CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

126858 - 348805 - Bijlage 4 INF 556 B22062-OM-008 Quickscan Wet Natuurbescherming.pdf - kopie.pdf

Raadscommissie Stadsontwikkeling en Beheer 7 april 2025, gemeente Den HelderBij agendapunt: 4: Voorstel tot een bindend advies aanvraag omgevingsvergunning vleermuisbunker Oostoeverweg.11.160 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING Het vervangen van oeverconstructies Noordhollandsch Kanaal, NOK-V T1

OPDRACHTGEVER:

Documentnummer

B22062-OM-008 Quickscan Wet Natuurbescherming

Datum

9-6-2023

Versie

1.0

Status

Definitief

Paraaf:

Naam: Janick Klompjan Opgesteld

Functie: Omgevingsmanager Datum: 09-06-2023 Naam: E.J. (Jan) Junte

Vrijgave

Functie: Projectleider Datum: 09-06-2023 Naam:

Goedkeuring OG

Functie: Datum:

Beens Groep | Nylonstraat 16 8281 JX | Postbus 6 8280 AA Genemuiden | Tel: 038-3855585 | E-mail: info@beensgroep.nl

Quickscan Wet Natuurbescherming Het vervangen van de oeverconstructie Noordhollandsch Kanaal NOK T1

1

PREAMBULE

1.1

INLEIDING Het voorliggende rapport ‘Quickscan Wet Natuurbescherming’ is uitgevoerd door ‘Van der Goes en Groot’ ten behoeve van de ‘Nadere Overeenkomst – Voorbereiding oevertraject 1’, (NOK-V T1). De NOK-V T1 heeft betrekking op verschillende oevervakken ter hoogte van Den Helder. De NOK-V T1 maakt deel uit van de Samenwerkingsovereenkomst Duurzame Oeververvangingen, (SOK – Duurzame Oeververvangingen). De SOK is een overeenkomst tussen Provincie Noord-Holland (PNH) en combinatie Beens Groep B.V. – Hakkers B.V.

1.2

OPVOLGING CONCLUSIE/ADVIES De rapportage wordt door de onderzoekende partij afgesloten met een conclusie en/of advies. Deze is onderstaand samengevat weergegeven. Daarbij zijn de maatregelen met kennis vanuit eerdere trajecten aangevuld wanneer nodig. Beschermde (Flora & Fauna): Er worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht als er rekeningen gehouden wordt met de volgende maatregelen: - Vissen: Werkzaamheden dienen zoveel als mogelijk buiten voortplantingsseizoen (april t/m juli) en winterseizoen plaats vinden; - Rugstreeppad: Voorafgaand winterseizoen dienen zandhopen afgezet te worden met een amfibiescherm; - Algemeen beschermde nesten: Werken buiten broedseizoen (Globaal maart t/m augustus) óf werkgebied ruim voor broedseizoen preventief ongeschikt maken en houden als broedlocatie (maaien, meerpalen vrij houden van takken, afdekken nestlocatie eend op oeverconstructie) en uitvoeren ecologische vrijgave in het broedseizoen door een ecologische deskundige (bij zachte winters ook in februari); - Grondgebonden zoogdieren: Werkzaamheden dienen zoveel als mogelijk buiten de voortplantingstijden (april-augustus) plaats te vinden; - Foeragerende en migrerende vleermuizen: Gedurende actieve periode vleermuizen (Globaal april t/m oktober) niet werken tussen zonsondergang en zonsopkomst of het beperken van lichtuitstraling en beperken van lichtuitstraling door

beveiligingsverlichting (Indien gebruikt); - Foeragerende en migrerende vleermuizen: Doorgansbreedte van bruggen dient tussen zonsondergang en zonsopkomst minsten een breedte van 5 meter te bevatten; Beschermde gebieden In de scan zijn de volgende beschermde gebieden Natura 2000 (N2000), Natuurnetwerk Nederland (NNN), Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) én het beoordelingsaspect ‘houtopstanden’ geschouwd. Gezien de aard van de werkzaamheden en de locatie en reikwijdte daarvan, worden er geen aanvullende maatregelen voorgeschreven. In de rapportage wordt aangegeven dat er sprake is van een beperkte toename van stikstofemissie tijdens de werkzaamheden. De rapportage schrijft een Stikstofdepositieberekening voor. De provincie Noord-Holland heeft aangegeven dat de werkzaamheden gekenmerkt als onderhoudswerkzaamheden. Met dit kenmerk is het project vrijgesteld van een dergelijke berekening. Zorgplicht Aanvullend zijn er vanuit de zorgplicht nog de volgende aandachtspunten: - Verwijderen vegetatie en bodemmateriaal in één richting t.b.v. vluchtmogelijkheid bodem bewonende dieren; - Ontzie groenvoorzieningen zoveel als mogelijk; - Aanwezige vissen wegvangen en uitzetten in te behouden water; - Er dient voorkomen te worden dat ’s nachts met bouwverlichting wordt gewerkt; De maatregelen dienen, wanneer relevant, opgenomen te worden in de werkplannen voor de uitvoering.

