Bijlage 17 GR Gesubsidieerde arbeid KvNH was-wordt lijst.pdf
Tekst van het document
GrGa Kop van NH- WAS-WORDT LIJST Huidige tekst
Tekst na wijziging
-
Artikel 18 Actieve informatieplicht van bestuur aan raden. Het bestuur van het openbaar lichaam verstrekt de raden van de deelnemers de inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Bij de informatieverstrekking geldt dat: • Relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verschaft; • Informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; • Schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur (dagelijks bestuur, algemeen bestuur en/of voorzitter) rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden en in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door dagelijks bestuur of voorzitter dan wordt het algemeen bestuur vooraf geïnformeerd.
-
Artikel 24 Kadernota 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan de behandeling van de begroting, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raad voor zienswijze. 2. De raden geven uiterlijk 1 maart hun zienswijze over de kadernota aan het dagelijks bestuur. 3. Het dagelijks bestuur stelt de raden voorafgaand aan het vaststellen van de kadernota schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Artikel 24 Begroting
Artikel 25 Begroting
1
1.
2.
3.
4.
5.
6. 7. 8.
Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten. Het Dagelijks Bestuur biedt jaarlijks een ontwerpbegroting, alsmede een meerjarenraming voor een aaneensluitend tijdvak van tenminste 3 jaren, aan. Zowel de ontwerpbegroting als de meerjarenraming wordt 8 weken voordat zij aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden, door het Dagelijks Bestuur toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden kunnen over de ontwerpbegroting en de meerjarenraming van hun zienswijze doen blijken. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren bij de ontwerpbegroting en de meerjarenraming, zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. Het Algemeen bestuur stelt de begroting en de meerjarenraming vast vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting moet dienen. Terstond na de vaststelling zendt het Algemeen Bestuur, zo nodig, de begroting en de meerjarenraming aan de raden. Deze kunnen van hun zienswijze doen blijken bij Gedeputeerde Staten. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting en de meerjarenraming binnen twee weken, doch in ieder geval vóór 1 augustus aan Gedeputeerde Staten. Op wijzigingen van de begroting zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing.
In de begroting wordt een raming gemaakt voor de voor elke deelnemende gemeente verschuldigde bijdrage aan de regeling.
1. Het Dagelijks Bestuur biedt jaarlijks een ontwerpbegroting, alsmede een meerjarenraming voor een aaneensluitend tijdvak van tenminste 3 jaren, aan. Zowel de ontwerpbegroting als de meerjarenraming wordt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient door het Dagelijks Bestuur toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De raden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de ontwerpbegroting aan het dagelijks bestuur. Dagelijks Bestuur voegt de commentaren bij de ontwerpbegroting en de meerjarenraming, zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. 3. Het dagelijks bestuur stelt de raden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting voor 15 juli schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Terstond na de vaststelling zendt het Algemeen Bestuur, zo nodig, de begroting en de meerjarenraming aan de raden. Deze kunnen van hun zienswijze doen blijken bij Gedeputeerde Staten. 5. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting en de meerjarenraming binnen twee weken, doch in ieder geval vóór 15 september aan Gedeputeerde Staten. 6. Op wijzigingen van de begroting zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing. 7.
In de begroting wordt een raming gemaakt voor de voor elke deelnemende gemeente verschuldigde bijdrage aan de regeling. 8. Voor de berekening van de in het vorige lid bedoelde bijdragen wordt, rekening houdende met bijdragen van het rijk of anderen, uitgegaan van het inwonertal van de desbetreffende
2
9.
Voor de berekening van de in het vorige lid bedoelde bijdragen wordt, rekening houdende met bijdragen van het rijk of anderen, uitgegaan van het inwonertal van de desbetreffende gemeente op 1 januari van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarvoor de bijdrage verschuldigd is. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingscijfers aangehouden.
gemeente op 1 januari van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarvoor de bijdrage verschuldigd is. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingscijfers aangehouden.
