CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-07-30 toelichting vastgesteld bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder.pdf

Raadscommissie Stadsontwikkeling en Beheer 23 september 2024, gemeente Den HelderBij agendapunt: 4: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder.16.864 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 27

Er zijn 25 boringen en een peilbuis geplaatst, tot een diepte van maximaal 4.5 m-mv. Meerdere boringen in de klinkers zijn gestaakt op het puin er onder. De nummers 6 tot en met 6D zijn aan de voorzijde van het pand gezet, rond de boring van Arcadis, september 2020, waarbij PAK sterk verhoogd was aangetroffen. Boring 1 is gezet op 29 september (gecombineerd met onderzoek elders in Den Helder), in het gras ten noorden van het pand. De peilbuis is afgewerkt met een filter van 3.5 tot 4.5 m-mv, bij een grondwaterstand van 3.0 m-mv. Bij de bemonstering op 10 oktober zijn de pH, troebelheid en geleidbaarheid bepaald. Het plangebied ligt op de tijdens het Holoceen gevormde gronden, die worden gerekend tot de Westlandformatie, jonge duin- en strandzanden. De grond is in alle boringen zandig. Het zand bevat tot 4.5 m-mv geen storende of afwijkende lagen. In een beperkt aantal boringen is puin waargenomen, tot maximaal 0.5 m-mv. Het bestaat voornamelijk uit baksteen-achtig materiaal. Het puin of menggranulaat met slakken onder de klinkers heeft een dikte van 0.5 meter. Deze laag bestaat uit 100% bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse geheel uit duinzand bestaat, tot ten minste 5.0 m-mv. Het zand bevat tot die diepte geen storende of afwijkende lagen.

In een beperkt aantal boringen is puin waargenomen, tot maximaal 0.5 m-mv. Het bestaat voornamelijk uit baksteen-achtig materiaal. Het puin of menggranulaat met slakken onder de klinkers van het buitenterrein heeft een dikte van 0.5 meter. Deze laag bestaat uit 100% bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem. Er is visueel nergens asbest in of op de bodem waargenomen. Grond De zandige boven- en ondergrond van het perceel aan de Tillenhof is met uitzondering van PAK niet boven de tussenwaarde verontreinigd. Voor de som-PFOS wordt het industriecriterium overschreden in de onverharde bodem rond het pand. PAK is ook bij eerder onderzoek verhoogd aangetroffen. Dat was in september 2020, bij onderzoek van Arcadis BV. In een boring aan de voorzijde van het pand is toen een PAK-gehalte vastgesteld van 45 mg/kg ds. De verontreiniging is afgeperkt met de boringen 6A-C. Deze staan op en rond de locatie van de boring van Arcadis. PAK is in de afperkende boringen niet boven de tussenwaarde verhoogd. Grondwater Voor naftaleen en tetrachlooretheen (PER) wordt de streefwaarde overschreden in het grondwater. Een mogelijke bron of oorzaak van deze stoffen is niet bekend. Gehaltes liggen ruim onder de tussenwaarde. Nader onderzoek is daarom niet nodig. Licht verhoogde gehaltes zijn geen risico voor de volksgezondheid.

Asbest Er zijn twee mengmonsters van de licht puinhoudende, zandige bovengrond van het terrein op asbest geanalyseerd. Verder is een indicatief mengmonster van het puin onder de klinkers van het buitenterrein samengesteld voor analyse. Analytisch is door het lab geen asbest aangetoond in de mengmonsters. Ook visueel is nergens asbest waargenomen.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 28

Met het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verhoogde PFOS-gehalte niet specifiek is voor het perceel, maar in het hele duingebied kan worden aangetroffen. Voor grondverzet binnen het perceel heeft het PFAS weinig consequenties. Gebruiksbeperkingen zijn er wel als er (onverharde) bovengrond van het terrein wordt afgevoerd. Gemeente Den Helder heeft voor PFAS en grondverzet de bodemkwaliteitskaart geactualiseerd. In het pand ligt een betonvloer. Gemeente Den Helder heeft in het verleden aangegeven dat er onderzoek nodig is voor de contour van de bebouwing. Voorgesteld wordt onderzoek voor de bodem ter plaatse van het pand uit te voeren nadat het gesloopt is. Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit het beoogde nieuwe gebruik niet in de weg staat. Conclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar in het kader van het aspect bodem.

4.4

Ecologie

Op basis van wetgeving is bepaald dat ruimtelijke initiatieven geen (onevenredige) nadelige effecten mogen hebben op eventueel voorkomende beschermde flora en fauna. In de Wet natuurbescherming staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en heeft de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet vervangen. Onder andere de soortenbescherming, gebiedsbescherming en de bescherming van houtopstanden zijn in de Wet natuurbescherming geregeld. De Wet natuurbescherming geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verantwoordelijkheid voor het natuurbeleid is binnen de wet grotendeels neergelegd bij de provincies. De rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het natuurbeleid van grote wateren en internationaal beleid. Voor wat betreft de soortenbescherming geldt dat deze binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

In de omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Aardmuis, Gewone bosspitsmuis, Ondergrondse woelmuis, Bastaardkikker, Gewone pad, Ree, Bosmuis, Haas, Rosse woelmuis, Bruine kikker, Huisspitsmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Dwergmuis, Kleine watersalamander, Veldmuis, Dwergspitsmuis, Konijn, Vos, Egel, Meerkikker en de Woelrat.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 29