De samenvatting hiervan én de daarbij horende opvolging ook terug te vinden in het ‘statusoverzicht conditionerende onderzoeken’ op SharePoint: Statusoverzicht onderzoeken NOK-V T1.xlsx. In dit Statusoverzicht wordt gedurende de NOK-V de actuele status van de onderzoeken bijgehouden.

B22062_OM_008

2-2

Versie 1.0

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

G&G-advies QS2023-169

Toetsing oeverranden in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder Toetsing oeverranden in het kader van de natuurwetgeving

R. de Beer

2023

Opdrachtgever Provincie Noord-Holland

G&G-advies QS2023-169

Datum Versie

20 mei 2023 V1

Gecontroleerd door: T.S. van der Meer De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

3

Inhoudsopgave 1

2

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 6

1.3

Het plangebied......................................................................................................... 6

1.4

Werkzaamheden ...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 7

Methode

8

2.1

Soorten .................................................................................................................... 8

2.2

Gebieden.................................................................................................................. 9

Beschermde soorten Wnb 3.1

10

Beschrijving aanwezige biotopen .......................................................................... 10 3.1.1 Traject 1: Spoorbrug Den Helder-Kooyhaven ......................................................... 10 3.1.2 Traject 2: Kooyhaven-viaduct N99 .......................................................................... 11 3.1.3 Traject 3: Viaduct N99-sluis De Kooy ...................................................................... 12

3.2

Beschermde soorten.............................................................................................. 13 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 13 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 13 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 13 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 15 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 16 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 17 3.2.7 Overige soorten ....................................................................................................... 19

3.3

4

Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 20

Effectbeoordeling en maatregelen

21

4.1

Vissen ..................................................................................................................... 21

4.2

Amfibieën............................................................................................................... 21

4.3

Vogels..................................................................................................................... 21

4.4

Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 22

4.5

Vleermuizen ........................................................................................................... 22 4.5.1 Foerageergebied ..................................................................................................... 22 4.5.2 Vliegroutes .............................................................................................................. 23

4.6

Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 24

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

4

5

6

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving

25

5.1

Natura 2000 ...........................................................................................................25

5.2

Natuurnetwerk Nederland .....................................................................................25

5.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) ..................................................................26

5.4

Houtopstanden ......................................................................................................27

5.5

Overige relevante wetgeving .................................................................................27

5.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ............................28

Conclusies

29

6.1

Beschermde soorten Wnb .....................................................................................29

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................30

6.3

Zorgplicht ...............................................................................................................31

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van natuur ...........................................................31

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

32

8

Bijlagen

34

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

1

5

Inleiding 1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een aantal beschoeiingen langs het NoordHollands Kanaal te vervangen of te renoveren. De betreffende oevertrajecten betreffen tracés nabij Den Helder. Het betreft de beschoeiingdelen tussen 73.770 (oostzijde) en 74.080 (oost), het deel tussen 74.580 (oost) en 74.800 (oost) en het deel tussen 75.000 (oost) en de sluis. De totale lengte van de tracés bedraagt 799 meter. Het is mogelijk dat binnen de werksfeer soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In opdracht van de Provincie Noord-Holland heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een onderzoek uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek.

De ligging van het plangebied met drie te onderscheiden delen (rood omlijnd).

