CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4_Vormvrij merbesluit met aanmeldingsnotitie.pdf

Gemeenteraad 14 juni 2021, gemeente Den HelderBij agendapunt: 16: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan Halter Bellevue en stadspark 2021 ex artikel 3.8 Wro7.270 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Besluit Vergadering d.d.

: 2 februari 2021

Besluit nummer

: 2021-000233

Onderwerp

: Ter inzage ontwerp-bestemmingsplan 'Halter BelleVue en stadspark' ex artikel 3.8 Wro

Het college van de gemeente Den Helder;

besluit:

1. het ontwerp-bestemmingsplan "Halter BelleVue en stadspark" vast te stellen 2. Het ontwerp-bestemmingsplan "Halter BelleVue en stadspark" ter inzage te leggen ex artikel 3.8 Wro. 3. Geen milieueffectrapport op te stellen voor bestemmingsplan "Halter BelleVue en stadspark".

Aldus besloten in de vergadering van 2 februari 2021

Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling “Halter Bellevue en stadspark 2021” Den Helder Datum: 21 januari 2021 Status: concept

1. Algemeen 1.1.

Aanleiding De vernieuwing van het Stadshart is ingezet met de vaststelling van het Uitwerkingsplan voor het Stadshart uit 2008. Speerpunten daarin zijn het verbeteren van de stationszone, het opknappen van het winkelhart en het ontwikkelen van Willemsoord. Het opknappen van het winkelhart en het verbeteren van de stationszone worden gehuisvest onder de projectnaam Halter Bellevue en stadspark 2021. Ten behoeve van de realisatie van Halter Bellevue en stadspark 2021 is in het bestemmingsplan ‘Stadshart Centrum 2010’ in de planregels een bevoegdheid voor het college van B en W opgenomen om het bestemmingsplan te kunnen wijzigen: het geldende bestemmingsplan is nog gebaseerd op de aanwezigheid van de schouwburg. Om de realisatie van de nieuwbouw van de halter Bellevue en de aanleg van het stadspark mogelijk te maken is een bestemmingsplan opgesteld. De voorliggende aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is onderdeel van bovengenoemd bestemmingsplan.

1.2.

Wettelijk kader vormvrije m.e.r. beoordeling Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 6 juli 2017 in het Staatsblad gepubliceerd en op 7 juli 2017 in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet: • door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; • het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. • de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De voorliggende aanmeldingsnotitie is in dit kader opgesteld.

1.3.

Naam en adresgegevens initiatiefnemer De initiatiefnemer is Zeestad CV, Postbus 36, 1780 AA Den Helder 1

2. Motivering van de activiteit 2.1.

Aanleiding van de activiteit Den Helder heeft de afgelopen 15 jaar zijn positie als centrumgemeente in de Kop van NoordHolland heroverd. Goede en diverse werkmilieus, plezierige en veilige woonmilieus, veelzijdige en goede voorzieningen, een aantrekkelijk en levendig stadshart en een passende infrastructuur hebben ervoor gezorgd dat het inwoneraantal van Den Helder weer stijgt, ondernemers in het centrum weer groeien in omzet, het aantal overnachtingen groeit en de bestedingen door toeristen significant toenemen. De vernieuwing van het Stadshart is ingezet met de vaststelling van het Uitwerkingsplan voor het Stadshart uit 2008. Speerpunten daarin zijn het verbeteren van de stationszone, het opknappen van het winkelhart en het ontwikkelen van Willemsoord. De strategie voor het aanpakken van het winkelhart kenmerkt zich door structurering rondom drie polen: de Kop van de Beatrixstraat, het station en Kop van de Keizerstraat. Hierbinnen is voor het winkelen sprake van een ‘haltermodel’. Dat bestaat uit twee nieuwe winkelconcentraties aan weerszijden van de Keizerstraat: één op de kop van de Beatrixstraat (halter Sluisdijk) en één op de kop van de Keizerstraat (Halter Bellevue, waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft). De Kroonpassage parallel aan de Keizerstraat in combinatie met beide koppen zorgt ervoor dat er een winkelrondje ontstaat.

Beide winkelconcentraties hebben een andere invulling qua winkels. De halter Sluisdijk is gericht op mode, vrije tijd en sport en spel. De Halter Bellevue en stadspark 2021 is gericht op dagelijkse voorzieningen. De as station-zeedijk zal een geheel groene invulling krijgen door de aanleg van het stadspark. In het kader van het ontwikkelen van Willemsoord, het vrijmaken van ruimte in de halter Spoorstraat en het doortrekken van het stadspark richting het Marsdiep is de schouwburg al verplaatst. De oude schouwburg is gesloopt en het terrein is nu beschikbaar voor de ontwikkeling van de halter en het park. Het Julianaplein en Polderplein is al getransformeerd tot park als onderdeel van de eerste fase stedelijke vernieuwing. Ook de aanleg van het stadspark bij het Bernhardplein is gestart. Met de realisatie van Halter Bellevue en stadspark 2021 wordt de stedenbouwkundige structuur in dit deel van het stadshart aanzienlijk verbeterd. De nieuwbouw van Halter Bellevue en stadspark 2021 richt zich op de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit voor zowel de winkelstraat als de gevels langs het park en in de Stationsstraat. Om de realisatie van de nieuwbouw van de Halter Bellevue en stadspark 2021 en de aanleg van het stadspark mogelijk te maken is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.

2

2.2.

