CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A - Wijzigingbesluit Verordening Fysieke Leefomgeving.pdf

Gemeenteraad 22 april 2025, gemeente Den HelderBij agendapunt: 10: Voorstel tot het wijzigen van de Verordening Fysieke Leefomgeving.11.978 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Den Helder, houdende wijziging van de Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder De raad van de gemeente Den Helder; gelezen het raadsvoorstel nummer [nummer] van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van [datum] 2024; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; kennis genomen hebbende van de voorbereidende commissievergadering [naam commissie] op [datum]; besluit: de Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder als volgt te wijzigen:

Artikel 1 Wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder A. Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd: a. lid 1, onderdeel e. komt te luiden: e. bosplantsoen: een houtopstand die bestaat uit struiken en/of bomen eventueel in combinatie met boomvormers, struikvormers, naaldhoutsoorten en/of onder begroeiing (bv. kruiden, planten etc.) die zich bevindt op een erf of terrein; b. in lid 1, onder g. en onder n. wordt ‘120 m2’ vervangen door: ‘450 m2’; c. in lid 1, onder h. komt te luiden: h. één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; d. lid 2 komt te luiden: 2. In dit hoofdstuk wordt onder vellen mede verstaan: het rooien, met inbegrip van verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen en dunning, alsmede het verrichten van handelingen, zowel bovengronds als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand ten gevolge kunnen hebben. B. Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd: a. lid 3, onder g. vervalt; b. lid 4 komt te luiden: 4. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een vergunningsplichtige houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen vooruitlopend op een omgevingsvergunning. C.

In artikel 2.5, lid 2 wordt na ‘Indien zich op een perceel’ het woord ‘een’ vervangen door: ‘één’.

D. Artikel 3.3 wordt als volgt gewijzigd: a. lid 2, onderdeel c. komt te luiden: c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving als: 1. na realisering van de uitweg parkeren plaatsvindt voor de voorgevelrooilijn, of; 2. anderszins afbreuk wordt gedaan aan de beeldkwaliteit en de beleving van de openbare ruimte van de betreffende omgeving. b. aan lid 2 worden na e. een nieuw onderdeel f. toegevoegd dat luidt als volgt: f. het behoud van openbare parkeerplaatsen; c. lid 3 wordt vernummerd tot lid 4, en er wordt een nieuw lid 3 ingevoegd, luidende: 3. In aanvulling op het tweede lid kan de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid ook worden geweigerd als het gebruik van de uitweg in strijd is met het omgevingsplan.

Artikel 2 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag na die waarop dit besluit is bekendgemaakt in het elektronisch Gemeenteblad.

Aldus besloten in de raadsvergadering van [datum] 2025.

voorzitter, J.A. de Boer MSc.

griffier, mr. drs. M. Huisman

Toelichting bij Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder

Algemeen

De Verordening Fysieke Leefomgeving Den Helder (hierna: VFL) is opgebouwd uit regels afkomstig van de Algemene Plaatselijke Verordening Den Helder 2021 (hierna: APV) en de (voormalige) Erfgoedverordening Den Helder 2017. Het gaat om verordeningsregels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving waarvan nu in elk geval (al) aannemelijk is dat deze op grond van de Omgevingswet (hierna: Ow) uiteindelijk in het gemeentelijke omgevingsplan (moeten) worden geïntegreerd. Het betreft voornamelijk regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving op onderdelen wijzigen. Dit zijn activiteiten die een blijvende en tastbare wijziging van de fysieke leefomgeving teweeg brengen. Daarnaast betreft het verordeningsregels die nauw samenhangen met de regels over deze activiteiten en waarvan het wenselijk of logisch is om die samenhang in de bepalingen van de VFL te bewaren. Meer specifiek voor het cultuurerfgoed geldt bovendien dat de bescherming daarvan uiteindelijk primair in het omgevingsplan moet worden geregeld en niet meer in een (aparte) verordening.

De VFL is bedoeld als een eerste stap om te komen tot deze integratie door de verschillende regels en vergunningstelsels bij elkaar te zetten in één verordening voor de fysieke leefomgeving. De betreffende verordeningsregels van de APV en de erfgoedverordening zijn beleidsneutraal omgezet in de VFL waarbij ze, voor zover nodig, zijn aangepast aan het wettelijke kader van de Ow.

De grondslag voor deze verordening bestaat artikel 149 van de Gemeentewet voor wat betreft vanuit de APV afkomstige regels (opgenomen in hoofdstuk 2 tot en met 5 en deels hoofdstuk 1 van de verordening) en artikel 3.16 van de Erfgoedwet voor wat betreft de regels van de (voormalige) erfgoedverordening (opgenomen in hoofdstuk 6 en deels hoofdstuk 1 van de verordening).

