CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Aanvullend onderzoek.pdf

Gemeenteraad 6 april 2021, gemeente Den HelderBij agendapunt: 11: Voorstel tot afgeven ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het oprichten van een vervangende bedrijfswoning met bijgebouw aan de Nieuweweg 35 in Den Helder9.147 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderzoek Wet Natuurbescherming Herinrichting Nieuweweg 35 te Den Helder 30 oktober 2020, Hippolytushoef Definitief

Opdrachtgever: Dhr. W. Haboldt Nieuweweg 35 1784 PH Den Helder

Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: aandachtnatuur@kpnmail.nl www.aandachtnatuur.nl

Bureau Aandacht Natuur

Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 2 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 6 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 7 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 7 3. Resultaten……………………………..………..…………..………………….. blz. 9 3.1 Flora…………………………………………………………...……………...... blz. 9 3.2 Vogels………………………………………………………………………...... blz. 9 3.3 Zoogdieren...………………………………………………………………...... blz. 10 3.4 Vissen en amfibieën……………………………………………………….... blz. 12 3.5 Overige beschermde soorten……………………………………................. blz. 12 4. Conclusies en advies……………………………………………………… blz. 13 4.1 Gebiedsbescherming……………………………………………………...... blz. 13 4.2 Soortbescherming...………………………………………………………...... blz. 13 4.3 Houtopstanden……………………………………………………………...... blz. 16 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 17 Bijlage 1: Wet Natuurbescherming Bijlage 2. Vleermuiswaarnemingen per veldronde

1

Bureau Aandacht Natuur

1. Inleiding In opdracht van de heer Haboldt heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden aan de Nieuweweg 35 te Den Helder. In verband met de voorgenomen sloop en nieuwbouw van de daar aanwezige woning en de mogelijkheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Het veldonderzoek heeft in de periode juli t/m oktober 2020 plaatsgevonden. De bevindingen van dit veldonderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken. 1.1 Aanleiding en doel In verband met de voorgenomen sloop en nieuwbouw van de woning aan de Nieuweweg 35 te Den Helder, heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft op 1 juli 2020 een veldonderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Aan de hand hiervan heeft in het najaar van 2020 een deelonderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen van vleermuizen. Op 6 oktober heeft middels een dakpaninspectie nader onderzoek plaatsgevonden naar verdere sporen van vleermuizen en (recente) nestlocaties van huismus onder het pannendak. Het onderzoek is uitgevoerd door dhr. M. Volkers en J. Zijp van Bureau Aandacht Natuur.

Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten.

Figuur 1. Ligging van het erf aan de Langevliet 8 te Julianadorp

1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder 2

Bureau Aandacht Natuur

ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria.

Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht.  Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd.

Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het nemen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Een ontheffing

3

Bureau Aandacht Natuur

kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt.  Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het nemen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk.

Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.  “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet 1

De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”

4

Bureau Aandacht Natuur

Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de Provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is in dit geval het bevoegd gezag. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.

5

Bureau Aandacht Natuur

2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving De projectlocatie bestaat uit een woning en losstaande garage uit 1960 en het omliggend erf aan de Nieuweweg 35 ten zuiden van Den Helder. Het betreffen met gele steen opgemetselde gebouwen, voorzien van een zadeldak. Zowel de woonhuis als de garage zijn voorzien van een spouwmuur en hebben een pannendak. De garage is voorzien overstekende hoekpannen, terwijl bij de woning de dakpannen met cement op de buitenmuur zijn gemetseld. De woning is verder voorzien van houten dakgoten en bevat twee opgemetselde schoorstenen. De woning en garage grenzen verder aan een (agrarische) bedrijfsinrichting, waarbij langs het woonhuis een inrit van asfalt is gerealiseerd. De voortuin wordt van de asfaltweg gescheiden door een brede ligusterhaag. De achtertuin wordt afgescheiden door de garage en een schutting en bestaat grotendeels uit een tegelverharding met enkele smalle borders en plantenbakken voorzien van sierheesters. De voortuin bestaat uit een verruigd gazon met wat uitgegroeide sierheesters en een boom.

