CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS325151 Bijlage Tussentijdse evaluatie economische visie en beleid DH

Algemene Raadscommissie 24 juni 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Programma 11: Economie7.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DEN HAAG+ 2030 EINDRAPPORT

AUTEURS WHITNEY PATTINAJA & MARILOU VLAANDEREN M.M.V. ELLEN VAN ‘T KLOOSTER, ELINE HELDER EN JEROEN CONTENT IN OPDRACHT VAN GEMEENTE DEN HAAG AMSTERDAM, 12 MAART 2026

SEO-notitie nr. 2026-04 Informatie & Disclaimer SEO Economisch Onderzoek heeft op de verkregen informatie en data geen onderzoek uitgevoerd dat het karakter draagt van een accountantscontrole of due diligence. SEO is niet verantwoordelijk voor fouten of omissies in de verkregen informatie en data. Copyright © 2025 SEO Amsterdam. Alle rechten voorbehouden. Het is geoorloofd gegevens uit dit rapport te gebruiken in artikelen, onderzoeken en collegesyllabi, mits daarbij de bron duidelijk en nauwkeurig wordt vermeld. Gegevens uit dit rapport mogen niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden zonder voorafgaande toestemming van de auteur(s). Toestemming kan worden verkregen via secretariaat@seo.nl. Roetersstraat 29

+31 20 399 1255

1018 WB, Amsterdam

secretariaat@seo.nl www.seo.nl

BREDE BLOEI RICHTING 2030 VRAAGT FOCUS Onderhoud van de basis en verkenning van de economie van de toekomst Brede economische bloei is de centrale ambitie van de Economische Visie Den Haag+ 2030 (2019). Een tussentijdse evaluatie van de economische visie en het beleid van de gemeente Den Haag, laat zien wat het beleid in de periode 2019-2025 heeft opgeleverd en wat er nodig is om koers te houden richting 2030. Hierna volgen de sterke punten, aanbevelingen en toekomstperspectieven die uit de evaluatie volgen.

Sterke punten om op voort te bouwen Benutten van Haagse krachten. Investeren in netwerken en een duidelijke profilering. Meer regionaal samenwerken.

1 Commiteer gemeentebreed aan de economische koers. Integreer economische doelen met andere beleidsterreinen voor extra impact.

2 Maak onderscheid tussen... onderhoudend beleid

en

vernieuwend beleid

» Gericht op het draaiende houden en verbeteren van bestaande inzet.

» Gericht op de economie van de toekomst en verandering.

» Resultaten vaak binnen één jaar zichtbaar.

» Resultaten vaak pas na enkele jaren zichtbaar.

» Klassieke evaluatie, zoals vaste KPI’s.

» Lerend (tussentijds) evalueren.

» Presterende (uitvoeren) en netwerkende (samenwerken) overheid.

» Ondernemende en transformatieve overheid (aanjagen).

Streef naar balans tussen deze beleidsvormen op de weg naar De visie biedt een goed langetermijnkader, wat helpt koers te houden.

Strategische doelen bij de visie » Attractieve stad » Veerkrachtige economische structuur » Excellent ondernemingsklimaat » Ruimte voor bedrijvigheid in aantrekkelijke werkmilieus

Deze vier toekomstpersepctieven kunnen hierbij helpen. 1 Verdienvermogen

2 Inclusiviteit

3 Duurzaamheid

4 Attractiviteit

Waarde maken en vernieuwen met bedrijven en kennis.

Zuinig met energie en grondstoffen; circulair werken.

Iedereen kan meedoen en profiteren van werk en ondernemerschap.

Stad waar mensen graag wonen, werken en langskomen.

Ontwerp: Annemiek Schellenbach

En durf daarbij te kiezen voor grote stappen en innovatieve veranderingen.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

1

Tussentijdse evaluatie economische visie en beleid Den Haag+ 2030 Halverwege de looptijd van de Economische Visie Den Haag+ 2030 laat de tussentijdse evaluatie zien dat het economisch beleid vooral stabiliteit en continuïteit heeft gebracht. De basis van de Haagse economie staat, maar grote koerswijzigingen zijn uitgebleven. Richting 2030 vraagt brede economische bloei daarom om meer focus, scherpere keuzes en een duidelijker onderscheid tussen onderhoud en vernieuwing. In 2019 heeft de gemeenteraad de Economische Visie Den Haag+ 2030 vastgesteld. Deze visie heeft als centrale ambitie brede economische bloei – dat wil zeggen economische groei en meer banen, gecombineerd met aandacht voor welzijn, duurzaamheid en gelijke kansen. Om deze ambitie te bereiken zijn vier strategische doelen geformuleerd: Den Haag als attractieve stad, een veerkrachtige economische structuur, een excellent ondernemingsklimaat en ruimte voor bedrijvigheid in aantrekkelijke werkmilieus. Deze strategische doelen zijn uitgewerkt in tactische doelen en opgenomen in twee uitvoeringsagenda’s (2019–2022 en 2023–2026). Het meeste uitvoerende economisch beleid valt onder Programma 11 van de gemeentelijke begroting, maar het betreft een gemeentelijke visie en bestrijkt ook andere beleidsdomeinen (ruimte, mobiliteit, onderwijs, duurzaamheid, sociaal).

In 2025, halverwege de looptijd van de visie, is het tijd om terug te kijken én vooruit te blikken. De gemeente Den Haag heeft SEO Economisch Onderzoek gevraagd een tussentijdse evaluatie uit te voeren over de periode vanaf 2019. Voor het terugkijken (2019-2025) is gebruik gemaakt van een contributieanalyse. De contributieanalyse start met het doel van het beleid, vervolgt met hoe dit zich verhoudt tot wat we zien in de praktijk, en kijkt vervolgens welk deel van de ontwikkelingen met enige waarschijnlijkheid toe te schrijven zijn aan het beleid. Hiervoor zijn een tal van documenten bestudeerd, en zijn bijna vijftig gesprekken gevoerd met betrokkenen binnen en buiten de gemeentelijke organisatie. Het tweede deel van de opdracht ging over het vooruitkijken naar 2030. Hiervoor heeft de gemeente SEO gevraagd om een aantal aanbevelingen te formuleren die voortvloeien uit de ervaringen over de afgelopen jaren. Daarnaast heeft de gemeente gevraagd om een viertal toekomstbeelden te schetsen. Belangrijke input voor het verkennen van toekomstperspectieven was een co-creatiesessie met beleidsambtenaren van de gemeente. Dit eindrapport presenteert de belangrijkste bevindingen. Eerst schetsen we de ontwikkelingen in beleid en in de Haagse economie. Daarna bekijken we tot welke resultaten het economische beleid tot nu toe heeft geleid en welke knelpunten zijn gebleken.