Gemeenten mogen tot het einde van de overgangsfase omgevingsplan (tot eind 2029) regels over erfgoed blijven stellen in een verordening Deze bevoegdheid staat in artikel 3.16 van de Erfgoedwet. Artikel 2.8 onder B van de Invoeringswet Omgevingswet regelt dat deze erfgoedverordening geen regels over de fysieke leefomgeving mag stellen. Dit artikel uit de invoeringswet treedt echter pas aan het eind van de overgangsfase van het omgevingsplan in werking. Dit zal het inwerkingtredings-KB regelen. Tijdens de overgangsfase mag de gemeente de bescherming van gemeentelijk erfgoed volledig (blijven) regelen via regels in een erfgoedverordening dan wel via regels over erfgoed in een verordening fysieke leefomgeving.

Voor de vanuit de APV afkomstige verordeningsregels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen, is op grond van artikel 2.7 van de Ow in combinatie met artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit bepaald dat deze alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Zoals hier voor al vermeld, geldt de verplichting tot het vaststellen van een omgevingsplan op grond van artikel 22.4 van de Ow pas aan het einde van de overgangsfase die naar verwachting (in elk geval) tot eind 2029 duurt. De eis dat deze verordeningsregels alleen nog in het omgevingsplan mogen worden opgenomen geldt vanaf dat tijdstip. Tot die tijd is bepaald dat artikel 122 van de Gemeentewet, dat regelt dat bepalingen van gemeentelijke verordeningen waarvan het onderwerp door hogere regelgeving wordt voorzien van rechtswege komen te vervallen, niet van toepassing is. Dat betekent dat tijdens de overgangsfase de gemeente in een verordening fysieke leefomgeving bepalingen mag opnemen over activiteiten met betrekking tot de fysieke leefomgeving die tot dusver onderdeel uitmaakten van de APV.

Artikelsgewijs

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die slechts op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in het desbetreffende hoofdstuk aanvullende definities opgenomen.

Over de begripsbepalingen van dit artikel kan het volgende worden opgemerkt.

Bevoegd gezag

Met het begrip ‘bevoegd gezag’ wordt aangehaakt bij de Omgevingswet (hierna: Ow). Die is van toepassing op de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel2.3) de omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 3.2), de omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg (artikel 3.3), de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van handelsreclame (artikel 5.2), de omgevingsvergunning voor het wijzigen van of aanbrengen van veranderingen aan een gemeentelijk monument (artikel 6.14) en de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk binnen een gemeentelijk beschermd stads-of dorpsgezicht (artikel 6.18). Deze vergunningen zijn aangewezen in artikel 22.8 van de Ow. Artikel 22.8

van de Ow brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Ow aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow (in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit).

Beperkingengebiedactiviteit

In dit onderdeel wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen in artikel 1.1, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Ow. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de VFL. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied. Binnen een dergelijk gebied kan al hogere regelgeving van toepassing zijn op grond waarvan de werking van bepaalde regels van de VFL voor dat gebied moet worden uitgezonderd. In verschillende artikelen van de VFL staat dat een verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Bouwwerk

Deze omschrijving verwijst naar de bijlage, onder A bij de Ow: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.

Omgevingsvergunning

Ook met het begrip ‘omgevingsvergunning’ wordt aangehaakt bij de Ow. Zie die hiervoor gegeven toelichting bij het begrip bevoegd gezag. De betreffende vergunningstelsels voor a) het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg, b) het maken van een uitweg, c) het aanbrengen van handelsreclame, d) het vellen van houtopstanden, e) het veranderen van een gemeentelijk monument en f) het slopen van een bouwwerk binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht die nu zijn opgenomen in de VFL waren aangewezen in artikel 2.2 van de Wabo (onderdeel b. tot en met e. en g. tot en met i. van dit artikel). Vandaar dat de vergunningsplicht voor deze activiteiten in de VFL uitgaat van een omgevingsvergunning.

De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college, maar bij Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Ow valt, staan, voor zover van belang voor de vergunningsregels van de VFL, in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde). Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten van artikel 4:2, eerste lid van de Awb (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekeningen en aanduiding van de gevraagde beschikking).

Daarnaast staan in hoofdstuk 22, paragraaf 22.5.2 van het (tijdelijke) omgevingsplan (de Bruidsschat) nog bijzondere, aanvullende indieningsvereisten voor deze vergunningsregelingen. Artikel 22.287 tot en met 22.294 van het omgevingsplan bevatten indieningsvereisten voor omgevingsvergunningsaanvragen met betrekking tot gemeentelijke monumenten (artikel 6.14), artikel 22.296 bevat de indieningsvereisten voor een vergunningaanvraag voor het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht (artikel 6.18), artikel 22.297 bevat de indieningsvereisten voor een aanvraag omgevingsvergunning met betrekking tot een uitweg (artikel 3.3), artikel 22.299 bevat deze eisen voor een aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand (artikel 2.3) en artikel 22.300 bevat deze eisen voor een omgevingsvergunning met betrekking tot handelsreclame (artikel 5.2). Voor zover er daarbij sprake is van een omgevingsvergunning staan er in artikel 22.284 tenslotte indieningsvereisten voor een vergunningsaanvraag met betrekking tot het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg (artikel 3.2).