Een beschrijving van de plaats van de activiteit Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan betreft het Bernhardplein en omliggende bouwwerken rondom het plein in het centrum van de gemeente Den Helder. Aan de zuidoostzijde wordt het plangebied begrenst door de Spoorstraat, aan de noordoostzijde wordt het plangebied begrenst door de Spuistraat, bij de zuidwestzijde ligt binnen grens nog het Bernhardplein en de McDonald’s en aan de noordwestzijde wordt het plangebied begrenst door de ‘Stichting Vrijwaard’ en de ‘Protestantse Gemeente Den Helder Bethelkerk’. Op de navolgende afbeeldingen wordt het plangebied aangegeven. Het plangebied is circa 13.235 m2 groot. Op de navolgende afbeeldingen wordt het plangebied aangegeven.

Afbeelding: globale ligging plangebied in groter geheel en ingezoomd

3

2.3.

Een beschrijving van de activiteit De herontwikkeling van het gebied wordt gefaseerd uitgevoerd en bestaat uit een aantal deelplannen. Op onderstaande afeelding is een impressie van het totaal weergegeven, daaronder is schematisch weergegeven uit welke deelplannen de ontwikkeling bestaat.

Afbeelding 2: vogelvlucht impressie gehele ontwikkeling (D1, D2, D3 & D4)

Afbeelding 3: Projectgebied alle deelplannen Halter Bellevue en stadspark 2021 (D1= geel, D2= paars, D3= groen, D4= blauw)

De deelplannen 1 en 4 zijn al gerealiseerd, de deelplannen 2 en 3 nog niet. Het voorliggende nieuwe bestemmingsplan moet de ontwikkeling van de deelplannen 2 en 3 mogelijk maken.

4

Ook het stadspark is gedeeltelijk al aangelegd, maar nog niet ter plaatse van het Bernhardplein, de huidige vishandel en het restaurant van McDonald’s.

Afbeelding 4: nog aan te leggen deel stadspark, rood omlijnd

5

2.3.1. Voorgaande, reeds gerealiseerde ontwikkeling (deelplan 1 en 4) Deelplan 1 bevindt zich aan de Stationsstraat. Dit deelplan bestaat uit woningbouw en is al gerealiseerd. Deelplan 4 bestaat uit het ‘foodstation’ en is al gerealiseerd. In het foodstation zijn diverse horecazaken opgenomen die voorheen al in de buurt gevestigd waren.

Afbeelding 8: deelplan 1 (woningen, rechts op de afbeelding)

Afbeelding 9: Deelplan 4 (foodstation)

6

2.3.2. Nieuw te realiseren ontwikkeling (deelplan 2 en 3) Deelplan 2 Deelplan 2 sluit met een poortwoning in de Stationsstraat aan op het al gerealiseerde rijtje woningen van deelplan 1. Het volgt de stedelijke contour van de Stationsstraat langs het nieuwe stadspark tot waar het nieuwe deelplan 3 de aansluiting maakt met de Spoorstraat. Deelplan 2 omvat een programma van 3 grondgebonden woningen, inclusief een poortwoning, 10 appartementen in een accent gebouw op een zichtlijn in het stadspark, en 10 woningen aan het park (5 boven- en 5 benedenwoningen ofwel BeBo’s). De woningen en BeBo’s staan boven het maaiveld zodat een bel-etage ontstaat. De opgetilde woningen hebben een woonkamer op deze bel-etage. De verhoging van de woonverdieping vergroot de privacy ten opzichte van de nabije publieke ruimte en verbetert het uitzicht over het stadpark. De bel-etage is met trappen aan de voorzijde ontsloten. Aan de westzijde krijgen de woningen een voortuin met terras van circa 3 meter diep. Een omloop aan de binnenzijde verzorgt de rolstoeltoegankelijkheid. Om zoveel mogelijk parkeerplaatsen te kunnen maken is een ondiep bouwblok ontworpen met relatief ondiepe en brede woningen. De nieuwe woningen hebben een gevarieerde bouwhoogte van circa 10, 12, 13, 15 en 21 meter.

Afbeelding 10: impressie van deelplan 2 (noordelijke gevel)

Afbeelding 11: plattegrond deelplan 2 begane grond

7

Deelplan 3 Deelplan 3 omvat circa 400 m2 commerciële ruimte op de begane grond en 14 appartementen. Het bouwblok sluit met de uitritpoort aan op deelplan 2 samen omsluiten beide deelplannen een parkeerterrein voor de nieuwe bewoners. De nieuwe bouwhoogte van deelplan 3 is circa 15 en 21 meter. Het binnenterrein is toegankelijk voor personenauto’s, voetgangers en hulpdiensten via de poort vanaf de Stationsstraat. De uitrit is aan de stadsparkzijde. Het parkeerterrein is met twee doorgangen voor voetgangers verbonden met de Spoorstraat.

Afbeelding 12: impressie van deelplan 3 (zuidwestelijke gevel)

Programma deelgebied 2 en 3 Type woning Grondgebonden woning appartement Beneden Boven woning (BeBo)

aantal 3 24 10

Totaal

37

Type voorziening Commerciële winkelruimte

Aantal m2 400

8

2.3.3. Stadspark Een onderdeel van het de stedelijke vernieuwing in het Stadshart is de aanleg van het stadspark en is opgenomen in het Uitwerkingsplan Stadshart en het daaraan voorafgaande Structuurplan. Den Helder is een maritieme stad, waar de invloed van de zee vaak voelbaar is. Het kan er stevig waaien. Daarom is naast de ervaring van zee en wind ook beschutting nodig in de binnenstad. Groen kan daarin voorzien, maar de binnenstad van Den Helder heeft dat momenteel te weinig. De wens voor een stadspark van omvang leeft geruime tijd en is expliciet in het Structuurplan verwoord. Het uitwerkingsplan laat zien hoe een dergelijk stadspark mogelijk is en zelfs zodanig dat de binnenstad een nieuwe verbinding krijgt met het Marsdiep. Bovendien koppelt het stadspark het winkelgebied van de tweede halter aan de stationsomgeving, zodat ook deze deelgebieden door het park positief worden beïnvloed.

