RIS325468 Bijlage 2 Soortgericht onderzoek Jacob Catsstraat 325 te Den Haag
Tekst van het document
Soortgericht onderzoek Jacob Catsstraat 325 te Den Haag
Opdrachtgever Van Wijnen te Dordrecht
Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening
Aqua-Terra Nova BV
Soortgericht onderzoek Jacob Catsstraat 325 te Den Haag
Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl
Opdrachtgever Van Wijnen Te Dordrecht
Datum: Rapportnr: Status:
11 december 2024 24148/AQT302FF/KH Definitieve rapportage
IBAN: NL08 RABO 0368 1199 55
•
BTW: NL-8105.67878.B01
•
K.v.K. nr. 27240696
Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening
COLOFON Titel
: Soortgericht onderzoek naar vleermuizen Jacob Catsstraat 325 te Den Haag
Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk telefoon 0174 – 625246
Opdrachtgever Contactpersoon
e-mail info@aquaterranova.nl
: Van Wijnen Dordrecht :
www.aquaterranova.nl
Projectteam Projectmanager : Contactpersoon : Auteur : Projectleider veldwerk : Kwaliteitsborger : Projectnummer
: 24148
Aqua-Terra Nova BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van groene adviesbureaus. Datum vrijgave
Status
11 december 2024
Definitief
Goedkeuring auteur
Goedkeuring kwaliteitsborger
© 2024 Aqua-Terra Nova B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
IBAN: NL08 RABO 0368 1199 55
•
BTW: NL-8105.67878.B01
•
K.v.K. nr. 27240696
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING...................................................................................................5
2
PLANGEBIED EN BEOOGDE WERKZAAMHEDEN .............................................7
3
WERKWIJZE ...............................................................................................10
1.1 1.2 1.3 1.4 2.1 2.2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.4.1
3.5
4
4.1
4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.6
Aanleiding ............................................................................................................... 5 Doelstelling ............................................................................................................. 5 Leeswijzer ............................................................................................................... 5 Verantwoording ....................................................................................................... 5 Ligging plangebied en bestaande situatie .................................................................... 7 Beoogde situatie en werkzaamheden .......................................................................... 9 Inleiding ............................................................................................................... 10 Projectbeschrijving ................................................................................................. 10 Wettelijk kader Omgevingswet ................................................................................. 10 Methode en periodisering ........................................................................................ 10 Vleermuisonderzoek ............................................................................................................... 10
Effectbeoordeling en toetsing ................................................................................... 12
RESULTATEN EN INTERPRETATIE ..............................................................13
Vleermuizen .......................................................................................................... 13 Zomerverblijfplaatsen............................................................................................................. 13 Kraamverblijfplaatsen............................................................................................................. 13 Paarverblijfplaatsen ............................................................................................................... 14 Winterverblijfplaatsen ............................................................................................................ 15 Foerageergebied .................................................................................................................... 17 Vliegroutes ........................................................................................................................... 17
5
FUNCTIONALITEIT PLANGEBIED EN EFFECTBEPALING ..............................19
6
REFERENTIES.............................................................................................20
5.1 5.2 5.3
Functionaliteit plangebied en omgeving ..................................................................... 19 Effectbepaling........................................................................................................ 19 Vervolgstappen ...................................................................................................... 19
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
4
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
In opdracht van Van Wijnen Dordrecht heeft Aqua-Terra Nova bv voor de geplande sloop- en herontwikkelingswerkzaamheden in het plangebied Jacob Catsstraat 325 te Den Haag soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van en de functie van het plangebied voor vleermuizen. Uit het uitgevoerde oriënterende onderzoek, welke is uitgevoerd door Aqua-Terra Nova bv (kenmerk: 24148AQT301FFMV d.d. 5 juni 2024), is gebleken dat de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten zoals de gewone en de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger niet uitgesloten kon worden en aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is. Onderstaand onderzoek is uitgevoerd om de aan- dan wel afwezigheid van (essentiële) leefgebieden en vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aan te tonen.
