CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

126858 - 348809 - 20241128 GoFlo Vleermuisverblijfplaats Kooybrug v2.pdf - kopie.pdf

Gemeenteraad 22 april 2025, gemeente Den HelderBij agendapunt: 9: Voorstel tot een bindend advies aanvraag omgevingsvergunning vleermuisbunker Oostoeverweg.6.300 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vleermuisverblijfplaats Kooybrug Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving

Opdrachtgever

Provincie Noord-Holland

Versie Datum Opsteller Projectnummer

Versie 2 28 november 2024 R. Nijdam 1520

DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding ......................................................................................................................... 3 Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Ligging projectlocatie .................................................................................................... 3 Toets aan het omgevingsplan ....................................................................................... 4 Leeswijzer ..................................................................................................................... 5

2 2.1 2.2

Het project ..................................................................................................................... 6 Aanleiding ..................................................................................................................... 6 Het ontwerp van de verblijfplaats .................................................................................. 8

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Beleidskader ............................................................................................................... 11 Inleiding ....................................................................................................................... 11 Rijksbeleid ................................................................................................................... 11 Provinciaal beleid ........................................................................................................ 12 Gemeentelijk beleid .................................................................................................... 14 Conclusie beleidskader ............................................................................................... 15

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Omgevingsaspecten ................................................................................................... 16 Inleiding ....................................................................................................................... 16 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw ............................................................ 16 Archeologie ................................................................................................................. 16 Bodemkwaliteit ............................................................................................................ 17 Water........................................................................................................................... 18 Natuur ......................................................................................................................... 19 Verkeer en parkeren ................................................................................................... 20 Bedrijven en Milieuzonering ........................................................................................ 20 Geluid .......................................................................................................................... 20 Luchtkwaliteit...............................................................................................................

20 Omgevingsveiligheid ................................................................................................... 21 Besluit milieueffectrapportage..................................................................................... 21 Conclusie effecten fysieke leefomgeving .................................................................... 21

5 5.1 5.2

Uitvoerbaarheid ........................................................................................................... 22 Economische uitvoerbaarheid..................................................................................... 22 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 22

6 6.1 6.2

Belangenafweging en conclusie ................................................................................. 23 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? ....................... 23 Conclusie .................................................................................................................... 23

Bijlagen (separaat bijgevoegd) bijlage 1 Verkennend water- en landbodemonderzoek bijlage 2 Partijkeuring NVO (milieukundig onderzoek) bijlage 3 Wateradvies bijlage 4 Natuurtoets bijlage 5 Stikstofdepositie berekening

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

2/24

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

Het voornemen is om een vleermuisverblijfplaats te realiseren nabij de Kooybrug in de gemeente Den Helder (zie locatie in afbeelding 1). De locatie ligt binnen de beheersverordening Oostoever 2016. Binnen het verordeningsgebied zijn bestaande bouwwerken toegestaan en mogen op dezelfde locatie worden vervangen door bouwwerken met dezelfde afmetingen. Op de projectlocatie zijn geen bouwwerken aanwezig, wat betekent dat er geen nieuw bouwwerk gebouwd mag worden. Het toekomstige gebruik en de benodigde bebouwing zijn niet toegestaan in het huidige omgevingsplan en de daarvan onderdeel uitmakende beheersverordening ‘Oostoever 2016’. De gemeente staat positief tegenover het initiatief. Om het project mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. Voor de omgevingsvergunning BOPA is een onderbouwing nodig van de effecten op de fysieke leefomgeving, de zogenoemde goede onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving (door de VNG afgekort tot GOFLO). Voorliggend rapport vormt de onderbouwing waarbij wordt ingegaan op de effecten op de fysieke leefomgeving.

