CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 - Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier fase 1 en fase 2.pdf.pdf

Gemeenteraad 9 maart 2026, gemeente Den HelderBij agendapunt: 8: Voorstel tot het afgeven van een advies voor de omgevingsvergunning Dijkkwartier fase 1a.8.699 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

11 alinea's met “inventarisatie”: 9 14 144 145 218 296 297 313 314 328 329

Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Sweco Nederland B.V. Onderwerp Projectnummer Klant Versie Datum Auteur

Handelsregister 30129769 Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier in Den Helder 51009132 Zeestad B.V. D1.0 20-10-2022 Maikell Verkade

2/32

Inhoudsopgave

Samenvatting ........................................................................................................................... 5 1

Inleiding ......................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding............................................................................................................ 7 1.2 Kader van het onderzoek .................................................................................... 7 1.3 Ligging plangebied .............................................................................................. 7 1.4 Toekomstige situatie ........................................................................................... 8 1.5 Voorgenomen werkzaamheden .......................................................................... 9

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ........................................................ 11 Toetsingskader ............................................................................................................. 11 Inventarisatie ................................................................................................................ 11 Analyse van de mogelijke effecten ............................................................................... 13 Conclusie analyse van mogelijke effecten ................................................................... 13

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming ........................................................... 15 3.1 3.1 Toetsingskader ............................................................................................ 15 3.1.1 Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) ................................................. 15 3.1.2 Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) ............................................... 15 3.1.3 Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) ........................................................ 15 3.1.4 Zorgplicht (artikel 1.11) ........................................................................ 17 3.2 Methode ............................................................................................................ 17 3.3 Voorkomende ecotopen .................................................................................... 18 3.4 Vogels ............................................................................................................... 19 3.5 Planten .............................................................................................................. 20 3.6 Vleermuizen ...................................................................................................... 20 3.1.2 Vaste rust en verblijfplaatsen ...............................................................

21 3.6.1 Foerageergebied en vliegroutes .......................................................... 21 3.7 Zoogdieren ........................................................................................................ 22 3.8 Amfibieën en reptielen ...................................................................................... 22 3.9 Vissen ................................................................................................................ 22 3.10 Ongewervelden ................................................................................................. 22 3.11 Zorgplicht........................................................................................................... 23

4

Natuurbeleidskaders.................................................................................................... 24 4.1 Toetsingskader .................................................................................................. 24 4.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................. 24 4.2.1 Toetsingskader .................................................................................... 24 4.2.2 Inventarisatie........................................................................................ 24 4.2.3 Analyse en toetsing effecten................................................................ 25

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer sweco.projectId Datum 20-10-2022

Versie D1.0

Document referentie \\sweco.se\nl\ams01\project\5305\51009132_dijkkwartier_denhelder_fase1\w300 project specifieke werkpakketten\onderzoeken\2.1.6 ecologie\verkennend natuuronderzoek\rapport verkennend natuuronderzoek dijkkwartier c1.0 20221010.docx

3/32

4.3

4.4 5

Gebieden buiten het NNN ................................................................................. 25 4.3.1 Ganzenfoerageergebied ...................................................................... 25 4.3.2 Habitat voor weidevogels ..................................................................... 26 Gemeentelijk beleid ........................................................................................... 27

Conclusie ..................................................................................................................... 29 5.1 Natura 2000-gebieden ...................................................................................... 29 5.2 Soortenbescherming ......................................................................................... 29 5.3 Andere beschermde gebieden .......................................................................... 31

Referenties ............................................................................................................................ 32

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer sweco.projectId Datum 20-10-2022

Versie D1.0

Document referentie \\sweco.se\nl\ams01\project\5305\51009132_dijkkwartier_denhelder_fase1\w300 project specifieke werkpakketten\onderzoeken\2.1.6 ecologie\verkennend natuuronderzoek\rapport verkennend natuuronderzoek dijkkwartier c1.0 20221010.docx

4/32

Samenvatting In onderstaande tabel is een samenvatting weergegeven van conclusies, voortkomend uit het verkennend natuuronderzoek. Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming

Mogelijke effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Natura 2000-gebieden

Verstoring door geluid, licht, trillingen e.d.

Ja, uitvoeren voortoets en AERIUS-berekening

Voortoets is uitgevoerd waaruit blijkt dat er op basis van de uitgangspunten geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden.

Toename stikstofdepositie

Ook is een AERIUS-berekening uitgevoerd waaruit blijkt dat er in de gebruiksfase geen toename aan stikstofdepositie is in omliggende Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

Wet natuurbescherming: soortbescherming

Mogelijke effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Vogels

Jaarrond beschermde nesten

Mogelijk vernietiging nestplaatsen huismus en gierzwaluw (artikel 3.1, lid 2) t.p.v. fase 3 en 4.

Aanvullend onderzoek huismus en gierzwaluw ter hoogte van fase 3 en fase 4.

Mogelijk ontheffing, compenserende maatregelen.

Algemene broedvogels

Mogelijk verstoring broedvogels.

