CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.0400.516BPLAAR32020-VST1_OriNteren..lianadorp.pdf

Gemeenteraad 25 januari 2021, gemeente Den HelderBij agendapunt: 10: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan 'Veld 3 't Laar'4.863 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. mr. J. van Nuland ’t Goylaan 11 3515 AA Utrecht

Datum

11 mei 2018

Kenmerk

BE/2018/204

Uw kenmerk

Email d.d. 16 februari 2018

Auteur(s)

K.J. Rebergen

Projectleider(s)

T.J.P. den Otter

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna Noorderhaven (veld 3) te Julianadorp Zorginstelling ’s Heeren Loo is voornemens om op het terrein Noorderhaven te Julianadorp 134 woningen te realiseren, waarvan 99 rijtjeswoningen, 20 2-onder-1 kap woningen en 15 vrijstaande woningen. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande bebouwing en terreininrichting gesaneerd. Voor de realisatie van de woningen dient de huidige planologische bestemming gewijzigd te worden. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure voor zorginstelling ‘s Heerenloo en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project, zoals hiervoor omschreven, uitvoerbaar zoals het bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

1

Planlocatie De planlocatie betreft het perceel Beschermd Wonen ’s Heeren Loo (veld 3). Op het perceel zijn een aantal gebouwen aanwezig. Daarbij is sprake van enkele solitaire bomen, een groenstrook met bomen en struiken, enkele paden en gazon. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Het plangebied betreft een onderdeel van het terrein Noorderhaven dat in gebruik is door Zorginstelling ’s Heerenloo. De locatie ligt ten zuidoosten van Julianadorp en is aan de zuid, oost en westzijde omgeven door terrein(onderdelen) van ’s Heerlen Loo. Aan de noordzijde grenzen akkerpercelen die met name in gebruik zijn ten behoeve van bloembollen teelt. De autoweg N9 ligt op een afstand van 0,9 km ten oosten van de locatie. De Noordzeekust ligt op een afstand van 3,2 km ten westen van de planlocatie.

Figuur 1

De planlocatie bestaat uit veld 3 op het terrein van zorginstelling ’s Heerenloo te Julianadorp. In het bestemmingsplan zijn reeds de contouren van de beoogde inrichting zichtbaar (bron: planviewer.nl).

Functieverandering en effecten De beoogde ingreep betreft de realisatie van 72 rijwoningen, 16 2-onder-1 kap woningen en 11 vrijstaande woningen op veld 2, terrein ’s Heerenloo te Julianadorp. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting: sloopwerkzaamheden en afvoer materiaal; • kap bomen en struiken: afvoer groen; • vergraven terrein en egaliseren; graafwerkzaamheden en grondtransport; • terrein bouwrijp maken; aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie woningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein: algemene hoveniers- en overige werkzaamheden. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocaties komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

2

Figuur 2

De beoogde inrichting van veld 3 (bron: uitsnede kaart BDP.khandekar).

Methode Inventarisatie De inventarisatie is een oriënterend onderzoek waarbij gedetailleerd een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 7 Celsius en windkracht 1-2 (Bft.) Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd.

3

De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Noord-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Vos Woelrat

Egel

Meerkikker

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt definitie vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Gedurende het veldbezoek zijn geen sporen van (beschermde) planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Op de muren zijn geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie is sprake van enkele verschillende vegetatiestructuren. Het betreft een gazon met enkele solitaire bomen, groenstroken met dichte aanplant en de tuinen met hagen rondom de bestaande en te handhaven bebouwing. De aangetroffen soorten zijn: berk, gewoon speenkruid, sneeuwklokje, wilde peen, ridderzuring, els, sneeuwbal, els, es, spar, braam, taxus, liguster en buxus. De habitatpreferentie van beschermde soorten bestaat met name uit specifieke kenmerken zoals extensief beheerde (laag)veengronden, vochtige duinvalleien en schrale (blauw)graslanden. Dergelijke structuren zijn niet aangetroffen op de planlocatie.

Gelet op de agrarische functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan tevens niet verwacht. De vegetatie op de planlocatie bestaat uit aangeplante en gedomesticeerde soorten en/of soorten zonder beschermde status. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen derhalve worden uitgesloten. Zoogdieren De planlocatie bestaat hoofdzakelijk uit open terrein (gazon) met enkele bomen, paden en groenstroken en bebouwing. De beoogde ontwikkeling leidt tot het saneren van de huidige bebouwing en de realisatie van nieuwbouw woningen en de aanleg van meer verharding. Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. Er is sprake van een hoge mate van verstoring door de aanwezigheid van mensen. De bosstroken kunnen in beperkte mate functioneren als foerageergebied, verblijfs- en overwinteringslocatie en als migratieroute. Gelet op de relatief hoge mate van verstoring en de beperkte omvang zullen deze functies alleen (ten dele) van toepassing zijn op algemene en opportunistische soorten zoals: aardmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis en in mindere mate haas en vos.