Vervolgens bespreken we de lessen en aanbevelingen voor de komende jaren richting 2030. Hierbij komen onder meer de balans tussen huidig economisch onderhoud en toekomstgerichte vernieuwing aan bod, de rol van de gemeente in uiteenlopende beleidsvormen, en vier toekomstperspectieven voor brede economische bloei in de toekomst (duurzaamheid, inclusiviteit, verdienvermogen en attractiviteit) en manieren om beter te monitoren en lerend te evalueren.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

2

Economische visie: achtergrond en opzet In 2019 publiceerde de Rekenkamer het rapport Tel uit je winst over het economische beleid van Den Haag. Daaruit kwam naar voren dat de raad grote budgetten beschikbaar stelde, terwijl het kader, de doelen en de resultaten van het beleid niet scherp waren uitgewerkt. De Rekenkamer adviseerde om een economische visie en een kadernota economisch beleid op te stellen, met een doelenboom, een duidelijke koppeling tussen doelen, instrumenten en middelen en indicatoren waarop de raad kan sturen. Het college sloot daarbij aan. Het college gaf aan dat een direct causaal verband tussen beleid en economische effecten niet altijd duidelijk is vast te stellen. Tegelijk wilde het de gemaakte keuzes, de veronderstelde werking van het beleid en de resultaten beter inzichtelijk en controleerbaar maken (Rekenkamer Den Haag, p. 23). Hiermee kwam de nadruk te liggen op meetbare prestaties. In deze context is de Economische visie Den Haag+ 2030 opgesteld als kader voor het economisch beleid, om het kader te vernieuwen en de koers aan te scherpen (Gemeente Den Haag, 2019). De visie richt zich op brede economische bloei, uitgewerkt in een doelenboom met vier strategische doelen en bijbehorende tactische doelen (Figuur 1).

Uitvoeringsagenda’s per collegeperiode vertalen deze doelen naar concrete acties en meetbare resultaten, zoals aantallen bedrijven, hubs, programma’s en bereikte ondernemers. De economische visie vormt zo het richtsnoer (operationele doelen) voor het economisch beleid in de periode 2019–2030. De gemeente volgt de uitvoering via voortgangsrapportages over de Economische Uitvoeringsagenda en via de Staat van de Haagse Economie (totale uitkomsten van beleid én externe factoren). Figuur 1

Bron:

De vertaling (inspanningen en resultaten) van de visie naar strategische doelen via een doelenboom

Gemeente Den Haag (2019)

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

3

Staat van de Haagse economie De meest recente monitoringsrapportage ‘Staat van Haagse economie’ 1 schetst een regio die na corona sneller groeit dan in de jaren ervoor en sneller dan Nederland. In de jaren vóór corona bleef de groei juist achter, met een gemiddelde jaarlijkse brp-groei van 1,5 procent in 2014-2019 tegen 2,4 procent in Nederland (Manshanden et al., 2025). Tegen die achtergrond schrijven Manshanden et al. (2025) dat het nog te vroeg is om de recente versnelling al te zien als een structurele trendbreuk. In de structuur van de economie valt op dat Den Haag relatief sterk is in specialistische zakelijke diensten, financiële diensten, informatie en communicatie en cultuur en overige diensten. De arbeidsmarkt is een punt van aandacht. De bruto participatie in de gemeente Den Haag is in 2024 72,2 procent en daarmee de laagste van de G4, en de werkloosheid is 5,1 procent, hoger dan in de regio Den Haag (4,5 procent) en Nederland (3,7 procent). De spanning op de arbeidsmarkt is toegenomen, met een vacaturegraad die op de lange termijn is gestegen van 2,1 in 2016 naar 4,0 in 2024. Het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen is 3,9 procent. Dit is 30 procent hoger dan het landelijk gemiddelde (3,0 procent). In de wetenschappelijke beschouwing van de monitor beschrijven van Oort et al.

(2025) dat werkgevers in Den Haag vaker vaardigheden vragen die niet genoeg aanwezig zijn bij een deel van de werkloze en niet-participerende bevolking. Dit maakt de aansluiting tussen vraag en aanbod lastiger. In productiviteit en vestigingsklimaat is het beeld gemengd. In de periode 2010-2022 was arbeid in de kernsectoren (Financiële diensten, Specialistische zakelijke diensten, Cultuur & overige diensten en Informatie & communicatie) productiever in Den Haag dan de rest van het land, maar bleef de groei in arbeidsproductiviteit achter. Het ondernemerschap heeft een duidelijke plek, met relatief veel impactstartups en een gunstige positie in onder meer ‘legal’ en ‘security’. Van Oort et al. (2025) noemen daarbij dat opschaling van startups in de stad zeldzaam is en dat veel werkgelegenheid zit in sectoren met lagere productiviteit en vaker flexibel werk. Een extra randvoorwaarde is ruimte voor bedrijven: de voorraad kantoorruimte daalt, de leegstand is laag en het aanbod is beperkt, waardoor uitbreiding en nieuwe vestigingen lastig zijn (Manshanden et al., 2025). De brede welvaart ligt onder het Nederlands gemiddelde, met lage scores op milieu- en sociale factoren. Die lagere score op sociale factoren wijst op beperkte inclusiviteit, zichtbaar in de achterblijvende participatie en het relatief grote aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen.

De recente brp-groei verandert dit beeld beperkt.