Broedvogelcontrole bij werkzaamheden binnen het broedseizoen (15 maart – 15 juli). Geen.

Geen.

Planten

Geen.

Geen.

Vleermuizen

Mogelijk vernietiging verblijfplaatsen en/of verstoring vliegroute vleermuizen (artikel 3.5, lid 2 en 4) t.p.v. fase 1 t/m 4.

Aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) in gebouwen (geldt voor fase 1 t/m fase 4)

Mogelijk ontheffing, compenserende maatregelen.

Grondgebonden zoogdieren

Geen.

Geen.

Melden algemene soorten.

Amfibieën en reptielen

Kans op kolonisatie rugstreeppad door werkzaamheden.

Geen.

Het gebied onaantrekkelijk of ontoegankelijk maken voor de rugstreeppad ten tijde van de uitvoeringsfase. Het zand wordt voor de dijkversterking laagsgewijs aangebracht en verdicht zodat los en vergraafbaar zand wordt voorkomen.

Mitigerende maatregelen voor mogelijke vliegroute.

Melden algemene soorten. Vissen

Geen.

Geen.

Zorgplicht.

Ongewervelden

Geen.

Geen.

Zorgplicht.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

5/32

Natuurbeleidskaders

Mogelijke effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Natuurnetwerk Nederland

Geen.

Nee.

N.v.t.

Gebieden buiten NNN

Geen.

Nee.

N.v.t.

Gemeentelijk beleid

Geen.

Nee.

N.v.t. Plan biedt kans om natuurinclusief te bouwen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

6/32

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Het plan Dijkkwartier behelst het volgende. Met het plan worden twee verschillende ontwikkelingen gerealiseerd. Als eerste wordt de primaire waterkering versterkt zodat deze voldoet aan de norm voor de komende 200 jaar. Na het versterken van de waterkering wordt er woningen gerealiseer op de versterkte dijk. Het project is in een vietal fases opgedeeld: fase 1 t/m fase 4. Wanneer bij dergelijke ontwikkelingen beschermde plant- of diersoorten of beschermde gebieden in het geding kunnen zijn, dient te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij het voorgenomen plan, is dit verkennend onderzoek uitgevoerd.

1.2

Kader van het onderzoek

Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders:

• Wet natuurbescherming:  Natura 2000-gebieden;  Soorten;  Houtopstanden. • Provinciaal beleid:  Natuurnetwerk Nederland (NNN);  Gebieden buiten het NNN zoals ganzenfoerageergebied en habitat voor weidevogels. • Gemeentelijk beleid. Het verkennend onderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat is het wellicht noodzakelijk navolgende stappen te doorlopen. In dit verkennend onderzoek heeft toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en de natuurbeleidskaders.

1.3

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van het centrum van Den Helder, tussen het Helders Kanaal (inclusief Kanaalweg) en de Helderse Zeewering (excl. buitentalud), langs de Waddenzee, zie figuur 1. Hierbij gaat het om het deel van de waterkering tussen de kruising WeststraatKanaalweg en de kruising Coenraad Botstraat-Theodorus Rijksersstraat. In de huidige situatie bevindt zich hier een dijklichaam (primaire waterkering) langs de Waddenzee, met onder meer enkele woningcomplexen, grondgebonden woningen, enkele wegen en parkeervoorzieningen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

7/32

Figuur 1. Topografische ligging plangebied Dijkkwartier

1.4

Toekomstige situatie

Het plangebied wordt gefaseerd ontwikkeld in vier fasen. Dit gaat om circa 220, 280, 240 en 360 woningen voor respectievelijk fase 1 t/m 4. In totaal worden er circa 1.100 woningen gerealiseerd in het gehele plangebied. De ligging van het totale plangebied met de opdeling in verschillende fases is aangeduid op de kaart in figuur 2. In figuur 3 is ter indicatie het huidige schetsontwerp weergegeven. Figuur 4 toont ter indicatie een impressie van de voorgenomen planontwikkeling.

Figuur 2: Overzicht van fases 1 t/m 4 van plan Dijkkwartier te Den Helder.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

8/32

Figuur 3: Schetsontwerp d.d. 2022-05-09 van fases 1 t/m 4 Dijkkwartier Den Helder.

Figuur 4: Impressie in vogelvlucht van fase 1 Dijkkwartier Den Helder.

1.5

Voorgenomen werkzaamheden

De aanlegfase van de ontwikkeling Dijkkwartier beslaat meerdere jaren door de complexiteit en omvang van het plan. De werkzaamheden per fase (1 t/m 4) zijn globaal als volgt: •

•

Voorbereidingswerkzaamheden: · Sloop huidige bebouwing; · Inrichting werkterrein; · Overige werkzaamheden zoals: bomen kappen en verleggen MS-kabel. Dijkversterking: · Voorbereidende werkzaamheden zoals: verplaatsen van de beheerweg van de dijk en het opbreken van verhardingen;

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

9/32

•

• •

· Grondwerkzaamheden (voornamelijk ter versterking van het binnentalud). Bouwrijp maken: · Aanbrengen grondophoging; · Aanbrengen riolering; · Aanbrengen bouwwegen; · Aanbrengen kabels en leidingen. Bouw woningen. Woonrijp maken (waaronder herinrichting Kanaalweg).