3: 75.000-sluis

2: 74.580-74.800

1: 73.770-74.080

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

6

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Hierbij wordt tevens gebruik gemaakt van richtlijnen uit de genoemde gedragscode. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

1.3

Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het Noord-Hollands Kanaal loopt van Den Helder tot Amsterdam. Langs het Noord-Hollands Kanaal zijn drie oevertrajecten onderzocht, gelegen tussen de spoorbrug van Den Helder en de sluis bij De Kooy. Het plangebied betreft de te vervangen oeverbeschoeiingen en oevers en een daarbij horende werksfeer met een breedte van ongeveer twee meter. Bij het uitgevoerde ecologische onderzoek is een oeverbreedte van ongeveer 10 meter bekeken. Op bepaalde plekken kan de werksfeer breder of smaller zijn. De huidige gebruiksfunctie van het Noord-Hollands Kanaal is scheepen recreatievaart. Daarnaast is het kanaal van belang voor de waterhuishouding van het omliggend gebied (boezemfunctie).

1.4

Werkzaamheden De werkzaamheden betreffen het vervangen dan wel het ontlasten de huidige oeverconstructies. De huidige beschoeiingen zijn in verslechterende staat en zullen worden vervangen of ontlast. De werkzaamheden zullen voornamelijk vanaf het water plaatsvinden waarbij de werkbreedte op de oever maximaal 2 meter is. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit:  Het mechanisch verwijderen (maaien) van de vegetatie-toplaag.  Het tijdelijk vernietigen van (moeras)biotoop.  Het berijden of belopen van dijkdelen of bermen om de werklocaties te bereiken. Mogelijk tijdelijke opslag van materiaal met mechanische effecten.  Het vergraven van de bodem en/of de oevers. Bij uitvoering van deze werkzaamheden kan door geluid, trillingen of licht verstoring optreden van (beschermde) soorten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

1.5

7

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen, die aanwezig zijn in het plangebied, beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen de werksfeer van het oeverherstel (het plangebied). In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn, ook op grond van de te volgen gedragscode. Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebied beschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Hierbij wordt ook stil gestaan bij het belang van de oeverdelen als ecologische verbindingszone. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de opnames en de geldende wetgeving en gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

8

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2013-2023). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning en de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met vogels die geen jaarrond beschermd nest hebben moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook §3.2.4).

Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Voor deze soorten geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de zorgplicht welke wordt besproken in de conclusies en de bijlage m.b.t. de wetgeving. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

9

Potentiebeoordeling Het plangebied is op 15 mei 2023 bezocht om de aanwezige biotopen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan te beschrijven en eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.

→https://www.nvwa.nl/

onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten

Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (§3.2) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet op voorhand uit te sluiten zijn, wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.

2.2

Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van (Europees) beschermde gebieden (Natura 2000), zie: https://www.natura2000.nl/ Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://geoapps.noord-holland.nl/GeoWebP/index.html?viewer=nbp Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

10

3

Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van de NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen

3.1.1

Traject 1: Spoorbrug Den Helder-Kooyhaven Het oevertraject loopt tussen het kanaal en een ongeveer vier meter hoge dijk die ook langs de gehele Kooyhaven loopt. Het start bij de spoorwegbrug over het kanaal en loopt tot de zuidrand van de Kooyhaven. Het tracé is zeer ruig begroeid met ruige grassen zoals Kropaar en Glanshaver en bermplanten zoals Fluitenkruid en Gewone berenklauw. Er zijn veel brandnetels en plaatselijk Groot hoefblad aanwezig en de begroeiing is eenvormig. Het tracé wordt cyclisch gemaaid of geklepeld maar aan de buitenrand is een ijle maar vrij brede rietkraag aanwezig met overjarig Riet.

Oevertraject 1 vanaf naastgelegen dijk richting de spoorbrug.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

3.1.2

11

Traject 2: Kooyhaven-viaduct N99 Het traject naar de N99 is zeer ruig begroeid met veel brandnetels en slechts spaarzaam enkele plukjes met overjarig Riet. De overzijde van het kanaal is ter plaatse dichter begroeid. Het traject ligt naast een groot braakliggend terrein met voormalige agrarische bestemming. Dit braakterrein is plaatselijk zeer nat en vogelrijk. Tussen de ruige oeverbegroeiing van het traject zijn oeverplanten aanwezig zoals Harig wilgenroosje, Kleefkruid, Echte valeriaan en Veenwortel. Her en der groeien bermkruiden zoals Veldlathyrus en Ruige zegge. De beschoeiing is deels hoog met hout en staal en daarboven baslatblokken en deels alleen basalt.