4

Ten aanzien van de bunzing geldt dat voldoende geschikte structuren aanwezig zijn op de planlocatie. Daarbij biedt het plangebied geschikte foerageer mogelijkheden. De planlocatie kan onderdeel uitmaken van het essentieel leefgebied van de bunzing. Op en rondom de planlocatie zijn geen sporen als vraatsporen (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren, etc.), uitwerpselen, latrines, pootafdrukken of loopsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten, als bunzing, die buiten de vrijstellingsregeling vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Tevens blijft een groot gedeelte van de groenstroken rondom de planlocatie behouden, een klein gedeelte zal worden gekapt en gerooid. De structuur blijft echter intact en behoudt voldoende omvang om te kunnen blijven functioneren als (algemeen) leefgebied en migratie- /foerageerroute. Er is derhalve voor alle soorten voldoende geschikt habitat, ook om tijdelijk naar uit te wijken gedurende de ontwikkeling. Essentieel leefgebied wordt niet aangetast. Mits enkele maatregelen worden getroffen in het kader van de Algemene zorgplicht leidt de beoogde ontwikkeling leidt niet tot (significant) negatieve effecten voor beschermde zoogdieren.

Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In het plangebied en de directe omgeving hiervan is het voorkomen bekend van tenminste 5 vleermuissoorten, namelijk: laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. In de bebouwing op de planlocatie zijn verschillende openingen gevonden die mogelijk geschikt zijn als vaste rust- en/of verblijfplaats voor vleermuizen (figuur 2). Voor het overgrote deel van de aangetroffen openingen zijn de aanvliegroutes tevens geschikt. Structuurrijke groenelementen, een essentieel onderdeel van het vleermuis habitat, zijn aanwezig in vorm van de bosranden rondom het perceel.

Figuur 2

In de bebouwing van de planlocatie zijn verschillende openingen die mogelijk geschikt zijn als de vaste rust en/of verblijfplaats voor vleermuizen (rood omcirkeld).

5

Het is niet uit te sluiten dat soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en andere gebouw bewonende vleermuissoorten de bebouwing gebruiken als vaste rust en/of verblijfplaats. Om uit te sluiten of de potentieel geschikte vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen daadwerkelijk gebruikt worden dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanof afwezigheid van rust- en verblijfplaatsen en de functie van het plangebied voor vleermuizen. Indien dit onderzoek uitsluitsel geeft van de afwezigheid van vleermuizen dient er nog steeds rekening gehouden te worden met foeragerende vleermuizen. Maatregelen die getroffen moeten worden is het toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting om negatieve effecten op de vleermuizen te voorkomen. Amfibieën en reptielen Gedurende het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. In de directe omgeving is het voorkomen bekend van: zandhagedis, gewone pad, rugstreeppad, kleine watersalamander, meerkikker en bruine kikker (Creemers & Van Delft, 2009). Voor reptielen zijn kale (zandige) plekken, dichte heide en opgaande vegetatie afgewisseld met open structuren van essentieel belang. Vergraafbare grond wordt gebruikt door hagedissen om holen te graven en eieren in af te zetten.

Voor beschermde reptielen en amfibieën als levendbarende hagedis, zandhagedis, vroedmeesterpad, heikikker, rugstreeppad en alpenwatersalamander ontbreken functioneel leefgebied, geschikte voortplantingsplaatsen als poelen, vennen en vijvers en overwinteringslocaties als strooisellagen, kruidenrijke graslanden en dichte vegetatie. De rugstreeppad (Habitatrichtlijnsoort) is een typische pionierssoort die gebruikt maakt temporele of visarme wateren als voortplantingswater. De overlevingsstrategie van de soort bestaat uit het koloniseren van enkele typische biotopen die in de regel niet of nauwelijks worden gebruikt door andere amfibieën. Middels deze strategie mijdt de soort concurrentie waardoor de overlevingskansen toenemen. De planlocatie bestaat grotendeels uit gazon wat in het groeiseizoen intensief wordt beheerd (hoog kwaliteitsbeeld), de groenstroken en verharde terreindelen bieden voor de soort geen van de geprefereerde biotopen. Tevens is er geen of nauwelijks sprake van reliëf waardoor de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater tevens uitgesloten is. De rugstreeppad is echter een lastige soort ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen omdat tijdens de werkzaamheden geschikt habitat kan ontstaan en de soort plotseling opduikt.