De werkzaamheden nemen in totaal circa 3 à 4 jaar per fase in beslag.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

10/32

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden

2.1

Toetsingskader

Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudings-doelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend, indien een ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project een dwingende reden van groot openbaar belang kent, er geen alternatieven zijn met minder grote effecten op Natura 2000-gebieden en compenserende maatregelen worden getroffen. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er significante effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebieden en zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn.

2.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000-kaart, zoals deze beschikbaar is via het Nationaal Georegister. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van 50 meter ten noorden van het plangebied is gelegen. Dit betreft het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. Dit gebied kent stikstofgevoelige habitattypen. Andere Natura 2000-gebieden liggen op een grotere afstand van het plangebied waarbij het Natura 2000-gebied Noorzeekustzone geen stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden kent. Een overzicht van de Natura 2000-gebieden in de omgeving en hun afstand tot het plangebied is weergegeven in tabel 1. Deze gebieden zijn op de afbeelding in figuur 5 weergegeven.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

11/32

Tabel 1. Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebied

Afstand tot plangebied

Waddenzee

50 meter

Duinen Den HelderCallantsoog

1,9 kilometer

Noordzeekustzone

2,0 kilometer

Duinen en Lage Land 3,5 kilometer Texel Zwanenwater & Pettermerduinen

15,0 kilometer

IJsselmeer

19,0 kilometer

Abtskolk & De Putten 23,8 kilometer Schoorlse Duinen

27,4 kilometer

Oudegaasterbrekken, 45,6 kilometer Fluessen en omgeving Witte en Zwarte Brekken

48,5 kilometer

Figuur 5: Ligging van het plangebied Dijkkwartier ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

12/32

2.3

Analyse van de mogelijke effecten

Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Wel ligt het Natura 2000gebied ‘Waddenzee’ op een afstand van circa 50 meter van het plangebied. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring en dergelijke zijn dan ook – gezien de afstand tot de Natura 2000gebieden – niet op voorhand uit te sluiten. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. In de gebruiksfase wordt de emissie voornamelijk veroorzaakt door voertuigbewegingen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt daarnaast materieel ingezet worden welke stikstofemissies hebben. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht.

De vrijstelling geldt alleen voor tijdelijke stikstofemissies en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van een gebouw, of verkeer dat over een weg rijdt. Het plan behelst de realisatie van circa 1.200 woningen waardoor een verkeersaantrekkende werking optreedt, wat kan resulteren in een toename aan stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden en zodoende een negatief effect kan hebben op gevoelige stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In 2022 is door Sweco een AERIUS-berekening voor het plan uitgevoerd (voor de gebruiksfase). Hieruit blijkt dat het plan – met gebruik van interne saldering – niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie >0,00 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Binnen het stikstofonderzoek zijn uitgangspunten gegeven wat betreft het woningbouwprogramma van het gehele project Dijkkwartier.

2.4

Conclusie analyse van mogelijke effecten

Uit de analyse blijkt dat er geen effecten van stikstofdepositie kunnen optreden op Natura 20000gebieden als gevolg van het voorgenomen plan. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn niet op voorhand uit te sluiten. Het uitvoeren van een nadere effectanalyse in de vorm van een Voortoets dient te worden uitgevoerd. Aansluitend op het verkennend natuuronderzoek een Voortoets uitgevoerd (Sweco, 2022). Hieruit blijkt dat binnen 50 meter het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ aanwezig. Op circa 1,9 kilometer is het eerstvolgende Natura 2000-gebied gelegen. Omdat effecten door geluid en dergelijke tot enkele honderden meters merkbaar zijn, worden negatieve effecten op deze gebieden, behalve op het gebied ‘Waddenzee’ uitgesloten. Uit de Voortoets blijkt dat effecten door: 1 oppervlakteverlies, 2 versnippering, 5 verzoeting, 7 verontreiniging, 8 verdroging, 9 verzilting, 11 verandering overstromingsfrequentie, 12 verandering dynamiek substraat, 13 geluid, 14 licht, 15 trillingen, 16 optische verstoring en 17 mechanische effecten op voorhand uit te sluiten zijn. Door de ontwikkeling van het plangebied zijn effecten door: 3 verzuring door stikstof uit de lucht en 4 vermesting door stikstof uit de lucht, op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats niet op voorhand uit te sluiten.

Het voorgenomen plan voor Dijkkwartier maakt gebruik van interne saldering en leidt daarmee per saldo niet tot een toename aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Effecten zijn daarom op voorhand uit te sluiten.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

13/32

Het verkrijgen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Het bevoegd gezag kan het bestemmingsplan hiermee vaststellen op grond van artikel 2.7 eerste lid Wnb. Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat de berekende toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, met zekerheid niet zal leiden tot aantoonbare effecten op de kwaliteit van de aanwezige habitattypen en leefgebieden van kwalificerende soorten en hiermee het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen niet in de weg staat. Significant negatieve gevolgen zijn daarom uitgesloten.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

14/32

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

3.1

3.1 Toetsingskader

In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

3.1.1

Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.)

• lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen;

• lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

3.1.2

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.)

• lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, • • • •

bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

3.1.3

Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.)

• lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:  onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;  onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of  onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde beschermd gedurende het broedseizoen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

15/32

Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie Noord-Holland geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel jaarrond beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Dit zijn soorten zoals de pimpelmees, boerenzwaluw en blauwe reiger (categorie 5 broedvogels). Voor andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q.

ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.10 van deze wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. Met artikel 4.9 van de omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven (Omgevingsverordening NH2020 (2020)). De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen toeziet, worden genoemd in tabel 2. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.

Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

16/32

Tabel 2. Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland 2019). Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis

3.1.4

Vos Woelrat Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Zorgplicht (artikel 1.11)

Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. • •

•

3.2

lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: o onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, o onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of o onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Methode

Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt:

• Nationale Database Flora en Fauna (NDFF): periode 2016-2021; • NDFF Verspreidingsatlas (https://www.verspreidingsatlas.nl). Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 15 september 2022 en is uitgevoerd door een ecoloog van Sweco.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

17/32

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming.

3.3

Voorkomende ecotopen

Het plangebied is te verdelen in de dijk en bebouwd gebied. De huidige dijk bestaat uit een met gras begroeid talud met aan de teen van het binnentalud een verharde weg. Daar aangrenzend bevinden zich tuinen van hoogbouw (portiekwoningen) en garageboxen. Verder is een appartementencomplex aanwezig met parkeerplaatsen en groen in de vorm van bomen. Binnen het plangebied zijn tevens grondgebonden woningen met tuin aanwezig. Een impressie van het plangebied wordt gegeven in figuren 6 en 7.

Figuur 6. Portiekwoningen met tuinen grenzend aan dijk (links) en appartementencomplex (rechts)

Figuur 7. Grondgebonden woningen (links) en meerlaagswoningen (rechts).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

18/32

3.4

Vogels

Vaste nest- en rustplaatsen (jaarrond beschermde nesten) Vogels met jaarrond beschermde nesten zijn ingedeeld in 5 categorieën, waarbij de nesten van categorie 1- tot en met 4-soorten altijd jaarrond beschermd zijn. Categorie 5-soorten hebben enkel een jaarrond beschermd nest wanneer er een zwaarwegend ecologisch belang is om het nest wel jaarrond te beschermen. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied veel vogelsoorten zijn waargenomen waarvan het nest jaarrond beschermd is, zie onderstaande tabel. Tabel 3. Vogels met jaarrond beschermde nesten. Cat 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Wespendief Zwarte wouw

Cat. 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bosuil Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Brilduiker Draaihals Eider Ekster Gekraagde roodstaart Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Koolmees Oeverzwaluw Pimpelmees Spreeuw Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart

De huismus en gierzwaluw zijn twee ‘gebouwbewonende’ soorten, ze broeden in nissen, onder dakpannen etc. Binnen het plangebied zijn potentieel geschikt nestlocaties aanwezig. Deze zijn aanwezig bij de gebouwen met een pannendak. Voor zowel de huismus als gierzwaluw bieden deze daken nestgelegenheid. Negatieve effecten op eventueel aanwezige nesten door de werkzaamheden zijn dan ook niet op voorhand uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen (straal van 25 meter) geen nesten aangetroffen die mogelijk door vogels met een jaarrond nest worden gebruikt. De aanwezigheid van nesten van de in de tabel genoemde cat. 1 t/m 4 zijn dan ook uitgesloten. Wel kan de sperwer van het plangebied gebruik maken als foerageergebied. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig. Effecten zijn dan ook uitgesloten.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

19/32

Door het voorgenomen plan worden mogelijk vaste rust- en nestplaatsen vernietigd, hetgeen een overtreding is van artikel 3.1, lid 2 van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar nesten van soorten met jaarrond beschermde nesten is nodig om de aan- dan wel afwezigheid van jaarrond beschermde nesten vast te stellen. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming met betrekking tot vogels met jaarrond beschermde nesten is mogelijk nodig. De in de tabel genoemde cat. 5 soorten hebben geen jaarrond beschermde nesten wanneer er voldoende alternatief aanwezig is, omdat ze voldoende flexibel zijn. Op basis van de habitat worden alleen nesten verwacht als ekster, pimpelmees, koolmees en zwarte kraai. Voor de overige soorten is geen geschikt habitat aanwezig. In de bomen zijn geen nesten aanwezig. Er staan ook voldoende bomen rondom het plangebied die een alternatief bieden voor deze soorten, waaronder bomen die buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden staan. Er blijven in de omgeving meer dan voldoende alternatieve nestlocaties over in het omliggend groen en bomen voor de vogels. Nader onderzoek naar nesten van soorten met categorie 5 nesten is niet nodig. Overige broedvogels Het plangebied is geschikt voor algemene vogelsoorten, zoals de merel, houtduif, ekster en winterkoning.