1.2
Doelstelling
Het ecologisch onderzoek heeft als doel om vast te stellen: 1. Of er vaste verblijfplaatsen of (essentieel) leefgebied van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn; 2. Wat de functionaliteit van het plangebied is voor vleermuizen;
3. Welke effecten het project heeft op de functionele leefomgeving van vleermuizen. Vervolgens wordt aangegeven of mogelijke negatieve effecten van het project te vermijden, mitigeren, en/of te compenseren zijn en welke vervolgprocedure benodigd is.
1.3
Leeswijzer
1.4
Verantwoording
In de inleiding worden de aanleiding en de doelstelling van het onderzoek beschreven. Hierna volgt hoofdstuk 2 met de werkwijze en hoofdstuk 3 een beschrijving van de projectlocatie en voorgenomen werkzaamheden. In hoofdstuk 4 komen de resultaten van de inventarisatie aan de orde. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de functionaliteit en de effecten van de voorgenomen werkzaamheden bepaald en conclusies getrokken met de eventueel benodigde vervolgstappen. Hierna volgen de bronvermeldingen en de bijlagen met o.a. inventarisatiegegevens.
Bij ecologische veldwerkzaamheden is een volledige garantie over de afwezigheid van soorten niet te geven. Door de inzet van ter zake kundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt onze onderzoekskwaliteit gewaarborgd. De uitvoerend ecologen voldoen aan ten minste één van de door het Ministerie van Economische Zaken genoemde voorwaarden en zijn daarmee gekwalificeerd als deskundige. Deze voorwaarden zijn hierna vermeld. Het Ministerie van Economische Zaken verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij/zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie.
De ervaring en kennis moeten zijn opgedaan doordat de deskundige: - op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of - op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of - als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaand organisaties (zoals de Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied); en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of soortenbescherming.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
5
Aqua-Terra Nova B.V. is lid van het ‘Netwerk Groene Bureaus (NGB) – Brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging’ en maakt gebruik van hun gedragscode en soortinventarisatieprotocollen. Ook wordt er gewerkt naar kennisdocumenten (soorten, natuurbescherming) van BIJ12. Aqua-Terra Nova B.V. is een onafhankelijk adviesbureau en verklaart hierbij geen financiële of juridische belangen te hebben bij de uitkomst van het gevoerde onderzoek.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
6
2
PLANGEBIED EN BEOOGDE WERKZAAMHEDEN
2.1
Ligging plangebied en bestaande situatie
Het plangebied is gelegen aan Jacob Catsstraat 325 in Den Haag, in de gelijknamige gemeente in de provincie Zuid-Holland. Het plangebied betreft een voormalig verpleeghuis (HWW Zorg) ‘De Schildershoek’ gelegen in de stedelijke omgeving van de Haagse Schilderswijk. De zuidkant van het plangebied grenst aan de Parallelweg die langs de spoorlijn naar het Haagse treinstation Hollands Spoor loopt. Dit station ligt op 600 meter afstand ten noordoosten van het plangebied. Ten noordwesten van het plangebied ligt een park, het Jacob van Campenplein, een groene oase in de dicht bebouwde omgeving waarin het plangebied is gelegen. Zie figuur 2.1 voor de ligging en begrenzing van het plangebied.
Figuur 2.1. Ligging en begrenzing van het plangebied aan de Jacob Catsttraat 325 te Den Haag (rood kader).
Het plangebied betreft een op dit moment leegstaand voormalig woonzorgcentrum met een oppervlakte van circa 4250 m2. Naar schatting de helft van het totale geveloppervlak bestaat uit aluminium kozijnen met beglazing en kunststof platen, zie foto 1 van figuur 2.2. De andere helft van het geveloppervlak bestaat uit opgemetselde spouwmuren waarin open stootvoegen aanwezig zijn. De bebouwing bestaat uit delen van verschillende hoogte met een getrapte gevel. Bij de ingang van het complex op de hoek Jacob Catsstraat en Parallelweg is het hoogste punt vier woonlagen. Bij alle vensters is zonwering aanwezig. De verlichting rond het plangebied bestaat uit lantaarnpalen met neerwaarts gerichte armaturen, lage lantaarnpalen met een cone-top armatuur en wandlampen aan de bebouwing. Er zijn geen watergangen aanwezig binnen, of in de directe omgeving van het plangebied. In de binnentuin aan de westzijde van het plangebied zijn bomen en struweel aanwezig. Aangetroffen soorten zijn cipres, vederesdoorn, klimop, weigelia, choisya, accacia, vuurdoorn, laurier, vlinderstruik, catalpa, plataan en fuchsia. In het park ten noordwesten van het plangebied staan volwassen bomen zoals Anna Palownaboom, vogelkers, koningslinde, plataan, Japanse zelkova, Japanse kers en amberboom. Langs de aan de zuidwestkant van het plangebied gelegen Van Ossstraat zijn vier volwassen valse acacia’s aanwezig.
