RIS325468 Bijlage 6 Eco-effectscan Jacob Catsstraat 325
Tekst van het document
Eco-effectscan Jacob Catsstraat 325 te Den Haag
Opdrachtgever Van Wijnen te Dordrecht
Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening
Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk
Eco-effectscan Jacob Catsstraat 325 te Den Haag
telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl
Opdrachtgever Van Wijnen te Dordrecht
Datum: Rapportnr.: Status:
5 juni 2024 24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage
IBAN: NL08 RABO 0368 1199 55
•
BTW: NL-8105.67878.B01
•
K.v.K. nr. 27240696
Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening
COLOFON Titel
: Eco-effectscan Jacob Catsstraat 325 te Den Haag
Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79
Opdrachtgever Contactpersoon
: Van Wijnen Dordrecht :
2671 MP Naaldwijk telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl
Projectteam Projectmanager Contactpersoon Auteur Veldwerk Kwaliteitsborger
: : : : :
Projectnummer
: 24148
Aqua-Terra Nova BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van groene adviesbureaus.
Datum vrijgave
Status
5 juni 2024
Definitief
Vrijgave auteur
Goedkeuring kwaliteitsborger
© 2024 Aqua-Terra Nova B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
7
INLEIDING 1.1 Aanleiding....... Doelstelling...... 1.2 Leeswijzer....... 1.3 1.4 Verantwoording METHODE 2.1 Inleiding........................................................... 2.2 Projectbeschrijving......................................... 2.3 Wettelijk kader Omgevingswet...................... 2.4 Beoordeling beschermde natuurgebieden.... 2.5 Aanwezigheid beschermde planten en dieren 2.6 Effectbeoordeling en toetsing........................ PLANGEBIED 3.1 Ligging....................................... 3.2 Bestaande situatie.................... 3.3 Beoogde situatie en activiteiten 3.4 Veldbezoek................................ RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING 4.1 Natura 2000-gebieden ......................................... 4.2 Ecologische verbindingszones............................. 4.3 Houtopstanden...................................................... 4.4 Stedelijke Groene Hoofdstructuur van Den Haag RESULTATEN SOORTBESCHERMING 5.1 Vaatplanten.......................... 5.2 Vogels................................... Grondgebonden zoogdieren . 5.3 5.4 Vleermuizen......................... 5.5 Amfibieën............................. 5.6 Reptielen.............................. 5.7 Vissen................................... 5.8 Overige beschermde soorten CONCLUSIES EN ADVIES 6.1 Gebiedsbescherming....... 6.2 Beschermde houtopstand 6.3 Soortenbescherming.......
6.4 Advies en vervolgstappen 6.5 Planning........................... 6.6 Geldigheid....................... REFERENTIES
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
4
..5 .. 5 .. 5 .. 5 .. 5 ..6 .. 6 .. 6 .. 6 .. 6 .. 6 .. 7 ..8 .. 8 .. 8 .10 .10 11 .11 .12 .13 .13 15 .15 .15 .16 .16 .17 .17 .17 .17 18 .18 .18 .18 .19 .20 .21
22
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
1.2
Doelstelling
1.3
Leeswijzer
1.4
Verantwoording
Van Wijnen Dordrecht is voornemens een op dit moment leegstaand gebouw aan de Jacob Catsstraat 325 in Den Haag te renoveren. Bij de werkzaamheden wordt er niet aan watergangen gewerkt of bomen gekapt of aangeplant. Voor dit project dienen onder andere de gevolgen van de ruimtelijke ingrepen op de aanwezige flora en fauna te worden weergegeven. In dit kader is de onderhavige Eco-effectscan uitgevoerd door Aqua-Terra Nova BV in opdracht van Van Wijnen Dordrecht.
De Eco-effectscan heeft als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Omgevingswet. Hiertoe worden de effecten van de activiteiten op beschermde gebieden en soorten inzichtelijk gemaakt. Daarnaast wordt geadviseerd hoe te handelen in het kader van de natuurwetgeving1.
In hoofdstuk 2 worden de onderzoeksmethode en het toetsingskader van de Eco-effectscan beschreven. In hoofdstuk 3 worden het project en het plangebied beschreven. Mogelijke effecten op beschermde natuurgebieden en het Natuurnetwerk Nederland worden beschreven in hoofdstuk 4. De resultaten van de inventarisatie en mogelijke effecten op beschermde soorten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Tot slot volgen in hoofdstuk 6 de conclusies en worden eventueel te nemen maatregelen geadviseerd. Bronvermeldingen zijn in de tekst aangegeven met een nummer dat naar het desbetreffende nummer in de referentielijst verwijst.