Boven: beschoeiing met staal en hout in oevertraject 2. Onder: eenvormige ruige bergroeiing met enkele plukken overjarig Riet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

12

3.1.3

Traject 3: Viaduct N99-sluis De Kooy Dit traject is het meest kruidenrijke. Er groeien naast ruigteplanten en ruige grassen ook veel oeverplanten zoals Smeerwortel, Gele lis, Echte valeriaan, Harig wilgenroosje, Scherpe boterbloem en Waterzuring. Ook op dit traject is een spaarzame begroeiing met slechts enkele plukken overjarig Riet. Het traject ligt langs een vochtig bosje met wilg, es en een dichte ondergroei met onder andere Eenstijlige meidoorn. Aan de overzijde van het kanaal (Balgzandkanaal) ligt een hoge stalen damwand.

Bloemrijkere bermoevervegetatie en een vlonder ter hoogte van traject 3.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

3.2

Beschermde soorten

3.2.1

Planten

13

Aangetroffen soorten Tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen in en rond het plangebied. Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht (NDFF 2013-2023). De onderzochte oeverclusters worden gekenmerkt door een voedselrijke en ruige vegetatie en vallen grotendeels onder regelmatig maai of klepelbeheer.

3.2.2

Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20132023). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissoorten aanwezig.

3.2.3

Amfibieën Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen. De Rugstreeppad is bekend van de omgeving van het plangebied van oevertraject 8, de soort werd hier op ongeveer 1-2 kilometer afstand in zuid-zuidoostelijke richting van het plangebied vastgesteld (NDFF 2013-2023). De Rugstreeppad is een beschermde soort die wordt genoemd als soort beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Potentie plangebied In het plangebied is geen voortplantingswater aanwezig. De wateren zijn niet geschikt vanwege de diepte, het ontbreken van submerse en emerse vegetatie en de steile oevers, dichte ruige begroeiing en hoge beschoeiingen. In het plangebied is hier en daar geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander en Bruine kikker. De dieren kunnen wegkruipen onder opgeslagen materialen of in verlaten muizenholen e.d. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

14 -Rugstreeppad

Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, ondanks dat de soort in het verleden plaatselijk in de omgeving werd aangetroffen. In de werksfeer van het plangebied ligt geen onbeschaduwd, geïsoleerd, ondiep water met lage omliggende vegetatie dat door de dieren kan worden gebruikt voor voortplanting. In het plangebied zelf is ook geen geschikte vorstvrije, droge en vergraafbare zanderige bodem aanwezig die buiten de voortplantingsperiode als landbiotoop kan worden benut door deze soort. De naastgelegen braakterreinen met in 2023 vanwege overvloedige regenval veel plassen en water zijn wel geschikt als voortplantingsgebied voor de soort. Het onderzoeksgebied van de oevertrajecten ter plaatse is echter totaal ongeschikt voor de Rugstreeppad. De dicht bewortelde en zwaar begroeide droge oevers en het diepe water van het kanaal zijn ongeschikt als voortplantings- en landbiotoop. Als in het plangebied bij de oevertrajecten 1 en 2 graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het wel mogelijk dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken als zandige omstandigheden lang aanwezig blijven.

Nat braakterrein met op de achtergrond het Noord Hollands Kanaal. Het overvloedige (regen)water zorgt voor geschikt voortplantingswater voor Rugstreeppad.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

3.2.4

15

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden in de vegetatieranden van de oeverdelen Kleine karekiet, Rietzanger en Cetti’s zanger (overkant kanaal) waargenomen. Op het kanaal zwommen Krakeend, Wilde eend en Meerkoet. In het natte braakterrein naast de oeverdelen zijn onder andere Kievit, Tureluur, Kleine plevier, Slobeend, Krakeend en Bergeend gevestigd. De terreinen hadden ook aantrekkingskracht op waarschijnlijk doortrekkende Gele kwikstaart, Lepelaar, Oeverzwaluw en Boerenzwaluw. Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In de oevers kunnen enkele riet-, en moerasvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Rietgors, Cetti’s zanger, Kleine karekiet, Rietzanger en Grasmus. In de oevers direct langs de wateren broeden mogelijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet, Krakeend en Wilde eend. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismus, Gierzwaluw en verschillende in bomen broedende roofvogels vastgesteld.