Deze soorten kunnen de bosschages, bomen langs de wegen en het bosgedeelte binnen het projectgebied gebruiken om te broeden. Nesten van inheemse vogelsoorten zijn beschermd gedurende de broedperiode (ca. half maart – half augustus). In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode voor het broedseizoen gegeven omdat bepaalde vogelsoorten (zoals bijvoorbeeld de houtduif) juist vroeg of erg laat in het seizoen kunnen broeden1. Broedende vogels zijn volgens Wet natuurbescherming echter te allen tijde beschermd. Wij raden aan om de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 juli) plaats te laten vinden zodat broedende vogels geen verstoring zullen ervaren. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden, dient het plangebied en directe omgeving (invloedsfeer van de werkzaamheden) door een ter zake kundig persoon gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels kort voorafgaand (uiterlijk een week) aan de werkzaamheden. Deze persoon bepaalt of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Om de kans te verkleinen dat er vogels gaan broeden binnen het plangebied, kunnen eventueel vogelwerende (broedpreventie) maatregelen worden genomen.

3.5

Planten

Uit gegevens van de NDFF blijkt dat er geen beschermde planten in het plangebied voorkomen. Beschermde planten eisen vaak een zeer specifiek habitat zoals vennen, duinen etc. Dergelijk habitat is niet in het plangebied aanwezig. Beschermde planten zijn op basis van de afwezigheid van geschikt habitat uit te sluiten. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

3.6

Vleermuizen

Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vleermuissoorten in en/of in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. De functies die het plangebied voor deze soortgroep kan hebben, worden in onderstaande sub-paragrafen besproken.

1 Er zijn soorten die al (ruim) voor half maart kunnen en/of beginnen met broeden, zoals houtduif, bosuil (december/januari)

en blauwe reiger (februari/maart).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

20/32

3.1.2

Vaste rust en verblijfplaatsen

Vleermuizen zijn wat hun keuze voor vaste rust- en verblijfplaatsen betreft, globaal in te delen in twee typen vleermuizen: gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen (Dietz et al. 2011). Gebouwbewonende soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis, hebben hun verblijfplaatsen in allerlei kleine holten in gebouwen, zoals in een spouwmuur en achter gevelbetimmering. De gebouwen in het plangebied zijn door de aanwezigheid van spouwmuren en toegang tot de daken mogelijk geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaats voor gebouwbewonende soorten. Met het slopen van de gebouwen in de fases 1 t/m 4 worden mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen vernietigd, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming is: artikel 3.5, lid 2. Boombewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats onder andere in holtes en achter loszittende bast in bomen. Soorten zoals de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis maken gebruik van holtes en spleten in bomen als verblijfplaats en worden soms ook achter loshangend schors waargenomen. In het plangebied zijn geen bomen waargenomen met kieren, scheuren, barsten of holtes. De aanwezigheid van boombewonende soorten in het plangebied wordt hiermee uitgesloten.

Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) is nodig. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig. Wij adviseren, gezien het lange ontwikkeltijdspad, om het onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen gefaseerd uit te voeren. Onderzoeken zijn 3 jaar houdbaar waardoor, gezien de planning, in 2023 onderzoek voor fase 1 uitgevoerd moet worden. De onderzoeken naar vaste rusten verblijfplaatsen in andere fases moeten op een ander geschikt moment worden uitgevoerd, rekening houdend met de geldigheidsduur van een rapport.

3.6.1

Foerageergebied en vliegroutes

Naast verblijfplaatsen zijn ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen beschermd, indien deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van een lokale populatie. Verschillende soorten vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen, zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen, om te navigeren en ter beschutting tegen wind. Routes die regelmatig en door meerdere individuen gebruikt worden, noemen we een vliegroute. Vliegroutes zijn nodig om zich te kunnen verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied en andersom. Het plangebied is beperkt geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Grote groenelementen zoals parken, watergangen of bomenrijen zijn niet aanwezig. Wel kan het plangebied beperkt als foerageergebied - ter plaatse van de tuinen of aanwezige bomen - worden gebruikt door de gewone dwergvleermuis. In de omgeving van het plangebied zijn gebieden aanwezig, zoals Quelderduyn en Fort Erfprins die geschikter zijn als foerageergebied. Effecten op foerageergebieden worden op dan ook uitgesloten. Binnen het plangebied zijn geen lijnvormige elementen zoals bomenrijen of watergangen aanwezig. Wel is een brede watergang grenzend aan het plangebied aanwezig. Deze watergang (Helders Kanaal) is potentieel geschikt als vliegroute voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.

Verstoring van deze potentiële vliegroute kan worden voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen zoals bijvoorbeeld het alleen werken tijdens daguren in de actieve periode (april – oktober) van vleermuizen of gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting en het niet verlichten van de watergang. Nader onderzoek naar foerageergebied of vliegroutes is met het treffen van mitigerende maatregelen niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is niet nodig. Als

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

21/32

het werken met de genoemde mitigerende maatregelen niet kan of wenselijk is, is een onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van een vliegroute noodzakelijk.