Uitkomsten en contributie aan beleid (2019-2025) Uitkomsten per strategisch doel Het economisch beleid heeft bijgedragen aan stabiliteit en samenwerking, maar niet aan grote koerswijzigingen. Den Haag heeft haar economische identiteit versterkt, maar de resultaten blijven gefragmenteerd. De gemeente is succesvol waar ze directe invloed heeft, zoals in dienstverlening, acquisitie en netwerkvorming. De gemeente is minder effectief bij complexe, programma-overstijgende doelen zoals arbeidsmarkt, ruimte en duurzaamheid. Gemiddeld genomen wordt de gemeten effectiviteit beperkt door een gefragmenteerde inzet van middelen, besluitvorming die relatief traag is, een beperkte meetbaarheid van effecten op de korte termijn.

1

De Staat van de Haagse economie is een jaarlijkse monitor die sinds 2020 verschijnt en die is ontwikkeld vanuit de Economische Visie Den Haag+ 2030. De meest recente monitoringsrapportage ‘Staat van Haagse economie’ bestaat uit een achtergrondrapport met cijfers en duiding (Manshanden et al., 2025) en een aparte wetenschappelijke beschouwing met reflectie op de uitkomsten (van Oort et al., 2025).

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

4

Tabel 2 beschrijft op basis van Manshanden et al. (2025) welke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden binnen de vier strategische doelen. Niet iedere ontwikkeling – of gebrek daaraan – kan worden toebedeeld aan beleid. Daarom wordt in de tabel een onderscheid gemaakt tussen wat er in de economie zichtbaar is (outcome), welke inzet de gemeente in 2019–2025 heeft geleverd (input en throughput) en wat op basis daarvan aannemelijk is over de bijdrage van het beleid (impact). Daarmee sluit de tabel aan bij de contributieanalyse: we toetsen of de waargenomen ontwikkelingen passen bij de beleidstheorie en plaatsen ze in de context van andere verklaringen, zoals conjunctuur, corona, rijksbeleid en ruimtelijke beperkingen. Tabel 2

Conclusies per tactisch doel

Strategisch doel

Outcome (staat van de Haagse economie)

Input en throughput (voortgangsrapportage)

Impact (evaluatie / duiding / type bijdrage)

Een attractieve stad

Den Haag blijft aantrekkelijk voor bewoners en bezoekers, met een positie in de top 10 van aantrekkelijke woonsteden, al zakt de notering in recente jaren wat. Het toerisme herstelde na corona, met groei bij verblijfsgasten en een langere gemiddelde verblijfsduur (2019: 1,62 dagen; 2024: 1,96 dagen). Nationaal toeristisch dagbezoek is in 2024 nog niet terug op het niveau van 2019 en de bezoekersfrequentie daalde. Het aantal congressen is sinds 2024 weer terug op het niveau van 2019, maar deelnemersdagen en zakelijke overnachtingen blijven achter door kortere congressen en minder deelnemers.

De gemeente zette in op de bezoekerseconomie met focus op kwaliteit en spreiding, via evenementen, programmering (zoals Royal September en Have a Royal Winter), versterking van winkelgebieden, ondersteuning van congressen en marketing via The Hague & Partners. De inzet was breed en in de coronaperiode sterk gericht op behoud en herstel van de sector. Er is gewerkt aan plannen voor grotere ingrepen (zoals het Museumkwartier en de beoogde verhuizing van het Eschermuseum), maar niet alles is gerealiseerd.

Het beleid droeg vooral bij aan het op peil houden van de basis tijdens en na corona, en aan herstel van verblijfstoerisme en congressen. Grote verschuivingen in imago en in ruimtelijke spreiding van bezoekers zijn beperkt zichtbaar; bezoekers blijven vooral geconcentreerd in centrum en Scheveningen, en de spreiding tussen stadsdelen verandert weinig. Door veel parallelle activiteiten is de focus op enkele grote veranderingen minder scherp, waardoor de bijdrage vaker stabiliserend is dan vernieuwend.

Veerkrachtige economische structuur

Den Haag laat groei zien in profielclusters rond veiligheid en impact, maar op brede innovatie en productiviteit zijn de effecten nog beperkt zichtbaar. De maakindustrie blijft klein en de werkgelegenheid in de industrie daalde gemiddeld met 0,9 procent per jaar in 2020–2024, waardoor de beoogde verbreding via maak minder dichtbij kwam. De arbeidsproductiviteit in Den Haag blijft achter bij andere grote steden.

De gemeente werkte via de uitvoeringsagenda’s aan verdiepen (profiel Internationale Stad van Vrede en Recht, veiligheid, impact), verbreden (zorg en maak), vernieuwen (kennis, technologie, innovatie) en opschalen (financiering, export, doorgroei). In de inzet ging een groot deel van de middelen naar capaciteit en naar verdiepen; kleinere delen gingen naar verbreden, vernieuwen en opschalen. Er is geïnvesteerd in hubs, netwerkvorming en samenwerking met kennisinstellingen en regiopartners. Het cluster rond (cyber)veiligheid is daarbij al duidelijk verder gevorderd, terwijl andere trajecten, zoals de zorginnovatiehub en initiatieven rond maak, nog meer in opbouw zijn.

De bijdrage van het beleid is het duidelijkst waar Den Haag kan verbinden en profileren, zoals bij het versterken van netwerken en zichtbaarheid van clusters. Een verschuiving op het niveau van de hele economische structuur is nog moeilijk aan te tonen binnen vijf jaar, omdat effecten tijd vragen en omdat randvoorwaarden zoals ruimte schaars zijn. Bij verbreden via maak en bij opschalen speelt dat ruimtegebrek groei remt, waardoor resultaten achterblijven bij de ambitie. De inzet levert vooral bouwstenen op voor latere groei, met nog beperkte zichtbare effecten op brede economische veerkracht.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

5

Excellent ondernemings klimaat

Ondernemers ervaren de gemeentelijke dienstverlening als duidelijker en toegankelijker. Procedures verlopen voorspelbaarder en sneller via het Ondernemersportaal en bedrijfscontactfunctionarissen. De algemene tevredenheid onder ondernemers is toegenomen. Tegelijkertijd bereikt beleid gericht op digitalisering, verduurzaming en internationalisering slechts een klein deel van het MKB, ongeveer 2 tot 10 procent. De structurele effecten op productiviteit, innovatie en brede transities blijven daardoor beperkt. Tekorten op de arbeidsmarkt en mismatch tussen vraag en aanbod blijven zichtbaar.

