CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS325486 Toezeggingen raad in het kader van Nota Woonwagenbeleid 2026 (RIS325084)

Gemeenteraad 4 juni 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Nota Haags Woonwagenbeleid 2026 (RIS325084)2.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Typ tekstTyp tekstTyp tekst

dienst: dienstcode

Retouradres: Postbus 12600, 2500 DJ Den Haag

Ons kenmerk

Aan de gemeenteraad

DSO/11060450 RIS325486 Contactpersoon

Muammer Kurum Dienst

Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling

DSO Wonen Telefoonnummer

14070 Datum

E-mailadres

29 mei 2026

muammer.kurum@denhaag.nl

Onderwerp

Toezeggingen raad in het kader van Nota Woonwagenbeleid 2026 (RIS325084)

Geachte voorzitter, Tijdens de vergadering van de commissie Ruimte van 20 mei jl. over de Nota Haags Woonwagenbeleid, de brief over de uitkomsten Woonwagen behoefteonderzoek 2025 en vooruitblik begroting 2027 en diverse kwartaalrapportages Woonwagens, zijn door het college diverse toezeggingen gedaan naar aanleiding van de bespreking met uw commissie. Er zijn acht vragen gesteld waarop is toegezegd op die vragen antwoorden te geven voor de raadsbehandeling van de Nota. 1.

Toelichting op de berekening voor 90 standplaatsen om te voldoen aan de uitspraak van de rechter en de wachttijd i.r.t. de berekening van de reguliere sociale woningmarkt

De opgave van 90 woonwagenstandplaatsen vindt haar oorsprong in de situatie ten tijde van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:7830, Rechtbank <span class="hl6">Den <span class="hl4">Haag, C/09/637977 / HA ZA 22-941) De rechtbank heeft geoordeeld dat “binnen vijf jaar de wachttijd voor een woonwagenstandplaats vergelijkbaar te maken met de wachttijd voor een grondgebonden sociale huurwoning in Den Haag”. Uitgaande van de situatie ten tijde van de uitspraak, is berekend hoeveel extra standplaatsen nodig zijn om de wachttijd voor woonwagenbewoners in lijn te brengen met de wachttijd voor een grondgebonden sociale huurwoning in Den Haag (circa 110 maanden/ongeveer 9 jaar, peildatum 2024). Uit deze vergelijking volgt een initiële opgave van minimaal 90 extra standplaatsen om te voldoen aan de rechterlijke uitspraak.

Gemeente Den Haag

Spui 70 Den Haag

Postbus 12600 2500 DJ Den Haag

Telefoonummer 14070 www.denhaag.nl

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/11060450

Het college heeft vervolgens besloten om verder te kijken dan uitsluitend de minimale opgave die volgt uit de rechterlijke uitspraak. Tijdens het participatieproces, het woonbehoefteonderzoek en de gesprekken met de Stichting Sinti, Roma en Reizigers is nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de schrijnende situaties van inwonende (volwassen) kinderen en kleinkinderen die, mede door het tekort aan standplaatsen, langdurig noodgedwongen in overbewoonde situaties verblijven. Dit gaat over een groep van ongeveer 57 personen. Mede naar aanleiding van deze gesprekken en signalen heeft het college in de brief over de uitkomsten van het Woonwagenonderzoek 2025 een totale opgave van 147 extra standplaatsen (90+57) voor de komende jaren benoemd. Deze standplaatsen zijn nodig om te voldoen aan de rechterlijke norm ten aanzien van de wachttijd én aanvullende standplaatsen die nodig worden geacht om schrijnende situaties van overbewoning en inwonende kinderen te verminderen en het wonen in familieverband – als essentieel onderdeel van de woonwagencultuur – beter te faciliteren. Bij de reguliere sociale woningmarkt wordt de gemiddelde wachttijd berekend op basis van het woonruimteverdeelsysteem van Sociale Verhuur Haaglanden (SVH). Daarbij wordt gekeken naar de gemiddelde tijd tussen inschrijving en succesvolle woningtoewijzing (de zogenoemde ‘geslaagden’).