Deze soorten broeden in woonwijken en boerderijen en in bosschages in de omgeving van het plangebied. Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten In de directe werksfeer is geen voor uilen, Gierzwaluwen of Huismussen (geschikte) bebouwing aanwezig. In het plangebied en de omgeving daarvan zijn geen grote bomen aanwezig. Het broeden van beschermde, in bomen broedende roofvogels kan daarom worden uitgesloten. Huismussen broeden aan de rand van (dorpse) bebouwing. Deze soort stelt aan zijn leefgebied ook aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van dekking biedende struiken in bijvoorbeeld tuinen, zandplekken en/of voederplaatsen. Natte oeverdelen zijn minder geschikt als biotoop. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals bijvoorbeeld de Sperwer, Kerkuil, Ransuil of Buizerd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

16

3.2.5

Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen (NDFF 20132023). Rond het plangebied zijn in het verleden een Boommarter waargenomen en enkele waarnemingen van kleine marterachtigen Bunzing, Hermelijn bekend (NDFF 2013-2023). De Boommarter en kleine marterachtigen zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Nabij De Kooy en het kijkscherm naar het Balgzand zijn Boommarter en de genoemde kleine marterachtigen bekend (NDFF 2013-2023). Ook westelijk van het kanaal langs de N9 zijn Hermelijn en Bunzing bekend als verkeerslachtoffer. Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele soorten zoogdieren voorkomen zoals de Haas, de Vos, de Egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In de rietkragen en ruigtestroken langs de oeverclusters kunnen incidenteel langstrekkende of jagende kleine marters (vooral Hermelijn en Bunzing) worden verwacht. Deze soorten kunnen verblijven in het vochtige naastgelegen bosje of het braakterrein met veel dekking.

Gezien de grootte en geschiktheid betreft het plangebied geen essentieel deel van het leefgebied en kunnen de dieren via alternatieve verbindingszones in het natte braakterrein en daar aanwezige rietstroken uitwijken. Het plangebied zelf biedt over het algemeen slechts weinig schuilmogelijkheden in de vorm van dichte vegetatie, begroeide oeverranden, opgeslagen materialen, stronken, takken en overige dekking waar deze soorten gebruik van kunnen maken. De werksfeer van de oeverdelen is slechts 2 meter en de aanwezige oevervegetatie wordt onder regulier maai- en klepelbeheer regelmatig volledig ongeschikt. Op het naastgelegen pad worden ook regelmatig honden uitgelaten, hetgeen onrustig is voor aanwezige zoogdieren. Het is daarom niet te verwachten dat kleine marterachtigen in deze oeverdelen binnen de werksfeer verblijven.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

17

Op het pad langs de oeverranden worden honden uitgelaten.

3.2.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. Aangetroffen vleermuizen Er zijn rond de onderzochte wateren waarnemingen bekend van drie soorten vleermuizen (NDFF 2013-2023). Het gaat om Gewone dwergvleermuis, Tweekleurige vleermuis en Watervleermuis. Langs de onderzochte wateren werden van twee soorten (Watervleermuis en Gewone dwergvleermuis) alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Potentie verblijfplaatsen Binnen de werksfeer van het plangebied zelf is geen bebouwing, bruggen of bomen aanwezig die geschikt kunnen zijn voor verblijvende vleermuizen. Potentie foerageergebied Het plangebied (alle trajecten) is vrijwel over de gehele lengte geschikt voor foeragerende vleermuizen. Vooral met weinig wind. De (dan) aanwezige luwe plekken achter de oeverbegroeiing en de rietkragen, in combinatie met de nabijheid van water kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Het plangebied kan over de gehele lengte als onderdeel van een langere landschapslijn, onderdeel uitmaken van vliegroutes van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

18

vleermuizen. Met name de open wateren kunnen een belangrijke functie hebben als vliegroute voor vleermuizen. Vooral het gebruik van brede wateren door de watervolgende Meervleermuis en Watervleermuis is in dit geval van belang. Deze soorten gebruiken brede wateren zoals het Noord-Hollands Kanaal om van verblijf naar foerageerplek of om naar ander verblijf te trekken. Ondanks dat geen waarnemingen bekend zijn in de NDFF wordt het kanaal belangrijk of zeer belangrijk genoemd voor Meervleermuis (HAARSMA, 2014). De soorten zijn afhankelijk van watergangen en kunnen daarbij moeilijker uitwijken dan andere (terrestrische) soorten omdat alternatieve brede wateren beperkt of niet beschikbaar zijn.