Beschouwing Het bestemmingsplan gaat uit van een herstructurering van het plangebied, waarbij de bestaande voorzieningen en inrichting worden verwijderd en waarbij woonfuncties en een parkeerterrein in combinatie met landschapsherstel mogelijk gemaakt worden. De genoemde ontwikkelingen kunnen leiden tot nadelige effecten op flora en fauna. Daartoe is door onderzoeksbureau NLadviseurs een quickscan Wet natuurbescherming (d.d. 28 augustus 2023) uitgevoerd. Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke? Het onderzoek is opgebouwd uit een veldbezoek (d.d. 22 juli 2022) en raadpleging van externe bronnen (literatuurstudie). Soortbescherming Met het onderzoek is een inschatting gemaakt van de aanwezigheid van beschermde flora en fauna binnen of in de nabijheid van het plangebied. Vervolgens is een inschatting gemaakt welke invloed de voorgenomen ingrepen hebben op deze natuurwaarden. Per soortgroep is besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Er is onderzoek gedaan naar vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen, insecten en andere ongewervelde soorten en vogels.

Voor vleermuizen wordt in het onderzoek gesteld dat de bestaande gebouwen een vaste rust -en verblijfplaats kunnen vormen. Op dit punt is nader onderzoek nodig. Voor overige aspecten, te weten verblijfsplaatsen van boombewonende vleermuizen, essentiële fourageergebieden en vliegroutes, is beoordeeld dat dit niet tot negatieve effecten leidt daar het zich niet voordoet, dan wel doordat er voldoende (betere) alternatieven in de directe omgeving zijn. Het nadere onderzoek naar verblijfplaatsen voor vleermuizen is uitgevoerd (NLadviseurs, d.d. 19 februari 2024), waarbij de conclusie is dat verblijfplaatsen worden uitgesloten. Met betrekking tot grondgebonden zoogdieren worden geen nadelige effecten verwacht. Uitgezonderd zijn de kleine marterachtigen: de wezel en de bunzing. De voorziene ontwikkelingen kunnen mogelijk tot aantasting van essentieel leefgebied leiden. Nader onderzoek met cameravallen wordt geadviseerd.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 30

Relevante nadelige effecten op vogelsoorten worden niet verwacht. Het plangebied heeft geen betekenis voor soorten die het meest strikt beschermd worden. Wel kunnen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Door maatregelen te nemen en buiten het broedseizoen te werken worden nadelige effecten voorkomen. Ten aanzien van reptielen wordt gesteld dat beschermde soorten niet binnen het plangebied worden verwacht, er is geen geschikte habitat. Voorkomen moet worden dat de zandhagedis zich vanuit de omgeving in het gebied vestigt. Amfibieën worden eveneens niet verwacht, dan wel kennen een provinciale vrijstelling. Een uitzondering geldt voor de rugstreeppad: binnen het plangebied wordt geschikte winterhabitat geboden. Vernietiging van verblijfplaatsen is ontheffingsplichting, evenals het opstellen van een ecologisch werkprotocol om de dieren te verplaatsen. Voor vissen, planten en andere soorten worden negatieve effecten uitgesloten. In relatie tot de kleine marters en de rugstreeppad wordt gesteld dat nader onderzoek uitgevoerd zal worden. Dit wordt gekoppeld aan de vergunningaanvraag. Met betrekking tot een eventuele ontheffingaanvraag wordt aangedragen dat er voldoende mogelijkheden binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn om mitigerende en compenserende maatregelen te nemen.

Zo wordt een deel van het plangebied ingericht als duingebied waarbij het nadrukkelijk de bedoeling is om de natuurwaarden te verbeteren. Als de soort aanwezig is zullen de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de gevoelige perioden en zal vervangend leefgebied worden gecreëerd. Er wordt ten behoeve van een ontheffing een ‘Activiteitenplan’ opgesteld, waarin deze maatregelen worden uitgewerkt. Aanvullend wordt gesteld dat de bouw van de beoogde woningen een dwingende reden van groot openbaar belang is, gezien de aanwezige woningnood in de gemeente en regio. Er is daarmee voldoende grondslag om ontheffing te kunnen verkrijgen. In elk geval de volgende maatregelen in acht genomen: Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 31

broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt aangrenzend aan het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder-Callantsoog, er is geen overlap. De voorziene ontwikkeling kan echter tot negatieve effecten leiden op (de instandhoudingsdoellingen van het gebied. Hiertoe wordt het volgende vermeld: -

-

-

-

Oppervlakteverlies: het bestemmingsplan leidt niet tot oppervlakteverlies van Natura 2000-gebied; Versnippering: het bestemmingsplan leidt niet tot versnippering van Natura 2000-gebied; Verontreiniging: het bestemmingsplan leidt niet tot verontreiniging van het Natura 2000gebied. In de huidige situatie is het plangebied verrommeld en relatief afgelegen, waardoor er regelmatig vuil gestort wordt dat ook het aangrenzende Natura 2000-gebied treft. Met de invulling als woongebied en de bijbehorende sociale controle zal dit tot gunstiger omstandigheden leiden. Verdroging: in de huidige situatie is een groot deel van het plangebied verhard en wordt het water afgevoerd via het riool. In de nieuwe situatie wordt het hemelwater afgekoppeld en wordt een groot deel van het plangebied onverhard/half-verhard aangelegd. Ten aanzien van het aspect verdroging treedt er daarom een verbetering van de situatie op. Verstoring geluid/trilling/licht: gezien de verdiepte ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied, worden geen negatieve gevolgen verwacht als gevolg van licht/geluid/optische verstoring. Zo wordt er bij de ontwikkeling voor gezorgd dat er geen licht uitstraalt op het Natura 2000-gebied. Ook leiden de toepassing van elektrische apparatuur en de prefab-bouwmethode ertoe dat er minimaal effect om de omgeving is.