Figuur 2. De te slopen woning en garage aan de Nieuweweg 35 te Den Helder

Met de voorgenomen herinrichting zullen de aanwezige gebouwen worden gesloopt en de kavel opnieuw worden ingedeeld. Het woonhuis zal iets meer naar het westen worden geplaatst en achterop de kavel wordt het nieuwe bijgebouw gerealiseerd. Gezien de herinrichting kan er vanuit worden gegaan dat de alle bestaande terreintypen op het erf zullen verdwijnen. 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is niet gelegen in of direct aan de rand van een Natura 2000 gebied of aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied 6

Bureau Aandacht Natuur

of een natuurverbinding. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreffen de Duinen Den Helder-Callantsoog en de Waddenzee. De minimale afstand vanaf de projectlocatie tot aan de rand van deze Natura 2000 gebieden bedraagt respectievelijk 2,3 en 3,1 kilometer. De projectlocatie is gelegen in een intensief agrarisch gebied voor de bloembollenteelt. Gezien de ligging en het huidige gebruik van de projectlocatie, bevat het terrein en directe omgeving geen elementen die de specifieke waarden van een Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor in Natura 2000 gebieden aangewezen soorten en habitattypen. 2.3 Houtopstanden De projectlocatie bestaat uit een bestaand erf, waarmee aanwezige bomen en struiken deel uitmaken van een erf beplanting. Van een beschermde houtopstand zoals bedoeld binnen de Wet Natuurbescherming is dan ook geen sprake. 2.4 Methode Op 1 juli 2020 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan het hierboven beschreven projectgebied. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van het projecttracé. Aan de hand van het verkennend onderzoek is beoordeeld dat de gebouwen mogelijkheden bieden als zomer- of een paarverblijfplaats voor vleermuizen en nestlocaties van soorten als huismus en gierzwaluw.

In dit kader heeft, conform het protocol voor vleermuisinventarisaties (Vleermuisvakberaad NGB & Zoogdiervereniging, maart 2017), een gericht veldonderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van vleermuizen. Het doel van het vleermuisonderzoek is om vast te stellen of de betreffende gebouwen worden gebruikt als paarverblijfplaats door vleermuizen. Hiertoe zijn twee veldrondes uitgevoerd in de paarperiode (15 augustus tot 1 oktober), zie tabel 1. Gezien de beperkte omvang van de vrijstaande, en rondom toegankelijke woning, is de projectlocatie voldoende overzichtelijk en is iedere inventarisatieronde uitgevoerd Tabel 1. Weersomstandigheden en data veldonderzoek Datum Zonsondergang/ Start einde temperatuur zonsopkomst 02-09-‘20 27-09-‘20

20:24 uur 19:25 uur

20:24 uur 22:00 uur

22:30 uur 24:00 uur

16oC 14oC

wind

bijzonderheden

2-3 bf 0-1 bf

geen geen

door één persoon met een ruime ervaring op het gebied van vleermuizen. Voor het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector (Pettersson D240X). Hiermee kunnen de ultrasone geluiden, die vleermuizen tijdens het vliegen uitzenden, voor het menselijk gehoor hoorbaar gemaakt worden. Indien noodzakelijk, is gebruik gemaakt van opnameapparatuur. Bij twijfel is het geluid opgenomen en geanalyseerd in het hiervoor speciaal ontworpen computerprogramma Batsound. Ten aanzien van gierzwaluw en huismus hebben geen aparte inventarisatierondes plaatsgevonden. In verband met de waarnemingen van enkele huismussen op/aan de woning op 1 juli 2020 heeft in aanvulling hierop, op 5 oktober 2020 een inspectie van het

7

Bureau Aandacht Natuur

pannendak van zowel de garage als de woning plaatsgevonden. Hierbij gezocht is naar recente nesten/sporen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen.

8

Bureau Aandacht Natuur

3. Resultaten Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van huismus, enkele andere broedvogels en passerende dan wel foeragerende vleermuizen, geen beschermde soorten aangetroffen. Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten, dan wel uit te sluiten, zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De projectlocatie bestaat voornamelijk uit een bebouwd oppervlak, verharding en een verruigde tuin. Naast een ligusterhaag staan hier een aantal sierheesters en zijn er wilde planten aangetroffen als duizendblad, gewoon biggenkruid, akelei, Canadees fijnstraal, vrouwenmantel, lupine, haagwinde, gewone melkdistel, gewone paardenbloem, vingerhoedskruid, Robertskruid, stinkende gouwe, melganzevoet, boerenwormkruid, bijvoet, witte dovenetel, muskuskaasjeskruid, kleefkruid, grote wederik, speerdistel, witte klaver, madeliefje, akkerviooltje, gewone hoornbloem, zevenblad, klimop en opslag van veldiep. Aan de woning zijn geen (beschermde) muurplanten aangetroffen. Tevens zijn er aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2020), binnen het betreffende uurhok geen waarnemingen bekend van beschermde flora.