Voor grondgebonden sociale huurwoningen in Den Haag werd in de gerechtelijke procedure uitgegaan van een gemiddelde wachttijd van circa 9 jaar (110 maanden), peildatum 2024 (zie in gerechtelijke uitspraak 4.9) De rechtbank heeft in haar beoordeling (zie in de gerechtelijke uitspraak geheel 4: de beoordeling) gekeken naar meerdere indicatoren, waaronder het aantal ingeschreven standplaatszoekenden, het beperkte aantal vrijkomende standplaatsen (gemiddeld twee à drie per jaar) en het feit dat tientallen personen reeds langer dan vijftien jaar op de wachtlijst stonden. Op basis daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat de wachttijd voor een standplaats aanzienlijk langer is dan de wachttijd voor een grondgebonden sociale huurwoning: “Verder volgt uit de als productie 20 door de Stichting overgelegde tabel met namen dat er tientallen personen zijn die al langer dan 15 jaar op de wachtlijst staan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de wachttijd voor een standplaats ten minste 180 maanden (15 jaar) bedraagt”. Voor woonwagenstandplaatsen is een berekening, vergelijkbaar met de reguliere sociale woningmarkt, op dit moment niet mogelijk. Dit komt omdat de gemeente tot aan de uitspraak van de rechtbank in mei 2024 de data van toewijzing van standplaatsen niet heeft geregistreerd. Daarmee is het niet mogelijk geweest om precies dezelfde reken-systematiek te hanteren.

Sindsdien houdt de gemeente de datum van toewijzing wel bij. Voor de berekening, heeft de gemeente daarom gebruik gemaakt van de gemiddelde inschrijfduur van standplaatszoekenden op de wachtlijst. De gemeente heeft hiervoor gekeken naar inschrijvingen tot de uitspraak van de rechter in mei 2024. Van elke inschrijving is berekend hoeveel maanden de persoon staat ingeschreven (datum inschrijving – mei 2024). Alle maanden van alle inschrijvingen zijn bij elkaar opgeteld en gedeeld door het totaal aantal inschrijvingen. Hiermee heeft de gemeente de gemiddelde inschrijfduur van personen op de wachtlijst berekend. Het resultaat van deze berekening is dat er 90 standplaatsen gerealiseerd moeten worden om de gemiddelde wachttijd voor een standplaats terug te brengen naar 110 maanden.

2/6

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/11060450

Bovendien is het belangrijk om te vermelden dat ook de toewijzingssystematiek van sociale huurwoningen en woonwagenstandplaatsen verschilt, wat ook invloed heeft op de vergelijking in wachtduur. Anders dan bij reguliere sociale huurwoningen, waar inschrijftijd het dominante criterium vormt, wordt bij woonwagenstandplaatsen sinds 2019 – overeenkomstig het landelijke beleidskader – nadrukkelijk rekening gehouden met het leven in familieverband. Daardoor kunnen standplaatsen worden toegewezen aan familieleden, ook wanneer zij een kortere inschrijftijd hebben dan andere ingeschrevenen. Dit betekent dat de kans groot is dat standplaatsen worden toegewezen aan kinderen en kleinkinderen met een relatief lage inschrijfduur. Als we van alle succesvolle standplaatstoewijzingen in een jaar het gemiddelde nemen, dan zal die waarschijnlijk laag uitvallen en voldoet de gemeente (in theorie) aan de uitspraak. Dit maakt het moeilijk om een volledig kloppende vergelijking te maken en is bovendien ook niet de geest van de uitspraak die een uitbreiding in standplaatsen beoogt. Daarom heeft de gemeente bij de berekening de volgende uitgangspunten gehanteerd: • uitgaan van alle inschrijvingen die er waren t/m mei 2024; • de gemiddelde inschrijfduur daarvan te berekenen; • die te vergelijken met de gemiddelde wachttijd in Woonnet Haaglanden in mei 2024.

