bestemmingsplan Veld 5, fase 2 t Laar toelichting.pdf
Tekst van het document
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
26
Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling kan gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide.
De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 10 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden en de advieswaarden van de GGD en WHO niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
27
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijfspanden met bijbehorende loodsen en bedrijfswoningen gelegen, namelijk de panden Callantsogervaart 17 tot en met 21, 21A en 23 (oneven). Daarnaast liggen er in het noordelijk deel van het plangebied nog landbouwgronden voor agrarisch gebruik met bijbehorende agrarische bedrijven, namelijk de Langevliet 21 en de Rijksweg 105, 107 t/m 109. Echter is het plangebied op voldoende afstand gelegen. Daarom levert de omgeving geen beperkingen op voor de beoogde functies. In de omgeving zijn voorts geen bedrijven of andere functies gelegen die door de voorgenomen ontwikkeling in hun huidige noch hun toekomstige functioneren worden gehinderd. Verder moet worden nagegaan of de beoogde ontwikkeling milieubelastende activiteiten omvat. In onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van uitsluitend een woonfunctie en worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
28
Planspecifiek Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan 'Julianadorp Zuid-Oost 2010' geen archeologische dubbelbestemming. Een archeologisch onderzoek kan derhalve achterwege blijven. In de omgeving van het plangebied bevinden zich ook geen cultuurhistorische waarden.
29
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het uitwerkingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit ruimtelijke plan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van dit plan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit ruimtelijke plan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het plan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het ruimtelijke plan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het ruimtelijke plan.
5.2 Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het ruimtelijke plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In onderstaande paragrafen zullen de regels nader worden uiteengezet. Strikt genomen is een uitwerkingsplan een nadere uitwerking van het moederplan en kan volstaan worden met het verwijzen naar de regels van het moederplan. Omwille van de afzonderlijke leesbaarheid van dit Uitwerkingsplan is ervoor gekozen de relevante regels uit het moederplan één op één over te nemen. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het ruimtelijke plan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van het uitwerkingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger.
30
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het ruimtelijke plan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Hieronder volgt per toegepaste bestemming een korte toelichting: Woongebied Binnen deze bestemming zijn (woon)gebouwen ten behoeve van zorgwoningen toegestaan. Daarnaast zijn ook wegen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en speelvoorzieningen met de daarbij behorende tuinen, erven, terreinen en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. Er is gekozen voor een systematiek met ruime bouwvlakken zodat er de nodige flexibiliteit mogelijk is. De locatie van de wegen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen is hiermee nog flexibel en nader te bepalen aan de hand van de gewenste uitwerking.
5.2.3 Algemene regels Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een ruimtelijk plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die in ieder geval strijdig zijn met het ruimtelijke plan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het ruimtelijke plan. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
31
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Dit ruimtelijke plan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. De gemeente heeft daarom ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het uitwerkingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
32
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan aan de wettelijke overlegpartners ter kennis gesteld met het verzoek om op de inhoud van het bestemmingsplan te reageren. Veiligheidsregio Noord-Holland Noord Op het bestemmingsplan heeft de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord gereageerd. In deze reactie geeft de Veiligheidsregio aan dat de planlocatie gelegen is, nadat de Omgevingswet in werking treedt, binnen de invloedssfeer van hogedruk aardgasbuisleidingen. Er wordt daarom in overweging gegeven of het plan en de onderbouwing voldoende toekomst gericht inzicht biedt in het belang van veiligheid. De Veiligheidsregio heeft het plan getoetst aan het maatgevende rampscenario, zijnde een fakkelbrand. Voor het scenario fakkelbrand is een beoordeling gemaakt op basis van het worst-case scenario voor dit plan. Hier volgt het navolgende scenario:
•
Het scenarioverloop voor ontsteking biedt geen mogelijkheid tot ontruimen/evacueren m.b.v. hulpdiensten.