1.2

Ligging projectlocatie

De projectlocatie ligt ten noorden van de N99 nabij de kern De Kooy en de Kooybrug in de gemeente Den Helder. De projectlocatie ligt binnen het kadastraal perceel Den Helder I 281. Zie hieronder de locatie op de luchtfoto aangeduid.

afbeelding 1: projectlocatie met rode cirkel aangeduid op luchtfoto (bron: pdok.nl)

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

3/24

Inleiding

1.3

Toets aan het omgevingsplan

Het planologisch kader voor de locatie wordt gevormd door het omgevingsplan gemeente Den helder. Dit tijdelijke omgevingsplan is op 1 januari 2024 in werking getreden, tegelijk met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het omgevingsplan gemeente Den Helder bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, waaronder bestemmingsplannen en plaatselijke verordeningen. Daarnaast bestaat het tijdelijke omgevingsplan uit de Bruidschatregels. Dit zijn de voormalige Rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar decentrale overheden. De bouw- en gebruiksregels die voor de projectlocatie gelden, zijn opgenomen in onderstaande plannen. Bestemmingsplan Beheersverordening Oostoever 2016 Paraplubestemmingsplan Parkeren 2021

Vastgesteld 15 december 2015 27 september 2021

Status Onherroepelijk Onherroepelijk

afbeelding 2: de projectlocatie aangeduid op een weergave met alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen getoond. De beheersverordening bestaat enkel uit een plancontour en er zijn daarom geen aanduidingen zichtbaar of aanwezig op de projectlocatie (bron: pdok.nl)

Beheersverordening Oostoever 2016 Binnen het verordeningsgebied zijn bestaande bouwwerken toegestaan en mogen op dezelfde locatie worden vervangen door bouwwerken met dezelfde afmetingen. Op de projectlocatie zijn geen bouwwerken aanwezig, wat betekent dat er geen nieuw bouwwerk gebouwd mag worden. De vleermuisverblijfplaats is daarmee in strijd met de regels van de beheersverordening. Paraplubestemmingsplan Parkeren 2021 In het paraplubestemmingsplan Parkeren 2021 is bepaald dat voldaan moet worden aan de parkeerregels uit de gemeentelijke parkeernota. Op grond hiervan moet voldaan worden aan gemeentelijke parkeernormennota. Dit paraplubestemmingsplan is voor het project niet relevant, aangezien een vleermuisverblijfplaats geen parkeerbehoefte bezit.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

4/27

Inleiding

1.4

Leeswijzer

In deze onderbouwing is beoordeeld of het project op grond van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie inpasbaar is. Hiervoor is de ruimtelijke situatie beoordeeld (hoofdstuk 2), is op hoofdlijnen getoetst aan het beleid van het rijk, provincie en gemeente (hoofdstuk 3) en zijn de milieu- en omgevingsaspecten afgewogen (hoofdstuk 4). De economische uitvoerbaarheid van het project is beschreven in hoofdstuk 5. Tot slot is in hoofdstuk 6 de conclusie van de onderbouwing beschreven.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

5/27

2

Het project

2.1

Aanleiding

2.1.1 Werkzaamheden oevers Noord-Hollandsch kanaal De provincie Noord-Holland (PNH) heeft haar oeververvangingen opgenomen in het Provinciaal Meerjarenprogramma Onderhoud 2020-2027 (PMO). Voor de oeververvangingen heeft de provincie een duurzame samenwerking met de V.O.F SOK Oevers PNH (combinatie Beens Groep B.V. – Hakkers B.V.). In opdracht van de Provincie Noord-Holland worden door de oeverconstructies langs het Noord-Hollandsch kanaal vervangen. In afbeelding 3 is het oevertraject T1 getoond. Langs het oevertraject dienen de bestaande damwandconstructies vervangen te worden. De werkzaamheden bestaan uit het vervangen van de bestaande verankerde houten oeverconstructie voor een verankerde stalen damwand over een lengte van ongeveer 566 meter. Ook wordt over een traject van ongeveer 100 meter een natuurvriendelijke oever gerealiseerd met behoud van de huidige verticale houten oeverconstructie.

afbeelding 3: oevertraject T1 langs het Noord Hollands kanaal en een klein deel van het Balgzandkanaal (bron: Beens Groep – Hakkers)

2.1.2 Natuurinclusief ontwerpen De Provincie Noord Holland heeft in het “Masterplan biodiversiteit” de ambitie uitgesproken tot het versterken van de biodiversiteit in de gehele provincie. Er wordt ingezet op het versterken en realiseren van voedselbeschikbaarheid en leefgebieden van dier- en plantsoorten. Natuurinclusief ontwerpen is daarom de norm voor provinciale projecten.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