Gezien de situering van het erf in een intensieve landbouwpolder met bloembollenteelt, kan het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie worden uitgesloten. 3.2 Vogels Met betrekking tot vogels zijn er met uitzondering van huismussen enkele algemeen voorkomende (beschermde) vogelsoorten op en rond het erf aangetroffen zoals putter, Turkse tortel, boerenzwaluw, zwarte kraai en zilvermeeuw. Gezien de beperkte grote van de tuin kan verder worden verwacht dat enkele algemene tuinvogels zoals merel, heggemus en winterkoning als broedvogel voor kunnen komen. De op 1 juli 20202 waargenomen huismussen hebben mogelijk betrekking op (tenminste) twee broedpaar en hebben hoogstwaarschijnlijk een nestlocatie onder het pannendak van de woning. Op 5 oktober 2020 heeft middels een dakpannencheck nader onderzoek plaatsgevonden naar het aantal (recente) nestlocaties van huismus. Hierbij is op twee locaties onder het pannendak recent nestmateriaal aangetroffen en bevestigd de waarneming van circa twee broedpaar huismus op de locatie. Tevens maakt de dichte ligusterhaag een belangrijk onderdeel uit van het functioneel leefgebied van betreffende huismussen aangezien deze voldoende schuil- en voedsel gelegenheid biedt. Met betrekking tot jaarrond beschermde vogelsoorten is uitsluitend de huismus waargenomen op en rond de projectlocatie.

Verder is het pannendak in beperkte mate geschikt als verblijfplaats voor gierzwaluwen, aangezien hoekpannen aan de woning ontbreken en de dakpannen aan de dakrand zijn dichtgemetseld. Echter zijn er aan de oostzijde van het pannendak enkele scheefliggende dakpannen aanwezig, maar bleken met de dakpannencheck te zijn verankerd met ijzeren haken. Onder de pannen zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van gierzwaluwen aan het dak.

9

Bureau Aandacht Natuur

Figuur 3. Situering van de recente nesten van huismus onder dakpannen van de woning aan de Nieuweweg 15 te Den Helder.

Ook op het verdere erf zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. In de beplanting en gebouwen zijn geen geschikte nestlocaties van roofvogels of uilen aangetroffen of sporen die wijzen op hun aanwezigheid (nesten, braakballen, prooiresten of uitwerpselen). 3.3 Zoogdieren Op of rond de projectlocatie zijn geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Verwacht wordt dat het erf het leefgebied vormt voor enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdieren zoals huisspitsmuis, veldmuis en egel. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming van toepassing. Met betrekking tot de zwaarder beschermde soorten is het mogelijk dat hermelijn, wezel of bunzing in de omgeving van het projectgebied. Tevens is ook de steenmarter in NoordHolland bezig aan een opmars. De woning ligt echter ingesloten tussen een drukke verkeersweg en een geasfalteerde erf bij een vrij intensieve bedrijfslocatie. Gezien de ligging en inrichting van het erf wordt niet verwacht dat de planlocatie een belangrijk onderdeel zal zijn van het leefgebied van genoemde marterachtigen.

Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van marterachtigen op de projectlocatie. Verder kan worden verwacht dat het projectgebied en de omgeving gebruikt wordt door vleermuizen. Op en rond het erf zijn tijdens de paarperiode enkele soorten vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen. Voor de 10

Bureau Aandacht Natuur

vleermuiswaarnemingen per veldronde, zie bijlage 2. Op het terrein direct rondom de projectlocatie zijn geen bomen met geschikte holten waargenomen die van belang kunnen zijn als verblijfplaats van vleermuizen. Ook ontbreken er lijnvormig structuren aan of langs het plangebied, maar desondanks is op beide avonden in september een vrij grote activiteit aan passerende / foeragerende gewone dwergvleermuizen en laatvliegers vastgesteld. De vliegbewegingen vonden veelal plaats tussen de erfbeplantingen aan de zuidzijde van de projectlocatie (langs de Middenvliet) en het erf ten noordwesten van de projectlocatie. Ook van laatvlieger zijn tijdens beide veldrondes meerdere passerende dieren waargenomen. Mogelijk betreft het hierbij enkele dieren die zo nu en dan een foerageervlucht langs het erf maakten. Aangezien dieren voornamelijk heen en weer pendeleden en er geen sprake is van een lijnvormige (groen)structuren over of langs het erf, is er geen sprake van een vliegroute over het erf. Tijdens deze foerageervluchten langs het erf is een enkele keer een werfroep van gewone dwergvleermuis waargenomen. Echter vertoonden de dieren geen binding met de woning, waardoor van een paarverblijfplaats binnen de projectlocatie geen sprake is. Verder is eenmaal is een korte waarneming gedaan van ruige dwergvleermuis, ook deze vertoonde geen binding met de projectlocatie.