Afbeelding 13: nieuwe groenstrook situering

Het stadshart krijgt meer groen door aan de westzijde van het stadshart een lineair stadspark te realiseren, dat zich uitstrekt van het station tot aan de dijk. Het park biedt de reiziger per trein een groen welkom in de stad, biedt ruimte voor de bewoners van de omliggende wijken om te ontspannen en verbetert het verblijfsklimaat van het centrum. Bovendien is het park een kwalitatieve toevoeging voor bestaande en nieuwe woonmilieus. Het groen van het stadspark geeft in verbinding met de grachtengordel en het groen van de woonstraten de stad een algeheel lommerrijk karakter. Het stadspark is door de maat en vorm geen traditioneel stadspark. Als gevolg van de beschikbare ruimte heeft het stadspark een langgerekte vorm. Door het park loopt van het station naar de dijk een promenade, dat bestaat uit een pad van circa 8 meter breed met aan weerszijde robuuste bomenrijen. Onder de bomen is ruimte voor zit- en speelplekken. Door het park liggen een aantal dwarsverbindingen die de twee woonwijken aan weerszijde van het stadspark met het stadspark verbinden.

9

Om het park mogelijk te maken zullen de Nieuwedieper Vishandel en het restaurant van McDonald’s moeten wijken. In de nieuwe plannen is ruimte opgenomen waarin horeca kan worden gerealiseerd en naar toe kan worden verplaatst.

Afbeelding 14: Impressie stadspark, linksbovenin het station, rood omcirkeld de nieuwe parkinrichtimg en de bebouwing van Halter Bellevue

10

2.4.

Begrenzing van het bestemmingsplan Deelplannen 2 en 3 moeten nog vergund en gebouwd worden en de aanleg van het stadspark is ter plaatse van de bestemming ‘Centrum’ nog niet mogelijk. Het bestemmingsplan heeft daarom betrekking op deze plandelen. De al vergunde plandelen blijven buiten beschouwing. Op onderstaande afbeelding is de contour van het bestemmingsplan opgenomen.

Afbeelding 5: begrenzing van het bestemmingsplan

11

Het gaat om de kadastrale percelen genummerd 9838, 8974, 8975, 10461, 10462, 10685 en kleine delen van 8976, 9663 en 8708. Zie de navolgende afbeelding. De gronden ziojn eigendom van de gemeente.

Afbeelding 6: perceelnummers (grenzen van het nieuwe bestemmingsplan in rood)

12

3. Kenmerken van het potentiële effect De voorgenomen ontwikkeling kan invloed hebben op het milieu. In dit hoofdstuk zijn de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling per onderwerp beschreven. Zie voor een uitgebreide omschrijving en samenvatting van de uitgevoerde onderzoeken de ruimtelijke onderbouwing die hoort bij de aanvraag omgevingsvergunning. 3.1.

Verkeer Om de invloed van het project op de verkeersgeneratie te onderzoeken, wordt een vergelijking gemaakt van de bestaande situatie met de nieuwe situatie. Het theater had een BVO van 5.926 m2. De voorheen bestaande winkelfuncties hadden een BVO van 1.548 m2. Deze getallen zijn in de rekentool (van CROW op basis van de CROW-publicatie 317) ingevoerd. Daaruit volgt dat de bestaande (oude) situatie leidde tot in totaal 1.003– 1.584 mvt/etmaal. De kencijfers van de verkeersgeneratie van de te ontwikkelen woningen en commerciële functie zijn afkomstig uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – van parkeerkencijfers naar parkeernormen (2018)’. Voor de berekeningen worden de tabellen ‘Verkeersgeneratie’ uit deze publicatie gebruikt: De verkeersgeneratie wordt per woning weergegeven, de stedelijkheidsgraad is ‘sterk stedelijk’ en het stedelijk gebied is ‘centrum’. D2: 3 grondgebonden woningen - Koop, huis, tussen/hoek: 5,4 – 6,2 10 appartementen - Koop, appartement, duur: 5,4 – 6,2 10 woningen aan het park (bebo) - Koop, appartement, midden: 3,7 – 4,5 D3: 400 m2 commercieel - Binnenstad of hoofdwinkel(stads)centrum 50.000–100.000 inwoners (per 100 m2): 23,9 – 31,3 14 appartementen - Koop, appartement, duur: 5,4 – 6,2 De totale verkeersgeneratie als gevolg van het nieuwe bouwplan bedraagt in totaal minimaal 290,3 en maximaal 353,05 motorvoertuigen per etmaal. 13

De verkeersgeneratie zal als gevolg van het nieuwe bouwplan in vergelijking met de bestaande situatie afnemen. Er zal geen overlast of hinder ontstaan voor de afwikkeling van het verkeer. De bereikbaarheid van de Albert Heijn in verband met laden lossen blijft gegarandeerd. De bereikbaarheid blijft onveranderd in vergelijking met de huidige situatie. Conclusie De verkeersgeneratie zal als gevolg van het nieuwe bouwplan in vergelijking met de bestaande situatie afnemen. Er zal geen overlast of hinder ontstaan voor de afwikkeling van het verkeer. Hierdoor is er voor dit aspect geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het onderwerp verkeer geeft daarmee geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER. 3.2.