Artikel 1.2 Beslistermijn

Eerste lid

Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de VFL is een beslistermijn van acht weken opgenomen (eerste lid). Deze termijn is overgenomen van de APV waarin de algemene beslistermijn ook op acht weken is gesteld. Dit is eveneens gelijk aan de maximale redelijke termijn die bij gebreke van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb wordt gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker

die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in de VFL, conform de regeling in de APV, op acht weken gesteld (tweede lid).

Tweede lid

Deze beslistermijn is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Vandaar de in het derde lid van dit artikel gemaakte uitzondering. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5.3 van de Ow. In verreweg de meeste gevallen zal volgens de Ow voor een aanvraag omgevingsvergunning op grond van de VFL de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor de aangevraagde omgevingsvergunning een beslistermijn van acht weken zal gelden. Materieel is er op dit punt dus geen verschil met de in de verordening opgenomen beslistermijn. Een verschil is wel dat de volgens de Ow de beslistermijn niet met acht maar slechts met zes weken kan orden verlengd.

Artikel 1.3 Voorschriften en beperkingen

Eerste lid

In de literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook – ten overvloede – worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.

Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1.5 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

Tweede lid

De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Op grond daarvan is in het tweede lid voor degene aan wie een vergunning of ontheffing op grond van de VFL is verleend een verplichting opgenomen om zich te houden aan de daaraan (eventueel) verbonden voorschriften en beperkingen.

Derde lid

De regels van dit artikel zijn niet van toepassing op een omgevingsvergunning. De Ow bevat een uitputtende regeling over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow.

Artikel 1.4 Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing

Eerste lid

De VFL gaat er vanuit dat een vergunning of ontheffing wordt verleend aan een bepaald persoon (de aanvrager). Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de aanvrager. De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt.

Tweede lid

Ook dit artikel geldt niet voor een omgevingsvergunning. De Ow bevat zelf een uitputtende regeling voor wie een omgevingsvergunning geldt (artikel 5:37 Ow).

Artikel 1.5 intrekken of wijziging van de vergunning of ontheffing

Eerste lid

De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften hoeven te leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.

Onder onderdeel d. wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt.

Tweede lid

De in dit artikel opgenomen regeling voor het intrekken of wijzigen van een vergunning of ontheffing is niet van toepassing op een krachtens deze verordening verleende omgevingsvergunning. De Ow bevat ook hier zelf een uitputtende regeling voor de wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning (zie paragraaf 5.1.5 van de Ow).

Artikel 1.6 Termijnen

Eerste lid

Artikel 1.6 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit de Europese Dienstenrichtlijn die stelt dat vergunningen op een aantal uitzonderingen na geen beperkte geldingsduur mogen hebben. Verlenen van een vergunning op basis van VFL voor een beperkte tijd is eventueel nog wel mogelijk. Daarvoor moet echter worden gemotiveerd dat een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang: als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend moet beargumenteerd worden waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Artikel 4, onder 8, van de Dienstenrichtlijn geeft een definitie van ‘dwingende redenen van algemeen belang’: “redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid”.

In dit verband kan ook nog worden gewezen op het vorige artikel. Artikel 1.5 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning (niet zijnde een omgevingsvergunning) kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom normaal gesproken in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseis.

Tweede lid

Een andere uitzondering op het verlenen van een vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd zijn de schaarse vergunningen. Dit is geregeld in het tweede lid. Uit de jurisprudentie blijkt (ABRvS 02-112016, ECLI:NL:RVS:2016:2927,) dat schaarse vergunningen zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de

markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd.

Artikel 1.7 Weigeringsgronden

Eerste lid

Vergunnings- of ontheffingsstelsels zijn in de VFL als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning of ontheffing. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen deze verordening is er voor gekozen om in hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’ algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere of aanvullende weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1.7 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.