De gemeente investeerde vooral in het verbeteren van basisdienstverlening aan ondernemers. Het Ondernemersportaal fungeert als centraal loket en bedrijfscontactfunctionarissen ondersteunen jaarlijks honderden ondernemers. Daarnaast zijn programma’s uitgevoerd voor digitalisering, verduurzaming, cyberveiligheid en internationalisering, met concrete aantallen bereikte bedrijven. De acquisitie van bedrijven is gerichter geworden door focus op Haagse profielsectoren. Talentontwikkeling kreeg pas vanaf 2024 meer aandacht via aparte strategieën en programma’s, grotendeels buiten Programma 11.

Waar de gemeente directe invloed heeft, vooral bij dienstverlening en procesverbetering, is de bijdrage duidelijk en doelmatig. Ondernemers merken hier direct effect. De bijdrage aan structurele economische veranderingen is beperkt doordat de meeste ondernemers niet worden bereikt en omdat randvoorwaarden zoals ruimte en arbeidsmarkt buiten het directe bereik van het economisch beleid liggen. De inzet heeft vooral geleid tot verbetering van de basis, minder tot brede of blijvende veranderingen in het ondernemingsklimaat.

Ruimte voor bedrijvigheid in aantrekkelijke werkmilieus

Den Haag kampt met een schaars aanbod aan bedrijfsruimten en kantoren, wat een blijvende rem zet op economische activiteit. De vraag naar werkruimte is groter dan het beschikbare (en ontwikkelbare) aanbod, zeker voor productie en grootschalige bedrijven. Veel bestaande locaties zitten vol; ondernemers die willen uitbreiden of zich willen vestigen, hebben moeite om passende ruimte te vinden in de stad. Enkele bedrijven zagen zich gedwongen hun groei buiten Den Haag voort te zetten bij gebrek aan lokale ruimte. Zonder extra ruimte om te ondernemen bestaat het risico dat de economische ontwikkeling stagneert en dat Den Haag bedrijvigheid misloopt aan omliggende gemeenten.

De gemeente zette in op gebiedsontwikkeling en het toevoegen van werkruimte in onder meer CIDBinckhorst, de kustzone en via programma’s voor bedrijfshuisvesting in de wijken. In de uitvoeringsagenda 2023– 2026 zijn doelen geformuleerd in aantallen m² en in concrete locaties en projecten, en er is meer gestuurd op instrumenten om marktpartijen te bewegen. Ook is gewerkt aan financiële en organisatorische instrumenten, zoals de Haagse Investeringsmaatschappij (HIM) om ontwikkeling en beheer van bedrijfsruimte te ondersteunen waar de markt dat minder oppakt.

Ondanks de ingezette projecten is het realiseren van substantiële extra bedrijfsruimte achtergebleven bij de ambities. De in de tweede uitvoeringsagenda geformuleerde uitbreiding (aantal m² nieuwe werkruimte) is tot op heden niet gehaald. De inzet op de HIM heeft (nog) niet geleid tot concrete investeringen in nieuwe bedrijfsruimten in 2024. Doordat het economisch programma deze ruimtedynamiek niet zelf kon doorbreken, bleef de bijdrage aan dit strategisch doel beperkt. De gemeente heeft binnen haar mogelijkheden doelmatig gehandeld (plannen klaar, waar mogelijk ruimte gevonden), maar het ontbrekende schaalniveau aan nieuwe locaties betekent dat de beoogde stimulans voor de Haagse economie (meer groeiruimte voor bedrijven) vooralsnog uitblijft.

Bron:

Gemeente Den Haag (2020, 2021, 2022, 2023/RIS315458, 2023/RIS319157, 2024).

Wat zegt dit over het beleid? Doeltreffendheid De Economische Visie geeft een helder langetermijnkader. Uit het tussentijdse beeld blijkt dat deze visie helpt om koers te houden over meerdere collegeperiodes heen. De meeste doelen en strategische doelen blijven in beide uitvoeringsagenda’s herkenbaar. Dat geeft continuïteit en maakt dat partners in de stad de richting goed kennen. Op tactisch niveau zijn concrete resultaten zichtbaar. Voorbeelden zijn betere dienstverlening aan ondernemers, groei van clusters rond veiligheid en Impact Economy, versterking van het toeristische aanbod en nieuwe hubs voor startups. De basis van de Haagse economie is in een ingewikkelde tijd (corona, bestuurlijke onrust en bezuinigingen) overeind gebleven. De economie groeit, er zijn meer banen en nieuwe activiteiten ontstaan.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

6

De bijdrage van het economisch beleid aan de strategische doelen en aan de brede economische bloei is moeilijker te meten. De tijdsperiode is nog kort voor structurele veranderingen in de sectorale samenstelling van de Haagse economie . Daarnaast is brede bloei in sterke mate afhankelijk van andere randvoorwaarden, zoals ruimte, mobiliteit en talent, die niet uitsluitend binnen de scope van Programma 11 vallen. Uit deze tussentijdse evaluatie concluderen we dat de bijdrage van het economisch beleid aan de strategische doelen op dit moment slechts op enkele tactische doelen aantoonbaar is. Daarnaast concluderen we dat het economisch beleid uit twee delen bestaat, namelijk: ● Onderhoud van de bestaande economie en basis: zoals dienstverlening, ondersteuning van ondernemers, evenementen, toerisme, winkelgebieden. ● Vernieuwende (verandergerichte) inzet op de economie van de toekomst: zoals transities, innovatie, ruimtelijke ontwikkeling en nieuwe sectoren. Binnen elk strategisch doel vinden activiteiten plaats die vooral gaan over het draaiende houden van de basis, naast activiteiten die vooral zijn bedoeld om richting 2030 iets nieuws op te bouwen. Wel verschilt de balans tussen onderhoudend en vernieuwend tussen de verschillende strategische doelen.