Bodem Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat nieuwe gevoelige bestemmingen of uitbreidingen daarvan op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Als personen meer dan 2 uur verblijven in het bouwwerk en ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in nieuwe gevoelige bestemmingen en is er dus bodemonderzoek nodig. Door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord is tevens historisch onderzoek gedaan, waarmee op basis van beschikbare reeds uitgevoerde onderzoeken een inventarisatie uitgevoerd is naar de bestaande bodemkwaliteit. De conclusie van deze inventarisatie is dat de bodem in de binnenstad in algemene zin verontreinigd is. Dit wordt ook ondersteund door het gestelde in de bodemkwaliteitskaart, welke uitgaat van een bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’ voor de bovengrond van de binnenstad. In 2007, 2014 en 2015 zijn voor gedeelten van het plangebied bodemonderzoeken uitgevoerd. In mei 2017 heeft Bodem Belang BV onderzoek uitgevoerd ten behoeve van het gehele projectgebied. Voor dat onderzoek zie bijlage 5 bij de bestemmingsplantoelichting (kenmerk 05 1003337 d.d. 0905-2017 Bodem Belang BV).

Bodem Belang heeft in de bovengrond een verhoogd gehalte aan koper gemeten ten opzichte van de tussenwaarde. Verder hebben ze lichte verhogingen aangetoond aan minerale olie, PAK, kwik, lood en zink ten opzichte van de achtergrondwaarden. In de ondergrond zijn geen van de geanalyseerde parameters aangetoond in gehalten die de achtergrondwaarden overschrijden. Ook hebben ze in het grondwater lichte verhogingen ten opzichte van de streefwaarden gemeten van xylenen en minerale olie. In en op de bodem hebben ze zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Ook in de fijne fractie is na analyse geen asbest aangetroffen.

14

De oorzaak van de verhogingen is niet eenduidig aan te geven, maar de oorzaak zou kunnen liggen bij het voormalig historisch gebruik (spooremplacement). Geadviseerd wordt om een nader onderzoek uit te voeren naar de omvang van de koperverontreiniging ter plaatse van boring 01. Ondertussen is de kopervervuiling al afgevoerd. In verband met de toekomstige ontwikkeling van appartementencomplex Bellevue heeft Bodem Belang BV aanvullend op het medio 2017 uitgevoerde bodemonderzoek een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd in januari 2018 ter plaatse van de nog te slopen panden. Voor het volledige rapport zie bijlage 6 bij de bestemmingsplantoelichting (kenmerk 05 1003073 d.d. 12-012018 Bodem Belang BV). Het mengmonster van de bovengrond is voor wat betreft de geanalyseerde parameters analytisch schoon. Het gehalte koper overschrijdt in het mengmonster van de ondergrond de achtergrondwaarde. In het grondwater overschrijden de concentraties van barium en de som van de xylenen de betreffende streefwaarden. De oorzaak van de lichte verhogingen is niet eenduidig aan te geven. Gezien de resultaten van de geanalyseerde (meng)monsters moet de gestelde hypothese volgens Bodem Belang, geheel strikt genomen, worden verworpen.

De aangetoonde gehalten overschrijden echter de betreffende achtergrondwaarden en streefwaarden, maar blijven beneden de betreffende toetsingswaarden voor nader onderzoek. Voor een nader onderzoek bestaat geen aanleiding. Er is vanuit milieu hygiënisch oogpunt vooralsnog geen bezwaar voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Na de sloop van de bebouwing in de parkzone is er nog een aanvullend onderzoek noodzakelijk ter plaatse van de voormalige bebouwing. Indien er in de te slopen panden meer dan 35 m² asbesthoudend materiaal zit dan is een asbest in grond onderzoek conform NEN 5707 eveneens na de sloop noodzakelijk. De betreffende gronden van het project worden door Zeestad bouwrijp gemaakt en gesaneerd voor de betreffende bestemming. Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door het onderwerp bodem. Het onderwerp bodem geeft daarmee geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER. 3.3.

Geluid Sinds 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Daarin is opgenomen dat voor geluidgevoelige functies, zoals scholen en woningen, bij nieuwe ontwikkelingen akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden om de geluidbelasting te bepalen. De wet omschrijft dat langs (spoor)wegen, met uitzondering van woonerven en 30 km/u wegen, geluidzones zijn gelegen. Volgens de wet mag de geluidbelasting op de gevel van een nieuwe gevoelige bestemming binnen stedelijk gebied niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 53 dB voor spoorweglawaai en 48 dB voor wegverkeerslawaai. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. De zonebreedte langs een spoorweg wordt bepaald door de vastgestelde 15

waarden van de geluidproductieplafonds ter plaatse van de referentiepunten langs het spoor conform Artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. 50 km/u wegen hebben een formele onderzoek plicht binnen een afstand van 200 meter. 30 km/u wegen hebben geen zone op grond van de wet geluidhinder maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de geluidsbelasting afkomstig van deze wegen wel bepaald. De hoogst toelaatbare geluidbelasting (voorkeursgrenswaarde) voor de geluidbelasting afkomstig van wegverkeer voor nieuwe woningen bedraagt 48 dB. In voorliggende situatie zijn de nieuwe woningen gelegen in (binnen)stedelijke situatie. De maximaal toegestane hogere waarde bedraagt hiermee in onderhavig geval 63 dB. De voorkeurswaarde voor de geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein bedraagt 50 dB(A) (art. 44 Wgh) voor de nieuwe woningen. De maximale ontheffingswaarde is 55 dB(A) (art. 59, lid 1 Wgh) Artikel 110f van de Wet geluidhinder schrijft voor dat bij het vaststellen van hogere grenswaarden rekening gehouden dient te worden met cumulatie van meerdere geluidbronnen en/of lawaaisoorten. De geluidgevoelige functies (woningen) van het bestemmingsplan Halter Bellevue en stadspark 2021 bevinden zich op 220 meter van het dichtstbijzijnde spoor.