Daarnaast zijn er voor dit Natura 2000-gebied uitsluitend instandhoudingsdoelen geformuleerd voor habitattypen, waardoor geen sprake is van effecten als gevolg van licht/geluid/trilling. Optische verstoring: menselijke aanwezigheid kan verstorend werken voor vogelsoorten en habitatsoorten. Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. In de bestaande situatie is het plangebied openbaar toegankelijk en wordt er geparkeerd. Ook wordt er in de omgeving gerecreëerd. Ook in de nieuwe situatie is er sprake van aanwezigheid van personen. Er wordt op dit punt geen negatief effect verwacht.

De intentie is voorts om het aangrenzende deel van het Natura 2000-gebied op te schonen en om herstelwerkzaamheden uit te voeren; dit staat echter buiten dit plan. Hetzelfde duingebied betreft ook Natuurnetwerk Nederland-gebied (NNN). Aangezien het plangebied niet binnen NNN-gebied gelegen is, hoeft verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. De bescherming van gebieden als NNN-gebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden. Wel dient te worden bekeken of een plan valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’. De vraag is daarbij of de locatie wel de beste is voor deze bestemming (ook met het oog op natuurwaarden) en of de gevolgen van het plan het nabijgelegen NNN-gebied niet in betekenende mate aantasten. De intentie is om met dit bestemmingsplan de natuurwaarden binnen het plangebied te verbeteren, waarmee ook een versterking van de natuurwaarden in de omgeving wordt verwacht.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 32

Houtopstanden In relatie tot het bestemmingsplan zijn weliswaar kapwerkzaamheden voorzien, er is echter sprake van de bebouwde kom. Op grond van de APV is geen kapvergunning nodig voor de aanwezige bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Stikstof Door onderzoeksbureau Sweco (onderzoek d.d. 29 juli 2024) is onderzocht of er vanuit het aspect stikstof als gevolg van het bestemmingsplan significant negatieve effecten kunnen ontstaan ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Voor de bouw- en de gebruiksfase is een berekening van de toename van stikstofdepositie op de beschermde Natura 2000-gebieden gemaakt. Met behulp van het meest actuele Aerius-model is berekend wat de depositie is in de nieuwe situatie. De depositie is berekend op het Natura 2000-gebied Duingebied Den HelderCallantsoog. Uit de berekening van de depositie volgt dat er geen sprake is van een verhoging van de depositie op Natura 2000-gebied tijdens de bouw- en gebruiksfase. Er treden derhalve geen negatieve effecten op; een ontheffing is niet nodig. Voor de details van de berekening wordt verwezen naar het onderzoek. Een bijzonderheid is dat er in het onderzoek rekening is gehouden met de verplichting dat het gebruik van open haarden of hout-/pelletkachels niet wordt toegestaan. Dit wordt privaatrechtelijk geborgd.

Conclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar in relatie tot het aspect flora en fauna. 4.5

Cultuurhistorie en archeologie

Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (2009) (MoMo) Het doel van de MoMo is het doorvoeren van veranderingen in de monumentenzorg. Bij de uitwerking heeft de Minister zich op drie pijlers gericht. Eén van de pijlers uit de Modernisering Monumentenzorg van het Rijk is het opnemen van cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening. Deze wijziging is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wro/Bro In het Bro wordt het bestemmingsplan genoemd als instrument waarin cultuurhistorische waarden kunnen worden verankerd. Het Bro is een uitwerkingsbesluit van de Wro.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 33

Dit besluit verplicht gemeenten om in de toelichting bij een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (Artikel 3.1.6, lid 5). Belangrijk daarbij is dat het cultuurhistorische belang uitdrukkelijk als afwegingsgrond in het ruimtelijk plan moet worden genoemd, omdat anders een juridische grond voor toetsing op basis van dit beleidsterrein ontbreekt. Beschouwing Het bestemmingsplan gaat uit van een herstructurering van het plangebied, waarbij de bestaande voorzieningen en inrichting worden verwijderd en waarbij woonfuncties en een parkeerterrein in combinatie met landschapsherstel mogelijk gemaakt worden. Archeologie Door onderzoeksbureau Transect is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De vraagstelling van dit onderzoek richt zich op het vaststellen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. In het onderzoek wordt gesteld dat de archeologische verwachting in het plangebied afhangt van de landschappelijke ondergrond en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen, waarbij de volgende beschouwing wordt gegeven: • Dekzand. In de ondergrond in het plangebied wordt dekzand verwacht.