6/24

Het project

De gemeente Den Helder heeft haar vergelijkbare biodiversiteitsambities concreet gemaakt met als speerpunten het vergroten van het aaneengesloten (netwerk van) leefgebieden van inheemse soorten, verbeteren van omgevingskwaliteiten en dit vroegtijdig mee te nemen in ontwerpprocessen (Bron: Programma duurzaamheid 2024-2027 Gemeente Den Helder). De Provincie Noord Holland heeft vanuit bovenstaande opgaven een natuurinclusief ontwerp gemaakt bij het vervangen van de oeverbescherming langs het Noord-Hollandsch Kanaal ter hoogte van Den Helder. Hierbij is specifieke aandacht uitgegaan naar vleermuizen omdat dit een kwetsbare soortgroep is die volop aanwezig is in het gebied. In het gebied waar de oeverwerkzaamheden plaatsvinden zijn veel foeragerende en laagvliegende vleermuizen waargenomen. Het gaat om de Gewone dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis, de Laatvlieger, de Rosse vleermuis, de Watervleermuis en de Meervleermuis. Relevante waarnemingen voor verblijfplaatsen zijn echter niet waargenomen (bron: NDFF 20132023 in “B23006-OM-010 Quickscan Wet Natuurbescherming” voor oevertraject T1 van het Oeverprogramma Provincie Noord- Holland).

Voor een duurzame populatie aan meervleermuizen is voor de mannetjes en de vrouwtjes een ruim aanbod aan zomerverblijfplaatsen nodig (aparte verblijfplaatsen) met daarnaast en kraamverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen (ondergrondse, vochtige, donkere, koele maar vorstvrije ruimtes die ook kunnen functioneren als paarverblijfplaatsen). Dit alles nabij belangrijke vliegroutes. In de het noordelijke deel van Noord-Holland (boven Noordzeekanaal) ligt zo’n belangrijke vliegroute vlakbij de planlocatie (zie afbeelding 4, Haarsma, 2015). In deze omgeving ontbreken echter winterverblijfplaatsen (en daarmee paarverblijfplaatsen) maar mannenverblijfplaatsen (zomer) en kraamverblijven zijn wel bekend in de omgeving. (zie afbeelding 5, Haarsma, 2011). Voor het IJsselmeergebied geldt een instandhoudingsdoel voor “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie”. Alhoewel uit tellingen in Nederland de trend voor de meervleermuis licht positief lijkt te zijn, maar regelmatig worden (onbedoeld) verblijfplaatsen nog verstoord. Concrete maatregelen voor deze kwetsbare, beschermde soort blijven daarom noodzakelijk. Dit heeft er toe geleidt dat de provincie in het natuurinclusief ontwerp een winterverblijfplaats voor vleermuizen heeft opgenomen.

afbeelding 4: belangrijke vliegroutes meervleermuis (groene lijn) en knelpunten in deze vliegroutes (Rode stip) en winterverblijfplaatsen (gele driehoek) – Bron: Haarsma, 2015

afbeelding 5: De ligging van de mannenverblijfplaatsen in zomer die ook functie als paarverblijfplaats kunnen hebben (blauw) en kraamverblijfplaatsen (rood) (bron: Haarsma 2011)

2.1.3 Locatiekeuze Als locatie voor de winterverblijfplaats is gekozen voor de zuidoever van de kruising van het Noord-Hollandsch kanaal en het Balgzandkanaal. Dit is een goede locatie voor een winterverblijfplaats omdat dit een rustige en donkere locatie is waar verstoring door recreanten weinig zal

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

7/27

Het project

optreden. De projectlocatie ligt tevens strategisch tussen twee lijnvormige waterelementen in; het Noord-Hollandsch kanaal en het Balgzandkanaal fungeren reeds als foerageergebied of kunnen een (toekomstige) vliegroute voor diverse soorten vleermuizen vormen. Een winterverblijfplaats kan zodoende op deze locatie het netwerk aan foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen elders versterken. Specifiek voor de Europees beschermde meervleermuis is daar aan toe te voegen dat voor deze soort het netwerk uitgaat vanaf de projectlocatie, via het Balgzandkanaal, Amstelmeer, Amstelmeerkanaal naar het N2000-gebied IJsselmeer. Zodoende draagt de aanleg van een winterverblijfplaats op de projectlocatie ook bij aan het behoud van de Europese instandhoudingsdoelen voor N2000-gebied IJsselmeergebied en de meervleermuis.