Aan de Jacob Catsstraat zijn ter hoogte van de te slopen opstallen tien halfwas en een volwassen boomhazelaar aanwezig. De vier acacia’s in de Van Ossstraat en elf boomhazelaars aan de Jacob Catsstraat worden gekapt om de werkzaamheden mogelijk te maken. Er zal daarna herplant plaatsvinden.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
7
Zie voor een impressie van het plangebied figuur 2.2.
Figuur 2.2. Impressie van het plangebied. Foto 1. Voorgevel van het onderzochte pand aan de Jacob Catsstraat 325.
Foto 2, zijgevel van het onderzochte pand bij de doorgang aan de Albert Cuypstraat.
Foto 3, achtergevel van het pand aan de Jacob Catsstraat 325 te Den Haag.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
8
2.2
Beoogde situatie en werkzaamheden
De activiteitenomschrijving is opgesteld aan de hand van plattegronden, ontwerptekeningen en de mondeling en schriftelijk door de opdrachtgever verstrekte informatie. Het op dit moment aanwezige pand wordt gesloopt en afgevoerd. Daarna wordt er een nieuw verpleeghuis/zorgcentrum gebouwd. Onderdeel van de plannen is ook de herinrichting van de binnentuin. Hiervoor wordt een plan gemaakt. Niet al het op dit moment aanwezige groen wordt opgenomen in het nieuwe ontwerp. Zie de onderstaande tekening voor een impressie van het tuinontwerp. Er zijn in de tuin enkele volwassen bomen aanwezig die die gekapt worden. (zie foto 4). Er is op dit moment nog geen duidelijke tijdsplanning bekend van de werkzaamheden.
Foto 4, de ceder die aanwezig is in de binnentuin die op de nominatie voor kap staat.
Deze activiteiten vormen de basis van de toetsing aan de Omgevingswet.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
9
3 3.1
WERKWIJZE Inleiding In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de resultaten van de voorliggende rapportage tot stand zijn gekomen. Dit hoofdstuk dient tevens als onderbouwing van de conclusies. In het kort wordt weergegeven hoe de Omgevingswet in het project wordt geborgd.
3.2
Projectbeschrijving Het project wordt beschreven aan de hand van de door de opdrachtgever verstrekte informatie. Hiertoe worden de omvang en ligging van het plangebied beschreven in relatie tot groenstructuren in de omgeving, wordt de bestaande situatie geschetst en worden de beoogde activiteiten omschreven.
3.3
Wettelijk kader Omgevingswet In de Omgevingswet zijn beschermde soorten en gebieden aangewezen1. Hierbij zijn beschermde soorten ingedeeld in drie regimes, respectievelijk art. 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 11.37 betreft regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in de Europese Unie. Artikel 11.46 betreft regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen. Artikel 11.54 betreffen regels ter bescherming van niet onder artikel 11.46 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet.
Alle in de Omgevingswet genoemde soorten zijn strikt beschermd1. De bescherming van soorten is met name gericht op instandhouding van populaties en verblijfplaatsen van individuen. Hierbij wordt het 'nee, tenzij'-principe gehanteerd. Handelingen in strijd met de verbodsbepalingen zijn per definitie verboden. Uitzonderingen voor overtreding van de verbodsbepalingen kunnen worden verleend middels vrijstellingen en ontheffingen. Tevens is de zorgplicht te allen tijde van kracht voor alle planten en dieren.
Aan de hand van de waarnemingen in het plangebied en geschikte open stootvoegen, kieren en spleten in de bebouwing in het plangebied, is nader onderzoek naar de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, vaste rust- en/of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van vleermuizen noodzakelijk.