Tweede lid

Het tweede lid van dit artikel bevat een weigeringsgrond voor aanvraag die als gevolg van het door het (late) tijdstip van indienden van de aanvraag waarvan een volledige en goede beoordeling redelijkerwijs niet (meer) mogelijk is voor vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Het is weinig zinvol - voor zowel de aanvrager als de gemeente - om nog te beginnen met een inhoudelijk toetsing van zo’n aanvraag. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Houtopstanden

Algemeen

In de gemeente Den Helder geldt in beginsel een algemeen kapverbod. Deze bepalingen zijn bedoeld om toe te zien op het onderhoud en bewaren van het (openbare) groen. Op dit verbod zijn verschillende uitzonderingen gemaakt. Deze zijn terug te vinden in artikel 2.3, lid 2. Bij de formulering van de uitzonderingen is onder andere rekening gehouden met de potentiële waarde, de functie en de locatie van de houtopstand.

Van belang is om bij de aanvrager onder de aandacht te brengen dat er bij het vellen van een houtopstand volgens de Ow ook nog sprake kan zijn van een flora- en fauna-activiteit: een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Hiervoor gelden op grond de Ow aanvullende regels. Als er rust- of verblijfplaatsen van niet beschermde planten- en/of diersoorten aanwezig zijn die door het vellen van een houtopstand worden verstoord of vernield dan moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen om dit te voorkomen. Indien er rust- of verblijfplaatsen van beschermde planten en/of diersoorten aanwezig zijn dan is er voor het vellen van een houtopstand ook een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de flora- en fauna-activiteit nodig.

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

Dit artikel bevat naast verschillende definities ook een regel voor het bepalen van de stamdiameter van een boom.

Bebouwde kom

De bebouwingscontour houtkap is in feite de opvolger van artikel 4.1, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming. Dat artikel maakte het voor de gemeente mogelijk om grenzen van de bebouwde kom aan te wijzen waarvoor de rijksregels over houtopstanden niet golden. Er geldt overgangsrecht voor zo’n aanwijzing van de bebouwde kom. Zo’n aanwijzing geldt onder de Ow als bebouwingscontour houtkap zolang het omgevingsplan geen bebouwingscontour houtkap aanwijst.

Artikel 2.2 Lijst beschermenswaardige bomen in de gemeente Den Helder

Op grond van het eerste lid is het college bevoegd om een lijst met beschermenswaardige bomen vast te stellen. Hieronder vallen de monumentale bomen en de konings- en herdenkingsbomen. De bomen op deze lijst hebben een bijzondere status binnen de gemeente Den Helder.

In de lijst wordt minimaal een redengevende beschrijving, de standplaats en een foto van de boom opgenomen.

Artikel 2.3 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Eerste lid

Op grond van het eerste lid geldt een algemeen verbod voor het vellen van houtopstanden. Hieronder worden niet alleen individuele bomen verstaan, maar ook het vellen van hakhout, bosplantsoen, windsingels en houtwallen. Aandachtspunt hierbij is dat bomen die in het bosplantsoen, hakhout, windsingel of in een houtwal staan individueel vergunningsplichtig kunnen zijn. Deze moeten individueel gemeten worden (en dus niet: aangevraagd worden als bijvoorbeeld 100 m² bosplantsoen met bomen).

Tweede lid

In het tweede lid zijn uitzonderingen opgenomen, waarvoor geen vergunningsplicht geld.

Derde lid

In het derde lid zijn de weigeringsgronden geformuleerd. Iedere keer zal bij een aanvraag tot vellen van een houtopstand een afweging moeten worden gemaakt van alle betrokken belangen, zowel de belangen die de aanleiding voor de aanvraag vormen als de belangen tot behoud van de houtopstand.

De criteria die in dit lid worden genoemd zijn bedoeld om deze afweging zo goed mogelijk te kunnen maken. De weigeringsgronden zijn niet dwingend bepaald; als de houtopstand aan één of meer van de criteria voldoet betekent dat dus niet automatisch dat de vergunning moet worden geweigerd. In de onderstaande toelichting op de weigeringsgronden worden deze zoveel mogelijk meetbaar gemaakt.

a. Natuurwaarde

Elke boom heeft een bepaalde natuurwaarde. Alleen indien er sprake is van een verhoogde natuurwaarde kan de aanvraag op basis van deze weigeringsgrond geweigerd worden. Bomen staande in een natuurgebied hebben altijd een verhoogde natuurwaarde, zij bieden vanwege hun standplaats meer en betere schuilgelegenheid voor dieren . Daarnaast kan een boom een bijzondere natuurwaarde hebben als er bijvoorbeeld een vaste verblijfplaats van vogels of zoogdieren aanwezig zijn in de houtopstand, zoals bijvoorbeeld een nest van een jaarrond broedende vogel, een holte in de stam, die gebruikt wordt door vleermuizen of marterachtigen en/of een bomenrij die als vliegroute voor vleermuizen fungeert.

