Bijlage 9 - Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 17-11.pdf.pdf
Tekst van het document
Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 1
Inleiding
Zeestad C.V. is voornemens om een nieuw woonblok te ontwikkelen aan de Kanaalweg te Den Helder. In het woonblok komen 30 sociale huurwoningen. Voor de realisatie van het woonblok en de omliggende openbare ruimte wordt een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) opgesteld en aangevraagd. Dit stikstofonderzoek onderbouwt deze vergunningsaanvraag. In het kader van de wet- en regelgeving voor natuur is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het doel is om te bepalen of er mogelijke belemmeringen vanuit deze wet- en regelgeving zijn. Als onderdeel hiervan dienen de effecten van het project op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Daarbij dient te worden nagegaan of ten gevolge van het project een toename van de stikstofdepositie optreedt in stikstofgevoelige habitattypen en/of stikstofgevoelige leefgebieden. In dit rapport zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van het voorgenomen project.
Figuur 1 - Locatie en 3D-beeld bouwblok Dijkkwartier fase 1a
1/8
2
Toetsingskader
2.1
Inleiding
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en/of Habitatrichtlijnen. Het uiteindelijke doel is het bereiken van een gunstige staat van instandhouding voor alle door de richtlijnen beschermde soorten en habitats. De gebiedsbescherming van de Nederlandse Natura 2000gebieden is geregeld onder de Omgevingswet. In de Nederlandse Natura 2000-gebieden is door een overbelasting met stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) de staat van instandhouding van veel soorten en habitats niet gunstig en worden de instandhoudingsdoelstellingen niet behaald. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen negatieve effecten hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Voor nieuwe plannen of projecten, binnen of buiten een Natura 2000-gebied, moet daarom onderzocht worden of deze ontwikkelingen significant negatieve effecten hebben op het behalen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten en habitats. Onder de Omgevingswet worden activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied een Natura 2000-activiteit genoemd. Stikstofdepositie bestaat in gereduceerde vorm (NH3, ammoniak) en geoxideerde vorm (stikstofoxide, NOx).
Beide vormen van stikstof kunnen worden omgezet tot de nutriënten ammonium (NH4+) en nitraat (NO3-). De extra aanvoer van deze voedingsstoffen kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof, in het bijzonder door ammoniak na nitrificatie, leiden tot een daling van de bodem-pH. Door verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af.
2.2
Beoordelingslocaties
Voor elk Natura 2000-gebied zijn habitattypen en/of soorten aangewezen. Elk habitattype of het leefgebied van deze soorten is in meer of minder mate gevoelig voor de gevolgen van stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde (KDW) geeft voor elk habitattype en elk leefgebied van soorten aan bij welke mate van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) er een risico is dat de kwaliteit verslechtert ten gevolge van de verzuring en/of vermesting die de stikstofdepositie veroorzaakt. Voor de beoordeling van de stikstofdepositie wordt gekeken naar de locaties binnen Natura 2000-gebieden waar er een overbelasting van stikstofdepositie is. Dat wil zeggen dat de heersende achtergronddepositie groter is dan de KDW van de gekarteerde habitattypen en/of leefgebieden. Uit voorzorg worden ook locaties beoordeeld waar de achtergronddepositie tot 70 mol N/ha/jaar onder de KDW ligt (een naderende overschrijding KDW).
2.3
Beoordeling projecten
Indien uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar) op overbelaste habitats, dan kunnen significante effecten ten gevolge van stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten. Voor het onderdeel
Documentreferentie Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 002
2/8
stikstofdepositie is er dan geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit nodig. Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename van de stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op overbelaste habitats, maar een verslechtering van stikstofgevoelige habitattypen of habitats van soorten kan, ondanks een toename van de depositie, volledig uitgesloten in een ecologische beoordeling (voortoets), dan is er ook geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) en niet aan één van bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Een vergunning kan worden verleend als uit een passende beoordeling eventueel inclusief (extern) salderen en eventueel het succesvol doorlopen van de ADC-toets1 blijkt dat zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Het volledige proces voor toestemmingverlening staat weergegeven in Figuur 1. Voor Dijkkwartier fase 1a is een berekening gemaakt zonder saldering.