3.4
Methode en periodisering
3.4.1
Vleermuisonderzoek Het aantal bezoeken, het tijdstip en de periode(n) voor het vleermuisonderzoek zijn gebaseerd op het Vleermuisprotocol 2021 en de Kennisdocumenten voor vleermuizen2-7. In het protocol en de Kennisdocumenten is de minimale inspanning omschreven om de aan- dan wel afwezigheid van beschermde soorten te onderzoeken.
De inventarisaties zijn uitgevoerd in de geschikte periode door vijf (in het voorjaar) cq. twee (in het najaar) ervaren ecologen/veldwerkers uitgerust met batdetectors en warmtebeeldkijker. Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Er zijn twee typen batdetectors gebruikt. De gebruikte Pettersson D240x werkt analoog. De eveneens gebruikte Pettersson M500 USB Ultrasound Microphone werkt digitaal en is gekoppeld aan een smartphone. Met behulp van de app Bat Recorder worden de ultrasone geluiden zowel omgezet in voor de mens hoorbare geluiden als in een oscillogram/sonogram op het scherm zichtbaar gemaakt. Aan de hand van het ritme van het geluid en de frequentie waarop de vleermuis het beste wordt gehoord, de zogenaamde “piekfrequentie", kan in veel gevallen worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt gebruik gemaakt van het programma Batsound. De warmtebeeldkijker Lahoux Spotter Pro 35 zorgt ervoor dat in de duisternis vanuit gebouwen roepende vleermuizen kunnen worden gelokaliseerd en van foeragerende of van baltsend rondvliegende vleermuizen de vliegroute kan worden bepaald.
Omdat de activiteit van vleermuizen afhankelijk is van de weersomstandigheden en omdat vleermuizen regelmatig verhuizen tussen verschillende verblijfplaatsen binnen hun netwerk, is het noodzakelijk meerdere malen bij gunstige weersomstandigheden te inventariseren. Gunstige weersomstandigheden zijn avonden of nachten met een temperatuur van boven de 10°C, zonder harde wind of regen. In totaal zijn zes bezoeken uitgevoerd; drie in het voorjaar, in de periode van
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
10
15 mei t/m 15 juli, en drie in het najaar, in de periode van 1 augustus t/m 30 september. In tabel 3.1 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tijdens de inventarisaties zijn waarnemingen (soort, tijdstip, locatie, gedrag etc.) en de weersomstandigheden genoteerd en zijn geluidsopnamen van vleermuizen gemaakt. De resultaten van de inventarisaties zijn weergegeven op kaarten. Aan de hand van de resultaten is de functionaliteit van het plangebied voor beschermde soorten beschreven en zo nodig met foto’s of kaarten verduidelijkt. Tabel 3.1. Data en weersomstandigheden uitgevoerde veldinventarisaties vleermuizen. Datum Tijd Focus Weer 06-06-‘24 27-06-‘24 15-07-‘24 06-08-‘24 05-09-‘24 26-09-‘24
21:45-00:00 uur
Zomer- en/of kraamverblijfplaatsen
13ºC, droog, onbewolkt, Bft 0 NW
3:20-5:25 uur
Zomer- en/of kraamverblijfplaatsen
17ºC, droog, onbewolkt, Bft 1 ZW
21:43-00:00 uur
Zomer- en/of kraamverblijfplaatsen
19ºC, miezerregen, bewolkt, Bft 2 O 17,3ºC, miezerregen, bewolkt, Bft 1 ZO
Zon onder 21:55 uur
Zon op 05:22 uur Zon onder 21:53 uur
00:00-02:00 uur
Zon onder 21:20 uur
23:50-02:00 uur
Zon onder 20:17 uur
23:00-01:03 uur
Zon onder 19:28 uur
(massa)winterverblijfplaatsen Paar- en winterverblijfplaatsen
15ºC, droog, bewolkt, Bft 1 NO
Paar- en winterverblijfplaatsen
15,6ºC, droog, bewolkt, Bft 1 ZW
Verantwoording uitvoering onderzoek In het voorjaar zijn drie bezoeken uitgevoerd. Er is rekening gehouden met de aanwezigheid van de laatvlieger omdat er waarnemingen van deze soort zijn gedaan in de omgeving van de Jacob Catsstraat. Laatvliegers wisselen vaker van verblijfplaats waardoor een extra bezoek in het voorjaar noodzakelijk is geweest. Tussen het eerste en tweede bezoek zijn twintig dagen gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de onderzoeksinspanning geëist in het Vleermuisprotocol 2021 ten aanzien van zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. De onderzoeken naar paar- en winterverblijfplaatsen zijn, volgens het Vleermuisprotocol 2021, in de periode van 15 augustus t/m 30 september uitgevoerd. Er zijn drie bezoeken van twee uur uitgevoerd welke minimaal één uur na zonsondergang zijn aangevangen. Tussen de bezoeken zijn tenminste twintig dagen gelegen, waarmee wordt voldaan aan de onderzoeksinspanning geëist in het Vleermuisprotocol 2021. Tijdens alle bezoeken zijn de weersomstandigheden goed geweest om vleermuisonderzoek uit te voeren. Onderzoeksstrategie op locatie Tijdens het voorjaarsonderzoek is voor in- of uitvliegers met vijf ecologen/veldwerkers bij het pand aan de Jacob Catsstraat 325 gepost. Bij het posten voor in- en uitvliegers is er minstens één uur na zonsondergang of minstens één uur voor zonsopkomst bij de woning gepost.