March beschrijft beide als noodzakelijke vormen van leren, met verschillen in risico, tijdpad en voorspelbaarheid (March, 1991, pp. 71–87). Wie beide typen werk met dezelfde meetlat beoordeelt, creëert ruis. Onderhoudend beleid levert vaak snel meetbare resultaten op. Exploratie levert eerst inzicht, scherpere keuzes en kennis op, waarbij een mislukte proef ook waarde kan hebben. Het onderscheid vertaalt zich in verschillende vormen van meten en verantwoorden (zie Tabel 3). Bij onderhoudend passen indicatoren voor stabiel en herhaalbaar werk, waarmee vergelijking in de tijd mogelijk is. Bij vernieuwend passen indicatoren die voortgang in leren en ontwikkelen zichtbaar maken, omdat het eindresultaat nog kan veranderen. De innovatieliteratuur benadrukt daarom het volgen van activiteiten en tussenstappen, zoals ontwikkeling, samenwerking en testen, omdat effecten pas later zichtbaar worden (OECD, 2018). Evaluatie van vernieuwing vraagt om lerend volgen en bijsturen tijdens de uitvoering (Patton, 1994). Tabel 3

Onderscheid tussen onderhoudend en vernieuwend Thema

Onderhoudend

Vernieuwend

Doel en type inzet

Verbeteren van bestaande aanpakken, processen en voorzieningen

Zoeken, experimenteren en ontwikkelen van nieuwe aanpakken, clusters of gebieden

Onzekerheid

Lager, omdat er meer ervaring en routine is

Hoger, omdat uitkomsten nog moeten blijken

Tijdpad van resultaten

Resultaten vaak sneller zichtbaar

Resultaten vaak later zichtbaar

Passende indicatoren

Bereik, gebruik, doorlooptijd, kwaliteit, tevredenheid, oplossen van knelpunten

Aantal pilots, kwaliteit van samenwerking, leeropbrengsten, beslismomenten, haalbaarheid, route naar opschalen

Evaluatie-aanpak

Meer “controleren of het werkt” binnen een stabiele aanpak

Meer “lerend volgen” met bijsturen tijdens uitvoering

Bron:

O.a. OECD (2018); Patton (1994).

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

7

Doelmatigheid De middelen voor economisch beleid zijn in grote lijnen constant gebleven (Figuur 2). Wel zijn de incidentele middelen afgenomen en is de reële waarde door inflatie gedaald. Na (CPI-)prijscorrecties, besteedde de gemeente bijna een kwart minder aan de economie in 2024 ten opzichte van 2019: 23,3 miljoen versus 30 miljoen. Figuur 2

Tussen 2019 en 2024 zijn de uitgaven min of meer constant gebleven

Realisatie (uitgegeven middelen), in miljoenen euro's en in lopende prijzen 35,0 30,0 25,0 20,0 15,0 10,0 5,0 0,0 2019

Bron:

2020

2021

2022

2023

4: Ruimte voor bedrijvigheid

3: Excellent ondernemingsklimaat

2: Veerkrachtige economische structuur

1: Attractieve Stad

2024

Aangeleverde gegevens door de gemeente t.b.v. de tussentijdse evaluatie. Noot: het betreft totaalbedragen per strategisch doel (structurele en incidentele middelen, inclusief coronamiddelen in 2021-2022). Incidenteel = vrij besteedbaar op basis van incidentele middelen uit coalitieakkoord (dus excl. projectgebonden incidentele middelen)

De middelen zijn verdeeld over de vier strategische doelen en de tactische doelen daaronder. In de praktijk betekent dit dat het programma veel ambities tegelijk wil bedienen. Uit deze tussentijdse evaluatie blijkt dat: ● De afstand tussen strategische doelen en concrete activiteiten soms groot is. 2 ● Middelen in sommige gevallen dun uitgesmeerd zijn over veel projecten. ● Besluitvorming vaak lang duurt, waardoor kansen gemist worden. ● Meetinstrumenten voor langetermijneffecten beperkt zijn. Daar waar de gemeente directe sturingsmogelijkheden heeft, zoals bij dienstverlening en acquisitie, kunnen we op hoofdlijnen spreken van een doelmatige inzet. Voor complexe opgaven is het bewijs logischerwijs meer diffuus, met uitkomsten die met vertraging en onzekerheid zijn omgeven (zie ook Tabel 3). Toch zijn juist bij innovatieve trajecten tussentijdse metingen van belang. Zo helpt dit helpt bij beslismomenten over aanpassen, stoppen of opschalen (Patton, 1994). Input over ‘wat werkt’ verloopt via logische tussenstappen, zoals voortgang van ontwikkeling en testen, leeropbrengsten en kwaliteit van samenwerking. Wel moet men ervoor waken om procesmatige sturing en strakke efficiëntielogica niet één op één te plakken op exploratief werk, omdat dat kan wringen met de ruimte die nodig is om te verkennen (Benner & Tushman, 2003).

2

Concreet is niet altijd expliciet gemaakt hoe sturen op tactische doelen uiteindelijk zou moeten leiden tot resultaat op strategisch niveau.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

8

Sterke punten en knelpunten (2019-2025) Sterke punten om op voort te bouwen Op basis van de eerste vijf jaar zien we dat vernieuwing vooral ontstaat waar een sterk netwerk, een helder profiel en regionale samenwerking samenkomen. Vanuit die analyse zijn drie sterke punten van het economisch beleid in Den Haag, waar de komende vijf jaar op kan worden voortgebouwd.

Benutten van Haagse krachten Den Haag bouwt voort op haar ‘Haagse krachten’: dat wat de stad uniek maakt in haar aantrekkingskracht voor bedrijven. Den Haag is een bestuurs- en dienstenstad met een uniek profiel rondom vrede, recht, veiligheid en internationale organisaties. De industriële basis is klein, maar de dienstenstructuur is breed en er is veel hogeropgeleid talent. Juist vanuit deze basis ontstaan nieuwe niches, zoals cybersecurity, legal en govtech en gespecialiseerde maakindustrie die aansluit bij veiligheid en technologie. Zo wordt Den Haag in toenemende mate een broedplaats voor nieuwe activiteiten binnen domeinen die passen bij de identiteit van de stad (Manshanden et al., 2025). Beleidsmatig betekent dit dat het loont om door te bouwen op dit profiel: Den Haag als verbinder tussen overheid, internationale instellingen, kennisinstellingen en bedrijven, waar nieuwe oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken kunnen ontstaan en getest worden.