Ter plaatse van dekzandruggen kunnen archeologische resten en/of sporen uit het Mesolithicum en Neolithicum aanwezig zijn. Elders in de gemeente Den Helder zijn vondsten uit deze periode bekend. Aangezien het reliëf van het dekzand onbekend is, is de verwachting middelhoog. De top van het dekzand wordt rond -9,55 m NAP verwacht op basis van een geologische boring (14,5 tot 20,0 m - Mv). • Kwelder (Wormer Laagpakket). In het Laat-Neolithicum lag ter plaatse van het plangebied een kwelder. In theorie is de kwelder bewoonbaar geweest, maar aanwijzingen hiervoor ontbreken in de omgeving van het plangebied. Vermoedelijk was de kwelder in de omgeving te nat voor bewoning. De verwachting is daarom laag. • Veen en wadden. In de periode Bronstijd-Romeinse Tijd maakte het plangebied deel uit van een uitgestrekt veengebied. Waar het veen genoeg ontwaterd was, waren lokaal bewoningsmogelijkheden. Verder was het veengebied te nat voor bewoning. Er zijn vondsten uit de IJzertijd op het veen bekend in de gemeente, maar niet nabij het plangebied. Op basis van een boring uit het Dinoloket direct ten noorden van het plangebied (boring B09D1088;bron: www.dinoloket.nl), is het veen ter plaatse van het plangebied echter al geërodeerd. Dit komt omdat het plangebied in de Vroege-Middeleeuwen al in een waddengebied lag (Vos, 2015). Het waddengebied zelf is te nat voor bewoning geweest.

De verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode Bronstijd-Vroege-Middeleeuwen is daarom laag. • Jonge Duinen. In de 16e eeuw waren in het plangebied Jonge Duinen aanwezig. In de omgeving worden op Jonge Duinen alleen archeologische resten verwacht in de historische kern van Huisduinen, waar het plangebied geen deel van uitmaakt. De archeologische verwachting op huisplaatsen uit de Late- Middeleeuwen-Nieuwe Tijd is daarom laag.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 34

• Atlantikwall. Het plangebied maakt deel uit van de Atlantikwall uit de Tweede Wereldoorlog. Ongeveer 60 m ten zuiden van het plangebied ligt het Fort Morland/Kijkduin uit 1811/1813, die in de Tweede Wereldoorlog gebruikt werd door de Duitsers. Op een luchtfoto van de RAF uit de Tweede Wereldoorlog ligt het plangebied op een beboste helling naast het fort. In welke mate nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig zijn, is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de ondergrond. In de jaren ’70 is het plangebied echter afgegraven. De verwachting is daarmee laag. Gezien de lage verwachting op archeologische waarden is op basis van het onderzoek besloten om in dit bestemmingsplan geen nader beschermingsniveau op te nemen. Cultuurhistorie Raadpleging van de informatiekaart Leidraad en cultuurhistorie leert dat er ter plaatse geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het gebied valt onder het landschap Jonge Duinen. Op grond van het bestaande bestemmingsplan bevat het plangebied een dubbelbestemming aangaande het Beschermd Stadsgezicht. Deze kwalificatie heeft betrekking op het behoud van de Stelling Den Helder. Het gaat dan om de bescherming en de veiligstelling van de cultuurhistorische waarden van de gronden, bouwwerken, grondwerken, fortificaties en waterpartijen in relatie tot de stelling en de Atlantikwall.

Binnen het plangebied zijn geen waarden aanwezig. De dubbelbestemming is voor de volledigheid wel integraal overgenomen in dit bestemmingsplan. Conclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar in relatie tot de aspecten archeologie en cultuurhistorie. 4.6

Geluid

In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai opgenomen. Wanneer er een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd op een locatie waar momenteel geen geluidsgevoelige functie aanwezig of toegestaan is en deze locatie binnen de geluidszones van industrie, rail- of wegverkeer valt dient middels een akoestisch onderzoek onderzocht te worden of de geluidniveaus in relatie tot de geluidgevoelige functie aanvaardbaar zijn. Beschouwing Het bestemmingsplan gaat uit van een herstructurering van het plangebied, waarbij de bestaande voorzieningen en inrichting worden verwijderd en waarbij woonfuncties en een parkeerterrein in combinatie met landschapsherstel mogelijk gemaakt worden. De elf voorziene woningen betreffen gevoelige functies in de zin van de Wet geluidhinder. De planlocatie is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Zeeweg en de Kijkduinlaan. Daartoe is onderzocht of er aan de voorkeursgrenswaarde voldaan kan worden. De Zeeweg en

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 35

Kijkduinlaan zijn (binnen)stedelijk gelegen en hebben niet meer dan 2 rijstroken waardoor de zonebreedte 200 meter bedraagt.