Bij ecologische veldwerkzaamheden is een volledige garantie over de afwezigheid van soorten niet te geven. Door de inzet van ter zake kundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt onze onderzoekskwaliteit gewaarborgd.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
5
2
METHODE
2.1
Inleiding
2.2
Projectbeschrijving
2.3
Wettelijk kader Omgevingswet
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de resultaten van de voorliggende rapportage tot stand zijn gekomen. Dit hoofdstuk dient tevens als onderbouwing van de conclusies. In het kort wordt weergegeven hoe de Omgevingswet in het project wordt geborgd.
Het project wordt beschreven aan de hand van de door de opdrachtgever verstrekte informatie. Hiertoe worden de omvang en de ligging van het plangebied beschreven in relatie tot groenstructuren in de omgeving, wordt de bestaande situatie geschetst en worden de beoogde activiteiten omschreven.
In de Omgevingswet zijn beschermde soorten en gebieden aangewezen1. Hierbij zijn beschermde soorten ingedeeld in drie regimes, respectievelijk art. 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 11.37 betreft regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in de Europese Unie. Artikel 11.46 betreft regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen. Artikel 11.54 betreffen regels ter bescherming van niet onder artikel 11.46 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet. Alle in de Omgevingswet genoemde soorten zijn strikt beschermd1. De bescherming van soorten is met name gericht op instandhouding van populaties en verblijfplaatsen van individuen. Hierbij wordt het ‘nee, tenzij’-principe gehanteerd. Handelingen in strijd met de verbodsbepalingen zijn per definitie verboden. Uitzonderingen voor overtreding van de verbodsbepalingen kunnen worden verleend middels vrijstellingen en ontheffingen. Tevens is de zorgplicht te allen tijde van kracht voor alle planten en dieren.
2.4
Beoordeling beschermde natuurgebieden
2.5
Aanwezigheid beschermde planten en dieren
Op basis van provinciale en lokale kaartendatabases wordt de ligging van natuurgebieden in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Het betreft gebieden uit art. 11.6 van de Bal (Natura 2000-gebieden) en gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN) omschreven in art. 7.7 lid 2 van Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien dergelijke beschermde natuurgebieden binnen een straal van 5 km van het plangebied gelegen zijn of de ingreep een zodanig karakter heeft dat effecten op grotere afstand mogelijk zijn, wordt de wettelijke status beschreven. Daarnaast wordt beoordeeld of negatieve effecten op de gebieden uitgesloten kunnen worden, zowel door de werkzaamheden zelf als voor eventuele effecten van stikstofdepositie door de werkzaamheden op natuurgebieden.
Aan de hand van een veldbezoek, verspreidingsatlassen, overige naslagwerken en lokale waarnemingen wordt een lijst samengesteld van beschermde soorten behorend tot 11.37, 11.46 en 11.54 van het Bal welke in en in de nabije omgeving van het plangebied zijn waargenomen of potentieel aanwezig zijn. Deze lijst met soorten is een momentopname, is niet limitatief en kan aangevuld worden met beschermde soorten waarvan de aanwezigheid aannemelijk is. Voor deze soorten wordt op basis van het verkennend locatiebezoek de geschiktheid van biotopen in het plangebied beoordeeld. De beoordeling van de aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied resulteert in de vaststelling: Niet aanwezig c.q. afwezig; de soort is niet in de omgeving waargenomen of het plangebied vormt geen geschikt biotoop voor de soort welke in de omgeving waargenomen is; de beoordeling van de afwezigheid wordt uitsluitend in uitzonderingen behandeld; soorten welke op de inventarisatielijst zijn opgenomen en niet worden behandeld, worden per definitie beoordeeld als niet aanwezig c.q.
afwezig; Niet uit te sluiten; de soort is in de omgeving waargenomen of kan op basis van betrouwbare bronnen* verwacht worden en het plangebied vormt geschikt biotoop voor verblijfplaatsen of andere functionele onderdelen van de leefomgeving van de soort; Aanwezig: de soort is tijdens het locatiebezoek waargenomen of de soort is in het plangebied waargenomen op basis van betrouwbare bronnen*.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
6
*Betrouwbare bronnen zijn minder dan 3 jaar oude gegevens van overige ter zake kundigen en de NDFF.