•
De brandweer kan alleen de bewoners en medewerkers helpen die een veilige schuilplaats bereikt hebben en mits de hittestraling het optreden van de brandweer mogelijk maakt. Het is de inschatting dat ca. 50% komt te overlijden, de overige aanwezigen zijn grotendeels verwond (brandwonden).
• •
Geneeskundige hulp kan alleen verleend worden na redding door de brandweer.
Om risico's in te perken en nadelige gevolgen te beperken zijn de navolgende maatregelen door de veiligheidsregio voorgesteld: Graafschade beperken De mogelijkheid van een leidingbreuk wordt slechts in combinatie met graafwerkzaamheden als realistisch ingeschat. Graven boven buisleidingen is gebonden aan strikte regels, waardoor een nadere afspraak niet zinvol een bijdrage levert aan veiligheid. Bouwkundige maatregelen De buitenschil van een object kan met het gevel ontwerp een hogere hittestraling weerstaan. Het effect zal bij het worst-case scenario gering zijn. Het effect wordt gunstiger naarmate de breuk op een grotere afstand ontstaat. Het toepassen van niet- of moeilijk ontbrandbare materialen in de gevels (inclusief het dak) verbetert de hitte werende eigenschappen. Als eventuele meerkosten van een ontwerp in verhouding staat tot verbetering van veiligheid, dan is een (combinatie van) bouwkundige maatregelen van meerwaarde. Ontwerp Vanuit elke locatie direct naar een veilige plaats kunnen vluchten verhoogt de overlevingskans. Vluchtveiligheid. Een veilige schuilplaats (verzamelplaats) inrichten, opnemen in het calamiteitenplan en dit beoefenen bevordert de zelfredzaamheid. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zal het advies van de veiligheidsregio ter harte genomen worden.
Het plan is ook getoetst aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN 2021. Het plan voldoet in beginsel aan deze handreiking.
33
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft aangegeven dat in de waterparagraaf duidelijk beschreven is hoe de verhardingstoename en de compensatie tussen de nieuwe en oude situatie zich verhouden. Echter een verbeelding hiervan wordt gemist. Zo is niet duidelijk waar buiten de plangrens compensatie plaatsvindt. Verzocht wordt een overzicht van de locaties van de verschillende compensatiegebieden toe te voegen aan de waterparagraaf, een verduidelijkende afbeelding is toegevoegd. Als gevolg van de vooroverlegreactie is aan de 'waterparagraaf' een verduidelijkende afbeelding toegevoegd. Deze afbeelding maakt inzichtelijk waar een bestaande sloot wordt verbreed. Omgevingsdienst Noord Holland Noord Het concept bestemmingsplan is ook toegezonden aan de Omgevingsdienst. De omgevingsdienst heeft inhoudelijk een advies uitgebracht. In navolging op dit advies is aan de paragraaf bodem toegevoegd dat vooruitlopend op de bouwaanvraag nog een aanvullend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en toegezonden aan het bevoegd gezag. De gevolgen van het plan voor wat betreft stikstof zijn middels een AERIUS berekening in beeld gebracht. Hieruit volgt dat er geen berekenbaar effect optreedt. De berekening is opgenomen bij de stukken als bijlage.
7.2 Zienswijzen en ambtelijke wijzigingen Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de periode van ter inzage legging zijn er geen zienswijzen ingediend. In het plan is één ambtelijke wijziging doorgevoerd. Op de verbeelding was de specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwregels opgenomen. Deze aanduiding was, per abuis, overgenomen het het voorheen geldende bestemmingsplan. Voor het nieuw beoogde bouwplan is deze specifieke aanduiding niet benodigd en kan daarmee komen te vervallen. In het verlengde daarvan is de bouwregeling artikel 4.2.1 aangepast, lid g is komen te vervallen. Daarmee zijn ook de bepalingen in artikel 4.4 onder b en c komen te vervallen.
34