Figuur 2 - Stappenplan toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten
1
Dit is een onderzoek waaruit naar voren komt dat er geen Alternatieven zijn voor het project, er Dwingende reden van groot openbaar belang zijn en waarbij Compensatie voor Natura 2000gebieden plaatsvindt.
Documentreferentie Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 002
3/8
3
Realisatiefase
Tijdens de realisatie van het woningblok Dijkkwartier fase 1a worden mobiele werktuigen ingezet voor de verschillende werkzaamheden. Daarbij vinden er transportbewegingen plaats voor aan- en afvoer van materieel en materialen en van personeel. Hierbij ontstaan stikstofemissies (NO X en NH3). Voor de realisatiefase is de verwachte inzet van materieel bepaald (zie Bijlage 1). Op basis van de verwachte inzet van het materieel zijn de emissies berekend. Het gehanteerde rekenjaar is 2026. De realisatiefase neemt maximaal 12 maanden in beslag.
3.1
Transportbewegingen
De emissies bij transportbewegingen van wegverkeer worden automatisch bepaald door het rekenmodel op basis van emissiefactoren (g/km) per type voertuigen en per snelheidsprofiel, het aantal vervoersbewegingen per voertuigtype en de lengte van de afgelegde weg per vervoersbeweging. Er worden 376 voertuigen zwaar verkeer ingezet. Dit is in totaal 752 verkeersbewegingen. De inschatting van de hoeveelheid licht verkeer dat de bouwfase genereert bedraagt 7.800 verkeersbewegingen. De transportbewegingen zijn gemodelleerd vanaf het projectgebied tot aan de Kanaalweg. Vanaf daar heeft de verkeersgeneratie zich verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer 2, is de verkeersgeneratie qua rijsnelheid en stopgedrag niet meer onderscheidend van het overige verkeer, en gaat het daarmee op in het heersende verkeersbeeld. Voor de vervoersbewegingen is het snelheidsprofiel ‘Binnen bebouwde kom (normaal)’ gehanteerd.
3.2
Koude start
Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil hebben gestaan. Tijdens de aanlegfase is er alleen sprake van een koude start bij het lichte verkeer dat aan het eind van de werkdag vertrekt van het werkterrein. Er is gerekend met 1 koude start per 2 verkeersbewegingen van het lichte verkeer. Bij het middelzware en zware verkeer is geen sprake van een koude start, omdat deze voertuigen maar een beperkte tijd (in ieder geval <2 uur) aanwezig zijn op het werkterrein voor laden en lossen. Er zijn 3.900 koude starts in de realisatiefase. De koude start is gemodelleerd als een vlakbron in de categorie ‘Verkeer – Koude start; overig’.
3.3
Laden en lossen vrachtverkeer
De emissies van het stationair draaien van de vrachtwagens tijdens het laden en lossen zijn berekend op basis van de methode beschreven in de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2025’ van BIJ123. Met deze methode wordt de emissie bepaald op basis van het aantal uur stationair draaien van de motor en een set emissiefactoren.
2
De Kanaalweg in Den Helder kent een verkeersintensiteit van circa 1.350 mvt/etm, ofwel circa 500.000 mvt/jaar. 3 BIJ12 (2025) Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2025 Versie 1. Oktober 2025
Documentreferentie Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 002
4/8
In Bijlage 1 is het totaal aantal uur stationair draaien van de motor opgenomen. Voor de berekening van de emissies is uitgegaan van de emissiefactoren voor het rekenjaar 2026. De totale emissie bedraagt 2,6 kg NOx en 0,0 kg NH3. De emissies zijn in het rekenmodel ingevoerd als een vlakbron met een uitstoothoogte van 0,3 m, een spreiding van 0,5 m, een warmte-inhoud van 0 MW en met de etmaalvariatie ‘Zwaar verkeer’.