2.6
Effectbeoordeling en toetsing Voor de aanwezige beschermde soorten of beschermde soorten waarvan de aanwezigheid niet uitgesloten kan worden, worden de effecten van de voorgenomen handelingen beoordeeld en getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet en de zorgplicht. De toetsing is gericht op aantasting en verstoring van individuen en hun functionele leefomgeving en mogelijke effecten op nabijgelegen natuurgebieden. De toetsing is afhankelijk van de kwetsbare periode waarin handelingen een effect kunnen hebben. Vervolgens wordt beoordeeld of aantasting van individuen en hun functionele leefomgeving een effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de regionale of landelijke populatie. Per soortgroep worden de handelingen getoetst aan de verbodsbepalingen en de specifieke zorgplicht. Per beschermingscategorie worden hierbij verschillende toetsingskaders gehanteerd (zie tabel 2.1). Tabel 2.1. Toetsingskader per beschermingscategorie. Categorie
Artikel 11.37 en 11.46 van het Bal (Vogelrichtlijn & Habitatrichtlijn)
Artikel 11.54 van het Bal (Nationaal beschermde soorten)
Alle planten en dieren (Specifieke zorgplicht)
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
Toetsingskader Effecten dienen te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer, geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden. Iedere afzonderlijke provincie heeft algemene soorten uit deze categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht (zorgplicht is wel van toepassing). Indien deze soorten niet zijn vrijgesteld dienen effecten te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer, geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden.
In het kader van de specifieke zorgplicht dienen schadelijke effecten zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden voorkomen te worden, beperkt te worden of ongedaan gemaakt te worden.
7
3
PLANGEBIED
3.1
Ligging
Het plangebied is gelegen aan de Jacob Catsstraat 325 te Den Haag, in de gelijknamige gemeente in de provincie Zuid Holland. Het plangebied betreft het voormalig HWWZorg Verpleeghuis De Schildershoek gelegen in een stedelijke omgeving. Zie figuur 3.1 voor de ligging en de begrenzing van het plangebied.
Figuur 3.1. Ligging en begrenzing van het plangebied Jacob Catsstraat 325 te Den Haag (rood omkaderd).
Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de Parallelweg die langs de spoorlijn naar het Haagse treinstation Hollands Spoor loopt. Dit station ligt op 600 meter afstand ten noordoosten van het plangebied. Ten noordwesten van het plangebied ligt een park op het Jacob van Campenplein, een groene oase in de dicht bebouwde omgeving waarin het plangebied is gelegen.
3.2
Bestaande situatie
Het plangebied betreft een op dit moment leegstaand voormalig woonzorgcentrum met een oppervlakte van circa 4250 m2. Naar schatting de helft van het totale geveloppervlak bestaat uit aluminium kozijnen met beglazing en kunststof platen, zie foto 1 van figuur 3.2. De andere helft van het geveloppervlak bestaat uit opgemetselde spouwmuren met open stootvoegen waarin open stootvoegen aanwezig zijn, zie foto 2 van figuur 3.2. De bebouwing bestaat uit delen van verschillende hoogte met een getrapte gevel. Bij de ingang van het complex op de hoek Jacob Catsstraat en Parallelweg is het hoogste punt vier woonlagen. Bij alle vensters is zonwering aanwezig. De verlichting rond het plangebied bestaat uit lantaarnpalen met neerwaarts gerichte armaturen, lage lantaarnpalen met een cone-top armatuur en wandlampen aan de bebouwing. Er zijn geen watergangen aanwezig binnen, of in de directe omgeving van het plangebied. In de binnentuin aan de westzijde van het plangebied zijn bomen en struweel aanwezig. Aangetroffen soorten zijn cipres, vederesdoorn, klimop, weigelia, choisya, robinia, vuurdoorn, laurier, vlinderstruik, catalpa, plataan en fuchsia. In het park ten noordwesten van het plangebied staan volwassen bomen zoals Anna Palownaboom, vogelkers, koningslinde, plataan, Japanse zelkova, Japanse kers en amberboom. Zie voor een impressie van het plangebied de afbeeldingen in figuur 3.2.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
8
Figuur 3.2. Impressie van het plangebied. Foto 1, gevelaanzicht met vensters met kunststof beplating en aluminium kozijnen aan de noordwestzijde van het plangebied.
Figuur 3.2. Impressie van het plangebied. Foto 2, opgemetselde spouwmuren met open stootvoegen.
Figuur 3.2. Impressie van het plangebied. Foto 3, ingang van het voormalig woonzorgcentrum De Schildershoek, Jacob Catsstraat 325 te Den Haag.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
9
3.3
Beoogde situatie en activiteiten De activiteitenomschrijving is opgesteld aan de hand van plattegronden, ontwerptekeningen en de mondeling en schriftelijk door de opdrachtgever verstrekte informatie. De werkzaamheden zullen geheel inpandig plaatsvinden. In week 23 wordt gestart met het verwijderen van asbest en volgens de nu bestaande planning wordt in week 27 gestart met het inwendig slopen van het pand. Aan de binnentuin wordt in de eerste fase niet gewerkt. Eventuele toekomstige effecten op de in de binnentuin aanwezige flora en fauna zijn niet meegenomen in deze beoordeling. Hoe lang de werkzaamheden zullen duren is op dit moment nog niet geheel duidelijk. In de uiteindelijke situatie wordt er vanuit gegaan dat het pand weer als zorginstelling in gebruik zal zijn. Deze activiteiten vormen de basis van de toetsing aan de Omgevingswet.