Bij de avondbezoeken is na het posten bij de woning gelet op overige activiteit van vleermuizen. De omgeving is te voet onderzocht om foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen in kaart te brengen. Bij het rondlopen in de omgeving is er steeds teruggekeerd naar het plangebied om de activiteit van vleermuizen in het plangebied te controleren. Tijdens het najaarsonderzoek is door twee ecologen/veldwerkers telkens tien tot twintig minuten gepost in het plangebied om baltsende vleermuizen in kaart te brengen. Hierbij werd het gebied te voet onderzocht en werden ook rondes uitgevoerd in de omgeving van het plangebied om ook hier baltsende vleermuizen in kaart te brengen.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
11
3.5
Effectbeoordeling en toetsing
Voor de aanwezige beschermde soorten worden de effecten van de voorgenomen handelingen beoordeeld en getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet en de zorgplicht1. De toetsing is gericht op aantasting en verstoring van individuen, hun voortplantingsplaatsen en overige vaste rust- en verblijfplaatsen en hun functionele leefomgeving. De toetsing is afhankelijk van de kwetsbare periode waarin handelingen een effect kunnen hebben. Vervolgens wordt beoordeeld of aantasting van individuen, verblijfplaatsen en hun functionele leefomgeving een effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de regionale of landelijke populatie. Per soortgroep worden de handelingen getoetst aan de verbodsbepalingen en de zorgplicht. Per beschermingscategorie worden hierbij verschillende toetsingskaders gehanteerd (zie tabel 3.5). Tabel 3.5. Toetsingskader per beschermingscategorie1.
Categorie
Beschermingskader
Toetsingskader
Artikel 11.37 & Artikel 11.46 Bal (Vogelrichtlijn & Habitatrichtlijn)
Strikt beschermd, altijd ontheffingsplicht
Effecten dienen te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek.
Artikel 11.54 Bal (Nationaal beschermde soorten)
Strikt beschermd, maar per provincie vrijstelling van ontheffingsplicht voor een aantal soorten
Artikel 11.6 (Alle planten en dieren)
Specifieke zorgplicht
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden. In het kader van de zorgplicht dienen schadelijke effecten zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden voorkomen te worden, beperkt te worden of ongedaan gemaakt te worden.
12
4
RESULTATEN EN INTERPRETATIE In dit hoofdstuk worden de belangrijkste resultaten van het vleermuisonderzoek nader toegelicht en er wordt aangegeven waar in het plangebied voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen of (functionele) leefomgeving aanwezig zijn.
4.1
Vleermuizen
Tijdens het onderzoek zijn de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis in en in de omgeving van het plangebied waargenomen. Andere vleermuissoorten zijn binnen het plangebied niet waargenomen. In figuur 4.1 is een overzicht van alle waarnemingen weergegeven.