3.4
Mobiele werktuigen
Tijdens de aanlegfase van de projectontwikkeling wordt materieel ingezet voor de sloop, het bouwrijp maken, de bouw en het woonrijp maken van de bouwblokken. De inzet van materieel, de transportbewegingen en bijhorende emissies zijn weergegeven in Bijlage 1. De raming voor deze eenheden is afgestemd met de betreffende aannemer(s). Hierbij is tevens gekeken naar de type machines die worden ingezet. Bij de berekening van de emissies van mobiele werktuigen is uitgegaan van de volgende specificaties: • •
•
•
•
Alle mobiele werktuigen zijn van minimaal Stage-klasse IV, met een bouwjaar van 2014 of nieuwer. Hiermee worden de stikstofemissies tijdens de aanlegfase beperkt. Er is voor de realisatie uitgegaan van een elektrische torenkraan. Dit wordt als realistisch beschouwd omdat in (bijna) alle dergelijke bouwprojecten mobiele kranen/ telekranen frequent worden ingezet. Dit beperkt tevens de stikstofemissies voor dit deelproject. De elektrische kraan zal direct worden aangesloten op het omliggende elektriciteitsnetwerk. Dit is mogelijk omdat rondom het plangebied voldoende elektriciteitsaansluitingen voorhanden zijn (zoals diverse elektra kabels bij de Kanaalweg). Het te allen tijde aangesloten blijven van de elektrische kraan op het elektriciteitsnetwerk wordt expliciet afgestemd met de aannemer, zodat dit gewaarborgd blijft gedurende de aanlegfase. De emissieberekeningen voor de mobiele werktuigen zijn uitgevoerd op basis van de AUB-methode van TNO4. De berekeningen van de emissies zijn hierbij gebaseerd op (A) AdBlue-verbruik (liter), (U) totale aantal draaiuren en (B) brandstofverbruik (liter). De emissies van mobiele werktuigen zijn gemodelleerd als vlakbron met Sectorgroep Mobiele werktuigen, Sector Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning.
Er is per mobiele werktuig een subbron aangemaakt, overeenkomstig de tabellen in Bijlage 1.5 Het Adblue percentage hangt af van het dieselverbruik van de mobiele werktuigen. Dit is conform het TNO-rapport TNO 2021 R12305 (10-122021). Zie ook Figuur 5. Dit resulteert in een Adblue-gebruik tussen de 6% en 7%, waarbij machines met grote vermogens een hogere percentage Adblue-gebruik hebben. Machines met grotere vermogens hebben ook een hoger dieselverbruik per uur en verbruiken dus meer diesel. Dit geldt ook voor machines met lagere vermogens, een lager dieselverbruik, maar ook een lager gebruik van Adblue. De emissies van het stationair draaien van de motor van zware kiepwagens en wegvoertuigen actief op de bouwplaats
4
TNO (2021) AUB (AdBlue-verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOxen NH3uitstoot van mobiele werktuigen. TNO 2021 R12305. 10 december 2021 5 Mogelijk verschillen de emissies uit Bijlage 1 iets met de emissies in AERIUS vanwege de nietafgeronde getallen in de tabellen t.o.v. de gehele getallen die nodig zijn bij de invoer in AERIUS. De emissies in AERIUS zijn leidend, gegeven de draaiuren, het brandstofverbruik en het Adblue gebruik.
Documentreferentie Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 002
5/8
(vervoersbewegingen intern) is berekend met de categorie ZUT. De emissies van het overige laden en lossen zijn berekend aan de hand van emissiefactoren. De emissies van het laden en lossen zijn in het rekenmodel ingevoerd als een vlakbron met een uittreedhoogte van 0,5 meter, spreiding van 0,25 meter, de etmaal variatie ‘Standaard profiel Industrie’ en een warmte inhoud van 0 MW.
Figuur 3 – Relatie tussen AdBlue verbruik en brandstofverbruik van mobiele werktuigen (TNO).
3.5
Gebruik(sfase) tijdens de realisatie
Er wordt niet gefaseerd gebouwd. Dit betekent dat alle woningen tegelijkertijd worden opgeleverd en er dus geen overlap ontstaat tussen de realisatiefase van het woningenblok en de gebruiksfase van het project.
4
Gebruiksfase
Tijdens de gebruiksfase ontstaan er emissies van stikstof ten gevolge van de transportbewegingen van het wegverkeer van en naar de toekomstige woningen en door koude starts van dit verkeer. De toekomstige woningen worden gasloos gerealiseerd en leveren daarom toekomstig geen emissies op als gevolg van gasverbruik voor verwarming en/of koken. Het jaar van ingebruikname is 2027.