3.4
Veldbezoek Het plangebied is bezocht in de middag van 30 mei 2024. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek waren droog, half bewolkt met een temperatuur van 14°C, windkracht 3 Bft uit het westen. Tijdens de inventarisatie zijn aanwezige natuurwaarden in het plangebied bekeken. Beschermde soorten worden alleen op basis van regionale verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte habitat uitgesloten, anders worden ze meegenomen in de toetsing.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
10
4
RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING Onderstaand wordt bepaald wat de afstand is van het plangebied tot beschermde natuurgebieden of gebieden die behoren tot een ecologische verbindingszone en wordt getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op deze beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk zijn/is.
4.1
Natura 2000-gebieden
Het Natura 2000-gebied ‘Westduinpark & Wapendal’ bevindt zich op circa 3,9 km afstand ten zuidoosten/noorden van het plangebied, zie figuur 4.1. Het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ is gelegen op circa 4,5 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.
Figuur 4.1. Positie van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
Het Natura 2000-gebied ‘Westduinpark’ is een breed, gevarieerd en kalkrijk duingebied met kenmerkende habitats van de Hollandse duin- en kuststreek. Er is een breed scala aan vegetatietypen van jonge en oude, droge duinen, met ruigten, graslanden en struwelen en binnenduinbos aanwezig, met karakteristieke flora. ‘Wapendal’ bestaat uit oud duin met struikheivegetatie. Het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en afwisselend is. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. De meeste negatieve effecten door de geplande ontwikkeling worden door de afstand en de tussenliggende infrastructuur uitgesloten. Stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000gebieden kan echter niet op voorhand uitgesloten worden, zie volgende paragraaf.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
11
Stikstofdepositie Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof die in de vorm van NOx (stikstofoxiden) of NH3 (ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest hebben een stikstofuitstoot. In Nederland is in 118 van de 162 Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste één habitat of soort kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een vergunning Omgevingswet. Om de stikstofdepositie te berekenen wordt er gekeken naar de sloop-/bouwfase en naar de gebruiksfase. Voor beide fasen wordt een berekening gemaakt. Voor de sloop-/bouwfase wordt met name gekeken naar de machines die gebruikt worden en naar de vervoersbewegingen van en naar het plangebied tijdens de sloop-/bouwfase. Voor de gebruiksfase wordt met name gekeken naar de vervoersbewegingen van en naar het plangebied en naar de uitstoot van het gebouw zelf in de nieuwe (beoogde) situatie. De Raad van State heeft op 2 november 2022 geoordeeld dat de bouwvrijstelling niet meer gebruikt mag worden bij bouwprojecten waarvoor mogelijk een vergunning nodig is. De AERIUS-calculator is het voorgeschreven instrument voor de toestemmingsverlening.
Met de AERIUS-calculator worden de stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd en wordt de depositie van de stikstof op Natura-2000 gebieden berekend. Deze rekentool is door het RIVM geactualiseerd en op 5 oktober 2023 gepubliceerd. Stikstofdepositieberekeningen worden met deze geactualiseerde versie van de AERIUS-calculator uitgevoerd.
Projecten die op basis van de bouwvrijstelling al zijn vergund, maar nog niet onherroepelijk zijn, kunnen mogelijk gevolgen ondervinden na de afschaffing van de bouwvrijstelling. Dit verschilt per geval. Aqua-Terra Nova kan indien gewenst advies geven. De uitspraak van 2 november 2022 heeft geen gevolgen voor omgevingsvergunningen die zijn verleend en waartegen geen bezwaar of beroep meer mogelijk is (ook wel 'onherroepelijke' omgevingsvergunningen). Een stikstofdepositieberekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden wordt mogelijk vanuit het bevoegd gezag geëist. Aqua-Terra Nova kan deze berekening voor u uitvoeren. 4.2
Ecologische verbindingszones Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)2, zie figuur 4.2. Het plangebied bevindt zich op ruim 2 km van een natuurgebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het betreft hier het landgoed Te Werve ten zuiden van het plangebied. Het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing in het kader van de Omgevingswet is niet noodzakelijk.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
12
Figuur 4.2. Positie van het plangebied ten opzichte van het NNN.