Figuur 4.1: Totaal resultaten onderzoek vleermuizen
4.1.1 Zomerverblijfplaatsen
Tijdens het voorjaar betrekken vleermuizen een zomerverblijfplaats. Zomerverblijfplaatsen zijn doorgaans van april tot half augustus in gebruik door solitaire mannetjes of kleine groepjes mannetjes. Bij een ochtendbezoek wordt er gelet op het zwermen/aantikken van vleermuizen voordat deze hun verblijfplaats in gaan. Bij een avondbezoek wordt gelet op het uitvliegen van vleermuizen uit hun verblijfplaats. In figuur 4.2 is te zien dat er zijn tijdens het voorjaarsonderzoek geen uitvliegende óf invliegende vleermuizen waargenomen binnen het plangebied. De aanwezigheid van zomerverblijfplaatsen kan worden uitgesloten. In het najaar is wel een invlieger aangetroffen. Zie paragraaf 4.1.4.
4.1.2 Kraamverblijfplaatsen
In het voorjaar en de zomer bezetten vleermuisvrouwtjes hun kraamverblijfplaats. De vrouwtjes maken in de kraamperiode gebruik van een netwerk aan kraamverblijfplaatsen. Ze keren jaarlijks terug naar hetzelfde gebied. Binnen dit netwerk kunnen ze regelmatig van verblijfplaats wisselen. Zeer geschikte verblijfplaatsen zijn de hele kraamperiode in gebruik. In figuur 4.2 is te zien dat er zijn tijdens het voorjaarsonderzoek geen uitvliegende óf invliegende vleermuizen waargenomen binnen het plangebied. De aanwezigheid van kraamverblijfplaatsen kan worden uitgesloten. In het najaar is wel een invlieger aangetroffen. Zie paragraaf 4.1.4. 24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
13
Figuur 4.2: Resultaten voorjaarsonderzoek vleermuizen.
4.1.3 Paarverblijfplaatsen
Mannelijke gewone dwergvleermuizen vliegen in het najaar baltsend (roepend) rond in een territorium om vrouwelijke vleermuizen te lokken en aan andere geslachtsrijpe mannen hun territorium duidelijk te maken of beter kenbaar te maken. Paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis bevinden zich doorgaans in een netwerk rondom kraamverblijfplaatsen. Als ze een vrouw gelokt hebben, vindt paring plaats in de paarverblijfplaats van de man. De gewone dwergvleermuis heeft een sterke voorkeur voor paarverblijfplaatsen in gebouwen, maar wordt een enkele keer in een boom aangetroffen. Ruige dwergvleermuizen baltsen vaker dan de gewone dwergvleermuis direct vanuit hun verblijfplaats. De verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis bevinden zich in zowel bebouwing als bomen. Mannetjes betrekken in de periode augustus t/m eind september een paarterritorium. Er zijn geen paarverblijfplaatsen in de bebouwing binnen het plangebied aangetroffen. In figuur 4.3 is te zien dat rondvliegende baltsende gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied en boven de binnentuin van het plangebied. Laatstgenoemde vloog enige tijd boven het plangebied, maar vertoonde geen binding met het plangebied en vloog uiteindelijk weg richting het oosten. Hierna is de vleermuis niet meer teruggezien.
De woningen in de directe omgeving van het plangebied hebben allen open stootvoegen en zijn van voldoende hoogte en omvang. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van dwergvleermuizen is daar mogelijk. Op de kaart is verder te zien dat er een vanuit een woning baltsende ruige dwergvleermuis is waargenomen in de omgeving buiten het plangebied.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
14
Figuur 4.3 Waarnemingen baltsende vleermuizen najaar
4.1.4 Winterverblijfplaatsen
Winterverblijfplaatsen worden als rustplek (winterslaapplek) gebruikt van september tot en met april. Winterverblijfplaatsen bevinden zich in de regel op vorstvrije plaatsen. Watervleermuizen prefereren plekken als grotten, bunkers en kelders, met een constante temperatuur en vochtigheidsgraad als hun winterverblijfplaats. Voor de gewone dwergvleermuis kan er doorgaans vanuit gegaan worden dat een zomer- of paarverblijfplaats ook als winterverblijfplaats gebruikt wordt, indien deze vorstvrij is. In figuur 4.4 is te zien dat in het najaar een invliegende gewone dwergvleermuis is aangetroffen buiten het plangebied. Het betreft hier de zuidgevel van het hoekhuis aan de Jacob Catstraat 311 ten noorden van het plangebied. Zie figuur 4.5 voor een foto van de betreffende stootvoeg. De afstand tot het plangebied bedraagt ongeveer 14 meter. In de bebouwing van de onderzochte opstallen binnen het plangebied zijn geen invliegers of uitvliegers waargenomen. De aanwezigheid van winterverblijfplaatsen binnen het plangebied is daarom redelijkerwijs uitgesloten. Vanaf augustus tot half september zwermen gewone dwergvleermuizen bij winterverblijven om deze te inspecteren op geschiktheid voor grote groepen (20 - 120 dieren). Dit wordt ook wel een massawinterverblijfplaats genoemd.