2.2

Het ontwerp van de verblijfplaats

De locatie is onbebouwd en onverhard (gras). Er staan enkele bomen en struiken rond de plek (zie afbeelding 6 en afbeelding 7). Voor de winterverblijfplaats is een ontwerp gemaakt. Het gaat om een gebouw van ongeveer 2 meter breed en 6 meter lang . Het bouwwerk wordt aan drie zijden met aarde omringd en is daarmee bijna volledig uit het zicht genomen. Het bouwwerk is ongeveer 3,2 meter hoog. Aan de noordwestzijde, richting het water, komt de invliegopening voor vleermuizen. Hier komt een betonnen damwand van ongeveer 5,5m breed met in het midden een deur. Deze deur is om toegang te krijgen tot de verblijfplaats voor onderhoud. In afbeelding 8 is het bovenaanzicht getoond. En in afbeelding 9 en afbeelding 10 zijn doorsneden getoond.

afbeelding 6: luchtfoto bestaande situatie (bron pdok.nl)

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

8/27

Het project

afbeelding 7: aanzicht projectlocatie bestaande situatie (bron: google streetview)

afbeelding 8: bovenaanzicht vleermuisverblijf (bron: Beens Groep)

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

9/27

Het project

afbeelding 9: lengtedoorsnede verblijf (bron: Beens Groep)

afbeelding 10: dwarsdoorsnede verblijf (bron: Beens Groep)

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

10/27

3

Beleidskader

3.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleid vormt het kader waarbinnen de nieuwe ontwikkeling plaats dienen te vinden.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Het Rijk heeft op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie • duurzaam economisch groeipotentieel • sterke en gezonde steden en regio’s • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Betekenis voor het project De realisatie van een vleermuisverblijfplaats sluit aan bij de ambities ten aanzien van duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling. Het verblijf biedt een meerwaarde binnen het routenetwerk van de meervleermuis en draagt bij aan het versterken van de biodiversiteit. 3.2.2 Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b.

de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. De hoofdonderwerpen waarvoor rijksinstructieregels gelden zijn hieronder opgesomd: • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

11/24

Beleidskader

• het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Betekenis voor het project De onderhavige ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een vleermuisverblijfplaats. Het project heeft een zeer beperkte aard en omvang. Op de specifieke milieu- en omgevingsaspecten is in hoofdstuk 4 ingegaan. Op basis hiervan is te concluderen dat wordt voldaan aan de instructieregels (bullits 1, 2 en 3 hierboven). Ook voldoet het project aan de randvoorwaarden onder bullit 4 (bescherming landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed en de ladder voor duurzame verstedelijking). De locatie bezit geen te beschermen landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden. En een vleermuisverblijf is geen stedelijke ontwikkeling waar de ladder op van toepassing.

Daar komt bij dat de behoefte volgt uit het beleidskader van de provincie Noord-Holland om de biodiversiteit te vergroten bij projecten en natuurinclusief te ontwerpen. Ook is het niet mogelijk de functie op een binnenstedelijke locatie te ontwikkelingen, omdat de plek verbonden is met de vliegroutes van de meervleermuis en het moet gaan om een plek waar niet of nauwelijks verstoring dient op te treden. Verder is het project niet strijdig met de bullits 5 en 6 en met afdeling 5.2 Bkl. Er zijn geen reserveringen voor toekomstige functies op deze plek en de verblijfplaats heeft geen nadelige gevolgen voor de werking van (rijks)infrastructuur. Bullit 7, het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare ruimte is niet van toepassing op het project.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en Omgevingsverordening NH2020 3.3.1.1 Kader Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De provincie wil dat de kwalitatieve en kwantitatieve vraag en aanbod van werk- en woonlocaties met elkaar in overeenstemming zijn en streeft naar behoud en versterking van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie. Het beleid van de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 is, voor zover het een bindende werking moet hebben, neergelegd in de Omgevingsverordening NH2022 (in werking, laatst gewijzigd op 1 juli 2024). Ook vanuit de provincie gelden instructieregels waar een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aan moeten voldoen.

