CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

250528 - D2025-06-001034 - GAP analyse PGS 37-1_Kooypunt Den Helder.pdf

Raadscommissie Stadsontwikkeling en Beheer 14 september 2026, gemeente Den HelderBij agendapunt: 5: Voorstel tot het verlenen van een positief advies over de aanleg van een energieopslagsysteem aan de Koperslagersweg 14F.11.741 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

het maaiveld x 1 met een minimale afstand van 1,5 m Afstand tussen clusters bij gestapelde EOS'en van typical 3 = hoogte van de energiedragerbehuizingen t.o.v. het maaiveld x 1,5 met een minimale afstand van 1,5 m In verband met bereikbaarheid moet de ruimte tussen de EOS'en vlak en geheel vrij zijn van begroeiing, obstakels en andere materialen. EOS-clusters afstand tussen: zelfde als hoogte van EOS (minimaal 1,5 m). EOS hoogte is 2,96 m, wij gebruiken 3m. De afstand tussen cluster en perceelgrens is 4,5m. In het ontwerp is rekening gehouden met de onderlinge veiligheidsafstanden. Voldoet 2,3 x M53 Veiligheidsafstanden-tussen EOS-parken De kortste afstand tussen EOS-parken bedraagt ten minste 5 m. Deze maatregel heeft tot doel het opknippen van grote EOS-parken in kleinere tegen elkaar geplaatste parken te voorkomen. De afstand wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van het EOS- park. Er is geen EOS-park in de buurt. Voldoet 6 M54 Onderlinge veiligheidsafstanden- inpandige Eos'en Bij plaatsing van meerdere EOS'en in dezelfde open ruimte moeten deze op afstand van minimaal 1 m van elkaar staan, zie ook Afbeelding 13, zodat bij een inwendige brand in een van de energieopslagsystemen er geen brandoverslag kan plaatsvinden (zie ook M14).

Inpandige EOS'en mogen in elkaars directe nabijheid zijn geplaatst indien de omkasting van elk van de energieopslagsystemen, rekening houdend met aanwezige ventilatieopeningen, voldoende brandwerend is uitgevoerd om brandoverslag te voorkomen, zie M14. Niet voor typical 3 Niet van toepassing 7.6.3 Brandveiligheid alle x M55 Voorkomen van brandpropagatie Het EOS is bij voorkeur aantoonbaar beveiligd tegen brandpropagatie (fire propagation) op basis van NEN-EN-IEC 62933-5-2 of UL9540A. Wanneer het EOS hier niet aan voldoet, zijn aanvullende maatregelen vereist zoals beschreven in M56 en M57. Voor inpandige EOS'en in een eigen ruimte (typical 5) is het voldoen aan bovengenoemde normen altijd vereist. Voor inpandige EOS'en in een zeer kwetsbaar gebouw moet de beveiliging tegen brandpropagatie op moduleniveau zijn. Afhankelijk van de plaatsing van een EOS of EOS-subsysteem kunnen nadere eisen worden gesteld. Dit heeft met name te maken met effecten op de omgeving die een brandscenario kunnen veroorzaken, ook al blijft deze binnen een systeem conform NEN- EN-IEC 62933-5-2 of UL 9540A. Bijvoorbeeld het plaatsen van een EOS of EOS-subsysteem nabij zeer kwetsbare gebouwen (school, kinderdagverblijf, ziekenhuis, enz.) of dichtbevolkte gebieden. In dat geval kunnen eisen gesteld worden aan de brandpropagatie op cel- of moduleniveau. Conform UL9540A.