De vergelijking met de reguliere sociale woningmarkt wordt daarom gebruikt als referentiekader voor een redelijke wachttijd, maar niet als een één-op-één rekenmodel. De gemeente dient enerzijds de wachttijd substantieel terug te brengen en anderzijds rekening te houden met de specifieke kenmerken van de woonwagencultuur, waaronder wonen in familieverband, gezinsvorming en beperkte doorstroming op bestaande locaties. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan zowel de rechterlijke uitspraak als het landelijke beleidskader woonwagen- en standplaatsenbeleid. 2. Huidige beschikbare budgetten en de nodige financiering De eerste stappen naar het realiseren van nieuwe standplaatsen zijn gezet; er wordt op een bestaande locatie extra standplaatsen gerealiseerd en er zijn nieuwe locaties aangekocht door de gemeente voor het realiseren van extra standplaatsen. Hieronder staan deze locaties weergegeven in een overzicht, met daarbij een inschatting van de nodige dekking (exclusief indexering). Woonwagen locatie

Isabellaland

Nieuwe Aantal Financiën of nieuwe bestaand plaatsen e locatie Bestaande 8 € 1,76 mln.

Henri Faasdreef

Nieuw

25

Dekking

€ 1,7 mln. beschikbaar voor Isabellaland binnen de reserve woonwagen Circa € 6,3 mln. negatief Vanuit de enecoreserve resultaat grex + investerin wordt € 3,5 mln. g ad € 2,55 mln. (voor o.a. gedekt. De resterende de dekking uit RGB is nog huurwoonwagens) vraagt onderwerp van een afschrijving en gesprek. Dit vraagt kapitaallasten (voor beide) een van circa € 0,25 mln. p/j. raadsbesluit.

3/6

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/11060450

Brasserskade

Totaal nieuwe plaatsen in ontwikkeling

Nieuw +/- 30 aangekocht

Circa € 7,5 mln.

Geen dekking. Bij de start van de ontwikkeling van deze locatie wordt de bekostiging middels ee n grondexploitatie aan de raad voorgelegd.

53

Restant reserve Woonwagenzake n

€ 1,07 mln.

Bovenstaande opgave vraagt om een grote financiële investering. Op basis van de projecten waar de gemeente momenteel aan werkt, maar die nog niet gerealiseerd zijn, zijn kosteninschattingen gemaakt. We hanteren daarbij een bandbreedte. We gaan er op dit moment vanuit dat het realiseren van standplaatsen een negatief resultaat oplevert van netto (opbrengsten en kosten verrekend) tussen de € 150.000,- en € 380.000,- per standplaats. Om deze grote opgave te realiseren heeft de gemeente een ‘team woonwagenzaken’ opgericht. Deze apparaatslasten worden op circa € 1,2 mln. per jaar geraamd. De totale benodigde investering (zonder indexatie) komt daarmee uit op: Scenario 1 Uitbreiden van het aantal standplaatsen tot 90 in de periode tot mei 2029. Hiervoor moet er nog dekking gevonden worden voor 67 plekken. Dit vraagt om een maximale investering van € 25,5 mln. + € 3,6 mln. apparaatslasten • Dit is een jaarlijkse investering van € 9,7 mln. voor de duur van 3 jaar. Scenario 2 Uitbreiden van het aantal standplaatsen tot 90 in de periode tot mei 2029 vraagt een maximale aanvullende investering van € 25,5 mln. + € 3,6 mln. apparaatslasten. Het daarna uitbreiden van het aantal standplaatsen tot 147 (90 + 57 inwonende kinderen volgens het woonwagen behoefte onderzoek) in de periode 2029 tot 2034 vraagt een maximale investering van € 21,66 mln. + € 6 mln.