3.3.1.2 Betekenis voor het project De locatie ligt in verschillende werkingsgebieden (zie afbeelding 11). Maar een beperkt aantal is relevant voor het project, namelijk de volgende aanduidingen: • Beperkingengebied regionale waterkeringen • Landelijk gebied

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

12/27

Beleidskader

•

Natura2000-bufferzone

Hierna is op de betekenis van deze werkingsgebieden ingegaan.

afbeelding 11: uitsnede omgevingsverordening Noord-Holland (bron: Regels op de kaart)

Beperkingengebied regionale waterkeringen Binnen het ‘Beperkingengebied regionale waterkeringen’ zijn op grond van artikel 6.85 van de omgevingsverordening geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan. Hier mag van worden afgeweken indien overeenstemming is bereikt tussen de betrokken gemeente, de waterbeheerder en de provincie Noord-Holland. De vleermuisverblijfplaats wordt gerealiseerd in opdracht van de provincie. Er heeft afstemming plaatsgevonden met de gemeente en het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en er is overeenstemming met deze partijen bereikt. Er is een watervergunning verleend door HHNK voor het realiseren van een vleermuisverblijf in de beschermingszone van de waterkering. Dit betekent dat het project voldoet aan artikel 6.85 van de omgevingsverordening. Landelijk gebied De relevante regels voor het werkingsgebied ‘Landelijk gebied’ zijn opgenomen in artikel 6.12 en 6.14. Binnen het werkingsgebied ‘Landelijk gebied’ kan uitsluitend worden voorzien in een ‘kleinschalige ontwikkeling’, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling, als: a. de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar stedelijke activiteiten zijn toegestaan; b. het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; en c. het aantal burgerwoningen niet toeneemt.

Van een kleinschalige ontwikkeling is sprake als het gaat om nieuwe bebouwing voor een stedelijke functie die gelet op de kleinschaligheid en beperkte fysieke uitstraling op de omgeving niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een stedelijke functie is een functie die verband houden met wonen, bedrijven, voorzieningen, stedelijk water en stedelijk groen. Een vleermuisverblijfplaats is geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het is ook geen stedelijke functie, maar een functie voor de natuur. Daarmee is er geen strijdigheid met de artikelen 6.12 en 6.14 van de omgevingsverordening.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

13/27

Beleidskader

Natura2000-bufferzone De projectlocatie ligt binnen Natura2000-bufferzone. In artikel 4.3 en artikel 4.4 zijn de gevallen aangewezen waarvoor geen vergunning voor een Natura2000 activiteit nodig is op grond van artikel 11.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het project betreft geen Natura2000 activiteit. Er zijn namelijk geen negatieve effecten op Natura2000. Zie hiervoor de beoordeling in paragraaf 4.6. Daarmee heeft de ligging in dit werkingsgebied geen gevolg voor het project. 3.3.1.3 Conclusie Er is geen belemmering voor het project vanuit de provinciale omgevingsverordening.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Den Helder 2023 en Programma Duurzaamheid 2024-2027 De energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit, circulaire economie en duurzame mobiliteit vormen de vijf pijlers van duurzaamheid voor de gemeente Den Helder, zoals genoemd in de Omgevingsvisie 2023 en het Programma Duurzaamheid 2024-2027. De gemeente zet de komende jaren in op al deze vijf pijlers in om de leefomgeving toekomstbestendig te gebruiken, in te richten en verder te ontwikkelen. Op alle facetten van duurzaamheid heeft de gemeente een voorbeeldrol en geven ze het goede voorbeeld. Soms speelt de gemeente een leidende rol, maar met name zetten ze in op het faciliteren en stimuleren van inwoners, ondernemers en andere partijen om als gehele maatschappij te verduurzamen. Den Helder kent door haar verscheidenheid aan landschappen en haar ligging aan de Noordzee en Waddenzee een rijke biodiversiteit. Tegelijkertijd staat deze biodiversiteit, zoals door heel Nederland, stevig onder druk. We zetten in op behoud en versterking van de aanwezige biodiversiteit. Om dit te bereiken zetten we in op behoud van beschermde natuurgebieden, het bevorderen van biodiversiteit in de stedelijke omgeving en het aan elkaar verbinden van verschillende natuurgebieden/gebieden met een hoge biodiversiteit.