3.7

Zoogdieren

Zeezoogdieren Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende soorten in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen: bruinvis, bultrug, dwergvinvis, gewone zeehond, grijze zeehond, tuimelaar, walrus. Op basis van de huidige uitgangspunten worden geen effecten op genoemde zeezoogdieren verwacht aangezien er geen werkzaamheden aan de zeezijde worden uitgevoerd. Nader onderzoek naar beschermde zeezoogdieren is niet noodzakelijk. Ook is het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet nodig. Grondgebonden zoogdieren Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende soorten in en/of in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen: egel, haas, huisspitsmuis, konijn en vos. Daarnaast worden op basis van hun verspreiding en het aanwezige habitat diverse muizensoorten verwacht Voor al deze soorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling indien dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag. Nader onderzoek naar beschermde grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. Ook is het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet nodig.

3.8

Amfibieën en reptielen

Uit de NDFF blijkt dat in het gebied geen beschermde amfibieën en reptielen zijn waargenomen. Soorten die worden verwacht zijn de gewone pad en bruine kikker. Voor de gewone pad en bruine kikker geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling indien dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag. Nader onderzoek naar beschermde amfibieën en reptielen is niet noodzakelijk. Ook is het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet nodig. Het plangebied ligt in de nabijheid van de duinen waar de rugstreeppad voorkomt. Door de werkzaamheden kan het terrein mogelijk geschikt worden voor de rugstreeppad als er door de gebruikte zware voertuigen rijsporen ontstaan waar regenwater in kan blijven staan (voortplantingswater) en/of er veel los vergraafbaar zand wordt gecreëerd (rustplaatsen). Het nemen van maatregelen om te voorkomen dat de rugstreeppad zich tijdens de werkzaamheden op het terrein vestigt is dan nodig, hierbij kan gedacht worden aan het plaatsen van paddenschermen om ervoor te zorgen dat de rugstreeppad het gebied niet in kan. Daarnaast is de kans klein dat er veel los vergraafbaar zand aanwezig is omdat een onderdeel van het versterken van de waterkering het laagsgewijs aanbrengen en verdichten van grond / zand betreft.

3.9

Vissen

In het plangebied zijn geen wateren aanwezig waardoor effecten op beschermde vissen op voorhand zijn uit te sluiten.

3.10 Ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat. In de NDFF zijn waarnemingen geen waarnemingen bekend van beschermde ongewervelden. Beschermde ongewervelden eisen een specifiek habitat -zoals vennen, duinen, enzovoorts - en de aanwezigheid van waardplanten.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

22/32

Beschermde ongewervelde soorten zijn op basis van het aanwezige habitat en het ontbreken van waardplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

3.11 Zorgplicht De zorgplicht geldt voor alle (ook de onbeschermde) plant- en diersoorten. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Een manier om aan de zorgplicht te voldoen is om de werkzaamheden vanaf één kant rustig op de starten zodat mogelijk aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Tevens wordt aangeraden om in verband met verstoring van aanwezige dieren de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uit te voeren. Het plangebied is geschikt voor algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten zoals, gewone pad, bruine kikker en bosmuis. Volgens het beleid van de provincie Noord-Holland dienen vrijgestelde soorten die binnen het plangebied aanwezig zijn of worden verwacht, voorafgaand aan de werkzaamheden bij het bevoegd gezag - de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord - digitaal te worden gemeld; zie het meldingsformulier vrijgestelde soorten: https://www.odnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming/Meldingsformulier_vrijgestelde_ soorten

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

23/32

4

Natuurbeleidskaders

4.1

Toetsingskader

Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit:

• Provinciaal beleid:  Natuurnetwerk Nederland (NNN);  Gebieden buiten het NNN (zoals habitat voor weidevogels). • Gemeentelijk beleid.

4.2

Natuurnetwerk Nederland

4.2.1

Toetsingskader

De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor de provincie Noord-Holland is vastgelegd in Artikel 6.43 van de Omgevingsverordening NH2020 (Provincie Noord-Holland, 2020). De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”, figuur 8. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dienen te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN-uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Noord-Holland is de externe werking van het NNN niet van toepassing. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.

Figuur 8. Schema: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel.

4.2.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie van NNN-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van de provincie Noord-Holland. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het plangebied niet binnen het NNN of een natuurverbinding gelegen is. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van 1,7 kilometer ten zuidwesten van het plangebied, zie figuur 9. Dit betreft het NNN-gebied ‘Huisduinerpolder’. Natuurverbindingen liggen op een vele malen grotere afstand van het plangebied.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

24/32

Figuur 9. Ligging plangebied t.o.v. NNN-gebieden (aangegeven in groen).

4.2.3

Analyse en toetsing effecten

Het plangebied is niet gelegen in een NNN-gebied of natuurverbinding. Effecten op NNN-gebieden of natuurverbindingen zijn, gelet op de ligging buiten een NNN-gebied en natuurverbinding en uitsluiting door externe werking, voor het voorgenomen plan uitgesloten. Het uitvoeren van een nee, tenzij-toets is niet noodzakelijk.