Zoals hierboven beschreven bepaalt het pioniersstadium van een landschap in hoge mate de aanwezigheid van de soort en is dan ook een karakteristiek element in potentiele habitats. Als de soort in de directe omgeving van een locatie voorkomt waar een pionierssituatie gaat ontstaan is de kans groot dat de soort dit gebied bevolkt. Gedurende de ontwikkeling kan het door de rugstreeppad geprefereerde habitat ontstaan. Om negatieve effecten op de soort te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen die voorkomen dat de soort het plangebied kan gebruiken als voortplantingslocatie De aanwezigheid van de meer algemene, opportunistische amfibieën als gewone pad en bruine kikker kan echter niet worden uitgesloten. Voor de incidenteel aanwezige soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Behoudens de algemene zorgplicht zijn geen bijzondere bepalingen van toepassing en kan overtreding van verbodsbepalingen in het kader van amfibieën en reptielen uitgesloten worden. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedsfeer van de beoogde ontwikkeling is geen relevant oppervlaktewater aanwezig voor beschermde vissoorten.

Effecten op beschermde vissen zijn uitgesloten. Insecten, libellen en ongewervelde In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelde aangetroffen. Tevens zijn geen mierenhopen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van zeldzame, kwetsbare en/of beschermde mieren. De meeste dagactieve insecten zijn begin maart niet of nauwelijks actief.

6

Op de locatie zijn diverse (gedomesticeerde) bomen aanwezig. De vegetatie is voor veel algemene insecten geschikt ten behoeve van voedsel, voortplanting, opgroei (larvale stadium), popstadium en verblijfplaats. Er zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een bepaalde soort een waardplant vormen. Effecten ten aanzien van beschermde insecten als gevolg van de beoogde werkzaamheden zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: vink, koolmees, zwarte kraai, turkse tortel, ekster, houtduif, kauw, knobbelzwaan, wilde eend en nijlgans. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan zijn geen (grote, oude) bomen met horsten, holtes en/of oude nesten aanwezig van of die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. Tevens zijn geen sporen van uilen of andere roofvogels aangetroffen op de planlocatie die duiden aanwezigheid dan wel functioneel gebruik (o.a. veren, uitwerpselen, braakballen, prooiresten en krijtsporen). De kapwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van het nabijgelegen leefgebied of de potentiële nestlocaties.

In de bermen en rondom de bomen zijn geen eischalen, braakballen, veren, uitwerpselen of andere sporen aangetroffen die mogelijk aanleiding geven dat een van de te kappen bomen een functie vervult ten aanzien van ransuilen of sperwerachtigen. Tevens zijn in de directe omgeving ruim voldoende geschikte alternatieven dat de (tijdelijke) afname van enkele bomen geen effect uitoefent op de lokale populaties. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) Het bosgebied voorziet in het voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene broedvogels. De bomen en nabijgelegen groen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 3,3km zijn de Natura2000-gebieden Duinen Den Kelder (figuur 3). De beoogde ontwikkeling betreft de ontwikkeling van 99 rijtjeswoningen, 20 2-onder-1 kap woningen en 15 vrijstaande woningen. De werkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). De planlocatie is gelegen aan nabij Julianadorp. De ontwikkeling betreft de realisatie van 149 woningen en zal resulteren in een toename in normaal woonverkeer. Echter gelet op het grote aantal verkeersbewegingen van (vracht)verkeer op de provinciale wegen en Julianadorp nabij de locatie (<1km) en overige infrastructuur wordt door de verhoging geen effect verwacht. Tevens gelet op de ligging van de locatie ten opzichte van Natura2000-gebieden en de tussen- en nabijgelegen elementen als stedelijk gebied, vakantieparken, provinciale wegen en overige infrastructuur wordt een permanent effect door de realisatie van woningen niet verwacht.

Bovendien worden de woningen aannemelijk ontwikkeld naar de nieuwe normen voor woningbouw en zullen de woningen op energiezuinig zijn. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot omliggende Natura2000-gebieden per definitie te groot is.

7

Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en belangrijk weidevogelgebied geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

8

Figuur 3

Het plangebied (rode cirkel) maakt geen deel uit van een beschermd landschapstype. Op 3,3km afstand van het Natura2000-gebied Duinen Den Helder (bron: natura2000.eea.europa.eu).

Figuur 4

De planlocatie (rode cirkel) ligt op een afstand van 3,3km tot de Duinen Den Helder welke onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (bron: maps.noord-holland.nl).

Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Op de planlocatie zijn houtopstanden (beschreven onder a en b) aanwezig.

Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkelingen leiden tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. In de APV van de gemeente Den Helder is beschreven dat te kappen van bomen (ook bomen staande in bosplantsoen) met een diameter van >30cm (omtrek 94 cm) op 1,30 meter hoogte vergunningsplichtig zijn. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

Conclusies In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft echter aannemelijk geen essentiële functie voor beschermde soorten, behoudens vleermuizen, waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Naar de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Tevens dienen maatregelen te worden getroffen om vestiging van rugstreeppad te voorkomen. De planlocatie en het omliggende terrein heeft (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De bomen en struiken op de planlocatie zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Separaat wordt een Aerius-berekening uitgevoerd om de effecten van stikstof inzichtelijk te maken.

9

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort +/-

-

-

+/-

-

-

n

n

n

+/-

-

n

n

Geschikt habitat Habitarichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat overige soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura2000

3,3km

geen

Aerius

Natuurnetwerk Nederland

3,3km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding / vergunning

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

ja

+/-

broedvogels (j)

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

broedvogels (a)

Tabel 2

Uitvoerbaarheid De beoogde nieuwbouw leidt aannemelijk niet tot aantasting van beschermde gebieden en beschermde natuurwaarden. Een aanvullend onderzoek moet de aan- of afwezigheid aantonen van vleermuizen in de bebouwing op de planlocatie. Verder geldt er voor de Habitatrichtlijn-, Vogelrichtlijn-, en overige soorten dat, op basis van het voorliggende onderzoek, er geen effecten worden verwacht ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen alsmede functioneel leefgebied. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, vestiging van rugstreeppad en de aanwezigheid van algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde ontwikkeling van 99 rijwoningen, 20 2-onder-1 kap woningen en 15 vrijstaande woningen op veld 3 op het terrein Noorderhaven van ’s Heerenloo te Julianadorp is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Alvorens de aanvang van de werkzaamheden dient aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van vleermuisverblijven uitgevoerd te worden.

10

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). •

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek (5 veldbezoeken in periode medio mei t/m medio oktober) uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van vaste rusten/of verblijfplaatsen ervan. Na uitvoering van eventuele maatregelen dienen de werkzaamheden uitsluiten tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

•

Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon)(redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites maps.noord-holland.nl natura2000.eea.europa.eu www.libellennet.nl www.ravon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.vleermuisprotocol.nl

11

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie bv, ir. ing. K.J. Rebergen

Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie bv worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie bv is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie bv.

12

Bijlage 1 Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie betreft veld 3 op terrein Noorderhaven van ’s Heerenloo te Julianadorp.

Figuur 2

Het terrein bestaat hoofdzakelijk uit gazon met enkele solitaire bomen en verharde wegen.

13

Figuur 3

In de noordoost en noordwesthoek zijn drie recentelijk gerealiseerde gebouwen gesitueerd. De gebouwen maken geen onderdeel uit van het planvoornemen.

Figuur 4

Op het terrein Noorderhaven zijn relatief veel bosschages, singels en bomenlanen aanwezig. Deze structuurrijke inrichting vormt geschikt leefgebied voor vleermuizen.

14

Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Bufo calamita) is middelgrote pad met een lengte van circa 4,5-7 cm en korte poten. De rug heeft een grijsbruine kleur met groenige vlekken, de buik is lichtgrijs met grijszwarte vlekken. Over de gehele rug is karakteristieke lichtgele lengtestreep afgetekend. De ogen zijn geelgroen met een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwen door een paars/blauwe verkleuring van de keel. De rugstreeppad heeft een typische en harde roep die over een afstand van 1-3 kilometer hoorbaar is (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 centimeter lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een rugstreep (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Klimatologische veranderingen vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. Mannen komen hier doorgaans eerder aan dan vrouwen (Creemers & Van Delft, 2009). De voortplanting vindt plaats van april-september met een hoogtepunt van half april-mei. Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamisch milieu met vergraafbaar zand of fijne grond en pionierskarakter. Veelal bestaan deze uit onbeschaduwde laagbegroeide terreinen met een macroreliëf. De vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderscheiden in het voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. Het voortplantingshabitat is aquatisch de overige habitats terrestrisch. De functionele leefomgeving bestaat uit het terrein in en tussen deze habitats. De voorplantingslocatie bestaat uit veelal temporele, ondiepe en vegetatieloze wateren. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten.

De zomer enen winterlocaties bevinden zich in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft zich in of kruipt onder materialen zoals: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze plaatsen vorstvrij moeten zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatie omvangen en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een populatie minimaal uit 50-200 dieren bestaat en in verbinding staat met andere populaties (RVO, 2011).

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1628/documents/14904