De waterkaart links toont de geschiktheid van waterwegen als jachthabitat voor Water –en Meervleermuizen. Op de kaart rechts staan alleen routes weergegeven die dienen als lange afstand migratie routes van Meervleermuis tussen zomer en winterverblijf. blauw=onbekend, geel=laag belang, oranje=matig belang, groen=belangrijk, rood=zeer belangrijk (essentieel voor populatie). Bron Haarsma, 2014.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

3.2.7

19

Overige soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van andere beschermde soorten in of rond het plangebied (NDFF 2013-2023). Tijdens het veldbezoek werden dergelijke soorten ook niet waargenomen. Potentie plangebied Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor overige beschermde fauna in verband met het ontbreken van geschikt biotoop

Nat braakterrein naast oevertraject 2 met geleidende rietkraag en veel nat grasland.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

20

3.3

Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt uiteengezet welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied met verwachte beschermde functie (kolom 4). Indien de potentieel aanwezige beschermde functie wordt genoemd in kolom 4 valt deze automatisch onder essentieel leefgebied voor de mogelijk aanwezige soorten.

Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur en veldbezoek)

Mogelijk aanwezig in plangebied

Mogelijk beschermde functie aanwezig binnen het plangebied

Planten

nee

nee

nee

Vissen

nee

nee

nee

Amfibieën

NDFF

nee

nee

veldbezoek

ja

niet-jaarrond beschermde nesten

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten

NDFF

incidenteel

nee

Grondgebonden zoogdieren

NDFF

incidenteel

nee

Vleermuizen

NDFF

ja

foerageergebied / vliegroute

Overige beschermde fauna

nee

nee

nee

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

4

21

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

4.1

Vissen Er worden geen beschermde vissen verwacht in het plangebied. Voorafgaand aan het dempen van water of werkzaamheden aan de watergangen waarbij vis ingesloten of gedood kan worden, zal in het kader van de zorgplicht echter ‘zorgvuldig’ moeten worden gehandeld (zie §6.3 en Bijlage 1.1.1). Aanwezige vissen zullen hierbij worden verdreven of plaatselijk worden weggevangen en worden uitgezet in te behouden water. Gevoelige werkzaamheden zullen zoveel mogelijk buiten de gevoelige periode van voortplanting (april t/m juli) en overwintering plaatsvinden.

4.2

Amfibieën Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen op plekken met lang aanwezig opgebracht zand dat in later stadium nog vergraven gaat worden, dienen opgeslagen zandhopen en opgeslagen materialen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.

4.3

Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals diverse graafwerkzaamheden, maaien of het verwijderen van de vegetatieve toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

22

grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de aanwezige soorten. Als onverhoopt buiten deze periode broedende vogels aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten wordt de periode van februari t/m augustus gezien als de gevoelige periode. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt. Soorten met jaarrond beschermde nesten Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Buizerd, Sperwer, Kerkuil en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

4.4

Grondgebonden zoogdieren Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de geringe grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. Het plangebied biedt, onder andere vanwege deze redenen, geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen en de dieren kunnen gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het is in het kader van de zorgplicht wel belangrijk voorafgaand aan werkzaamheden de oeverranden kaal te maaien en aanwezige kleine zoogdieren tijd te geven te vluchten en elders opnieuw te vestigen. Werkzaamheden dienen zoveel mogelijk buiten de voortplantingstijd (april-augustus) te worden uitgevoerd.

4.5

Vleermuizen

4.5.1

Foerageergebied Voorafgaand aan de werkzaamheden aan de oevers zal oevervegetatie worden gemaaid en verwijderd en zal openheid toenemen en zullen luwteplekken achter rietkragen verminderen. Hierdoor neemt de kwaliteit van het foerageergebied tijdelijk af. Dit effect is gewoonlijk het grootst op plaatsen waar aan beide kanten van de wateren wordt gewerkt. Dit is in het geheel niet het geval bij de besproken ingreep en alleen langs oevertraject 1 is sprake van een min of meer gesloten rietkraag.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

23

Het plangebied maakt voor (in ieder geval) terrestrisch levende vleermuizen echter slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving van de onderzochte wateren is veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig. Deze vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Voor watervolgende vleermuizen blijft naar verwachting voldoende geschikt foerageerbiotoop behouden. Alleen langs traject 1 is sprake van enigszins luwte gevende rietkraag maar hier is tevens een vier meter hoge dijk aanwezig die luwtewerking kan overnemen, net als de overkant van het kanaal waar rietkragen blijven staan. Op termijn zullen de gemaaide oeverbegroeiingen binnen één groeiseizoen geheel terug groeien. De ingreep lijkt daarmee op regulier maaibeheer dat nodig is om (schadelijke) wortelende houtige gewassen uit de kades en oeverzones te houden. Vanwege de opnieuw ontwikkelde begroeiing zal de beschutting weer toenemen en zal de geschiktheid van de wateren als foerageergebied voor vleermuizen herstellen.