4.3

Gebieden buiten het NNN

4.3.1

Ganzenfoerageergebied

4.3.1.1

Toetsingskader

Ganzenfoerageergebieden worden via de omgevingsverordening beschermd. Bestemmingsplannen welke negatieve effecten teweeg zullen brengen op het ganzenfoerageergebieden zijn niet toegestaan, tenzij er geen aanvaardbaar alternatief aanwezig of en een groot openbaar belang wordt ingediend.

4.3.1.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie van het ganzenfoerageergebied is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van de provincie Noord-Holland. Het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied bevindt zich op een afstand van circa 46 km ten zuidoosten van het plangebied, zie figuur 10. De geplande werkzaamheden hebben vanwege deze afstand geen effecten op dit beschermde gebied.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

25/32

Figuur 10. Ligging plangebied t.o.v. ganzenfoerageergebied

4.3.1.3

Analyse en toetsing effecten

Het plangebied is niet gelegen in een ganzenfoerageergebied. Effecten op ganzenfoerageergebieden kunnen, gelet op de ligging buiten een het ganzenfoerageergebied en uitsluiting door externe werking, voor het voorgenomen plan worden uitgesloten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

4.3.2

Habitat voor weidevogels

4.3.2.1

Toetsingskader

De wettelijke bescherming (Wro) van gebieden buiten het NNN (Bijzonder Provinciaal Landschap) is geregeld via het bestemmingsplan. Habitat voor weidevogels voor de provincie Noord-Holland is vastgelegd in Artikel 6.46 van de Omgevingsverordening NH2020 (2020). Bestemmingsplannen welke negatieve effecten teweegbrengen op de habitat voor weidevogels zijn niet toegestaan, tenzij er geen aanvaardbaar alternatief aanwezig is en/of een groot openbaar belang wordt ingediend.

4.3.2.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie van een gebied behorend tot een habitat voor weidevogels is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van de provincie Noord-Holland. De dichtstbijzijnde habitat voor

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

26/32

weidevogels gebied bevindt zich op een afstand van circa 4,8 km ten noorden van het plangebied. Dit betreft het gebied ‘Texel – Oude Land en aandijkingen’, zie figuur 11. De geplande werkzaamheden hebben vanwege deze afstand geen effecten op dit beschermde gebied

Figuur 11. Ligging plangebied t.o.v. Bijzonder Provinciaal Landschap met kernkwaliteit ‘habitat voor weidevogels’.

4.3.2.3

Analyse en toetsing effecten

Het plangebied valt niet binnen Bijzonder Provinciaal Landschap met een kernkwaliteit ‘habitat voor weidevogels’. Effecten op habitat voor weidevogels kan, gelet op de ligging buiten een habitat voor weidevogels en uitsluiting door externe werking, voor het voorgenomen plan worden uitgesloten. Het uitvoeren van aanvullend effectonderzoek is niet noodzakelijk.

4.4

Gemeentelijk beleid

Voor zover bekend heeft de gemeente Den Helder geen specifiek beleid ten aanzien van natuur en biodiversiteit. Het voorgenomen plan biedt kansen om de stedelijke biodiversiteit te versterken/vergroten, zie onderstaande tekst.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

27/32

Tekstvak 1. Kansen voor biodiversiteit Wereldwijd staat de biodiversiteit sterk onder druk. Om de afname van biodiversiteit niet alleen te stoppen maar tevens te verhogen, zal Sweco zich extra inspannen om de biodiversiteit te bevorderen. U mag van ons dan ook een proactieve houding op het gebied van biodiversiteit verwachten. Als wij kansen zien voor biodiversiteit, zullen wij u als opdrachtgever, daarop wijzen en adviseren hoe deze kansen benut kunnen worden. Een hoge biodiversiteit zorgt voor meer leven in de wijk, dit gaat vaak samen met de juiste toepassing van meer groen. Dit heeft voor mensen en dieren meerdere voordelen. Zo heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat mensen zich veiliger op straat voelen in een groene omgeving. Ook komen uitingen van agressie minder vaak voor in groenere buurten en is groen goed voor de gezondheid. Er is aangetoond dat mensen ‘mentaal herstellen’ in een groene omgeving. Groen biedt daarnaast een mogelijkheid even te ontspannen aan stress of de drukte van de stad. Groene gebouwen hebben een positieve invloed op de beleving van de stedelijke leefomgeving. Mensen bekommeren zich en/of voelen zich betrokken bij groen in hun directe omgeving. Het bieden van een thuis voor diersoorten kan dit gevoel versterken.