Doorgaans bevinden massawinterverblijfplaatsen zich in grote hoge gebouwen met een hoge thermische massa, als ziekenhuizen, torenflats of bejaardentehuizen. Gezien de afwezigheid van waarnemingen van grote groepen zwermende vleermuizen en de kenmerken van de woning kan het voorkomen van massawinterverblijfplaatsen uitgesloten worden.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
15
Figuur 4.4. Resultaten najaarsonderzoek vleermuizen.
Figuur 4.5. locatie open stootvoeg in het pand aan de jacob Catsstraat 311 die door gewone dwergvleermuis wordt gebruikt om een (paar- en/of winter)verblijf in te vliegen. De afstand tot de te slopen opstallen binnen het plangebied bedraagt 14 meter.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
16
4.1.5 Foerageergebied
In figuur 4.6 is te zien dat er foeragerende gewone dwergvleermuizen zijn aangetroffen vlak naast het plangebied boven de binnentuin van het onderzochte pand. Dit toont aan dat de binnentuin wordt gebruikt als foerageergebied. Verder zijn waarnemingen gedaan buiten het plangebied in straten en een parkje. Bij de bouw van een nieuwe zorglocatie aan de Jacob Catsstraat 325 in Den Haag worden bomen gekapt. Het gaat hierbij om tien halfwas, en één volwassen boomhazelaar aan de Jacob Catsstraat, vijf valse acacia’s langs de Van Ossstraat, vijf halfwas platanen, een ceder, esdoorns, catalpa of trompetboom en enkele fruitbomen, allen in de binnentuin van het onderzochte pand. De binnentuin wordt door vleermuizen gebruikt om in te foerageren. In de directe omgeving van het plangebied is in het park bij het Jacob van Campenplein voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Met uitzondering van de fruitbomen zijn de aangetroffen bomen uitheems en ecologisch gezien niet van zeer grote waarde. Er zou een ecologische plus kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwe aanplant te kiezen voor inheemse boomsoorten en heesters zoals de wilde lijsterbes of bosrank. Ook begroeiing langs schermen van bij voorbeeld Hedera, klimop of Toscaanse jasmijn helpen om meer insecten aan te trekken. Daarvan profiteren de aanwezige vleermuizen.
De kans dat de verblijfplaatsen voor vleermuizen die worden ingebouwd in de nieuwbouw ook daadwerkelijk worden gevonden en functioneel zijn wordt door de aanwezigheid van voedsel in de directe omgeving sterk vergroot.
Figuur 4.6 Waarnemingen foeragerende vleermuizen.
4.1.6 Vliegroutes
De meeste vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis, maken gebruik van lijnvormige structuren als vliegroute. Ze vliegen hierbij in de luwte van lijnvormige structuren zoals allerlei soorten watergangen, hagen, houtwallen en bebouwing. Gewone dwergvleermuis en watervleermuis gebruiken vaste vliegroutes om hun foerageergebieden te bereiken, terwijl de ruige dwergvleermuis geen vaste routes volgt om zijn foerageergebieden te bereiken4,6,7. Andere vleermuizen, zoals de rosse vleermuis en de laatvlieger zijn minder afhankelijk van lijnvormige structuren14. Men spreekt van een vaste vliegroute als vleermuizen structureel langs bepaalde elementen in het landschap vliegen.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
17
In figuur 4.7 is te zien dat de Parallelweg en de Van Osstraat mogelijk worden gebruikt als vliegroute door gewone- en ruige dwergvleermuizen. Ook is te zien dat er zich een concentratie waarnemingen van overvliegende vleermuizen bevindt aan de westelijke- en noordelijke kopse kanten van het pand in het plangebied. Deze waarnemingen zijn waarschijnlijk het resultaat van het langdurig posten tijden het vleermuisonderzoek. Deze concentratie geeft dus niet per definitie een belangrijke vliegroute aan.