Investeren in netwerken en profilering Concreet betekent dit blijvend investeren in netwerken en profilering. De inzet op relaties en netwerken is niet nieuw, maar vormt de basis waar de volgende jaren verder op kan worden gebouwd. Verbinding klinkt eenvoudig, maar vraagt continue aandacht. Den Haag kan zich hier in de toekomst nog beter op profileren. De komst van universiteiten biedt bovendien extra momentum: extra kansen, maar ook extra opgaven om kennis, beleid en bedrijven aan elkaar te verbinden. Hieraan gekoppeld is de succesvolle strategie van sterke profilering. Een heldere boodschap helpt bedrijven (en hun stakeholders) te overtuigen dat ze in Den Haag moeten zijn. Hierbij is de functie van Den Haag als verbinder en ontmoetingsplek voor maatschappelijke vraagstukken constant, en kunnen de maatschappelijke vraagstukken over de tijd ontwikkelen. Nieuwe maatschappelijke opgaven– zoals klimaatrechtvaardigheid en blue economy – helpen bij diversificatie van de economie en laten bovendien zien dat Den Haag meebeweegt met maatschappelijke ontwikkelingen. Dit vanuit een constante rol voor Den Haag als verbinder voor toekomstgerichte, maatschappelijke vragen.3

Meer regionaal werken Ten derde komt naar voren dat meer regionaal werken nodig is en resultaat oplevert. Eén voorbeeld is de complementariteit met Delft. Den Haag en Delft functioneren steeds meer als één tweeling-broedplaats, waarbij Delft technologische vindingen en ondernemerschap inbrengt en Den Haag toegang tot beleid, internationale netwerken en eindgebruikers in de publieke sector. Startups kunnen in de ene stad ontstaan en in de andere hun markt of schaal vinden. Regionale samenwerking binnen Haaglanden en Zuid-Holland helpt bovendien om ruimtegebrek, versnippering van initiatieven en beperkte capaciteit beter aan te pakken. Door samen op te treden,

3

Wennink (2025) onderscheidt vier domeinen op landelijk niveau ‘die onze toekomst bepalen’: digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

9

initiatieven te verbinden en de regio als geheel te profileren, groeit de aantrekkingskracht als startup- en scaleupregio en wordt het eenvoudiger voor bedrijven om binnen de regio door te groeien.

Knelpunten voor doeltreffendheid en doelmatigheid Meetbaar vs. effectief Na het rapport van de Rekenkamer is binnen de gemeente een sterke nadruk ontstaan op controle en verantwoording. Processen zijn zo ingericht dat cijfers, rapportages en afvinkbare resultaten centraal staan. Dit geeft houvast, maar verkleint de ruimte om te werken aan effecten die pas na langere tijd zichtbaar worden. Experimenten, pilots en trajecten met een onzekere uitkomst passen minder goed in deze manier van werken. In deze context valt de gemeente vaak terug op een presterende rol. De gemeente voert dan zelf veel projecten uit en stuurt vooral op zichtbare output, zoals een nieuw loket, een campagne of een evenement. Dat sluit goed aan bij de cultuur van “meten is weten”, omdat zulke activiteiten direct meetbare resultaten opleveren in de vorm van aantallen bezoekers, aanvragen of meldingen. Dit kan echter tot gevolg hebben dat middelen vooral naar activiteiten gaan waar de gemeente directe invloed op heeft en snel resultaat kan laten zien, zoals het ondernemersportaal, en minder naar trajecten waar meerdere partijen samen bouwen aan verandering. Een deel van de beoogde effecten van economisch beleid laat zich moeilijk vangen in indicatoren. Netwerken, branding, clusterontwikkeling en het versterken van het ecosysteem tussen onderwijs, overheid en bedrijven hebben vaak een lange aanlooptijd.

De meerwaarde zit in vertrouwen, nieuwe relaties en kennisstromen die stap voor stap groeien. Deze effecten zijn belangrijk voor het verdienvermogen van de stad, maar zijn lastig kortcyclisch meetbaar. De aandacht verschuift daardoor gemakkelijk naar kortetermijnresultaten die wel goed telbaar zijn, terwijl grotere, maar minder zichtbare effecten minder aandacht krijgen in de sturing en verantwoording. De politieke context versterkt dit patroon. Colleges hebben een beperkte zittingsduur en bestuurders willen binnen die periode laten zien wat hun beleid oplevert. De combinatie van politieke druk en nadruk op meetbare prestaties zorgt ervoor dat beleidskeuzes vaak worden beoordeeld op wat binnen enkele jaren aantoonbaar is. Daardoor komen interventies in beeld die snel resultaat geven, zoals zichtbare voorzieningen of tijdelijke programma’s. Dat sluit niet altijd aan bij de koers die nodig is om de Haagse economie op langere termijn te versterken. Hierdoor ontstaat spanning tussen wat meetbaar is in de huidige verantwoordingscyclus en wat effectief is voor brede economische bloei richting 2030.

Beperkt onderscheid tussen vernieuwend en onderhoudend beleid Het economisch beleid bestaat dus uit onderhoudend en vernieuwend beleid. Tabel 3 liet zien dat dit zich vertaalt in een nadrukkelijk andere wijze van meten en verantwoorden. In de afgelopen periode is dit onderscheid niet altijd scherp gemaakt. Omdat met name bij vernieuwend beleid ‘de kost voor de baat’ uitgaat, zorgt een manier van verantwoorden die stuurt op direct zichtbare resultaten dat vernieuwend beleid versnipperd is geraakt over veel thema’s, zoals clusters, innovatie, gebiedsontwikkeling, wijken, duurzaamheid en cultuur. De middelen zijn verdeeld over veel projecten met beperkte schaal en looptijd. Het kost veel tijd om plannen af te stemmen en besluiten te nemen, terwijl per project soms niet helder is welk systeemprobleem wordt aangepakt en welke verandering precies wordt nagestreefd. Dit vergroot het risico dat weinig trajecten uitgroeien tot echte doorbraken. Dit maakt het lastig om bestuur en raad te laten zien waar de op vernieuwing en toekomstgerichte inzet van Den Haag zichtbaar verschil maakt.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