Betekenis voor het project De ontwikkeling op de projectlocatie past binnen de doelstellingen van de Omgevingsvisie. De realisatie van een vleermuisverblijfplaats draagt bij aan het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Ook wordt ingezet op hergebruik van materialen van andere bouwwerken. Daarmee past het project bij het gemeentelijke ambities die genoemd zijn om de Omgevingsvisie en het Programma Duurzaamheid.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

14/27

Beleidskader

afbeelding 12: projectlocatie op uitsnede kaart Omgevingsvisie Den Helder 2023

3.5

Conclusie beleidskader

Op basis van voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

15/27

Omgevingsaspecten

4

Omgevingsaspecten

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid. Door de gemeente zijn nog geen omgevingswaarden in het omgevingsplan vastgesteld.

4.2

Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw

4.2.1 Algemeen Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.2.2 Betekenis voor het project De locatie heeft geen specifieke cultuurhistorische, monumentale of landschappelijke waarden. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect cultuurhistorie en landschap er geen belemmeringen bestaan voor het project.

4.3

Archeologie

4.3.1 Algemeen Door ondertekening van het Verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 4.3.2 Betekenis voor het project Voor de projectlocatie is de archeologische beleidsadvieskaart (april 2018) geraadpleegd (zie afbeelding 13). Bij bodemingrepen van 500 m2 of meer en 4 meter of dieper is archeologisch onderzoek verplicht. Het project blijft onder deze drempelwaarden. Er is zodoende geen archeologisch onderzoek nodig. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect archeologie er geen belemmeringen bestaan voor het project.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

16/27

Omgevingsaspecten

afbeelding 13: projectlocatie aangeduid op uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart (2018)

4.4

Bodemkwaliteit

4.4.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen 4.4.2 Betekenis voor het project Voor de werkzaamheden aan de oevers van het Noord-Hollandsch Kanaal is verkennend milieukundig water- en landbodemonderzoek uitgevoerd (Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema & Partners B.V., juli 2023). De locatie waar de vleermuisverblijfplaats is geprojecteerd ligt in deellocatie C van het onderzoeksgebied.

De onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 1. Uit het verkennend bodemonderzoek bleek dat binnen deelgebied C twee mengmonsters waren met licht verhoogde gehaltes aan PAK in de bovengrond. De lichte verontreiniging vormt geen verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of milieu. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt hoeven er geen beperkingen aan de gebruiks- c.q. bestemmingsmogelijkheden van het terrein te

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

17/27

Omgevingsaspecten

worden gesteld en vormen deze geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden aan de oevers. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Dit is het geval bij de aanleg van de natuurvriendelijke oevers lands het traject. In dit verband is er een Partijkeuring NVO uitgevoerd (Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema & Partners B.V., maart 2024). De rapportage is opgenomen als bijlage 2. Uit deze partijkeuring is gebleken dat de partij voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw en Natuur (Achtergrondwaarde) en kan volgens het landelijke generieke kader vrij op landbodem en in oppervlaktewater (met mogelijke uitzondering van een ‘diepe plas’) worden toegepast. 4.4.3 Conclusie Er is verkennend water- en landbodemonderzoek uitgevoerd en er is een partijkeuring uitgevoerd voor eventueel vrijkomende grond. Daaruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de nieuwe functie en voor het eventueel hergebruik van de vrijkomende grond. Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen bestaan voor het verlenen van de omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het project.