4.5.2

Vliegroutes Alle wateren met bijbehorende oevers kunnen gebruikt worden als onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Voor watervolgende soorten zoals de Meervleermuis en Watervleermuis is sprake van een belangrijke of zeer belangrijke functie. Gezien de beoordeling van de wateren (HAARSMA, 2014) als essentiële migratieroute zullen deze oevertrajecten een belangrijke gebruiksfunctie kunnen hebben voor een deel van de populaties van deze soorten. Bij de vliegroutes is het verwijderen van begroeiing het moment dat een negatief effect kan optreden. De landschapslijn van de wateren met oevers wordt onderbroken en wind heeft grotere invloed op de vliegroute. Omdat de wateren en oevers herkenbaar blijven bestaan, wordt niet verwacht dat navigatieproblemen voor vleermuizen optreden. Er wordt ook niet aan beide zijden van het kanaal gewerkt en de beperkte oeverbegroeiing in het plangebied en de verder noordelijk gelegen volledig kale oevers langs de Oostoever maken de oostkant van het kanaal als niet meest waarschijnlijke vliegkant. Aanbevolen wordt om buiten de belangrijkste migratie-periode tussen april en oktober te werken. De rietbegroeiing aan de westkant van het kanaal moet onberoerd blijven in het jaar dat werkzaamheden zijn gepland. Nabij het plangebied liggen enkele bruggen met doorvaart.

Deze doorvaart is minimaal 15 meter in het geval van de spoorwegbrug, die een hoogte van minimaal 3,5 meter heeft. Deze brug is daarmee naar verwachting geschikt als doorvliegroute voor vleermuizen en ligt ook binnen de essentiële migratieroute.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

24

Omdat nabij de bruggen gaat worden gewerkt, dient in de periode april-oktober afgezien worden van kunstverlichting onder bruggen en langs de wateren. Verlichting kan vleermuizen afschrikken en de functie van de wateren als vliegroute in gevaar brengen. Het verminderen van de doorgangsbreedte van bruggen, bijvoorbeeld door de plaatsing van pontons voor materiaalopslag, kan effect hebben op de passeerbaarheid door vleermuizen. Om bruggen/viaducten als geschikte doorgang te behouden moet tussen zonsondergang en zonsopkomst minstens een breedte van 5 meter op de waterlijn vrijgehouden moeten worden om te zorgen dat vleermuizen niet omkeren bij het naderen van een brug (zie BOONMAN, 2011).

4.6

Conclusie effectbeoordeling Met het in achtnemen van besproken aanbevelingen, beperkingen en restricties in §4.1 t/m §4.5 worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten bij uitvoer van de plannen. Er dient altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht (zie §6.3 en Bijlage 1.1.1).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

5

25

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.

5.1

Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan enkele honderden meters afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Waddenzee. Gezien de afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Gezien de beperkte toename van stikstofemissie tijdens het werk en de locatie waar werkzaamheden zijn gepland, worden op voorhand geen significante gevolgen verwacht op Natura 2000-gebieden. Wellicht is echter een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project, een zogenaamde ‘Aerius’berekening.

5.2

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. De bescherming van gebieden als NNN-gebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

26

5.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes, Bufferzones, Aardkundige Monumenten en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het gebied is niet begrensd als een Bijzonder Provinciaal Landschap en ligt ook niet in de directe omgeving hiervan (zie Figuur 2). Er is geen negatief effect mogelijk op het BPL, een nadere toetsing is niet nodig.

De globale ligging van de oevertrajecten waar aan gewerkt gaat worden (rode lijnen) ten opzichte van beschermde BPL, N2000-gebied, Natuurverbindingszones en het NNN-netwerk.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

5.4

27

Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.