Daarnaast bevindt de dichtstbijzijnde 30 km/u weg, de Spoorstraat, zich op 10 meter afstand van de woningen en de afstand tot de dichtstbijzijnde 50 km/u weg, de Polderweg/Prins Hendriklaan bedraagt 100 meter. De projectlocatie bevindt zich binnen de onderzoeksplichtige zones volgens de Wet geluidhinder en daarom moeten de geluidbelastingen ter plaatse van de geluidgevoelige functies onderzocht worden.

Middenweg Afbeelding 19: relevant beschouwde wegen zijn zwart belijnd

16

Dit onderzoek is uitgevoerd door Cauberg Huygen, voor de volledige rapportage zie bijlage 9 bij de bestemmingsplantoelichting (kenmerk 06439-52697-03 d.d. 11-09-2020 Cauberg-Huygen). Ter plaatse van het nieuwbouwproject is het bestemmingsplan nog gebaseerd op de aanwezigheid van de schouwburg. Om de realisatie van de Halter Bellevue en stadspark 2021 mogelijk te maken is in het kader van een bestemmingsplanprocedure nodig een akoestisch onderzoek uit te voeren. Daarom is het akoestisch onderzoek opgesteld door Cauberg-Huygen. De geplande geluidgevoelige bestemmingen (woningen en appartementen) betreffen een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. De nieuwe woningen en appartementen bevinden zich binnen de zones langs de Middenweg, Polderweg en Prins Hendriklaan. Om die reden zijn de geluidbelastingen ter plaatse van de geluidgevoelige functies berekend en beoordeeld. Onderzocht is of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, vervolgens of hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. De Polderweg en Prins Hendriklaan liggen in elkaars verlengde en zijn om die reden in akoestisch opzicht gezamenlijk, als één weg beschouwd. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van standaardrekenmethode 2 uit bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.

De geluidbelastingen zijn getoetst aan de Wet geluidhinder (meest recente wetversie 1 mei 2017). Uit de berekeningen van Cauberg-Huygen blijkt de volgende: - De geluidbelasting Lden vanwege de Polderweg/Prins Hendriklaan bedraagt ten hoogste 44 dB na aftrek. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB na aftrek wordt nergens overschreden. - De geluidbelasting Lden vanwege de Middenweg bedraagt ten hoogste 46 dB na aftrek. Er vinden geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB na aftrek plaats. - De gecumuleerde geluidbelasting LVL,cum bedraagt ter plaatse van het bestaande gebouw ten hoogste 48 dB. - Alle woningen zijn voorzien van een geluidluwe gevel. - Het gebiedstype is te kenmerken als “redelijk rustig”. De ambitiewaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting zodanig is dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen. Het onderwerp geluid geeft daarmee geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER. 3.4.

Luchtkwaliteit Voor luchtkwaliteit is titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) kader. Daarin is bepaald dat bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moet worden voldaan aan grenswaarden voor onder andere stikstofdioxide en fijn stof. In het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen" is bepaald dat indien een project kan worden beschouwd als "niet in betekenende mate" er geen toetsing aan de grenswaarden hoeft plaats te vinden. Deze grens is in het Besluit gesteld op 3%, wat betekent dat de concentratie stikstofdioxide of fijn stof met maximaal 3% mag toenemen als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen die een bestemmingsplan toestaat. Als het meer is dan 3% moet worden getoetst aan de grenswaarden. In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen" 17

is voor een aantal specifieke projecten een berekening gemaakt bij welk bouwprogramma er nog sprake is van "niet in betekenende mate". Dit is als het project betrekking heeft op maximaal 1.500 woningen of 100.000 m² kantoren (bij één ontsluitingsweg) of een combinatie van beiden. Voor de laatste categorie projecten is in de regeling een verdeelsleutel woningen-kantoren opgenomen. Voor het project wordt uitgegaan van 37 woningen en 400 m2 commerciële ruimte, wat beduidend minder is dan de maximaal 1.500 woningen die zijn genoemd in de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen". Ook als rekening wordt gehouden met andere ontwikkelingen in de omgeving dan is er cumulatief sprake van minder dan 1.500 woningen. Het project is daarmee aan te merken als ‘niet in betekenende mate’. Luchtkwaliteit is daarmee geen belemmering voor het project. Onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig. Zoals in paragraaf 4.5.2 wordt berekend, neemt het aantal motorvoertuigbewegingen per 24 uur af. De bijdrage aan de luchtverontreiniging neemt dan ook af, er is geen nader onderzoek nodig. Omdat er geen extra verkeer is maar juist een afname zal de invoer bij de NIBM-tool uit een negatief getal bestaan en zodoende is de uitkomst ook negatief.

Conclusie Zoals beschreven leidt de bouw van de woningen en winkels niet tot extra verkeer. Het verkeer zal zelfs afnemen. Daardoor kan het project worden beschouwd als “niet in betekenende mate” en wordt voldaan aan de bepalingen uit de Wet milieubeheer en zijn er geen nadelige gevolgen voor de luchtkwaliteit te verwachten. Het onderwerp luchtkwaliteit geeft daarmee geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER.