4.5

Water

4.5.1 Beleid en regelgeving Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder. Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. 4.5.2 Betekenis voor het project De huidige situatie is onverhard en onbebouwd. De vleermuisverblijfplaats heeft een gebouwde oppervlakte van heeft een oppervlakte van ongeveer 12 m2 (6m bij 2 m). Over het gebouw heen komt aarde. Hemelwater dat hier valt kan de grond intrekken. Er worden op het dakoppervlak en aan de gevels van de nieuwe bebouwing geen uitlogende bouwmaterialen toegepast. Daarmee voldoet het project aan de regelgeving van het hoogheemraadschap. 4.5.3 Resultaat Watertoets Voor het plan is advies aangevraagd bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) in het kader van de watertoets via www.hetwateradvies.nl. Het wateradvies is opgenomen als bijlage 3. Vanwege de ligging in de zonering van de regionale waterkering is door HHNK aangegeven dat de normale procedure van toepassing is op het project.

Om te voldoen aan de watertoets dient de onderbouwing met de waterparagraaf formeel ter beoordeling te worden voorgelegd aan HHNK voor een beoordeling. De vleermuisverblijfplaats wordt gerealiseerd in opdracht van de provincie Noord-Holland. Er heeft al afstemming plaatsgevonden met de gemeente en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier over de werkzaamheden aan de oevers van het Noord-Hollandsch Kanaal en de bouw van de vleermuisverblijfplaats. Er is een watervergunning verleend door HHNK voor het realiseren van een vleermuisverblijf in de beschermingszone van de waterkering. 4.5.4 Conclusie De effecten op de waterhuishouding zijn beperkt. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan voor het project.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

18/27

Omgevingsaspecten

4.6

Natuur

4.6.1 Wettelijk kader In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. 4.6.2 Beoordeling en onderzoek Voor de werkzaamheden aan de oevers van het Noord-Hollandsch Kanaal is ecologisch onderzoek uitgevoerd (Van der Goes en Groot, 20 mei 2023). De rapportage is opgenomen als bijlage 4. Hieronder is ingegaan op de bevindingen. 4.6.2.1 Gebiedsbescherming De projectlocatie ligt niet in Natura 2000-gebied, Natuurnetwerk Nederland (NNN), of ander beschermd natuurgebied. De locatie ligt op iets meer dan 500 meter afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. Gezien deze afstand en de beperkte aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van het project zoals licht, geluid of optische verstoring. Er is geen nadere toetsing nodig. Stikstofdepositie Stikstofemissies kunnen op grotere afstand effect hebben. In de gebruiksfase is er geen sprake van stikstofuitstoot bij de vleermuisverblijfplaats. Enkel bij de aanleg kunnen stikstofemissies optreden. Er is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd (Beens Groep-Hakkers, 27 november 2024). Het rapport is opgenomen als bijlage 5. Uit de berekening volgt dat er geen natuurgebieden zijn met een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

Voor het aspect stikstofdepositie is geen vergunning benodigd. Op basis hiervan is te concluderen dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor een beschermd natuurgebied. 4.6.2.2 Soortenbescherming Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten planten en dieren als er rekening gehouden wordt met de volgende maatregelen: • Vissen: Werkzaamheden dienen zoveel als mogelijk buiten voortplantingsseizoen (april t/m juli) en winterseizoen plaats vinden; • Rugstreeppad: Voorafgaand winterseizoen dienen zandhopen afgezet te worden met een amfibiescherm; • Algemeen beschermde nesten: Werken buiten broedseizoen (Globaal maart t/m augustus) óf werkgebied ruim voor broedseizoen preventief ongeschikt maken en houden als broedlocatie (maaien, meerpalen vrij houden van takken, afdekken nestlocatie eend op oeverconstructie) en uitvoeren ecologische vrijgave in het broedseizoen door een ecologische deskundige (bij zachte winters ook in februari); • Grondgebonden zoogdieren: Werkzaamheden dienen zoveel als mogelijk buiten de voortplantingstijden (april-augustus) plaats te vinden; • Foeragerende en migrerende vleermuizen: Gedurende actieve periode vleermuizen (Globaal april t/m oktober) niet werken tussen zonsondergang en zonsopkomst of het beperken van lichtuitstraling en beperken van