Van de waargenomen vleermuizen zijn tijdens de inventarisatierondes geen uit- of invliegende dieren waargenomen of paarverblijfplaatsen vastgesteld. Echter heeft het onderzoek zich hoofdzakelijk gericht op paarverblijfplaatsen en heeft geen veldronde (in de vroege ochtend) plaatsgevonden in de kraamperiode (15 mei t/m 15 juli) van vleermuizen. Een veldronde in de kraamperiode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek wel een vereiste voor het vaststellen dan wel uitsluiten van zomerverblijfplaatsen van vleermuizen. Vanwege het ontbreken van tenminste één vleermuisronde in de kraamperiode is tijdens de dakpaninspectie tevens aandacht besteed

Figuur 3. Check van de spouwmuur bij de scheur aan de noordwestzijde van de woning (links) en de loodslabben onder de schoorsteen (rechts).

11

Bureau Aandacht Natuur

aan het mogelijk voorkomen van (zomer)verblijfplaatsen van vleermuizen. Aangezien geen paarverblijfplaatsen van vleermuisverblijfplaatsen zijn vastgesteld kon verstoring van eventueel aanwezige dieren worden uitgesloten. Tijdens de dakpaninspectie is dan ook een nader onderzoek verricht naar de aanwezigheid van sporen van vleermuizen in de toegankelijke delen van de spouwmuur (bij scheuren, aangezien open stootvoegen of een toegankelijke dakrand ontbreken), het pannendak en onder loodslabben. Hierbij zijn geen sporen (uitwerpselen) gevonden die wijzen op de aanwezigheid van vleermuizen. Aan de hand van de vleermuisinventarisatie in de paarperiode en de aanvullende inspectie op 5 oktober 2020 kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in de woning en garage aan de Nieuweweg 35 worden uitgesloten. Andere beschermde zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plantracé. 3.4 Amfibieën Met betrekking tot amfibieën is het mogelijk dat enkele algemeen voorkomende beschermde amfibieën, zoals gewone pad of bruine kikker, worden aangetroffen op en rond de projectlocatie. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer.

Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Op de projectlocatie zijn echter geen waterelementen aanwezig, waardoor geschikt voortplantingshabitat binnen het projectgebied ontbreekt voor genoemde amfibieën. Naast de aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibieën, is tevens het voorkomen van de strikt beschermde soort rugstreeppad bekend uit de uurhok gegevens waarbinnen de planlocatie valt (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Betreffende soort komt in de Noord-Hollands polders vrij algemeen voor en plant zich voort in ondiepe sloten en vaak tijdelijke waterplassen en poelen/vijvers. Aangezien waterelementen ontbreken op de projectlocatie, wordt niet verwacht dat rugstreeppad voorkomt op of in de directe omgeving van de projectlocatie. Andere in de Wet Natuurbescherming aangewezen beschermde amfibieën komen aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (Creemers & van Delft, 2009) niet voor in dit deel van Noord-Holland. 3.5 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie tijdens eerdere onderzoeken. Overige beschermde soorten (vissen, reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.

12

Bureau Aandacht Natuur

4. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de beschermde soorten verder beschreven. Per onderdeel van de Wet Natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 4.1 Gebiedsbescherming Gezien de ligging van de projectlocatie in het open agrarische gebied, de aard van de plannen en de minimale afstand van circa 2,1 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, zijn er geen directe negatieve effecten te verwachten op Natura 2000 gebieden. De projectlocatie en de directe omgeving bevatten geen elementen die de specifieke waarden van in de omgeving aanwezige Natura 2000 gebieden versterken en hebben dan ook geen functie voor de daarin aanwezige kwalificerende soorten en habitattypen. Echter is het mogelijk dat door externe effecten verstoring plaatsvindt aan het Natura 2000 gebied Duinen Den Helder -Callantsoog en betreft voornamelijk de (tijdelijke) sloop- en bouwwerkzaamheden. Met de sloop en nieuwbouw is er geen sprake van een toename van het aantal huishoudens. Gezien de huidige staat en bouwstijl van de woning, zal de nieuwbouw juist een verduurzaming tot gevolg hebben.