Daarnaast heeft het groen ook een educatieve functie, een groene omgeving kan helpen om het concentratievermogen te vergroten en creativiteit te stimuleren. In hedendaagse ontwerpen van nieuwe gebouwen zijn geen of nauwelijks verblijfsmogelijkheden aanwezig voor diersoorten die afhankelijk zijn van bebouwing, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Deze soorten hebben hun rust- en voortplantingsplaatsen in spouwmuren, spleten, kieren of onder dakpannen. Voor deze soorten is het inbouwen van faunavoorzieningen in de nieuwbouw heel goed mogelijk. Deze kunnen worden toegepast zonder concessies te doen aan het uiterlijk of de kwaliteit van het gebouw of het comfort van de gebruikers. De faunavoorzieningen zijn namelijk geheel ingekaderd, zodat de dieren nergens anders dan op de toegewezen plekken kunnen komen en er geen overlast zal zijn. Naast maatregelen voor dieren zijn er ook mogelijkheden voor beplanting, zoals een groene gevel of een groen dak.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

28/32

5

Conclusie

5.1

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Wel ligt het Natura 2000gebied ‘Waddenzee’ op een afstand van circa 50 meter van het plangebied. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook – gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden – niet op voorhand uit te sluiten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. De vrijstelling geldt alleen voor tijdelijke stikstofemissies en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van een gebouw, of verkeer dat over een weg rijdt.

Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring, stikstofdepositie e.d. zijn niet op voorhand uit te sluiten. Het uitvoeren van een nadere effectanalyse in de vorm van een Voortoets dient te worden uitgevoerd. Aansluitend op het verkennend natuuronderzoek is een Voortoets uitgevoerd (Sweco, 2022). Uit de Voortoets blijkt dat effecten door: 1 oppervlakteverlies, 2 versnippering, 5 verzoeting, 7 verontreiniging, 8 verdroging, 9 verzilting, 11 verandering overstromingsfrequentie, 12 verandering dynamiek substraat, 13 geluid, 14 licht, 15 trillingen, 16 optische verstoring en 17 mechanische effecten op voorhand zijn uit te sluiten op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Door de ontwikkeling van het plangebied zijn effecten door: 3 verzuring door stikstof uit de lucht en 4 vermesting door stikstof uit de lucht, op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats niet op voorhand uit te sluiten. Het voorgenomen plan voor Dijkkwartier maakt gebruik van interne saldering en leidt daarmee per saldo niet tot een te grote toename aan stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Het verkrijgen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Het bevoegd gezag kan het bestemmingsplan hiermee vaststellen op grond van artikel 2.7 eerste lid Wnb.

Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat de berekende toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, met zekerheid niet zal leiden tot aantoonbare effecten op de kwaliteit van de aanwezige habitattypen en leefgebieden van kwalificerende soorten en hiermee het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen niet in de weg staat. Significant negatieve gevolgen zijn daarom uitgesloten.

5.2

Soortenbescherming

Uit het verkennend onderzoek blijkt dat voor enkele soortgroepen negatieve effecten mogelijk optreden door het voorgenomen plan. Vogels De huismus en gierzwaluw zijn twee ‘gebouwbewonende’ soorten, ze broeden in nissen, onder dakpannen etc. Door het voorgenomen plan worden mogelijk vaste rust- en nestplaatsen van de

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Dijkkwartier Den Helder Projectnummer 51009132 Datum 20-10-2022

Versie D1.0

29/32

huismus en/of gierzwaluw vernietigd, hetgeen een overtreding is van artikel 3.1, lid 2 van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek, ter plaatse van de woningen in fase 3 en 4, naar nesten van soorten met jaarrond beschermde nesten is nodig om de aan- dan wel afwezigheid van jaarrond beschermde nesten vast te stellen. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming met betrekking tot vogels met jaarrond beschermde nesten is mogelijk nodig. Het plangebied is geschikt voor algemene vogelsoorten, zoals de merel, houtduif, ekster en winterkoning. Deze soorten kunnen de bosschages, bomen langs de wegen en het bosgedeelte binnen het projectgebied gebruiken om te broeden. Nesten van inheemse vogelsoorten zijn beschermd gedurende de broedperiode (ca. half maart – half augustus). Alle in Nederland broedende vogels zijn tijdens het broeden beschermd. Voorafgaand aan de verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen (circa half maart tot half juli), is het uitvoeren van een broedvogelcontrole noodzakelijk. De Wet natuurbescherming erkent officieel geen broedseizoen. Wij raden aan om de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 juli) plaats te laten vinden zodat broedende vogels geen verstoring zullen ervaren.

Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden, dient het plangebied en directe omgeving (invloedsfeer van de werkzaamheden) door een ter zake kundig persoon gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels kort voorafgaand (uiterlijk een week) aan de werkzaamheden. Deze persoon bepaalt of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Om de kans te verkleinen dat er vogels gaan broeden binnen het plangebied, kunnen eventueel vogelwerende (broedpreventie) maatregelen worden genomen. Vleermuizen De gebouwen binnen het plangebied (fase 1 t/m 4) zijn door de aanwezigheid van een spouwmuur, toegang tot het dak en ruimte achter de beplatingen mogelijk geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaats voor gebouwbewonende soorten. Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) is nodig. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig. Door het gebruik van bouwverlichting tijdens de werkzaamheden zou er een negatief effect op kunnen treden op een mogelijk aanwezige vliegroute grenzend aan het plangebied ter hoogte van het Helders Kanaal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2350/documents/26563