Voldoet 1,2,4 M56 Bluswateraansluiting Wanneer het EOS niet aantoonbaar beveiligd is tegen brandpropagatie (M55), moet het EOS voorzien zijn van een bluswateraansluiting met een capaciteit van minimaal 1 000 l/min. De bluswateraansluiting moet voldoen aan de eisen van de brandweer (storzkoppeling nok81 of een andere vorm van bluswatertoevoer zoals overeengekomen met de veiligheidsregio). Bij aanwezigheid van een bluswateraansluiting moet het energiedragercompartiment of het EOS als geheel: bestand zijn tegen de hydrostatische druk van de maximaal te kunnen bereiken waterhoogte; zodanig waterdicht zijn dat er voldoende water voor beheersing van een thermal runaway toegevoerd kan worden. De bluswateraansluiting moet op een makkelijk toegankelijke plaats zijn gesitueerd tussen 0,50 m en 1 m boven maaiveld. Het water moet binnen de container boven de hoogste energiedrager worden ingebracht. Indien een energiedragercompartiment onder water gezet kan worden, is een voorziening aanwezig om tijdens of na afloop het compartiment actief te kunnen koelen of te laten leeglopen, bijvoorbeeld d.m.v. een kogelkraan. De bluswateraansluiting is aan de binnenzijde voorzien van een terugslagklep zodat wordt voorkomen dat vuur of rook in geval van brand via de bluswateraansluiting naar buiten kan komen.

Een brandblusinstallatie mag ook zo worden uitgevoerd dat deze brandpropagatie zoals bedoeld in de eerste alinea kan voorkomen. Dit moet door de leverancier van het systeem kunnen worden aangetoond d.m.v. certificatie. In dit geval gelden niet de eisen met betrekking tot bestand zijn tegen de hydrostatische druk en waterdichtheid. Voor bestaande EOS'en mag als alternatief een voorziening voor een watersnijsysteem zoals beschreven in Bijlage H worden toegepast. Doel is dat er in geval van een thermal runaway snel een beheersbare situatie ontstaat. Uitgangspunt hierbij is dat het EOS beveiligd is tegen propagatie tussen modules of binnen een module. De bluswateraansluiting is bedoeld om de brandweer handelingsperspectief te geven indien dit niet het geval is. Bij toepassing van de bluswateraansluiting kan deze worden ingezet om een vergelijkbare werking als een sprinklerkop te verkrijgen om op die manier het energiedragercompartiment drastisch te kunnen koelen in geval van een incident. Alleen bij daarvoor geschikte systemen kan de brandweer er ook voor kiezen om het systeem vol te laten lopen met water. Omdat er dan water voor handen moet zijn, houdt dit alleen voor Typical 2 een bluswatervoorziening in. Deze bluswatervoorziening moet voldoen de eisen in de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid.

Niet voor typical 3 Niet van toepassing 5,6 M57 Brandbeheerssysteem Voor een inpandig EOS is in de ruimte waarin het EOS staat opgesteld, een gecertificeerd brandbeheerssysteem conform het CCV-certificatieschema Installeren VBB-installaties aanwezig. Voor typical 5 is deze maatregel altijd van toepassing. Voor typical 6 geldt deze maatregel alleen wanneer niet voldaan wordt aan M55 en wanneer deze >100 kWh is. Het brandblussysteem: is ontworpen, aangelegd, opgeleverd en onderhouden volgens een uitgangspuntendocument (UPD), M58. wordt jaarlijks op functioneren en onderhoud beoordeeld door een inspectie- instelling met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A voor het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van brandblussystemen. De UPD-opsteller is gekwalificeerd voor het opstellen van uitgangspuntendocumenten en specificaties onder het nieuwe landelijke CCV-certificatieschema ‘Uitgangspuntendocumenten Brandbeveiliging Opslag Gevaarlijke Stoffen volgens PGS’. Niet voor typical 3 Niet van toepassing 5,6 M58 Eisen UPD Het UPD is de grondslag voor ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie van het brandbeheerssysteem en omvat de uitgangspunten daarvoor. Het UPD bevat: de doelstelling of doelstellingen van het brandbeheerssysteem; de beschrijving van de situatie waarvoor het brandbeheerssysteem doeltreffend is ten aanzien van de doelstellingen.