4.3
Houtopstanden
4.4
Stedelijke Groene Hoofdstructuur van Den Haag
In de Omgevingswet geldt een bescherming van houtopstanden die groter zijn dan 10 are, (1000 m2) en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Er worden bij de werkzaamheden geen bomen verwijderd. Een meldingsplicht bij de provincie Zuid-Holland is niet noodzakelijk. Als er in een latere fase van het project aan de binnentuin wordt gewerkt dient de Algemene plaatselijke verordening (APV) te worden geraadpleegd in hoeverre eventuele bomenkap in de binnentuin van de Jacob Catsstraat 325 omgevingsvergunning-plichtig is.
De Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH) is het netwerk aan grote groengebieden, ecologische verbindingszones en de hoofdboomstructuur binnen de gemeente Den Haag. De Haagse grote groengebieden zijn door middel van ecologische zones met elkaar en het buitengebied verbonden door bomenrijen, waterwegen met oevers, kleine bosjes en struiken. Deze verbindingen hebben tot doel de planten en dieren die van nature in de regio voorkomen een zoveel mogelijk natuurlijk leefgebied te geven en de mogelijkheid om zich te kunnen verplaatsen. Planten en dieren kunnen via deze zones van het ene naar het andere gebied migreren. De trambanen, stadsboerderijen en volkstuinen beschikken tevens over groenstructuren en fungeren daarmee als ondersteuning van de migratieroutes voor plant- en diersoorten door de stad. Deze groenstructuren hebben echter niet de status van de SGH. Het plangebied is geen onderdeel van een kerngebied aangewezen in de SGH. Negatieve effecten op de Stedelijke Groene Hoofdstructuur van Den Haag worden op basis van de geplande werkzaamheden, het huidig gebruik en inrichting van het plangebied uitgesloten. Nadere toetsing is niet noodzakelijk.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
13
Figuur 4.3. Positie van het plangebied ten opzichte van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur in Den Haag (bron: beheersysteem Gemeente Den Haag, 29-08-2019).
Met het aanwijzen van de SGH verplicht het gemeentebestuur zich om deze op eenduidige en herkenbare wijze duurzaam in stand te houden en waar mogelijk te versterken. Er wordt aanbevolen groen terug te plaatsen wanneer er groen verwijderd wordt en rekening te houden met de mogelijkheden voor flora en fauna om te kunnen migreren tussen de verschillende groengebieden in de gemeente Den Haag. Nader onderzoek in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk. De gemeente Den Haag heeft in de Visie op Licht 3 beleid vastgesteld ten aanzien van de openbare verlichting. In groengebieden geldt, conform de richtlijn ‘Licht op Natuur’, als uitgangspunt dat er geen licht wordt toegepast. Alleen op hoofdfietspaden wordt er de noodzakelijke hoeveelheid gerichte verlichting toegepast voor de veiligheid. Nabij ecologische verbindingszones wordt verlichting zonder directe lichtuitstraling op groen en water toegepast. In de beoogde situatie wordt er geen verlichting geplaatst en blijft de lichtintensiteit hetzelfde. Er wordt geadviseerd om maatregelen te nemen om strooilicht te minimaliseren om te voldoen aan richtlijn Licht op Natuur.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
14
5
RESULTATEN SOORTBESCHERMING In dit hoofdstuk worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Omgevingswet, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is/zijn.
5.1
Vaatplanten
5.2
Vogels
5.2.1
Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als de stedelijke ligging van het plangebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht4. Tussen het metselwerk zijn geen beschermde varensoorten zoals schubvaren aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten is niet noodzakelijk.
Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd1. In het plangebied worden broedende vogels verwacht, zowel algemene als jaarrond beschermde broedende vogels en soorten uit categorie 5.
Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats
Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van de Jacob Catsstraat 325 de gierzwaluw en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen5. Gierzwaluw. De gierzwaluw nestelt in gebouwen, onder de dakgoot, achter de regenpijp, onder dakpannen, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. Het plangebied en dan met name de dakconstructie biedt geen gelegenheid voor deze vogelsoort om in te vliegen. Er zijn geen dakpannen, kantpannen of gaten in het metselwerk aanwezig waarvan gierzwaluwen gebruik kunnen maken om een nestplaats te bereiken. Tijdens het veldbezoek zijn er geen gierzwaluwen waargenomen. Huismus. De huismus nestelt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen, in mussenkasten of dicht struweel. Ook voor de huismus geldt dat de dakconstructie ontoegankelijk is. Er zijn bij het veldbezoek geen huismussen gehoord of gezien. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor gierzwaluwen en huismussen kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek is naar de aanwezigheid van deze soorten is niet noodzakelijk. De sterk verstedelijkte ligging van het plangebied zorgt ervoor dat de aanwezigheid van vaste rusten/of verblijfplaatsen van roofvogels en uilen behorend tot de categorie 1-4 binnen de onderzochte bebouwing uitgesloten kan worden.