b. Landschappelijke waarde

Het gaat hier voornamelijk om houtopstanden in het landelijk gebied. Het grootste deel van de bomen in het landelijk gebied vallen onder de natuurbeschermingsregels van of krachtens de Ow. Alléén bomen staande binnen de bebouwde kom (onder de Ow aangemerkt als de bebouwingscontour houtkap) en bomen die op erven buiten de bebouwde kom staan zijn vergunningplichtig op grond van de VFL. Bomen kunnen een landschappelijk elementen vormen die zorgen dat het (historisch) landschap gelezen kan worden. Ze geven bijvoorbeeld de begrenzing aan van kavelgrenzen of bijzondere plekken in het landschap, zoals een houtwal, houtsingel, hakhoutbosje, een rij knotwilgen of een restant hiervan. Een landschappelijk element bestaat veelal uit meerdere bomen. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt meegenomen of ondanks het kappen van één of een deel van de houtopstand het landschappelijk element duurzaam in stand gehouden wordt. Indien dit niet het geval is, kan dit leiden tot een weigering van de aanvraag.

c. Waarde voor stads- en dorpsschoon

Deze waarde wordt bepaald door het feit dat de boom een onderdeel is van een boomgroep of laanbeplanting die de kenmerkende structuur van de stad of het dorp zichtbaar maakt. Deze weigeringsgrond is van toepassing op de houtopstanden die onderdeel uitmaken van het beschermd stads-en dorpsgezicht, zoals is vastgesteld in het (tijdelijke) omgevingsplan. Houtopstanden die onderdeel uitmaken van het stads- en dorpsgezicht zijn van bijzondere waarde voor het stads- en dorpsschoon. Zoals de grachtengordel. Een omgevingsvergunning kan worden geweigerd omdat de houtopstand een onderdeel is van het stads- en dorpsgezicht.

d. Beeldbepalende waarde

Deze weigeringsgrond is aan de orde indien: a) de houtopstand vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar is; b) er in de omgeving geen houtopstanden aanwezig zijn die de functie van de te kappen houtopstand kunnen overnemen; c) het een boom betreft die een redelijke goede kroon heeft, en/of; d) de houtopstand een zeldzame omvang heeft, een zeldzame soort is of op een bijzondere standplaats staat.

e. Cultuurhistorische waarde

Onder bomen met een cultuurhistorische waarde worden bomen verstaan zoals; – – –

Gedenkbomen (ter ere van het koningshuis, oorlogsslachtoffers , etc.); Lokale betekenis (gerechtsbomen, sagebomen, geschenkbomen etc.); Sociale functie (ontmoetingsplaats, boomfeestdag, verkeersgeleiding etc.).

Het betreft bomen met een verhaal, welke op enigerlei wijze terug te vinden is in de historie van de stad. Als de redenen voor het aanvragen van een omgevingsvergunning dusdanig zijn dat er voor deze boom een omgevingsvergunning wordt afgegeven, dan wordt er vrijwel altijd als voorwaarde een herplantplicht opgelegd.

f. Waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand

De boom of bomen vormen een eenheid met de omringende bomen. De resterende boom of bomen zullen schade ondervinden bij verwijdering van de boom of bomen.

g

Vierde lid

Het vierde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om bij onmiddellijk gevaar het kapverbod buiten werking te stellen.

Vijfde lid

In het vijfde lid is opgenomen in welke gevallen een beschermenswaardige boom gekapt mag worden.

Artikel 2.4 Herplant-/instandhoudingsplicht Dit artikel biedt de mogelijkheid een herplantplicht op te leggen. Om te bereiken dat de waarde van de nieuwe houtopstand in een zekere verhouding staat tot de waarde van de houtopstand die verloren gaat dan wel is gegaan kan de boomwaarde worden gehanteerd. Hierbij wordt de oorspronkelijke waarde van de boom gebruikt als indicatie van de omvang van een herplantverplichting en kan een investering tot behoud van de boom gewogen worden op basis van zijn monetaire waarde.

Er zijn verschillende manieren om de waarde van bomen te bepalen. De meest gebruikelijke is het Rekenmodel Boomwaarde van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB). In dit rekenmodel zijn verschillende componenten die de waarde van een boom kunnen bepalen. Binnen het Rekenmodel Boomwaarde wordt primair gekeken naar de plant- en beheerinvesteringen die gedaan worden bij bomen. Deze zogenaamde stichtingskosten vormen de basis van het rekenmodel. Hierbij steeds de vraag centraal: ‘Wat zou het kosten om eenzelfde boom op deze plek opnieuw te stichten?’