18

3.5.

Externe veiligheid Bij vaststelling van het naastgelegen bestemmingsplan ‘Willemsoord’ is er een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. Het plangebied van Willemsoord ligt op een afstand van 500 meter naast het voorliggende bestemmingsplan. Zodoende kunnen de resultaten van dit onderzoek naar externe veiligheid ook gebruikt worden om de externe veiligheid van voorliggend bestemmingsplan vast te stellen. Tevens is er gekeken naar de risicokaart.nl, voor een uitsnede zie de navolgende afbeelding:

Afbeelding 18: uitsnede risiciokaart.nl Thema veiligheidsafstanden

Externe veiligheid inrichtingen Het ‘Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen’ (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het besluit legt veiligheidsnormen op aan inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd of opgeslagen (waaronder LPG-tankstations), die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. In het BEVI is bepaald dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, met zoneringen externe veiligheid rekening gehouden moet worden. Het BEVI is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten indien het plangebied binnen het invloedsgebied van een BEVIinrichting ligt (art. 2, lid 2a). Er zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan het invloedsgebied van een ongeval met gevaarlijke stoffen reikt tot in het plangebied.

19

Externe veiligheid transport Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is het "Besluit externe veiligheid transportroutes" kader, dat op 1 april 2015 in werking is getreden. Binnen de zogenaamde basisnetafstand (waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar mag zijn) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toestaan. Binnen de basisnetafstand mogen in principe geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn. Bij transportroutes die geen onderdeel uitmaken van het basisnet geldt een grenswaarde van PR 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde PR 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Binnen 200 meter van een transportroute geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht voor het groepsrisico, zoals aangegeven in artikel 8 van het Bevt. Het invloedsgebied van de N250 bedraagt 355 meter aan weerszijden van de weg. De N250 bevindt zich op minimaal 391 meter van het plangebied. Het onderhavige plangebied bevindt zich niet binnen de invloedssfeer van vervoer van gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het besluit regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen.

Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is hiermee in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. De regels in het besluit gelden voor de exploitant van een buisleiding en het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening. In of nabij het plangebied zijn er geen landelijke of regionale leidingenstroken. Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsrisico’s. Het onderwerp externe veiligheid geeft daarmee geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER. 3.6.

Water In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor bestemmingsplannen. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat de gemeente vooroverleg moet hebben met het waterschap en de provincie (art. 3.1.1 Bro). En volgens artikel 3.1.6 Bro moet het resultaat van het overleg in de toelichting op het plan worden verwoord.

20

Nationaal en Europees waterbeleid Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in standhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. In de volgende paragraaf worden de effecten van het voornemen op de waterstructuur en de waterkwaliteit beschreven. Beschouwing Het plangebied, gelegen in de gemeente Den Helder, valt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Waterkwantiteit Er bevindt zich geen water in het plangebied. 21

Verharding en compensatie De herinrichting van het bestemmingsplan Halter Bellevue en stadspark 2021 leidt niet tot een toename van het verhard oppervlak. In het huidige bestemmingsplan is het toegestaan het gehele plangebied te verharden. Volgens het bouwplan zal een groot deel van het plangebied onverhard worden ingericht als stadspark en zodoende is er zelfs een afname van verharde ondergrond. Er hoeven geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Grondwater Het bestemmingsplan voorziet in het opnieuw inrichten van een gebied rondom het Bernhardplein in Den Helder. Het is aannemelijk dat bij het bouw- en/of woningrijp maken van de locatie, bronbemaling zal worden toegepast. Afhankelijk van de te bemalen hoeveelheid is een watervergunning of een melding in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Het onttrokken grondwater zal ook moeten worden afgevoerd. Het hoogheemraadschap is net als voor de onttrekking van het grondwater ook aanspreekpunt als het gaat om het lozen van het onttrokken grondwater op het oppervlaktewater. Voor het retour bemalen van het onttrokken water is de provincie aanspreekpunt. Voor de eventuele lozing van het bemalingswater op het riool dient u nadere afspraken te maken met de rioolbeheerder, de gemeente. De herinrichting van het bestemmingsplan Halter Bellevue en stadspark 2021 heeft in de gebruiksfase geen effect op grondwaterstanden.

Waterkwaliteit In relatie tot het watersysteem is het in het plangebied aanwezige rioleringsstelsel van belang. Het hemelwater afkomstig van de nieuwe oppervlakken kan als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat het Hoogheemraadschap voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. Daarnaast adviseert het Hoogheemraadschap om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Stedelijke uitbreidingen leiden in de meeste gevallen tot een toename van het aanbod van afvalwater. Het afvalwater moet worden ingezameld en getransporteerd naar de zuiveringstechnische werken (rioolgemalen en/of RWZI) van het Hoogheemraadschap. Het is van belang dat de gemeente in een vroegtijdig stadium van het ontwikkelingsplan afstemming zoekt met het Hoogheemraadschap over de hoeveelheid en samenstelling van het aangeboden afvalwater, de locatie en wijze waarop zij het afvalwater wil aanbieden. Omdat het huidige watersysteem behouden blijft, komt de oppervlaktewaterkwaliteit niet in het geding. Daar waar later alsnog wijzigingen in het watersysteem vereist zijn worden deze dusdanig uitgevoerd dat de doorstroming van het systeem en daarmee de waterkwaliteit niet verslechtert.