De beschrijving omvat: de lijst van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen en/of groepen van gevaarlijke stoffen en/of ADR-gevarenklassen waarvoor een vergunning is verleend dan wel wordt aangevraagd en die van belang zijn voor de keuze en werking van het brandblussysteem; de lijst van overige stoffen (aanverwante stoffen, koopmansgoederen en pallets) die kunnen worden opgeslagen en die van belang zijn voor de keuze en werking van het brandblussysteem; de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het brandblussysteem; de brandscenario’s waarvoor het brandblussysteem doeltreffend moet zijn. het gekozen brandbeheerssysteem met verantwoording; de prestatie-eisen te stellen aan het brandbeheerssysteem om de doelstellingen te bereiken; de voor ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie toe te passen normen (de ontwerpnorm) met verantwoording van de keuze; de afwijkingen ten opzichte van de ontwerpnorm en/of deze PGS, die het gevolg zijn van: het toepassen van een gelijkwaardig alternatief met verantwoording; het niet van toepassing verklaren van onderdelen van de ontwerpnorm met verantwoording.

Beoordeling en goedkeuring UPD: Voordat het UPD ter goedkeuring wordt aangeboden aan het bevoegd gezag, moet Voor het opstellen van een uitgangspuntendocument kan worden gebruikgemaakt van de handreiking voor het opstellen van een uitgangspuntendocument (UPD) voor vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussystemen (VBB-systemen). Niet voor typical 3 Niet van toepassing 5,6 M59 Vijfjaarlijkse beoordeling UPD Het uitgangspuntendocument wordt elke vijf jaar beoordeeld. Deze beoordeling: wordt uitgevoerd door een inspectie-instelling met een accreditatie volgens NEN- EN-ISO/IEC 17020 als type A voor het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van brandbeveiligingsystemen; gaat over de gebruikte uitgangspunten en normen in relatie tot de beste beschikbare technieken; gaat over wijzigingen in de activiteiten.

Bevindingen uit de beoordelingen moeten doorgevoerd worden Niet voor typical 3 Niet van toepassing 5,6 M60 Bewaren gegevens UPD De volgende documenten of gegevens worden bewaard: het uitgangspuntendocument; de goedkeuring door het bevoegd gezag; de beoordeling door een inspectie-instelling met een accreditatie volgens NEN-EN- ISO/IEC 17020 als type A voor het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van brandbeveiligingsystemen; de jaarlijkse beoordeling van het brandbestrijdingssysteem door die inspectie- instelling; de vijfjaarlijkse beoordeling van het uitgangspuntendocument door die inspectie- instelling. Deze documenten mogen ook in digitale vorm beschikbaar zijn. Niet voor typical 3 Niet van toepassing 7.6.4 Noodplan, incidenten en calamiteitenalle x M61 Bereikbaarheid van het EOS Het EOS moet altijd bereikbaar zijn voor hulpverlenende diensten in overeenstemming met hoofdstuk 4 van de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. De hulpdiensten moeten te allen tijde toegang kunnen krijgen tot het terrein en het EOS. Dit moet duidelijk beschreven zijn in het noodplan (M64). Het (tijdelijk) plaatsen van objecten mag de toegang tot het EOS voor de hulpdiensten niet hinderen. Voorbeeld van een object met een verhoogd risico is een propaantank op bijvoorbeeld een bouwplaats. Het EOS is voor de hulpverlenende diensten altijd bereikbaar.

Ten behoeve van het EOS worden twee toegangswegen gebruikt met aan zowel de noordoost (Mastenmakersweg/Nagelklinkersweg) als de zuidwestzijde (Ketelmakersweg) een ingang voorzien van een poort. Alleen geautoriseerde voertuigen zijn hier toegestaan. Voor de brandweer is het van belang dat altijd bovenwinds kan worden aangereden, vandaar dat gekozen is voor deze layout. Deze wegen zijn voldoende breed om als opstelplaats voor de hulpdiensten te fungeren. Deze verharde wegen worden niet gebruikt voor opslag van objecten. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat hier geen objecten aanwezig zijn die de hulpdiensten kunnen hinderen. Voldoet 5 M62 Bereikbaarheid -inpandig EOS De opstellingsruimte van een op maaiveld gelegen EOS moet direct aan een buitengevel gesitueerd zijn, tenzij aangetoond kan worden dat in geval van een explosie de integriteit van het gebouw gewaarborgd blijft. Bij een kelderopstelling grenst het EOS direct aan een grondkerende wand met een directe toegang van buiten. Bij een kelderopstelling is de totale capaciteit van de lithiumhoudende energiedragers maximaal 1 MWh. Bij een kelderopstelling is de toegang aan de buitenzijde begrensd door een plateau van ten minste 2 m2. De trap naar de opstellingsruimte van het EOS is ten minste 1 m breed.