10

Het ontbreken van een scherp onderscheid werkt ook door in de manier van meten en beoordelen. Voor onderhoud is vaak een duidelijke set indicatoren beschikbaar, zoals doorlooptijden, tevredenheid en gebruik van voorzieningen. Voor toekomstgerichte vernieuwing is zo’n set minder ontwikkeld. De neiging ontstaat om toekomstgericht vernieuwend beleid te beoordelen met indicatoren die beter bij onderhoud passen, bijvoorbeeld korte-termijnveranderingen in werkgelegenheid of sectorstructuur. Bij vernieuwing zijn zichtbare resultaten vaak pas na drie tot zeven jaar te verwachten en spelen externe factoren een grote rol. Het risico is dan dat vernieuwend beleid te snel wordt gestopt of dat projecten veilig en goed meetbaar moeten zijn, terwijl er juist ruimte nodig is voor experiment en onzekerheid. Dat verkleint de kans dat vernieuwend beleid daadwerkelijk bijdraagt aan de gewenste verandering van de economische structuur. Als onderhoud en vernieuwing niet duidelijk van elkaar worden onderscheiden, valt de organisatie bovendien snel terug op de presterende rol van de gemeente. De nadruk komt dan op zichtbare output en controle, vanuit de logica van “meten is weten”. Dit past bij onderhoud, maar sluit minder goed aan bij toekomstgerichte vernieuwing, waar een meer ondernemende en lerende rol nodig is. Daardoor ontstaat minder ruimte om risico te nemen, te leren en bij te sturen.

Vooruitkijken: richting 2030 Aanbevelingen voor doeltreffend en doelmatig beleid Maak onderscheid tussen onderhoud en vernieuwing Voor de komende jaren is het raadzaam het economisch beleid expliciet rond twee lijnen te organiseren: onderhoud van de bestaande economie versus verschuiving in nieuwe richtingen. Bij elk onderdeel van het programma wordt benoemd of het gaat om onderhoud, vernieuwing of een bewuste combinatie van beide. Dit helpt om doelen, middelen, rollen en indicatoren beter op elkaar af te stemmen. Dit onderscheid vraagt ook om een andere manier van meten en evalueren. Zoals eerder beschreven in lijn met March (1991) en OECD (2018), creëert het ruis wanneer onderhoud en vernieuwing met dezelfde meetlat worden beoordeeld. Voor onderhoud blijven indicatoren rond efficiëntie, kwaliteit en behoud leidend, zoals doorlooptijden, tevredenheid en gebruikscijfers. Voor vernieuwend beleid passen indicatoren die voortgang in leren en ontwikkelen zichtbaar maken. Het gaat dan om het volgen van activiteiten en tussenstappen, zoals gestarte pilots, nieuwe samenwerkingen, leeropbrengsten, beslismomenten, herhaling of opschaling van succesvolle experimenten, vervolgfinanciering en veranderingen in werkwijzen binnen de gemeente. Structurele veranderingen in sectorstructuur of werkgelegenheid blijven het einddoel, maar zijn in de eerste jaren minder geschikt als KPI.

Evaluatie is in deze fase daarom vooral formatief en lerend van aard: gemeente en partners kijken regelmatig terug op aannames, keuzes en resultaten en bepalen op basis daarvan welke trajecten worden doorgezet, aangepast of gestopt. Hierbij helpt het om het economisch programma te beschouwen als een samenhangend portfolio. Het grootste deel van de middelen blijft gericht op onderhoud van de basis. Een kleiner, herkenbaar deel wordt vrijgemaakt voor vernieuwend beleid, met eigen afspraken over risicobereidheid, besluitvorming en verantwoording. Bij deze vernieuwingsmiddelen hoort ruimte om te leren en om bij te sturen, zonder de verwachting dat elk experiment uitgroeit tot een structureel programma. De raad houdt overzicht via een eenvoudige beschrijving van de vernieuwende portfolio, waarin per traject staat welke doelen gelden, welke partners betrokken zijn, hoe lang het

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

11

loopt en hoe de voortgang wordt gevolgd. Zo wordt het onderscheid tussen onderhoud en vernieuwing concreet en ontstaat meer focus en tempo richting 2030.

Gemeentelijk committeren aan economie van de toekomst De visie voor 2030 is niet voor niets een gemeentelijke visie. Zaken als ruimte, mobiliteit, talent en energie (netbeheer) zijn bepalend voor economische ontwikkeling, maar lopen dwars door verschillende programma’s heen. De economische visie benoemt deze afhankelijkheden als randvoorwaarden voor brede economische bloei. Het oplossen van de knelpunten hoort bij het bredere gemeentelijke beleid, waarin de afdeling Economie samenwerkt met andere afdelingen. Vernieuwend beleid moet richting geven aan een toekomstbestendige economie en vraagt om scherpe keuzes. In plaats van een breed palet aan losse initiatieven is behoefte aan een beperkt aantal proposities met duidelijke prioriteit. Denk aan verduurzaming van de economie, de ontwikkeling van de binnenstad en cultuur, of grote gebiedsontwikkelingen waar wonen, werken en mobiliteit samenkomen. Rond zulke proposities hoort een stevige organisatie met serieuze middelen, bestuurlijke aandacht en betrokken partners. Op die plekken kan over tien jaar zichtbaar worden dat beleid echt verschil heeft gemaakt. Het betekent dat de gemeente, de organisatie en de raad samen ruimte maken om echt te kiezen voor economisch beleid, vooral in gebiedsontwikkeling.

Economische doelen moeten dan vanaf het begin meewegen in plannen voor wonen, werken en mobiliteit, zodat er ook plek blijft voor bedrijven, werkplekken en voorzieningen die groei ondersteunen. Dat vraagt om heldere keuzes, een stevige organisatie en duidelijke afspraken over besluitvorming, rollen en risico’s. Zo raken economische doorbraakprojecten minder snel op de achtergrond en kan de gemeente sneller handelen wanneer zich een kans voordoet.