Artikel 26 Rekening en verantwoording 1. Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarvoor de rekening geldt. 2. De vastgestelde jaarrekening wordt vóór 15 juli volgende op het jaar waarvoor de rekening geldt, toegezonden aan Gedeputeerde Staten. 3. Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening alsmede de bijdragen van de gemeenten in het eventuele exploitatietekort vóór 1 juli vast, nadat een registeraccountant deze heeft onderzocht. Het Algemeen Bestuur zendt de jaarrekening binnen veertien dagen na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten ter kennisneming. 4. De vaststelling van de rekening strekt, voor zover het daarin opgenomen ontvangsten én uitgaven betreft, het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam tot decharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.
Artikel 27 Rekening en verantwoording 1. Het dagelijks bestuur stelt een ontwerp-jaarrekening op. 2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp-jaarrekening uiterlijk 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden. De raden kunnen op de concept bestemming van het rekeningresultaat hun zienswijze kenbaar maken. 3. De raden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de concept bestemming van het rekeningresultaat aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 4. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp-jaarrekening zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de raden voorafgaande aan het vaststellen van de jaarrekening schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 6. Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarvoor de rekening geldt. 7. De vastgestelde jaarrekening wordt vóór 15 juli volgende op het jaar waarvoor de rekening geldt, toegezonden aan Gedeputeerde Staten.
3
8.
De vaststelling van de rekening strekt, voor zover het daarin opgenomen ontvangsten én uitgaven betreft, het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam tot decharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden. Artikel 32 Evaluatie 1. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats en heeft pas doorgang als de evaluatie en het betreffende onderwerp met een meerderheid van stemmen, uitgebracht door de deelnemers, wordt aangenomen. 2. Het dagelijks bestuur van de regeling zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de deelnemers van de regeling, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en, wanneer een stemverhouding ontbreekt, het stemmen daarover. 3. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt het (dagelijks) bestuur zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 4. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de deelnemers tot gevolg heeft. 5. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het (dagelijks) bestuur deze in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven. 6.
De gevolgen als bedoeld in het vorige lid, kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daarop volgende evaluatieperiode. Artikel 32 Toetreding en uittreding 1. Toetreding tot de regeling door andere gemeenten vindt plaats op voorstel van het Algemeen Bestuur en met instemming van ieder college van de reeds aan de regeling deelnemende gemeenten. Ieder college heeft
Artikel 34 Toetreding Toetreding tot de regeling door andere gemeenten vindt plaats op voorstel van het Algemeen Bestuur en met instemming van ieder college van de reeds aan de regeling deelnemende gemeenten. Ieder college heeft hiervoor vooraf verkregen toestemming nodig van de raad van die gemeente.
4
hiervoor vooraf verkregen toestemming nodig van de raad van die gemeente. 2. Een college kan, met inachtneming van een opzegtermijn van 12 maanden, na verkregen toestemming van de raad van die gemeente, besluiten uit de regeling te treden. 3. Het Algemeen Bestuur regelt de financiële alsmede de overige gevolgen van zowel een eventuele toetreding als uittreding. Artikel 35 Uittreding 1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 2. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het Algemeen Bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het Algemeen Bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 4 van deze regeling, wenst terug te nemen. 3. Het Dagelijks Bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 5.
Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur, uiterlijk 6
5
6.
7.
8.
maanden voor de datum van uittreding, een conceptuittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen. In de conceptuittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. Indien het Algemeen Bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de deelnemer de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling Gesubsieerde Arbeid Kop van Noord Holland redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Gesubsieerde Arbeid Kop van Noord Holland als bedoeld in artikel 31 van deze regeling.
Het bestuur van Gesubsieerde Arbeid Kop van Noord Holland en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te
6
vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 9. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 10. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. 11. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer.
Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 12. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa.
7
De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 13. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 23 van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 14. De kosten als bedoeld in lid 12 en lid 13 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 15.
Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste tot en met tiende lid, vragen de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 16. Het Algemeen Bestuur stelt de concept-uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien
8
tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 17. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 18. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het zestiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. Artikel 34 Archief Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg voor en het toezicht houden op de bewaring en het beheren van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam.
Archief Artikel 37 Archiefzorg Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 38 Archiefbeheer 1. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Artikel 39 Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. Artikel 40 Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de
9
organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. Artikel 41 Verantwoording 1. De archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar brengt minimaal tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 42 Terbeschikkingstelling 1. De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 2. De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 1, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld.
10