Binnen het rekenmodel worden de stichtingskosten gekapitaliseerd (renteberekening) en vervolgens ook weer afgeschreven, zodat de waarde van de boom aan het einde van zijn omloop weer is gereduceerd tot vrijwel nihil. Een boom met een hoge begininvestering (aanplant zware boommaat) en een lange investeringsomloop krijgt daarmee een hogere waarde. Het Rekenmodel Boomwaarde is dus vooral een economisch model waarin geïnvesteerde kosten worden opgebouwd en vervolgens weer worden afgeschreven. De leeftijd van de boom (waar bevindt de boom zich binnen de investeringslijn?) is daarmee medebepalend voor de actuele boomwaarde (hoeveel investeringsjaren mogen worden gekapitaliseerd en hoeveel is er reeds van de investeringskosten afgeschreven?).

Artikel 2.5 Bestrijding iepziekte

Met dit artikel wordt de iepziekte tegen gegaan.

Hoofdstuk 3 Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

Over de begripsbepalingen in dit artikel kan het volgende worden opgemerkt.

Bevoegd bestuursorgaan

Dit orgaan bestaat ofwel uit het bevoegd gezag ofwel uit burgmeester en wethouders zoals bedoeld in artikel 1.1 Deze begripsbepaling wordt alleen gebruikt in artikel 3.2. Dit is ingegeven door het feit dat de vergunning als bedoeld in dit artikel soms moet worden aangemerkt als een omgevingsvergunning maar soms ook niet. Zie voor een nadere toelichting de hieronder gegeven toelichting bij artikel 3.2.

Openbare plaats

Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.

Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent

verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.

Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’.

Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16).

Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.

Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6).

Weg

De definitie van ‘weg’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of - terreinen.

Uit de definitie van ‘openbare plaats’ blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.

Artikel 3.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Eerste lid

Gezien het begrip ‘weg’ dat in dit artikel gebruikt wordt, is op grond van dit artikel een vergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte. Aan artikel 3.2 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.

Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor – door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting – de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Op grond van de artikel 2.2, onder d van de Wabo gold een vergunning op grond van de APV voor het aanleggen of het veranderen van een weg als een omgevingsvergunning als in het voor de betreffende locatie geldende bestemmingsplan tevens een verbod voor uitvoeren van die werkzaamheden was opgenomen. De Ow regelt in de artikelen 22.2, 22.8 en 2.1a van het Omgevingsbesluit het overgangsrecht. Op grond van dit overgangsrecht ten aanzien van de activiteiten van artikel 2.2 van de Wabo geldt de vergunning van artikel 3.2 ook als een omgevingsvergunning als in het tijdelijke omgevingsplan een verbodsbepaling voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden in de vorm van de aanleg of veranderen van een weg is opgenomen (het tijdelijke omgevingsplan bestaat immers onder meer uit de voorheen geldende bestemmingsplannen). Vandaar dat in dit artikel wordt gesproken over het bevoegde bestuursorgaan. Dit orgaan bestaat uit het bevoegd gezag als er sprake is van een omgevingsvergunning en uit burgemeester en wethouders als het gaat om de aanvraag voor het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg die niet moet worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning (zie artikel 3.1).

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Tweede lid

In het tweede lid zijn van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Derde lid

Ook in het derde lid is een aantal uitzonderingen opgenomen van dit verbod. Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 3.2 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen en dergelijke in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) telecommunicatieverordening. Het verbod is verder ook niet van toepassing als er sprake is van beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Vierde lid Artikel 3.4 van de VFL voorziet in de mogelijkheid van de aanleg van een geveltuin. Deze geveltuin kan ook leiden tot een verandering van de weg. Als echter wordt voldaan aan de regels van artikel 3.4 is het echter niet meer nodig dat voor deze geveltuin ook nog een vergunningsplicht geldt op grond van het artikel 3.2, eerste lid. Voor deze gevallen is deze vergunningsplicht daarom in dit (vierde) lid uitgezonderd. Zie voor een verdere toelichting over de aanleg van een geveltuin de toelichting bij artikel 3.4.

Artikel 3.3 Maken, veranderen van een uitweg

Eerste lid

Dit artikel bepaalt dat voor het maken of veranderen van een uitweg een omgevingsvergunning nodig is.

Tweede lid

De rechtspraak van de Afdeling laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten

uitkomen is het aantal weigeringsgronden voor een omgevingsvergunning voor een uitweg beperkt. Deze weigeringsgronden bestaan, naast de algemene weigeringsgronden van artikel 1.7, uit de bruikbaarheid van de weg, een veilig en doelmatig gebruik van de weg, het behoud van openbare parkeerplaatsen en de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente en het uiterlijk aanzien van de omgeving. Deze laatste weigeringsgrond heeft betrekking op een uitweg die als gevolg heeft dat er voor de voorgevelrooilijn wordt geparkeerd of op een andere manier afbreuk doet aan de beeldkwaliteit en beleving van de openbare ruimte. Als een perceel al beschikt over een uitweg en een tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of openbaar groen is dat ook een grond om de omgevingsvergunning voor een uitweg te weigeren.