De trap vormt constructief één geheel met de rest van het gebouw (tegen zettingsverschillen om de toegang tot het inpandige EOS te waarborgen). Er zijn maatregelen getroffen om ter hoogte van de toegangsdeur van het EOS hemelwater doelmatig af te voeren. Deze maatregel is niet van toepassing op bestaande EOS'en. De voorkeurslocatie van een inpandig EOS is, met het oog op de bereikbaarheid, de begane grond of eventueel een kelder. Voor een EOS op een hoger gelegen verdieping gelden aanvullende eisen. Soms bestaat de grondkerende constructie uit een damwand. Bij het aanbrengen van de damwand is rekening gehouden met de constructie van de trap. Het plateau zorgt ervoor dat de toegangsdeur naar buiten kan draaien en er voldoende bewegingsruimte is om energiedragers doelmatig en veilig naar buiten af te voeren. Indien het inregenen en naar binnen stromen van hemelwater redelijkerwijs niet mogelijk is, zijn maatregelen om hemelwater af te voeren niet noodzakelijk. Voorbeelden zijn de ligging van het EOS aan een overdekte straat (tunnelconstructie) of een volledige afscherming van de trapconstructie bij een kelderopstelling. Bij een kelderopstelling verdient het aanbeveling om een verhoging bij de toegang op maaiveld aan te brengen die het naar binnen stromen van hemelwater tijdens een hevige regenbui voorkomt.

Niet voor typical 3 Niet van toepassing 2,3 x M63 Toegankelijheid EOS-park In verband met de bereikbaarheid van de EOS’en op een EOS-park moet het EOS- park via ten minste twee op voldoende uit elkaar gelegen ingangen toegankelijk zijn, conform de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. De externe toegangen moeten in open toestand onder toezicht staan. Afhankelijk van de plaatselijke situatie kan worden afgeweken na toestemming van het bevoegd gezag. Toezicht op toegangen in open toestand kan ook cameratoezicht zijn. Het EOS is voor de hulpverlenende diensten altijd bereikbaar. Ten behoeve van het EOS worden twee toegangswegen gebruikt met aan zowel de noordoost (Mastenmakersweg/Nagelklinkersweg) als de zuidwestzijde (Ketelmakersweg) een ingang voorzien van een poort. Alleen geautoriseerde voertuigen zijn hier toegestaan. Voor de brandweer is het van belang dat altijd bovenwinds kan worden aangereden, vandaar dat gekozen is voor deze layout. Deze wegen zijn voldoende breed om als opstelplaats voor de hulpdiensten te fungeren. Deze verharde wegen worden niet gebruikt voor opslag van objecten. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat hier geen objecten aanwezig zijn die de hulpdiensten kunnen hinderen. Voldoet alle x M64 Noodplan Een actueel noodplan (zie Bijlage E voor een voorbeeld) hoe te handelen bij incidenten is opgesteld.