Ruimtelijke adaptatie / Klimaatadaptatie Door een veranderend klimaat wordt het weer steeds extremer, hierdoor zullen periodes van hitte en droogte maar ook van overvloedige regenval steeds vaker voorkomen. Het is belangrijk om hier in het ontwerp rekening mee te houden om ook in de toekomst een prettig leefklimaat te behouden. Het uitgangspunt is om het hemelwater zoveel mogelijk te bergen binnen het 22

plangebied. Ruim bemeten (verdiepte) groenstroken en groene tuinen zijn zowel effectief bij wateroverlast als hittestress. Ook bolle of holle straatprofielen kunnen water bergen bij extreme neerslag. Het plan omvat mede de afronding van het stadspark, waardoor meer groen wordt gerealiseerd en verharding afneemt. Daarmee wordt bijgedragen aan een klimaat adaptieve inrichting. Waterkeringen Binnen of nabij het plangebied liggen geen waterkeringen. Waterveiligheid is dan ook niet in het geding. Afvalwaterketen Het verhard oppervlak van de vernieuwde bestemmingsplan Halter Bellevue en stadspark 2021 wordt afgekoppeld, zoals dat in de huidige situatie ook het geval is. Hemelwater kan op deze wijze, eventueel via bodempassages, afstromen richting het oppervlaktewater of infiltreren in de groene bermstroken. De vernieuwing van het plangebied Halter Bellevue en stadspark 2021 leidt mogelijk tot een toename van de vuilwaterstroom, dit zal uitgezocht moet worden in welke mate en of het überhaupt wel plaatsvindt. Beheer en onderhoud Indien het huidige watersysteem grotendeels behouden blijft, blijven ook de huidige onderhoudsmethoden gehandhaafd. Op de plaatsen waar het watersysteem wordt uitgebreid als gevolg van de compensatieopgave wordt met de inrichting ingespeeld op een goede mogelijkheid voor onderhoud.

Watertoets De watertoets is op 7 januari 2021 digitaal afgenomen en er zijn geen complicaties naar voren gekomen. Bij het 3.1.1. overleg is advies ingewonnen bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Dat heeft geleid tot verwerking van tekstvoorstellen in deze paragraaf ten aanzien van Ruimtelijke adaptatie / Klimaatadaptatie, Waterkwaliteit/Riolering en Grondwater. Het toets resultaat is bijgevoegd bij de toelichting van het bestemmingsplan als bijlage 1 en de samenvatting van de watertoets is bijgevoegd bij de toelichting van het bestemmingsplan als bijlage 2. Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door het aspect water. Het onderwerp water geeft daarmee geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER.

23

3.7.

Cultuurhistorie en archeologie Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (2009) (MoMo) Het doel van de MoMo is het doorvoeren van veranderingen in de monumentenzorg. Bij de uitwerking heeft de Minister zich op drie pijlers gericht. Eén van de pijlers uit de Modernisering Monumentenzorg van het Rijk is het opnemen van cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening. Deze wijziging is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wro/Bro In het Bro wordt het bestemmingsplan genoemd als instrument waarin cultuurhistorische waarden kunnen worden verankerd. Het Bro is een uitwerkingsbesluit van de Wro. Dit besluit verplicht gemeenten om in de toelichting bij een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (Artikel 3.1.6, lid 5).

Belangrijk daarbij is dat het cultuurhistorische belang uitdrukkelijk als afwegingsgrond in het ruimtelijk plan moet worden genoemd, omdat anders een juridische grond voor toetsing op basis van dit beleidsterrein ontbreekt. De gemeente Den Helder heeft haar beleid ten aanzien van cultureel erfgoed en archeologie gevangen in de nota Cultureel Erfgoed (vastgesteld in 2017) en het Beleidskader Archeologie (2017). In deze beleidsstukken worden de culturele en archeologische benoemd en op basis van bestaande inzichten en ambities beschermd. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Het gebied maakt ook geen deel uit van het beschermd stadsgezicht. Er zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding.

24

Archeologie Het college van B en W heeft in 2017 de geactualiseerde archeologische beleidskaart en het daaraan gekoppelde beleid vastgesteld, daarnaast wordt de geactualiseerde archeologische beleidskaart gekoppeld aan het omgevingsplan.

Afbeelding 17: Den Helder Archeologische verwachtingskaart, plangebied ligt ter plekke van de zwarte stip

Het plangebied maakt deel uit van het gebied dat is aangemerkt als ‘Archeologische verwachting’. Op de beleidskaart is daarvoor aangegeven dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 3 meter. Deze onderzoeksplicht is in het bestemmingsplan opgenomen middels de dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie 2, waarbij de criteria voor het doen van onderzoek overgenomen zijn uit het beleidskader. Op deze wijze is de bescherming van eventueel voorkomende archeologische waarden gekoppeld aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor relevante activiteiten. Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door cultuurhistorie en archeologie. Het onderwerp archeologie geeft daarmee geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER.

25

3.8.