apparaatslasten • Dit is een jaarlijkse investering in de periode 2026 - mei 2029 van € 9,7 mln. • En een jaarlijkse investering in de periode erna van 2030 - 2034 van € 5,53 mln. 3. Tijdlijn waarin globaal wordt vooruitgekeken naar de situatie in Henri Faasdreef • Grondwerken openbare ruimte en aanleg riolering, grondwerk standplaatsen: mei – juli 2026. • Aanleg openbare nutsvoorzieningen: augustus-september 2026. • Fase 1 (1e 11 standplaatsen): afwerken standplaatsen, aanbrengen verhardingen, inrichten openbare ruimte, aanleg tijdelijke ontsluitingsweg aan zuidzijde voor fase 1: september – oktober 2026. • Oplevering fase 1: 1 november 2026.

4/6

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/11060450

• •

4.

Fase 2 (overige 14 standplaatsen): afwerken standplaatsen, aanbrengen verhardingen, inrichten openbare ruimte fase 1: oktober – december 2026. Aanleg groenvoorziening reconstructie Henri Faasdreef/aansluiting Loire na werkzaamheden WarmtelinQ: 2027. Een tijdlijn hoe de 147 woonwagens kunnen worden gerealiseerd (o.b.v. toereikende financiële middelen)

De realisatie van in eerste instantie de 90 standplaatsen vindt gefaseerd plaats. De eerste 15 standplaatsen zijn voorzien in 2026, met de oplevering van de nieuwe woonwagenlocatie aan de Henri Faasdreef. Vervolgens worden in 2027 nog eens 8 standplaatsen gerealiseerd bij de woonwagenlocatie Isabellaland. Het streven is de Brasserskade, met ongeveer 30 standplaatsen, vóór mei 2029 te realiseren. Voor de resterende 37 standplaatsen zullen nieuwe locaties moeten worden bestemd. Omdat deze locaties nog niet zijn vastgesteld, is hiervoor op dit moment nog geen concrete tijdlijn op te stellen. Uiteraard streeft het college ernaar de minimaal extra 90 standplaatsen uiterlijk mei 2029 gerealiseerd te hebben, conform uitspraak van de rechter. De ambitie van het college reikt verder dan de 90 standplaatsen. Het college wil daarom in periode 2029 – 2034 dit aantal uitbreiden naar 147 (90 + 57 inwonende kinderen volgens het woonwagen behoefte onderzoek). Voor deze uitbreiding is ook nog geen locatie bestemd. 5.

Het mogelijk maken van maatwerk voor de situatie dat een woonwagenbewoner de huurwoonwagen met huurstandplaats wil omzetten naar een (eigen) koopwoonwagen en een koopstandplaats.

In de Raamovereenkomst Wonen 2026-2030 is met de corporaties afgesproken dat in 2026 nadere afspraken worden gemaakt over de exploitatie van huurwoonwagens en huurstandplaatsen. De mogelijkheid tot het omzetten van een huurstandplaats met huurwoonwagen naar een koop- of erfpachtstandplaats met een eigen koopwoonwagen maakt onderdeel uit van deze afspraken. Dit sluit aan bij het uitgangspunt uit de Nota Haags Woonwagenbeleid 2026 om meer variatie in woonvormen mogelijk te maken, waaronder sociale huurstandplaatsen met huurwoonwagens, sociale huurstandplaatsen met een eigen woonwagen en erfpacht/koopstandplaatsen met een eigen woonwagen. Op dit moment bevinden de gemeente en corporaties zich nog in de planvormingsfase. Om de ontwikkeling van de locatie Henri Faasdreef mogelijk te maken en vooruitlopend op definitieve afspraken met corporaties, koopt de gemeente de huurwoonwagens tijdelijk zelf aan en verhuurt zij de woonwagens met standplaatsen.