lichtuitstraling door beveiligingsverlichting (Indien gebruikt); • Foeragerende en migrerende vleermuizen: Doorgangsbreedte van bruggen dient tussen zonsondergang en zonsopkomst minsten een breedte van 5 meter te bevatten; Met deze maatregelen wordt rekening gehouden in de uitvoering. Er is verder geen aanvullend onderzoek nodig naar beschermde soorten. 4.6.3 Conclusie Er zijn geen directe of indirecte negatieve effecten op Natura-2000 gebieden of op het Natuurnetwerk Nederland. Uit de Aeriusberekening volgt dat er geen sprake is van depositie op een Natura-2000 gebied. Uit het soortenonderzoek is gebleken dat er geen nader onderzoek nodig

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

19/27

Omgevingsaspecten

is en dat er geen negatieve gevolgen zijn voor beschermde soorten. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het project.

4.7

Verkeer en parkeren

Voor de beoordeling van de effecten op de leefomgeving is het van belang om na te gaan of het project leidt tot meer verkeersbewegingen en wat de gevolgen zijn voor de verkeerssituatie. Een vleermuisverblijfplaats heeft geen verkeersaantrekkende werking. Bij eventueel onderhoud zal in de nabijheid geparkeerd worden en wordt te voet de locatie bezocht. Er zijn geen verkeerskundige gevolgen. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het project.

4.8

Bedrijven en Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Een vleermuisverblijfplaats is geen functie die hinder geeft op omliggende gevoelige functies en bezit zodoende geen richtafstand. Ook is het geen milieugevoelige functie. Er bestaat vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen ten aanzien van het project.

4.9

Geluid

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Een vleermuisverblijfplaats is geen functie die geluidhinder geeft op omliggende gevoelige functies. Ook is het geen functie waar geluidonderzoek voor nodig is naar de geluidbelasting op de gevel vanwege nabijgelegen wegen, spoorwegen of industrieterreinen. Er is zodoende geen akoestisch onderzoek nodig op grond van het Bkl. En er zijn geen belemmeringen ten aanzien van het project.

4.10

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een vleermuisverblijfplaats leidt niet tot een toename aan autoverkeersbewegingen. Het project heeft geen gevolgen voor de luchtkwaliteit en er is geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

20/27

Omgevingsaspecten

4.11

Omgevingsveiligheid

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Een vleermuisverblijfplaats is geen functie die risico’s geeft voor de omgeving. Ook verblijven er geen personen. Zodoende is niet beoordeeld of de locatie ligt in een plaatsgebonden risicocontour of aandachtsgebied. Dit is namelijk niet relevant voor het project. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het project.

4.12

Besluit milieueffectrapportage

4.12.1 Wettelijk kader Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. 4.12.2 Betekenis voor het project Het realiseren van een vleermuisverblijfplaats is geen activiteit die is genoemd in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is geen m.e.r.-beoordeling voor het plan nodig.

4.13

Conclusie effecten fysieke leefomgeving

Gelet op de conclusies uit de voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de effecten op de fysieke leefomgeving als gevolg van het plan aanvaardbaar zijn.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

21/27

5

Uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten; • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. De bouw van de vleermuisverblijfplaats is geen kostenverhaalplichtige activiteit. Er zijn voor de gemeente ook geen verhaalbare kosten. De kosten worden gedragen door de initiatiefnemer. De financiële uitvoerbaarheid van het project is voldoende gewaarborgd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het project heeft een beperkte invloed op de omgeving. Zodoende is door de initiatiefnemer ervoor gekozen om de direct aangrenzende eigenaren schriftelijk te informeren. Dit gebeurd begin december.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

22/24

6

Belangenafweging en conclusie

6.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 3). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 3, 4 en 5).

6.2

Conclusie

Gelet op de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken met betrekking tot het beleidskader, de effecten op de fysieke leefomgeving en de betrokken belangen wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.

Goede onderbouwing effecten op de Fysieke Leefomgeving Vleermuisverblijfplaats Kooybrug

23/24

DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2229/documents/24349