Roofvogels en uilen zijn gebaat bij rust en voldoende foerageergebied in de directe omgeving van hun verblijf/nestplaats. Het plangebied voldoet niet aan deze eisen. Voor de slechtvalk, een soort die het wel goed doet binnen een stedelijke omgeving wordt de bebouwing te laag geacht. Deze vogels hebben een voorkeur voor torenflats of kerktoren waar ze in nestkasten of op richels broeden. In het plangebied kan de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de uilen en roofvogels worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.
5.2.2
Vogels uit categorie 5
5.2.3
Algemene (broed)vogels
Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen het plangebied te verwachten zoals ekster, koolmees, pimpelmees, en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermd wanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen1. De geplande werkzaamheden tasten het aanwezige groen niet aan, hierdoor kunnen negatieve effecten op mogelijk aanwezig essentieel leefgebied worden uitgesloten. Eventuele toekomstige werkzaamheden aan de binnentuin dienen in verband met de mogelijke aanwezigheid van broedvogels buiten het broedseizoen (augustus t/m maart) plaats te vinden. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.
In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals winterkoning, houtduif, heggenmus, roodborsttapuit, putter, kneu, merel en kauw. Het groen in het plangebied is geschikt 24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
15
als broedlocatie voor algemene vogels. Tijdens het veldbezoek is een merelnest met jongen aangetroffen in de binnentuin. Werkzaamheden aan deze tuin dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen duurt grofweg van maart t/m juli, te werken. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole plaats te vinden. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.
5.3
Grondgebonden zoogdieren
Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen 1,6. Het voorkomen van strikt beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk. Het oriënterend onderzoek wijst uit dat het plangebied geschikt is voor nationaal beschermde zoogdiersoorten zoals de egel. Ook kunnen er binnen het plangebied algemene zoogdiersoorten voorkomen als bruine rat. Voor nationaal beschermde zoogdiersoorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Omgevingswet1. De zorgplicht blijft echter wel van kracht.
5.4
Vleermuizen
5.4.1
Verblijfplaatsen
Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd binnen de Omgevingswet 1. Vleermuizen maken binnen hun netwerk gebruik van vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, ook als de dieren op dat moment niet aanwezig zijn. Daarnaast is de functionele leefomgeving van vleermuizen beschermd. Dit zijn de vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden, die nodig zijn om een verblijfplaats te laten functioneren. Het wooncomplex aan de Jacob Catsstraat 325 is door de aanwezigheid van open stootvoegen en kieren bij de zonweringen geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten zoals de gewone- en ruige dwergvleermuis en de laatvlieger. (Zie foto 1 figuur 5.4). De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen kan niet worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is noodzakelijk.
Figuur 5.4. Foto 1, open stootvoegen boven de lateien en onder de dakrand aan de Jacob Catsstraat 325 te Den Haag.
In het plangebied zijn geen bomen aanwezig die geschikte holtes bevatten die kunnen dienen als vaste rust- en/of verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen zoals de watervleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
16
Vleermuizen betrekken ’s winters vaak in groten getale specifieke verblijfplaatsen die geschikt zijn om de winterslaap in door te brengen, ook massawinterverblijfplaatsen genoemd. Dit zijn vaak slecht geïsoleerde gebouwen, hoge (flat)gebouwen, grotten, bunkers, kelders of zolders met een geschikt microklimaat en een constante temperatuur en vochtigheidsgraad 17. Het plangebied heeft voldoende grootte en massa om te beschikken over een geschikte locatie voor een massa winterverblijfplaats. Nader onderzoek naar winterzwermen en massawinterverblijfplaatsen is noodzakelijk.
5.4.2
Foerageergebied en vliegroute Het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige structuren als vliegroute zoals bouwwerken, watergangen en bomenrijen. Het plangebied bevat geschikte lijnvormige structuren die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. De werkzaamheden aan de opstallen aan de Jacob Catsstraat 325 worden inpandig uitgevoerd. Negatieve effecten op eventueel aanwezige vliegroutes kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.
5.5
Amfibieën Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde amfibieën voorkomen 8. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van strikt beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk. De groenstroken in de directe omgeving van het plangebied zijn geschikt voor nationaal beschermde soorten (beschermd volgens art. 11.54 Omgevingswet) als de bruine kikker en de gewone pad. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Omgevingswet. De zorgplicht blijft echter wel van kracht.