In de commissievergadering is door het college toegezegd dat waar nodig maatwerk mogelijk wordt gemaakt voor de situatie dat een woonwagenbewoner de huurwoonwagen met huurstandplaats wil omzetten naar een (eigen) koopwoonwagen en een koopstandplaats, Dit gaan we als volgt vorm geven: In de huurovereenkomst met bewoners wordt opgenomen dat, indien in de toekomst nadere afspraken zijn gemaakt over omzetting naar erfpacht, bewoners – onder nog nader vast te stellen voorwaarden en passend binnen het geldende grondbeleid en de afspraken met corporaties – in aanmerking kunnen komen voor omzetting van een huurstandplaats met huurwoonwagen naar een erfpacht standplaats met een eigen woonwagen. Dit maatwerk past binnen de nu voorliggende Nota Haags Woonwagenbeleid.

5/6

Gemeente Den Haag Ons kenmerk

DSO/11060450

6.

In gesprek gaan met woonwagenbewoners over de komende aanbesteding van woonwagens, maatvoering en uitbreidingsmogelijkheden.

Mocht de gemeente vooruitlopend op de afspraken met de corporaties, opnieuw een aanbesteding starten voor huurwoonwagens, dan zal de gemeente wederom in gesprek gaan met de Stichting Sinti, Roma en reizigers over de maatvoering en uitbreidingsmogelijkheden van woonwagens. 7.

De wethouder komt terug over de dwangsom als er niet wordt voldaan aan de rechterlijke uitspraak en de wethouder komt terug op de interpretatie van de gerechtelijke uitspraak

In het vonnis van 29 mei 2024 heeft de rechtbank het volgende geoordeeld: 1. “in strijd handelt met het discriminatieverbod door het aantal standplaatsen na de wijziging van het rijksbeleid in 2018 niet binnen afzienbare tijd uit te breiden” 2. “binnen vijf jaar na dit vonnis de wachttijd voor een woonwagenstandplaats in de gemeente vergelijkbaar te hebben gemaakt met de wachttijd voor een grondgebonden (niet-gestapelde) sociale huurwoning in de gemeente” Het vonnis geeft de gemeente enige beleidsruimte: "Het is weliswaar aan de Gemeente om te bepalen hoe het verschil in wachttijd gelijk kan worden getrokken (...)." Feitelijk geeft het vonnis de opdracht om meer standplaatsen te (laten) realiseren, maar de wijze waarop is aan de gemeente. De gemeente moet dus uiterlijk 29 mei 2029 de wachttijd vergelijkbaar hebben gemaakt (zie ook hierboven) . Op deze verplichting zit geen dwangsom, maar dat betekent niet dat de gemeente 2029 kan afwachten.

Dat lijkt de rechtbank ook te suggereren met de opmerking: "Om voor de woonwagenbewoners inzichtelijk en controleerbaar te maken dat de Gemeente op een voortvarende wijze met de uitvoering van deze verplichting aan de slag gaat, geeft de rechtbank de Gemeente in overweging om jaarlijks schriftelijk over de voortgang van het proces aan de Stichting te rapporten." Dit rapporteren doen we door de Stichting steeds mee te nemen in de kwartaalrapportages hierover en op structurele basis met hen in gesprek te zijn. Het vonnis is dus niet vrijblijvend. De Gemeente heeft weliswaar beleidsruimte hoe het verschil wordt weggenomen, maar niet dat het verschil wordt weggenomen. Als de planning niet haalbaar blijkt, kunnen belanghebbenden de rechter vragen een dwangsom op te leggen. Over een eventuele hoogte hiervan is nu nog niets te zeggen. Als in de toekomst een dergelijk scenario aan de hand is, zal het college uw raad hier vanzelfsprekend nader over informeren. 8. De wethouder gaat na hoe de raad geïnformeerd kan worden over het meest recente locatieonderzoek (onder geheimhouding). In 2025 is gestart met een ambtelijke locatieverkenning. Deze wordt momenteel geactualiseerd en afgerond. Uiterlijk Q3 2026 zal het college de raad hierover informeren (waar nodig onder geheimhouding). Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, Ilma Merx

Jan van Zanen

6/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17011446/1