5.5

Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

28

5.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten de eventuele effecten van stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen. Gezien de beperkte toename van stikstofemissie tijdens het werk en de locatie waar werkzaamheden zijn gepland, worden op voorhand geen significante gevolgen verwacht op Natura 2000-gebieden. Wellicht wordt een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof noodzakelijk geacht voor dit project, te berekenen met een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Bij procedurele voortgang van het project zal bevoegd gezag aangeven of een dergelijke berekening gewenst is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

6

29

Conclusies 6.1

Beschermde soorten Wnb  Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.  Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.  Er worden geen beschermde vissen verwacht in het plangebied. Voorafgaand aan het dempen van water of werkzaamheden aan de watergangen waarbij vis ingesloten of gedood kan worden, zal in het kader van de zorgplicht echter ‘zorgvuldig’ moeten worden gehandeld (zie §0 en Bijlage 1.1.1). Aanwezige vissen zullen hierbij worden verdreven of plaatselijk worden weggevangen en worden uitgezet in te behouden water. Gevoelige werkzaamheden zullen zoveel mogelijk buiten de gevoelige periode van voortplanting (april t/m juli) en overwintering plaatsvinden.

 Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen op plekken met lang aanwezig opgebracht zand dat in later stadium nog vergraven gaat worden, dienen opgeslagen zandhopen en opgeslagen materialen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.  In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli.  Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd, Sperwer, Kerkuil en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

30

 Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen.  Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Er geldt dat in de periode apriloktober moet worden afgezien van kunstverlichting onder bruggen en langs de wateren.  De watergangen worden als essentiële vliegroutes voor (watervolgende) vleermuizen beoordeeld. Aanbevolen wordt daarom om buiten de belangrijkste migratie-periode tussen april en oktober te werken. Er mag bovendien in de vliegperiode van de vleermuizen tussen april en oktober niet met kunstverlichting worden gewerkt en bruggen dienen in het vliegseizoen (apriloktober) tussen zonsondergang en zonsopgang beschikbaar te blijven voor vleermuizen door een ruimte van minimaal 5 meter op de waterlijn vrij te houden.

 Voor zowel foeragerende als langsvliegende vleermuizen is het van belang dat de hoge rietbegroeiing aan de westkant van het kanaal in het jaar van uitvoering NIET wordt gemaaid om vleermuizen een geleidende begroeiingsrand aan deze zijde van het kanaal te bieden.

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving  Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten de eventuele effecten van stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen.  Gezien de beperkte toename van stikstofemissie tijdens het werk en de locatie waar werkzaamheden zijn gepland, worden op voorhand geen significante gevolgen verwacht op Natura 2000gebieden. Wellicht wordt een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof noodzakelijk geacht voor dit project, te berekenen met een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Bij procedurele voortgang van het project zal bevoegd gezag aangeven of een dergelijke berekening gewenst is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

6.3

31

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.  Ontzie groenvoorzieningen zoveel mogelijk tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en probeer dezelfde bouwwegen voor zowel aanvoer als afvoer te gebruiken.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten.  Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houd bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk gebruikt worden om insporing en potentiele verstoring van dieren en planten te beperken.

 Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.  Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de voortplantings- en winterrustperiode van deze soorten.  Om amfibieën/vissen te verdrijven uit te dempen wateren dient van ‘dicht’ naar ‘open’ gewerkt te worden en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen dieren weggevangen worden door wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar geschikte wateren in de nabije omgeving.

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van natuur Als aanvulling worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan:  Maai de oeverranden en voer maaisel af in plaats van het destructief klepelen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

32

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BOONMAN, M.., 2011. Factors determining the use of culverts underneath highways and railway tracks by bats in lowland areas. Bureau Waardenburg, Culemborg. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HAARSMA, A.J., 2014. Vleermuizen en werk aan wegen en waterwegen. Stappenplan voor een soepele uitvoering van de flora- en faunawet (concept). Bureau Batweter, onderzoek en advies. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014.

Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. IPO, 2013. Gedragscode Provinciale Infrastructuur in het kader van de Flora- en faunawet. BTL Advies B.V., in opdracht van Interprovinciaal Overleg (IPO) Vakberaad Beheer en Bouw. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, NoordHollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

33

SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2017, 13 maart 2017.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

34

8

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2023-169

Noord Hollands Kanaal bij Den Helder

Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2228/documents/24257