5.6
Reptielen Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielen voorkomen 8. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde reptielen kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.
5.7
Vissen In het plangebied zijn geen watergangen of ander open water aanwezig. Negatieve effecten op vissen zijn uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van de Omgevingswet is niet noodzakelijk.
5.8
Overige beschermde soorten
Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers (vliegend hert, brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, vermiljoenkever), weekdieren (platte schijfhoren, Bataafse stroommossel) en een kreeftachtige (rivierkreeft), beschermd door de Omgevingswet1,12,13. Het plangebied en directe omgeving voorzien voor geen van deze soorten in geschikt habitat. Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Omgevingswet.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
17
6
CONCLUSIES EN ADVIES In opdracht van Van Wijnen Dordrecht heeft Aqua-Terra Nova BV een onderzoek uitgevoerd naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden met betrekking tot het project aan de Jacob Catsstraat 325 te Den Haag. Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Omgevingswet. De conclusies van de toetsing worden in dit hoofdstuk gegeven.
6.1
Gebiedsbescherming
6.2
Beschermde houtopstand
Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Het plangebied bevindt zich op circa 3,9 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Westduinpark & Wapendal’. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura 2000gebied kunnen niet worden uitgesloten. Een nadere toetsing in het kader van gebiedsbescherming is mogelijk noodzakelijk in verband met stikstofdepositie. Uitsluitsel hierover kan verkregen worden bij de provincie Zuid-Holland. • Het plangebied bevindt zich op circa 4,5 km van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk. • Het plangebied is geen onderdeel van een kerngebied aangewezen in de Stedelijke Groene Hoofdstructuur van Den Haag. Negatieve effecten worden op basis van de geplande werkzaamheden, het huidig gebruik en inrichting van het plangebied uitgesloten. Nadere toetsing is niet noodzakelijk.
Er worden bij de werkzaamheden geen bomen verwijderd. Een meldingsplicht bij de provincie ZuidHolland is niet noodzakelijk. Als er in een latere fase van het project aan de binnentuin wordt gewerkt en er kap gaat plaatsvinden dient de Algemene plaatselijke verordening (APV) te worden geraadpleegd.
6.3
Soortenbescherming
In tabel 6.1 zijn de benodigde vervolgstappen conform de Omgevingswet per soortgroep aangegeven. In tabel 6.2 wordt de betekenis van de kleurencode weergegeven. Tabel 6.1. Overzicht beschermde soorten Soortgroep
Wet
Geadviseerde vervolgstappen
Ow 11.37 Ow 11.46
Aanwezigheid uitgesloten. Werken conform zorgplicht.
Ow 11.37
Aanwezigheid uitgesloten.
Vaatplanten Beschermde soorten Algemene soorten Vogels Soorten met jaarrond beschermde verblijfplaats Categorie 5 soorten
Ow 11.37
Algemene soorten
Ow 11.37
Verstoring broedende vogels voorkomen. Buiten broedseizoen werken aan de binnentuin. Verstoring broedende vogels voorkomen. Buiten broedseizoen werken aan de binnentuin.
Grondgebonden zoogdieren Beschermde soorten
Ow 11.46 of 11.54
Aanwezigheid uitgesloten.
Algemene en vrijgestelde soorten
Ow 11.27
Werken conform zorgplicht.
Verblijfplaatsen
Ow 11.46
Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen.
Vliegroutes en foerageergebied
Ow 11.46
Negatieve effecten uitgesloten.
Beschermde soorten
Ow 11.46 of 11.54
Aanwezigheid uitgesloten.
Algemene en vrijgestelde soorten
Ow 11.27
Werken conform zorgplicht.
Vleermuizen
Amfibieën
Reptielen
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
18
Beschermde soorten
Ow 11.46 of 11.54
Aanwezigheid uitgesloten.
Vissen Beschermde soorten Algemene soorten Overige soorten Beschermde soorten
Ow 11.46 of 11.54 Ow 11.54 N.v.t.
N.v.t. N.v.t. Aanwezigheid uitgesloten.
Tabel 6.2. Betekenis kleurencodes.
6.4
Kleur
Betekenis
Groen
Werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden met inachtneming van de algemene zorgplicht. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Geel
Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits maatregelen genomen worden of conform een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt. Indien negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden is nader onderzoek noodzakelijk.
Rood
Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten, functie van het plangebied voor de betreffende soorten en de invloed van het project op individuen en de gunstige staat van instandhouding van de soort is noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat betreffende soort aanwezig is en negatieve effecten niet uit te sluiten dan wel te voorkomen zijn dient ontheffing aangevraagd te worden.