In onderhavige situatie is sprake van nieuwe woningen in stedelijk gebied. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van woningen bedraagt 48 dB (art. 82 Wgh). Onder bepaalde voorwaarden kunnen door het bevoegd gezag hogere waarden worden vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB in stedelijk gebied (art. 83, lid 2 Wgh). De locatie is niet gelegen binnen de zone van andere wegen of industrieterreinen. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen de invloedsfeer van de Badhuisstraat. Deze weg heeft een snelheidsregime van 30 km/uur en is daarmee niet zoneplichtig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen vanwege deze weg wel inzichtelijk gemaakt. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Zeeweg (46dB) en de Kijkduinlaan (41dB) niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Daarbij wordt rekening gehouden met 5 dB aftrek die op grond van artikel 110g juncto artikel 3.4 Wet geluidhinder aangehouden mag worden. De Wet geluidhinder legt verder geen restricties voor de realisatie van het plan. Gezien het feit dat de voorkeursgrenswaarde niet overschreden wordt hoeft geen rekening met cumulatie gehouden te worden.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen vanwege de omliggende 30 km/u-wegen inzichtelijk gemaakt. De geluidbelasting (incl. aftrek artikel 110g Wgh) bedraagt maximaal 23 dB. De normen uit de Wet geluidhinder zijn op deze wegen niet van toepassing. Ter vergelijk worden de geluidbelastingen wel beoordeeld aan de hand van het toetsingskader uit de Wet geluidhinder (voorkeurswaarde 48 dB en maximale ontheffingswaarde 63 dB). De geluidbelasting van de wegen Badhuisstraat/Tillenhof voldoet aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Geconcludeerd wordt dat er daarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting door het wegverkeer (inclusief 30 km/uurwegen) bedraagt maximaal 52 dB. In het kader van het Bouwbesluit dient uitgegaan te worden van de minimum geluidweringseis van gevels van 20 dB(A). Gesteld wordt dat met deze wering aan de binnenwaarde uit het bouwbesluit voldaan kan worden. Conclusie Het bestemmingsplan is in relatie tot het aspect geluid uitvoerbaar. 4.7

Lucht

Wet milieubeheer / Wet luchtkwaliteit

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 36

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in Amvb's en ministeriële regelingen. De wetgeving kent een dubbele doelstelling: 1. De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; 2. De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig om dat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen. De Wet luchtkwaliteit vereist een genuanceerde toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een ruimtelijk plan is in overeenstemming met de Wet luchtkwaliteit als de planvorming niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant.

Amvb Niet In Betekenende Mate en Regeling Niet In Betekenende Mate (NIBM) De Amvb NIBM en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. NIBMprojecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Er is een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel ‘niet in betekenende mate’) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen of 100.000 m² kantoorvloeroppervlak. Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL.

Beschouwing Het bestemmingsplan gaat uit van een herstructurering van het plangebied, waarbij de bestaande voorzieningen en inrichting worden verwijderd en waarbij woonfuncties (11 woningen) en een parkeerterrein in combinatie met landschapsherstel mogelijk gemaakt worden. Het plan blijft ver onder de grenzen van de regeling Niet in betekenende mate en heeft daarmee niet of slechts in geringe mate invloed op de luchtkwaliteit. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Raadpleging van de NSL-monitoringstool leert dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het projectgebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 37

(voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) niet overschrijden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan is daarmee in relatie tot het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. 4.8

Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van 10-6/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR.

Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Externe veiligheid transport In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), dat per 1 april 2015 in werking is getreden, heeft het Rijk het beleid vastgelegd met betrekking tot de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het besluit zijn regels opgenomen voor het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de zogeheten basisnetafstanden van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Deze basisafstanden zijn vastgelegd in de Regeling Basisnet. Het besluit is onder meer van toepassing op

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 38

omgevingsbesluiten, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan. Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een buisleiding toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Beschouwing Het bestemmingsplan gaat uit van een herstructurering van het plangebied, waarbij de bestaande voorzieningen en inrichting worden verwijderd en waarbij woonfuncties en een parkeerterrein in combinatie met landschapsherstel mogelijk gemaakt worden. Het plan maakt conform het bepaalde in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen kwetsbaar objecten mogelijk. Uit een raadpleging van de risicokaart blijkt dat het projectgebied niet gelegen is binnen het invloedsgebied van transportroutes met gevaarlijke stoffen, hogedrukaardgasleidingen en inrichtingen. Met het initiatief wordt geen nieuwe risicobron geïntroduceerd. Het plan heeft geen invloed op de bestaande veiligheidsniveaus.

Conclusie Het initiatief is in relatie tot het aspect externe veiligheid uitvoerbaar 4.9

Milieuzoneringen

Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient er bij ruimtelijke plannen, waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt, in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Hiertoe zijn in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen B&M) richtafstanden opgesteld. In deze handreiking wordt afstanden, zogeheten milieuzoneringen, tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies aangegeven waarmee wederzijdse hinder voorkomen wordt. Zo zorgt de milieuzonering ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 39

worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. De invloed van een bedrijf op de omgeving hangt op de (milieubelastende) karakteristieken van het bedrijf. In de handreiking worden daarom zes milieucategorieën met de daarbij behorende richtafstanden onderscheiden (zie tabel). Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van de hinderaspecten geluid, stof, gevaar en geur. Voorts wordt onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. De gedachte daarbij is dat gebieden met gemengde functies hogere achtergrondwaarden voor wat betreft de hinderaspecten kennen, waardoor milieubelasting van een specifiek bedrijf meer op zal gaan in de omgeving en minder snel als hinder zal worden ervaren. Milieucategorie 1 2 3 4 5 6

Richtafstanden tot rustige woonwijk 10 meter 30 meter 50 tot 100 meter 200 tot 300 meter 500 tot 1000 meter 1500 meter

Richtafstanden tot gemengd gebied 0 meter 10 meter 30 tot 50 meter 100 tot 200 meter 300 tot 700 meter 1000 meter

Afbeelding: Richtafstanden per milieucategorie.