Echter zijn er met de herinrichting bouwactiviteiten en extra verkeersbewegingen gemoeid, welke kunnen leiden tot externe (significant) negatieve effecten binnen het Natura 2000 gebieden door een toename van stikstofdepositie in gevoelige habitattypen. Hiertoe heeft dan ook een stikstofberekening in Aerius plaatsgevonden (AMB advies, 21 juli 2020) en laat geen rekenresultaten zien boven 0,00 mol/ha/j. Aan de hand van de Aerius-berekeningen kan worden geconstateerd dat het nabij gelegen Natura 2000 gebied Duinen Den Helder-Callantsoog geen overschrijding verkrijgt door (extra) stikstofdepositie, waarmee een aanvullende toetsing ten aanzien van de Natura 2000 gebieden niet aan de orde is. De beoogde plannen vinden daarbij niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een natuurverbinding of weidevogelleefgebied. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. 4.2 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van, binnen de Wet Natuurbescherming, beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten.

Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren

13

Bureau Aandacht Natuur

beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Met uitzondering van twee nestlocaties van huismus, zijn er geen waarnemingen gedaan of sporen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van andere jaarrond beschermde vogelsoorten op de projectlocatie. Met uitzondering van huismus is er met betrekking tot andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaat geen nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk. Aangezien het pannendak van de woning een vaste rust- en verblijfplaats vormt voor twee broedpaar huismus, zal met betrekking tot de sloop van het woonhuis een ontheffing in het kader van de soortbescherming moeten worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie Noord-Holland / Omgevingsdienst NHN).

Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag dienen er voor de mitigatie van de twee nestlocaties van huismus, op basis van het kennisdocument huismus (BIJ12, juli 2017), de volgende maatregelen worden genomen: - Vooraf aan de sloop dienen, binnen 200 meter van het woonhuis, voor elke nestplaats tenminste twee alternatieve verblijfplaatsen te worden aangebracht op een daarvoor gunstige locatie (bij voorkeur aan gebouwen). Gezien het aantal aanwezige broedparen, dienen tenminste 4 nestkasten voor huismus worden geplaatst. - Deze dienen minimaal drie maanden voor de start van de werkzaamheden te worden geplaatst op daarvoor geschikte locaties. - In eerste instantie mogen dit tijdelijke verblijfplaatsen zijn, zodat permanent nieuwe nestgelegenheden middels inbouwkasten in de nieuw te bouwen woning kunnen worden aangebracht. - De nestkasten (zowel tijdelijk als permanent) worden op minimaal 3 meter hoogte aangebracht en de openingen in verschillende richtingen geplaatst, zodat de gunstige invliegopeningen kunnen worden gegarandeerd. - Het ongeschikt maken van het dak als nestlocatie vindt plaats na de gewenningsperiode van drie maanden en voor het broedseizoen in 2021 De huismus begint, afhankelijk van de klimatologische omstandigheden, soms in maart al met het bouwen/aanvullen van de nesten. De sloop zal vòòr half maart 2021 plaats (moeten) vinden.

De aanwezige ligusterhaag bij de woning is eveneens van betekenis voor de aanwezige broedparen huismus. Dichte, groen blijvende struiken en bomen vormen veelal schuilgelegenheid en een voedselbron voor huismussen. Indien de kasten in de directe omgeving van de (oude) woning worden geplaatst dient de aanbeveling de ligusterhaag te handhaven. Indien dit op een andere locatie (binnen een straal van 200 meter) plaatsvindt, is het eveneens noodzakelijk dat er voldoende functioneel leefgebied zoals dichte struiken of doornstruweel voor huismus aanwezig is. Hiermee wordt de functionaliteit van de (tijdelijke) alternatieve verblijfplaatsen en da kans op broedsucces gewaarborgd.

2

In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.