4.1
Verkeersgeneratie
De emissies bij transportbewegingen van wegverkeer worden automatisch bepaald door het rekenmodel op basis van emissiefactoren (g/km) per type voertuigen en per snelheidsprofiel, het aantal vervoersbewegingen per voertuigtype en de lengte van de afgelegde weg per vervoersbeweging. De verkeersgeneratie van de toekomstige woningen is berekend aan de hand van de maximale kengetallen van de CROW-richtlijnen6 in de categorie ‘centrum’ met locatie gemeente Den Helder (stedelijkheid: sterk stedelijk). Er is voor locatie centrum gekozen, omdat de gemeente de ambitie heeft dit project onderdeel te maken van het nieuwe centrum (aan zee). Het uitgaan van de maximale verkeersgeneratie volgens de CROW-richtlijnen is een conservatieve aanname. De berekening, weergegeven in Tabel 1, resulteert in een verkeersgeneratie in de gebruiksfase van 135 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
6
CROW (2024). Parkeerkencijfers 2024.
Documentreferentie Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 002
6/8
Tabel 1 - Berekening verkeersgeneratie Dijkkwartier fase 1a
Aantal woningen
Verkeersgeneratie per woning (max.) conform CROWrichtlijnen
Stuks
MotorvoertuigMotorvoertuigbewegingen bewegingen per etmaal per woning per etmaal
Koop, appartement, 75-100 m2 BVO
30
4,5
Totaal
30
Categorie CROW
Verkeersgeneratie totaal (max) conform CROWrichtlijnen
135 135
De transportbewegingen zijn gemodelleerd vanaf het projectgebied, via de Kanaalweg tot aan het kruispunt Kanaalweg-Weststraat (N250). Vanaf daar heeft de verkeersgeneratie zich verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer7, is de verkeersgeneratie qua rijsnelheid en stopgedrag niet meer onderscheidend van het overige verkeer, en gaat het daarmee op in het heersende verkeersbeeld. Voor de vervoersbewegingen is het snelheidsprofiel ‘Binnen bebouwde kom (normaal)’ gehanteerd.
4.2
Koude start
Het aantal koude starts is gebaseerd op maximaal 2 koude starten per werkdag en 1 koude start per weekenddag voor personenauto’s. Dat geeft maximaal 625 koude starts per voertuig per jaar1. Hiervan vindt 50% plaats bij woningen8. Vanwege het sterk stedelijke karakter van de gemeente is voor de nieuwe woningen gerekend met een autobezit van 1,08 per woning3. Het aantal koude starts per woning komt hiermee op 50% x 625 x 1,08 = 338 koude starts per woning per jaar. Gegeven een toekomstig programma van 30 woningen resulteert dit in 10.125 koude starts per jaar. De emissies uit koude start zijn gemodelleerd als een vlakbron met de categorie ‘Verkeer – Koude start: overig’. Voor (middel) zwaar verkeer zijn geen koude starts meegenomen, aangezien deze voertuigen niet langer dan 2 uur stilstaan bij de woning.
7
De Weststraat (N250) in Den Helder kent een verkeersintensiteit van circa 7.500 mvt/etm, ofwel circa 2.750.000 mvt/jaar. 8 TNO, 2024 – R11049 – Emissiefactoren wegverkeer 2024
Documentreferentie Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 002
7/8
5
Resultaten
Voor de projectontwikkeling Dijkkwartier fase 1a (aanlegfase en gebruiksfase) zijn de effecten op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000gebieden berekend. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2025. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn uitgevoerd voor het rekenjaar 2026 in de realisatiefase en 2027 in de gebruiksfase. Er is voor beide berekeningen geen stikstofdepositie berekend hoger dan 0,00 mol N/ha/j. De resultaatbestanden van AERIUS Calculator zijn opgenomen in Bijlage 2.
6
Conclusie
In dit onderzoek zijn de effecten van Dijkkwartier fase 1a inzichtelijk gemaakt van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in Natura-2000 gebieden. Er is geen toename van stikstofdepositie berekend tijdens de gebruiksfase en realisatiefase (0,00 mol N/ha/j). Significante effecten van de beoogde activiteiten op stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden van soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is daarmee voor het onderdeel stikstofdepositie geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activteit nodig.
Documentreferentie Stikstofnotitie Dijkkwartier fase 1a 002
8/8