De VNG-publicatie voorziet in richtafstanden. Deze richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Door middel van een gedegen op een specifieke situatie toegespitste onderbouwing kan gemotiveerd van deze richtafstanden worden afgeweken. Naast het VNG-stelsel moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer/Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften dienen onder andere ter regulering van de hinder voor de omgeving en kunnen daarmee relevant zijn voor de beschouwing van hindersituaties. Beschouwing Het bestemmingsplan gaat uit van een herstructurering van het plangebied, waarbij de bestaande voorzieningen en inrichting worden verwijderd en waarbij woonfuncties en een parkeerterrein in combinatie met landschapsherstel mogelijk gemaakt worden. Binnen relevante afstand van het plangebied zijn geen bedrijfsfuncties gelegen. Ook worden er met dit plan geen bedrijfsfuncties mogelijk gemaakt. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het bestemmingsplan is in relatie tot het aspect milieuzonering uitvoerbaar.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 40

4.10

Besluit milieueffectrapportage

In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r. . De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: • het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; • het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; • het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan).

Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; • de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: • door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; • het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; • de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. zou opgemaakt kunnen worden dat het besluit tot vaststelling van dit plan onder de derde optie valt.

Het besluit bevat namelijk mogelijk een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. Uit recente uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:314, 31 januari 2018, ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1 en

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 41

201901439/1/R1) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In relatie tot onderhavig plan heeft het bevoegd gezag geoordeeld dat er een vormvrij m.e.rbeoordelingsbesluit nodig is. Daartoe is een aanmeldnotitie m.e.r opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie blijkt dat geen nadere m.e.r-beoordeling nodig is. 4.11

Ontplofbare Oorlogsresten (OO)

In de Nederlandse bodem zitten nog veel conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het opsporen en ruimen van conventionele explosieven (CE’s) is de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt. De burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet belast met de handhaving daarvan. In een CE-verdacht gebied is grondroerende partij verplicht een explosieven onderzoek uit te voeren in het kader van 'veilige werkomgeving en veiligheid voor derden en de omgeving'. Er geldt geen verplichting om over te gaan tot opsporing en ruiming. Dit hangt af van het concrete geval en dat wordt vooral beoordeeld in relatie tot het huidige en toekomstige gebruik van het gebied. Een detonatie van een niet gesprongen explosief (NGE) kan tot een veiligheidsrisico leiden. Om dit risico weg te nemen, zijn beheersmaatregelen nodig. Het risico op een detonatie kan worden weggenomen door eventueel in het invloedgebied van de werkzaamheden achtergebleven NGE voor de start van de uitvoering van de werkzaamheden door middel van detectie op te sporen. Indien een vermoedelijk NGE wordt gedetecteerd, dient dit verwijderd te worden. In de nabije toekomst staan diverse grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied gepland. Daartoe is door IDDS een QuickScan naar ontplofbare oorlogsresten (hierna: OO) uitgevoerd voor het plangebied.

IDDS heeft diverse bronnen geraadpleegd om te achterhalen of het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Uit gemeentelijke informatie blijkt dat het plangebied, op een klein deel na waar geen relevante ontwikkelingen plaatsvinden, geen verdacht gebied is. Het plangebied is geen verdacht gebied voor KKM, handgranaten en geschutmunitie komen te vervallen. Het kleine deel van het plangebied dat nog wel verdacht is is verdacht op het aantreffen van afwerpmunitie, 1.000 lb. In het onderzoek wordt geadviseerd om enkel voor het ontwikkelen van het voetpad verdere opsporingswerkzaamheden naar OO uit te voeren. IDDS Explosieven B.V. adviseert hiervoor oppervlaktedetectie, aangezien het voetpad niet diep zal worden ontgraven. Het overige deel van het plangebied is niet verdacht op het aantreffen van OO. Hier kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden zonder dat er verdere opsporingswerkzaamheden naar OO benodigd zijn. Wel adviseert IDDS Explosieven B.V. om het Protocol spontaan aantreffen OO in acht te nemen. Mochten er overigens toch explosieven aangetroffen worden dan belemmert dit niet de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Belemmering van uitvoerbaarheid zou kunnen plaatsvinden wanneer er geen dekking is voor de kosten van opsporing en verwijdering van

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 42

explosieven, maar die dekking is er wel: sinds 2009 wordt dit gedekt uit door het Rijk verstrekte bijdragen via het gemeentefonds. Conclusie Het bestemmingsplan is in relatie tot Ontplofbare Oorlogsresten uitvoerbaar. 4.12

Kabels, Leidingen en telecommunicatie installaties

In een ruimtelijk plan dienen planologisch relevante leidingen te worden opgenomen. Deze kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik in de omgeving. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen, afvalwaterleidingen, en dergelijke. Indien dergelijke leidingen in het plangebied voorkomen zullen deze als zodanig bestemd moeten worden, inclusief de afstand die vrijgehouden moet worden van bebouwing ter bescherming van de leiding. Dergelijke kabels en leidingen komen binnen het plangebied niet voor. Wel geldt er ter plaatse van het plangebied een hoogtebeperking (22 meter) in verband met militaire communicatie, deze beperking is in dit bestemmingsplan geborgd; de hoogte van de toegestane bouwwerken blijft ruim onder de 22 meter. 4.13