Derde lid

Het is soms mogelijk dat (het gebruik van) een uitweg niet past binnen de regels van het omgevingsplan. Dit gebruik past dan niet binnen de functie die volgens het omgevingsplan aan de betreffende locatie is toegekend of de beoogde uitweg is dan op grond van andere in het omgevingsplan gestelde regels over activiteiten niet toelaatbaar. Voor deze situaties is in het derde lid bepaald dat een omgevingsvergunning voor uitweg ook kan worden geweigerd wegens strijd met het omgevingsplan. In de praktijk kan deze weigeringsgrond vooral in beeld komen als voor het gebruik van de uitweg (in samenhang met de activiteiten ten behoeve waarvan de uitweg zal worden gebruikt) ook geen omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) kan worden verleend. De strekking van dit derde lid is daarmee te voorkomen dat op grond van de VFL een omgevingsvergunning voor een uitweg wordt verleend die vervolgens wegens strijd met het omgevingsplan toch niet kan worden gerealiseerd.

Vierde lid De verbodsbepaling van dit artikel is niet van toepassing als er sprake is van een beperkingengebiedactiviteit, gelijk aan artikel 3.2.

Artikel 3.4 Geveltuinen Veel woningen in de stad bevinden zich rechtstreeks aan de straat. In dergelijke straten is vaak weinig groen aanwezig. Omdat groen het gevoel van leefbaarheid en duurzaamheid verhoogd en de waterhuishouding in de buitenruimte verbeterd, wil de gemeente Den Helder het mogelijk maken voor bewoners met een woning aan de straat om voor hun (gehuurde) woning een kleine strook met beplanting, een geveltuin, aan te leggen.

Dit artikel voorziet daarom in de realisering van door burgemeester en wethouders aan te wijzen vormen van geveltuinen op door burgemeester en wethouders aan te wijzen locaties. Hierbij geldt wel een meldingsplicht. Burgemeester en wethouders kunnen hierbij nog nadere regels stellen ten aanzien van de aanleg en het onderhoud van de geveltuintjes. Buiten de aangewezen locaties is het niet toegestaan om een openbare plaats in gebruik te nemen als geveltuin. Hetzelfde geldt voor een geveltuin die afwijkt van de door burgemeester en wethouders aangewezen vormen van geveltuinen. Het toestaan van dergelijke afwijkende geveltuinen is binnen het kader van deze verordening niet mogelijk, tenzij de aangewezen locaties en vormen door burgemeester en wethouders worden aangepast.

Artikel 3.5 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Eerste lid

Dit artikel voorziet in een gedoogplicht voor het op of aan een bouwwerk aanbrengen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting.

Tweede lid

Ook hoofdstuk 10 van de Ow bevat voor een rechthebbende van een onroerende zaak een aantal gedoogplichten voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten ten behoeve van wegen of waterstaatwerken. In het tweede lid van dit artikel is daarom bepaald dat als er sprake is van een situatie waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Ow de gedoogplicht als bedoeld in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing is.

Hoofdstuk 4 Openbaar water

Artikel 4.1 Begripsbepaling

Over de begripsbepaling in dit artikel kan het volgende worden opgemerkt.

Openbaar water

Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder water, dat open staat voor het publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’.

Artikel 4.2 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Dit artikel regelt (uitsluitend) het permanent plaatsen van een voorwerp, geen vaartuig zijnde, op in, of boven openbaar water. Dit artikel gaat uit van een algemene regel. Daarmee legt de overheid nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de initiatiefnemer. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud. Omdat er hierbij gaat om permanent bedoelde zaken is aan dit artikel een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien.

Indien het gaat om een voorwerp dat niet permanent of voor onbepaalde tijd aanwezig zal zijn is dit artikel niet van toepassing. Alsdan gelden voor de plaatsing van dat voorwerp de regels van de APV. De betreffende regeling van de APV is overigens, afgezien van het niet permanent karakter van het voorwerp, inhoudelijk verder gelijk aan dit artikel.

Vierde lid

Deze verbods- en meldingsregeling heeft een aanvullend karakter op de andere in het vierde lid van dit artikel genoemde wet- en regelgeving. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht en het Binnenvaartpolitiereglement. Als en voor zover de in vierde lid van dit artikel genoemde wet- en regelgeving van toepassing is, geldt het verbod van dit artikel (en de daarmee samenhangende meldingsregeling) dus niet.

Hoofdstuk 5 Reclame

Artikel 5.1 begripsbepaling

Over de begripsbepaling in dit artikel kan het volgende worden opgemerkt.

Handelsreclame

In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke.

Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot ‘handelsreclame’ heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel.