Onder incident wordt in ieder geval het optreden van een thermal runaway en een lekkage van elektrolyt verstaan. De installatieverantwoordelijke is verantwoordelijk voor het actueel houden en verspreiden van het noodplan. Het noodplan is gericht op het beperken en beheersen van calamiteiten, ongevallen en het beschermen van werknemers en de leefomgeving. Dit noodplan moet voorhanden zijn bij de installatieverantwoordelijke partij en beheerder van het EOS en de hulpdiensten. Dit noodplan bevat ten minste: contactinformatie van betrokken partijen; een beschrijving van de monitoring; hoe de alarmering geregeld is (24/7); hoe er op de alarmering gereageerd moet worden; scenariobeschrijvingen bij brandmelding; plattegrond waarop bluswatervoorzieningen aangegeven zijn (niet noodzakelijk voor typical 4); informatie over de toegang tot het terrein van het EOS (M63); tekeningen en codering van het EOS; technische informatie van het EOS (vermogen, capaciteit, enz.); wat te doen na een incident (opruimen eventuele lekkages elektrolyt, opruimen bluswater, etc.) In geval van bemande locaties is het de bedoeling om het noodplan af te stemmen op het interne noodplan (bedrijfshulpverlening, ontruiming, opleiding werknemers,enz.). Het template van het noodplan conform de PGS 37-1 zal door O&M opgemaakt worden. Dit wordt afgestemd op het moment dat de leverancier is gekozen.

Aan de gemeente wordt gevraagd om voorafgaand aan de realisatie van het project het noodplan (dat afgestemd is op de leverancier) te toetsen. alle x M65 Noodplan-beproeven Het noodplan wordt ten minste elke drie jaar beproefd en zo nodig bijgewerkt. Als het noodplan wordt bijgewerkt, wordt rekening gehouden met: de veranderingen van technische en organisatorische aard bij de hulpverleningsdiensten; de veranderingen in het veiligheidsinzicht die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de risico’s van ongevallen; resultaten beproevingen. Onder beproeven wordt verstaan het testen van het noodplan op basis van incidentscenario’s. Dit kan bestaan uit het testen in de praktijk, administratief testen (desktopoefening) of een combinatie. Doel is om vast te stellen of het noodplan effectief is. Voor de driejaarlijkse beoordeling en beproeving van het noodplan is aangesloten bij het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dit bepaalt dat het noodplan ten minste eenmaal per drie jaar moet worden beproefd, geëvalueerd en indien nodig gewijzigd. Meer informatie staat in Bijlage D. Conform de brandveiligheidsstrategie wordt het syteem halfjaarlijks getest. De driejaarlijkse beoordeling en beproeving zal conform de PGS worden afgenomen. Voldoet 7.6.5 Pictogrammen en aanwijzingen alle x M66 Pictogrammen EOS Aan de buitenzijde van een EOS moeten veiligheidstekens zijn aangebracht.

In ieder geval betreft dit het openvuur- en rookverbod, zoals vastgelegd in NEN-EN-ISO 7010 onder nummer P003. Aanvullend moeten de volgende waarschuwingspictogrammen zijn aangebracht: elektrocutiegevaar, NEN-EN-ISO 7010, onder nummer W012; waarschuwing opladen batterijen, NEN-EN-ISO 7010, onder nummer W026. De veiligheidstekens moeten altijd, op een goed zichtbare plaats, aan de buitenkant van het EOS zijn aangebracht. Het EOS krijgt pictogrammen die risico's en verboden handelingen weergeven: Het gaat in ieder geval om het verbod op open vuur en roken, zoals vastgelegd in NEN-EN-ISO 7010 onder nummer P003. Daarnaast moeten de volgende waarschuwingspictogrammen worden aangebracht: elektrocutiegevaar, NEN-EN-ISO 7010, onder nummer W012; waarschuwing voor het opladen van accu's, NEN-EN-ISO 7010, onder nummer W026. De veiligheidsborden worden op een duidelijk zichtbare plaats aan de buitenkant van het EOS aangebracht (dit kan bijvoorbeeld aan het hekwerk worden aangebracht). Voldoet alle x M67 Markering hybride EOS Het moet duidelijk zichtbaar zijn dat het een hybride EOS betreft, waarbij met etiketten aan de buitenzijde wordt aangegeven waar het elektrische en het brandstof- of elektrolytcompartiment zich bevindt. Indien geen etiketten voorhanden zijn, mag dit ook met tekst worden aangegeven. Niet van toepassing om het geen hybride EOS is. Niet van toepassing

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2389/documents/27397