Verkeer en parkeren

Omwille van een goede ruimtelijke ordening dient beargumenteerd te worden dat het wegennet de nieuwe verkeersintensiteiten als gevolg van het toegestane op basis van het bestemmingsplan voldoende aankan en dat er geen onaanvaardbare parkeerdruk ontstaat. Beschouwing Het bestemmingsplan gaat uit van een herstructurering van het plangebied, waarbij de bestaande voorzieningen en inrichting worden verwijderd en waarbij woonfuncties in de vorm van elf woningen en een parkeerterrein in combinatie met landschapsherstel mogelijk gemaakt worden. Parkeren Op 27 september 2021 is door de gemeenteraad van Den Helder de Nota Parkeernormen 2022 vastgesteld (gewijzigd op 1 mei 2024). In deze nota is beschreven hoe er met het parkeervraagstuk bij ruimtelijke ontwikkelingen omgegaan moet worden. In de nota worden parkeernormen per functie gerelateerd aan een gebiedstype. Het plangebied is gelegen in het gebied dat als ‘rest bebouwde kom’ gekwalificeerd wordt. Bij de functie wonen wordt de parkeernorm ook gerelateerd aan een woningtype en het volume van een woning. De parkeernorm binnen ‘rest bebouwde kom’ betreft 1,6 parkeerplaats per woning (inclusief bezoekersnorm) voor een kleine woning (<350m3); de beoogde woningen binnen het plangebied kunnen onder kleine woning geschaard worden.

In de nota parkeernormen is vermeld dat het uitgangspunt is om de benodigde parkeercapaciteit op eigen terrein in te vullen. Bij uitzondering, in geval van de onmogelijkheid om op eigen terrein te parkeren en in geval van een lage

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 43

parkeerdruk (<50%), kan een ontheffing verleend worden om gebruik te maken van openbare parkeercapaciteit. In het stedenbouwkundig plan dat aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt wordt langs de ontsluitingsweg naar de woningen per woning één gereserveerde parkeerplaats aangelegd. Daarnaast wordt er een parkeerplaats voor recreanten aangelegd van 31 parkeerplaatsen. Langs Tillenhof zijn voorts nog 7 parkeerplaatsen voorzien. Om zicht te krijgen op de mate van het gebruik van de recreatieparkeercapaciteit ter plaatse van Tillenhof is door onderzoeksbureau Trajan in april/mei 2023 een telonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de bezetting van de bestaande parkeerplaats ter plaatse van Tillenhof bij mooi weer en op drukke dagen maximaal 7% is (er staan dan 5 auto’s geparkeerd, uitgaande van de bestaande capaciteit van 69 auto’s). Slechts bij extreem drukke dagen, die zich enkele keren per jaar zullen voordoen, is het aannemelijk dat de parkeerdruk ter plaatse hoger is (bewoners hebben tijdens een zomers dag in juni 2023 met extreme drukte 26 auto’s ter plaatse van Tillenhof geteld). Deze zeer lage bezettingsgraad is aanleiding geweest om de bestaande parkeercapaciteit van het recreatieparkeerterrein ter plaatse van Tillenhof te verlagen naar 31 parkeerplaatsen.

De vrijgekomen ruimte komt in het plan ten goede aan de woonfunctie en het verbeteren van de landschappelijke kwaliteit. Ook geeft de zeer lage bezettingsgraad van het recreatieparkeerterrein voldoende grondslag voor de eerder genoemde ontheffing om een deel van de voor de woningen benodigde parkeercapaciteit, namelijk maximaal 7 plaatsen, op het recreatieparkeerterrein af te wentelen. In aanvulling op bovenstaande motivering wordt ook gesteld dat er rekening gehouden dient te worden met dubbelgebruik en de aanwezigheidspercentages van de bewoners op piekmomenten. Het is aannemelijk dat de grootste parkeerdruk op het recreatieparkeerterrein door recreanten plaatsvindt in het weekend in de middag wanneer de meeste mensen vrij zijn. In de parkeernota van de gemeente zijn aanwezigheidspercentages opgenomen. Uit deze getallen blijkt dat bewoners op zaterdagmiddag en zondagmiddag respectievelijk voor 60% en 70% aanwezig zijn. Dit impliceert dat er op zaterdagmiddag en zondagmiddag respectievelijk een benodigde parkeercapaciteit voor bewoners van (60% maal 1,6) 11 en (70% maal 1,6) 13 plaatsen benodigd is.

Uitgaande van de informatie van de bewoners dat er op extreem drukke dagen 26 auto’s op Tillenhof geparkeerd stonden en dat de nieuwe bewoners op een zondagmiddag 13 plaatsen nodig hebben (11 op gereserveerde plekken en 2 op het receatieterrein), kan gesteld worden dat er met dit plan voldoende parkeercapaciteit gerealiseerd kan worden voor de bewoners en voor de recreanten op piekmomenten. Het dubbelgebruik en de aanwezigheidspercentages is ook relevant in relatie tot de mogelijkheid om een aan huis gebonden beroep uit te oefenen. De parkeeropgave die hiermee gemoeid is kan ook worden opgevangen door de afwezigheid van een deel van de bewoners overdag op werkdagen en de overcapaciteit van het recreatieparkeerterrein. Daarbij is de verwachting dat, gezien het beoogde gebruik voor senioren, dat de mogelijkheid tot een aan huis gebonden beroep niet of beperkt zal worden benut. Tot slot wordt aangedragen dat uit de uitgevoerde parkeeronderzoeken blijkt dat er op piekmomenten elders in Huisduinen nog parkeercapaciteit vrij is, op extreme momenten kan ook daar gebruik van worden gemaakt.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 44

Verkeersafwikkeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 11 nieuwbouwwoningen die worstcase geclassificeerd worden als koop, huis, twee-onder-een-kap, rest bebouwde kom, weinig stedelijk. Dit komt overeen met een worstcase toename van circa 8,2 verkeersbewegingen per woning per etmaal. (CROW Toekomstbestendig parkeren, 2012). Dit zijn in totaal circa 90 verkeersbewegingen per dag. Daarnaast is er het gebruik van het parkeerterrein. In de bestaande situatie is er echter al een parkeerterrein aanwezig. Het aantal verkeersbewegingen zal als gevolg van een wijziging van het parkeerterrein naar verwachting niet veranderen. Gesteld wordt dat, gezien de bestaande capaciteit van het wegennet in de omgeving, de circa 90 extra verkeersbewegingen per dag zonder problemen afgewikkeld kunnen worden.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 45

HOOFDSTUK 5: 5.1.

UITVOERBAARHEID

Financiële uitvoerbaarheid

In het kader van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de financieeleconomische uitvoerbaarheid van het plan te worden aangetoond. De voorgestelde bestemmingsplanherziening maakt het mogelijk om woningbouw en een recreatieve piekparkeerplaats te realiseren. De gemeente is eigenaar van het grootste deel van het terrein. Circa 800 m2 belendende strook dient te worden aangekocht van het Hoogheemraadschap. Er is overeenstemming dat deze strook door het Hoogheemraadschap aan de gemeente Den Helder wordt verkocht. Dit heeft tot gevolg dat de financiële regie via een gemeentelijke grondexploitatie loopt. De gemeente is voornemens om de betreffende grond aan te kopen. De grondexploitatie bevat onder andere kosten voor aankoop van de strook grond, het bouw- en woonrijp maken en de gemeentelijke plankosten. Dekking van de kosten vindt plaats door verkoop van de kavels en door een bijdrage van het Waddenfonds. Er is sprake van een sluitende exploitatie., dit houdt in dat de kosten worden gedekt door de opbrengsten van de kavelverkoop en de Waddenfondsbijdrage. Derhalve kan gesteld worden dat het bestemmingsplan financieel-economisch uitvoerbaar is.

Via de grondprijs en de Waddenfondsbijdrage is het kostenverhaal in het ontwikkelingsgebied anderszins verzekerd en hoeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening te worden vastgesteld.

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie In het kader van de voorziene herstructurering en de daartoe opgestelde stedenbouwkundige schets is reeds jarenlang (vanaf 2020 tot heden) participatie met de bewoners, maar ook met de diverse zakelijke stakeholders gevoerd. Met de bewoners is vooral via brieven, bijeenkomsten (door Corona voornamelijk digitaal) en via ingesprek.denhelder.nl gecommuniceerd. Diverse bewoners wilden een persoonlijk gesprek. Tussen de bijeenkomsten door is er diverse keren via een bewonersbrief gecommuniceerd. Hierin werd de stand van zaken van het project aan de bewoners van Huisduinen uitgelegd. Het hele dorp ontving voor de bijeenkomsten een uitnodiging. Op dit moment richt het proces zich op de uitwerkingsfase, waarbij ook een klankbordgroep geformeerd is. Het participatietraject is nader toegelicht in het stedenbouwkundig schetsplan, zoals dit op 23 januari 2023 door de gemeenteraad is vastgesteld. Aanvullend heeft er participatie plaatsgevonden in het kader van de ingediende zienswijzen. Met diverse indieners van de zienswijzen zijn er verschillende overleggen geweest die tot aanpassing van het plan geleid hebben. De extra overleggen met deze vertegenwoordigers van de bewoners van de Kijkduinlaan hebben plaatsgevonden op 28 februari, 5 april, 6 mei en 3 juni 2024. Daarnaast is er ook telefonische afstemming geweest.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 46

Vaststellingsprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren brengen bij de gemeenteraad. Tijdens de periode van terinzagelegging heeft er in het dorpshuis van Huisduinen ook een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst is er gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen over het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan. Er zijn diverse zienswijzen binnengekomen. In de Nota van Beantwoording Zienswijzen zijn deze zienswijzen van een gemeentelijke reactie voorzien. Beroep Na vaststelling van het bestemmingsplan kan binnen 6 weken na bekendmaking door belanghebbenden beroep worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er staat echter geen beroep open als geen zienswijze is ingediend, tenzij het beroep zich richt tegen een wijziging bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Het plan treedt in werking na afloop van de beroepstermijn, tenzij een voorlopige voorziening wordt ingediend.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 47

HOOFDSTUK 6:

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

Inleiding Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, de planregels en een verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: • Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding, bestaande uit een lijn, een figuur, een lettercode etc.. Via een aanduiding wordt in de planregels iets specifieks geregeld. Dit kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook eigen regels hebben. • Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming betekent dat voor gronden meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming en soms gelden er een of meerdere dubbelbestemmingen.

In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Algemene methodiek Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen worden opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels: in dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 48

waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de planregels (artikel 2) bepaald. 2 Bestemmingsregels: in dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Het betreft regels voor het toegestane gebruik en bouwregels. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen, achter de bestemmingsregels. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld. 3 Algemene regels: in dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel en algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings- en wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels: in het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

Toelichting bestemmingsplan Tillenhof 2 Den Helder

Pagina 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2147/documents/23015