14

Bureau Aandacht Natuur

Zoogdieren Met uitzondering van vleermuizen, worden uitsluitend enkele algemeen voorkomende zoogdieren verwacht binnen de projectlocatie. Met betrekking tot de algemeen voorkomende soorten geldt een algehele vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en bestendig beheer. Andere, zwaarder beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, worden niet verwacht op de projectlocatie. Met betrekking tot beschermde (grondgebonden) zoogdieren is een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Het erf vormt in samenhang met andere erven/tuinen in de directe omgeving geschikt foerageergebied voor vleermuizen in het open poldergebied. De tuinen vormen echter geen doorlopende lijnvormige groenstructuur, waardoor de erfbeplanting geen belangrijke vliegroute vormt voor vleermuizen. Tevens zijn potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de bebouwing op het erf. Zowel het woonhuis als de garage vormen vanwege de aanwezigheid van een pannendak en deels toegankelijk spouwmuren een geschikte vaste rust- en verblijfplaats. Aan de hand van het uitgevoerde vleermuisonderzoek in de paarperiode (15 augustus t/m 1 oktober) kan worden vastgesteld dat er geen paarverblijfplaatsen in de woning aanwezig zijn.

Met de verdere inspectie van dakpannen, loodslabben en delen van de spouw waar een scheur in de muur aanwezig is, zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in de betreffende woning en garage. Gezien de beperkte geschiktheid van de gebouwen voor vleermuizen door het ontbreken van open stootvoegen of overstekende hoekpannen, kan aan de hand van de verrichte onderzoeksrondes en de inspectie worden uitgesloten dat de woning verblijfplaatsen bevat van vleermuizen. Ondanks dat het vleermuisonderzoek niet volledig conform het protocol van vleermuisinventarisaties is uitgevoerd, is een volledig beeld ontstaan van het belang van de woning voor vleermuizen en is een verder onderzoek of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming ten aanzien van vleermuisverblijfplaatsen niet noodzakelijk. Amfibieën Met betrekking tot amfibieën zijn enkele algemeen voorkomende beschermde soorten te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Echter geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht zoals bedoelt in de Wet Natuurbescherming. Gezien de voorgenomen plannen, wordt echter niet verwacht dat de werkzaamheden een effect zullen hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën.

Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde rugstreeppad voorkomt in de omgeving van het projectgebied. Echter ontbreekt in de huidige situatie geschikt leefgebied voor de soort. In het kader van de voorgenomen plannen is een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot rugstreeppad dan ook niet noodzakelijk. Echter is het mogelijk dat tijdens de nieuwbouw geschikt leefgebied ontstaat voor rugstreeppad. De rugstreeppad is een zogeheten pionierssoort en is als zodanig in staat om in korte tijd nieuw ontstaan geschikt leefgebied te koloniseren. Geschikt leefgebied bestaat uit zanderige, onbegroeide terreindelen met ondiepe, tijdelijke wateren (plassen en sporen). Bouwterreinen in ontwikkeling kunnen aan deze voorwaarden voldoen. Indien genoemde soort wordt aangetroffen, kan het alsnog noodzakelijk zijn een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen. Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging 15

Bureau Aandacht Natuur

van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). 4.3 Houtopstanden Houtopstanden, die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming, zijn niet aanwezig binnen de projectlocatie. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.

16

Bureau Aandacht Natuur

Literatuurlijst •

• • • •

•

•

• • • • • • • • • • •

Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017), Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr.

WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/

17

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 1. Wet Natuurbescherming

Bureau Aandacht Natuur

Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.

34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.

Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •

Natura 2000-beheerplannen

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. •

Cumulatieve effecten

Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •

Beschermd Natuurmonument

Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.

Bureau Aandacht Natuur

Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.

Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd:  80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen  alle van nature in Nederland in het wild levende vogels  alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren  alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3)  bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •

Beschermingsregime Vogels

Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen  Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben  Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1

1

Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Bureau Aandacht Natuur

Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn:  in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;  ter bescherming van flora of fauna;  voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt,  om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten

Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.  Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;  ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;  in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

2 In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Bureau Aandacht Natuur

 

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Beschermingsregime “andere” beschermde soorten

Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven;  in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;  ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;  ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;  ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied,  in het algemeen belang van de betreffende soort. •

Mitigatie en compensatie

Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn:  het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode  het gebruik maken van andere werkapparatuur  of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd

Bureau Aandacht Natuur

Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •

Vrijstelling

Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.

Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.

Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten3. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag seperaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1634/documents/15330