Artikel 5.2 Verbod handelsreclame

De gemeente Den Helder streeft er naar om de kwaliteit van de binnenstad te verbeteren. Heel bepalend voor de kwaliteit van de binnenstad is de manier waarop door bedrijven reclame wordt gemaakt. Soms is dit zeer bescheiden en van zeer goede smaak en soms is dit erg schreeuwerig en is goede smaak ver te zoeken. In veel gevallen kan hiertegen vooraf worden opgetreden indien de reclame tevens een bouwwerk is in de zin van de Ow. Dit is echter niet altijd het geval. Losse reclameborden en op muren geschilderde reclame zijn geen bouwwerken. Aangezien dergelijke reclame ook storend kunnen zijn voor het uiterlijk aanzien van de gemeente is het zaak om dergelijke vooraf te kunnen beoordelen. Om deze reden is artikel 5.2 in de VFL opgenomen.

In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 5.2 gaat om niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Voor het maken van deze reclame geldt op grond van de VFL een vergunningsplicht (het maken van handelsreclame is dus verboden tenzij hiervoor een omgevingsvergunning is verleend). Het derde lid van dit artikel bevat, in aanvulling op de algemene weigeringsgronden van artikel 1.7, specifieke weigeringsgronden voor de benodigde vergunningsaanvraag die toezien op de kwaliteit van de reclame. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders over deze reclame nadere regels vaststellen. Voor reclame-uitingen die voldoen aan deze regels geldt er geen vergunningsplicht meer.

Het maken van ideële reclame valt buiten het begrip handelsreclame. De VFL is daarmee niet van toepassing op deze reclame-uitingen. Ideële reclame valt, voor zover daarbij gebruik wordt gemaakt van een openbare plaats, in beginsel onder de vigeur van de APV . Indien dergelijke reclame ontsierend is kan hiertegen achteraf op grond van dit artikel 2:10 van deze verordening worden opgetreden.

Hoofdstuk 6 Erfgoed

Artikel 6.1 Begripsbepalingen

De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen ‘cultureel erfgoed’, ‘cultuurgoed’, ‘gemeentelijk beschermd cultuurgoed’, ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’, ‘gemeentelijk beschermde verzameling’, ‘gemeentelijk monument’, ‘minister’, ‘monument’ en ’normaal onderhoud’. Het gaat in de meeste gevallen om begrippen waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. Enkele andere begrippen zijn onverkort overgenomen vanuit de Erfgoedwet.

De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn voorts: a.

b. c.

d. e.

f. g. h.

archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: – als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet; – voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of; – in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Erfgoedwet zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt; beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de Erfgoedwet; cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een

referentiekader bieden; rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet; verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.

Artikel 6.2 Gemeentelijk erfgoedregister

Eerste lid

Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk (beschermd) aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten, cultuurgoederen of verzamelingen.

Tweede lid

In het tweede lid, onder b. is geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. Het kan ook gaan om informatie via instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Ow betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.

In onderdeel c van het tweede lid is opgenomen dat door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Ow betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht in het gemeentelijke erfgoedregister kunnen worden opgenomen.

Gelet op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) dienden gemeenten uiterlijk op 1 januari 2021 hun publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken geregistreerd te hebben in de Basisregistratie kadaster publiekrechtelijke beperkingen (hierna: BRKPB). Dit geldt ook voor gemeentelijke monumenten plus gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten. Beperkingen kunnen niet alleen meer op kadastrale percelen worden geregistreerd, maar ook op basis van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)-objecten (bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT)-objecten (bijvoorbeeld een brug) en vrije contouren (bijvoorbeeld een verontreinigingscontour).

Met de inwerkingtreding van de Ow is het de bedoeling dat bestaande ruimtelijke beperkingen te zien zijn in het Digitaal Stelsel Omgevingswet - Landelijke Voorziening (DSO-LV), mogelijk per tranche. Dit geldt ook voor nog aan te wijzen nieuwe beperkingenbesluiten met name op basis van het omgevingsplan. Levering aan de openbare registers en bijhouding in de BRK-PB komt voor deze besluiten dan te vervallen. De beperkingen die vóór de inwerkingtreding Ow in de BRK-PB zijn opgenomen, komen tot en met 2029 te vervallen wanneer ze worden vervangen door nieuwe beperkingenbesluiten op basis van de Ow.

Artikel 6.3 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze

ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling.

De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen.

Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren.

Artikel 6.4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Dit artikel bepaalt onder andere dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m. verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking door de minister op een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.

Artikel 6.5 Aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.

Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar.

Artikel 6.6 Voornemen tot aanwijzing

Eerste lid

Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet en de VFL per definitie een onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wkpb. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2229/documents/24357