Figuur 4.7 Waarnemingen overvliegende vleermuizen.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
18
5
FUNCTIONALITEIT PLANGEBIED EN EFFECTBEPALING In dit hoofdstuk worden de functionaliteit van het plangebied voor flora en fauna en de effecten van de voorgenomen werkzaamheden hierop uiteengezet. Ook wordt beschreven wat de wettelijke consequenties zijn die voortvloeien uit de aanwezigheid van vleermuizen, zoals beschreven in hoofdstuk 4.
5.1
Functionaliteit plangebied en omgeving
Op basis van het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: • •
In het plangebied zijn geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig; Het groen in de binnentuin van het pand in het plangebied wordt gebruikt door gewone dwergvleermuis als foerageergebied.
5.2
Effectbepaling
5.3
Vervolgstappen
Het slopen van het pand binnen het plangebied zal geen negatieve invloed hebben op het paarverblijf van de gewone dwergvleermuis in de Jacob Catsstraat 311. Deze verblijfplaats zit op 14 meter afstand van het te slopen gebouw. Omdat Jacob Catsstraat 311 niet wordt aangetast en de afstand tot het plangebied redelijk is, zal het slopen van het gebouw naar verwachting geen verstoring veroorzaken.
Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond strikt beschermd, conform Artikel 11.37 en Artikel 11.46 van het Bal (Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). De functionele leefomgeving van vleermuizen is echter ook beschermd. Op basis van het soortgericht onderzoek naar vleermuizen kan gesteld worden dat het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Omgevingswet niet noodzakelijk is, mits voldaan wordt aan de volgende punten: Gebaseerd op de effectbepaling •
•
Wanneer in de actieve periode van vleermuizen wordt gewerkt, welke grofweg duurt van maart t/m oktober, dient rekening gehouden te worden met activiteit van vleermuizen om het gebied. Het wordt aanbevolen om alle werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren en kunstmatige verlichting tussen deze tijden te voorkomen. Wanneer toch tussen zonsondergang en zonsopkomst gewerkt wordt, dient uitstraling naar omliggend groen te allen tijde voorkomen te worden, om zo overvliegende en foeragerende vleermuizen niet te verstoren; In het kader van de zorgplicht moeten alle dieren, waaronder de licht beschermde soorten (die vrijstelling van ontheffing genieten) en de niet beschermde soorten, voldoende ruimte krijgen om te vluchten of om zich te verplaatsen tijdens de werkzaamheden.
N.B. Hoewel er tijdens de uitvoering van het onderzoek met de grootst mogelijke aandacht en zorg is onderzocht op verblijfplaatsen en essentiële leefgebieden van beschermde soorten, is desondanks niet volledig uit te sluiten dat er verblijfplaatsen of essentieel leefgebied is gemist tijdens het onderzoek. Tevens kan het voorkomen dat tussen het uitvoeren van het onderzoek en de start van de geplande werkzaamheden, (beschermde) dieren zich vestigen in het plangebied en mogelijk negatieve effecten ondervinden van de werkzaamheden. Bij het aantreffen van beschermde soorten, zoals broedende vogels of vleermuizen, neem dan te allen tijde contact op met een ecologisch deskundige om vervolgstappen te bespreken om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen.
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
19
6
REFERENTIES 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Ministerie van Economische zaken. Omgevingswet. (2024). BIJ12 | werkt voor Provincies. Kennisdocument gewone dwergvleermuis. (2017). BIJ12 | werkt voor Provincies. Kennisdocument ruige dwergvleermuis. (2017). BIJ12 | werkt voor Provincies. Kennisdocument Watervleermuis. (2017). Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging. Vleermuisprotocol 2017. (2017). & G. Met vleermuizen overweg. (2004). et al., A method for actively surveying mass hibernation sites of the common pipistrelle (Pipistrellus pipistrellus) in the urban environment (2022)
24148/AQT302FF/KH Concept rapportage 11 december 2024
20
22100/AQT302FF/MA Definitieve rapportage 11 december 2024
21