgoedverordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt.
Artikel 8.2 Overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht van de VFL opgenomen. Met dit overgangsrecht word in de eerste plaats gewaarborgd dat besluiten die genomen zijn op grond van de verordeningsregels van de APV en de erfgoedverordening zoals die golden voor de inwerkingtreding van de VFL hun rechtskracht blijven behouden. Daarbij gaat het niet alleen om bestaande vergunningen en ontheffingen maar onder meer ook op aanwijzingsbesluiten zoals bijvoorbeeld aangewezen gemeentelijke monumenten, de lijst met beschermingswaardige bomen etc.
In de tweede plaats wordt met dit overgangsrecht geregeld dat op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, die nog niet zijn afgehandeld wordt beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc).
Artikel 8.3 Inwerkingtreding
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de VFL. Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is aangewezen.
De tekst en bepalingen van deze verordening zijn afgestemd op de Ow. Daaruit vloeit voort dat deze verordening in werking kan treden op het moment dat de Ow in inwerking is getreden. Aldus voorziet dit artikel in de inwerkingtreding van deze verordening zodat de Ow in werking treedt.