Flora & fauna 3.8.1. Ecologie Op basis van wetgeving is bepaald dat ruimtelijke initiatieven geen (onevenredige) nadelige effecten mogen hebben op eventueel voorkomende beschermde flora en fauna. De bescherming van ecologische waarden en van planten- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

In de verordening van de provincie Noord-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Aardmuis, Gewone bosspitsmuis, Ondergrondse woelmuis, Bastaardkikker, Gewone pad, Ree, Bosmuis, Haas, Rosse woelmuis, Bruine kikker, Huisspitsmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Dwergmuis, Kleine watersalamander, Veldmuis, Dwergspitsmuis, Konijn, Vos, Egel, Meerkikker en de Woelrat. Voor de ontwikkeling rondom het Bernhardplein (met name de sloop van bestaande bebouwing) zal na de verwerving van de desbetreffende opstallen een ecologische QuickScan uitgevoerd moeten worden om vast te stellen welke planten- en diersoorten op de projectlocatie mogelijk aanwezig zijn. Op 9 maart 2020 is er door het ecologisch onderzoekbureau Els&Linde een QuickScan ecologie uitgevoerd. Voor de volledige rapportage zie bijlage 7 bij de bestemmingsplantoelichting (kenmerk 20.081 d.d. 18-03-2020 Els&Linde). Els&Linde concludeert dat uit de resultaten van de QuickScan ecologie van 9 maart 2020 is gebleken dat de aanwezigheid van huismus niet kan worden uitgesloten. Een aanvullend onderzoek naar deze vogels is nodig. Gierzwaluw of vleermuizen worden niet verwacht, onderzoek naar deze soorten is niet nodig. Mogelijk is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig voor de huismus.

Op 14 april 2020 en 12 mei 2020 is deze aanvullende inventarisatie uitgevoerd door onderzoekbureau Els&Linde. Voor de volledige rapportage zie bijlage 8 bij de bestemmingsplantoelichting (kenmerk 20.132 d.d. 22-09-2020 Els&Linde). Uit de resultaten van het 26

afdoend onderzoek is gebleken dat binnen de planlocatie wel huismussen broeden maar dat deze enkel gevonden zijn ten zuiden van de protestantse kerk, binnen de reeds bestaande parkaanleg. Ter plaatse van deze nestplek voorziet het bestemmingsplan in de bestemming ‘Groen – Park’, overeenkomstig de bestaande situatie. Het bestemmingsplan voorziet daar niet in nieuwe werkzaamheden. In de ecologische quick scan is een huismus gemeld in een struik naast het restaurant van McDonald’s. Tijdens de inventarisatie van de broedvogels is daar geen huismus aangetroffen. De struik wordt kennelijk als voedselbron gebruikt. In de directe omgeving, buiten de grenzen van het bestemmingsplan, is de aanwezigheid van nog enkele nestplekken van de huismus vastgesteld. Door de ontwikkeling zal er geen effect optreden op het voorkomen van de huismus. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. 3.8.2. Stikstofdepositie Gebiedsbescherming In het onderzoek wordt beschreven dat het plangebied geen deel uitmaakt van een Natura 2000 gebied. In de omgeving van de planlocaties liggen de Natura2000-gebieden: Waddenzee, Noordzeekustzone en Duinen Den Helder en Duinen en Lage Land Texel. Hierbij is de Waddenzee het dichtbij gelegen Natura 2000-gebied. Voor de bouw- en de gebruiksfase is een berekening van de toename van stikstofdepositie op beschermde Natura 2000-gebieden noodzakelijk.

In mei 2020 is er door DGMR onderzoek uitgevoerd, voor de volledige rapportage zie bijlage 11 bij de bestemmingsplantoelichting (kenmerk M.2020.0252.00.R001 d.d. 12-11-2020 DGMR). Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is inzicht gevraagd in de aard en omvang van de stikstofdepositie in de omliggende Natura2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige natuurgebied is natuurgebied Duinen Den Helder – Callantsoog: op circa 1,0 Km afstand. Het natuurgebied Duinen Den Helder – Callantsoog is voor deze planlocatie maatgevend voor de beoordeling van de stikstofdepositie. Uit het onderzoek van DGMR blijkt dat de berekende depositie voor zowel de bouw- als de gebruiksfase voldoet aan de afgeronde grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Er ontstaat vanwege het plan geen relevante depositie op natuurgebieden in de omgeving. Voor de Aerius berekening is de versie 2019A_20200403_6c571f9654 gebruikt. Voor de Aerius berekening van de bouwfase zie bijlage 12 bij de bestemmingsplantoelichting en voor de Aerius berekening van de gebruiksfase zie bijlage 13 bij de bestemmingsplantoelichting. Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door flora en fauna. Het onderwerp flora en fauna geeft geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER.

27

3.9.

Milieuzonering Bij de bouw van gevoelige functies, zoals woningen, is het van belang inzichtelijk te maken of er bedrijven zijn in de omgeving die een milieucontour hebben die van invloed is op de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse. Of andersom, dat de bouw van een nieuwe woning omliggende bedrijven belemmert doordat diens milieucontour wordt ingeperkt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Er zijn in de omgeving van de ontwikkelingslocaties geen bedrijven aanwezig, wel winkels en restaurants. Het gaat om de voorzieningen in het gebouw van de ontwikkeling van Deelplan 4 op het adres Spoorstraat 1A (foodstation) en grenst aan de projectlocatie. Het foodstation is nieuw gebouwd als één van de fasen in het totaalproject. In het ontwerp daarvan is rekening gehouden met de gevoeligheid voor geur en geluid van de in de andere deelplannen te realiseren woningen. De restaurants en winkels vormen daarom geen belemmering voor het realiseren van een goed woon- en leefklimaat. In deelplan 3 wordt een nieuw restaurant gerealiseerd, met daarnaast en daarboven woningen. Ook in dat bouwplan wordt rekening met deze functiemenging en de daarvoor benodigde maatregelen. Conclusie Dit nieuwe bestemmingsplan maakt geen nieuwe bedrijfsbestemmingen mogelijk.

Op dit aspect zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan en is er geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

28

4. Conclusie Uit de effecten die in deze aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn beschreven kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de bouw van 37 woningen , 400 m2 bedrijfsruimte en een stadspark er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Geconcludeerd wordt dat er geen MER noodzakelijk is.

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1704/documents/15904