Advies en vervolgstappen
Uit deze eco-effectscan blijkt dat er noodzaak is om nadere toetsing aan de Omgevingswet te doen naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Het gehele pand aan de Jacob Catsstraat 325 te Den Haag heeft door het voorkomen van open stootvoegen in het metselwerk en kieren bij de zonweringen potentieel voor deze verblijfplaatsen. Het nader onderzoek bestaat uit twee onderdelen. Een voorjaarsperiode lopend van 15 mei tot 15 juli. Daarin worden drie bezoeken gebracht aan de locatie met een tussenperiode van twintig dagen. Het tweede deel, de najaarsperiode loopt van 15 augustus tot 30 september. Daarin worden nogmaals drie bezoeken gebracht aan het plangebied.
6.4.1
Broedvogels
6.4.2
Vleermuizen
Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en de toepassing van een scherpe afsnede van de lichtinval.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
19
Figuur 6.3. Links: amberkleurige UV-vrije LED-armatuur. Rechts: scherpe afsnede van lichtinval.
6.4.3
Natuurinclusief bouwen Er kan overwogen worden om bij de werkzaamheden aan het pand aan de Jacob Catsstraat 325 een ecologische plus te creëren. Op een aantal plaatsen aan de gevel kunnen na het beeïndigen van de werkzaamheden vleermuiskasten worden opgehangen. Bij de toekomstige inrichting van de binnentuin kan verder in het beplantingsplan rekening gehouden met broedplaatsen van vogels, en mogelijkheden voor insecten om voedsel te vinden. Deze insecten staan aan de basis van het ecosysteem ter plaatse.
6.4.4
Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen. Indien er tijdens de werkzaamheden onverhoopt dieren worden aangetroffen die niet uit zichzelf (kunnen) vluchten, moet contact opgenomen worden met Aqua-Terra Nova.
Planning
Onderzoeken naar de aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten van artikel 11.46 van het Bal dienen conform goedgekeurde protocollen uitgevoerd te worden 14. Deze onderzoeksperiodes zijn afhankelijk van de soort, potentiële functie van het plangebied en soms ook weersomstandigheden. Indien bij onderzoek afgeweken wordt van de betreffende protocollen kan dit tot gevolg hebben dat een eventuele latere ontheffingsaanvraag om deze reden afgewezen wordt.
December
November
Oktober
September
Augustus
Juli
Juni
Mei
April
Maart
Tabel 6.3. Onderzoeksperioden beschermde soorten.
Februari
In tabel 6.3 worden de betreffende onderzoeksperiode per soort weergegeven. Hierbij dient rekening gehouden te worden dat een onderzoek bestaat uit meerdere bezoeken, verspreid over het onderzoekseizoen.
Januari
6.5
Vleermuizen Onderzoeksrapportage Donkergroen: optimale onderzoeksperiode; Lichtgroen: weersomstandigheden; Wit: geen onderzoek mogelijk.
minder
geschikte
periode
en
afhankelijk
van
Uit het onderzoek zal blijken of het noodzakelijk is de geplande activiteiten aan te passen en of een ontheffing in het kader van de Omgevingswet aan te vragen. Indien verzekerd kan worden dat door het tijdig treffen van maatregelen voorafgaand aan de activiteit(en) geen verboden in het kader van de Omgevingswet worden overtreden, is een ontheffing niet noodzakelijk.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
20
Indien een ontheffing in het kader van de Omgevingswet wel noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met een proceduretijd van circa twintig weken (Zuid-Holland) en in sommige situaties een gewenningstijd van enkele maanden met betrekking tot alternatieve verblijfplaatsen of vliegroutes.
6.6
Geldigheid
Afhankelijk van de tijd tussen dit onderliggende onderzoek en de werkzaamheden, kan een actualiserend of aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn. De conclusies van dit onderzoek zijn drie jaar geldig.
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
21
7
REFERENTIES 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.
Rijksoverheid. Omgevingswet. (2024). Rijksoverheid. Begrenzing van het Natuurnetwerk en de Natura 2000-gebieden. (2018). gemeente Den Haag. Visie Op Licht. (2017). FLORON. SOVON. Zoogdiervereniging. & Met Vleermuizen Overweg. RAVON. Rijksdienst voor ondernemend Nederland. Soortenstandaard Zandhagedis, Versie 2.0. (2014). & De amfibieen en reptielen van Nederland (Nederlandse Fauna, 2009). RAVON. Ringslang. Vlinderstichting. EIS kenniscentrum insecten en andere ongewervelden. Netwerk Groene Bureaus (werkgroep ’Standaarden en protocollen’). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. (2017).
24148/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juni 2024
22