Visie: richting geven aan ‘brede economische bloei’ Het doel voor 2030 staat vast: brede economische bloei. Hierin staat verdienvermogen niet op zichzelf. Brede welvaart staat voor de kwaliteit van leven van mensen, nu en later, waarbij naast inkomen en economie ook gezondheid, onderwijs, leefomgeving, veiligheid en sociale relaties meetellen (PBL, CPB & SCP, 2018).

De vier toekomstperspectieven De Economische Visie Den Haag+ 2030 heeft brede economische bloei als doel. Vanuit het perspectief van brede welvaart betekent dit economische groei en banen, met oog voor leefkwaliteit, duurzaamheid en gelijke kansen. Voor Den Haag komt daar een vierde dimensie bij. Naast verdienvermogen, inclusiviteit en duurzaamheid speelt ook attractiviteit een rol. Attractiviteit sluit aan bij het subdoel van een onderscheidend woon- en leefklimaat. De gedachte daarachter is dat een herkenbaar en aantrekkelijk Den Haag op een eigen manier van waarde is voor inwoners, bedrijven en bezoekers. Ook dit draagt bij aan het overkoepelende doel van een breed bloeiende economie in 2030. In dit kader betekent verdienvermogen het vermogen van de stad om met bedrijven en kennis waarde te maken en te vernieuwen. Inclusiviteit gaat over de vraag of inwoners uit alle wijken kunnen meedoen en profiteren van werk en ondernemerschap. Duurzaamheid gaat over een economie die zuinig omgaat met energie en grondstoffen en de leefomgeving beschermt. Attractiviteit staat voor een stad waar mensen graag wonen, werken en op bezoek komen en waar gebieden als binnenstad, kust en Central Innovation District een herkenbaar profiel hebben.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

12

Toekomstgericht vernieuwen De evaluatie maakt duidelijk dat het economisch beleid twee lijnen kent. Aan de ene kant is er onderhoud van de bestaande economie: dienstverlening aan ondernemers, evenementen, toerisme, winkelgebieden en het op peil houden van het ondernemingsklimaat. Aan de andere kant is er beleid dat vernieuwt: clusters, innovatie, campussen, nieuwe sectoren en gebiedsontwikkeling. De vier toekomstperspectieven richting 2030 horen nadrukkelijk bij deze tweede lijn van vernieuwing. Zij zijn bedoeld om richting te geven aan het vernieuwende deel van het economisch beleid, niet om al het onderhoudende werk uit te schrijven. In de visie schetst de gemeente vooral vergezichten: waar Den Haag met verdienvermogen, inclusiviteit, duurzaamheid en attractiviteit naartoe wil werken.

Het belang van focus Daarnaast laat de tussentijdse evaluatie het belang van focus in vernieuwend beleid zien, om zo versnippering te voorkomen. Een brede blik op economische bloei betekent nadrukkelijk niet dat op alle dimensies van economische bloei, resultaten moeten worden behaald. In plaats daarvan gedijt vernieuwend beleid tot focus tot een beperkt aantal proposities. Dat kunnen bijvoorbeeld thema’s zijn als de verduurzaming van de economie, de ontwikkeling van de binnenstad, cultuur of de inrichting van een belangrijk gebied. Voor deze proposities is langdurig geld beschikbaar en staat er een organisatie omheen die de plannen kan uitvoeren en volgen. Partners weten waar zij aan toe zijn en kunnen gericht meewerken. Op plekken waar zo wordt gewerkt, kan over tien jaar zichtbaar zijn dat de keuzes verschil hebben gemaakt. Dat is dan terug te zien in een gebied dat nieuwe bedrijven aantrekt en groener is geworden, of in een cluster waar onderwijs, bedrijven en overheid samen een sterk profiel hebben opgebouwd.

Vertaling naar activiteiten, middelen en rollen Binnen het perspectief verdienvermogen past het beeld van Den Haag als ‘nursery city’: een broedplaats voor oplossingen rond vrede, recht, veiligheid, zorg en duurzaamheid. Den Haag kiest hierbij enkele profielclusters en verbindt die sterker met kennisinstellingen in Delft en Leiden en met de groeivraag van het mkb. De inzet richt zich op het opbouwen van sterke clusters en op doorgroei van kansrijke bedrijven en initiatieven. Voortgang is hier daarom eerder te volgen via de ontwikkeling van samenwerkingen rond de gekozen clusters, de totstandkoming en doorontwikkeling van initiatieven en hubs, de betrokkenheid van kennisinstellingen en bedrijven, en de mate waarin succesvolle aanpakken kunnen worden verbreed of opgeschaald. In het perspectief duurzaamheid wordt de economie stap voor stap klimaatvriendelijk en circulair. In Den Haag gaat het om het samenbrengen van economische doelen en doelen voor klimaat en circulariteit, omdat die twee in de praktijk steeds aan elkaar raken. Zo beschrijft Dialogic (2024) dat Den Haag wel een stevige ambitie heeft, met “klimaatneutraal in 2030”, maar dat economie en duurzaamheid nu in twee aparte visies staan, zonder één samenhangend verhaal.

Dit vraagt van de gemeente om steeds dezelfde vragen te stellen bij projecten: wat vraagt dit van ondernemers, wat levert het op aan CO₂-reductie en circulariteit, en welke partners zijn nodig om het te regelen. Concreet kan dat betekenen dat de gemeente één herkenbare route aanbiedt voor het mkb, met bijvoorbeeld een gratis energiescan en daarna hulp bij het kiezen en uitvoeren van maatregelen, zoals isolatie van bedrijfspanden (Dialogic, 2024). Daarnaast kan de gemeente op een paar punten steviger sturen met regels die er toch al zijn, zoals energielabel C en de energiebesparingsplicht, en dit combineren met praktische ondersteuning, zodat bedrijven weten wat er van hen wordt verwacht. Op bedrijventerreinen kan Programma 11 dit “samen doen” organiseren,

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

13

bijvoorbeeld door collectieve projecten op te zetten rond energie en logistiek, en door knelpunten zoals netcongestie mee te nemen in de planning. Voor schone mobiliteit kan het gaan om milieuzones en steun voor emissieloze voertuigen, in samenhang met wat ondernemers nodig hebben om hun vervoer aan te passen. Ten slotte helpt het om keuzes die minder goed passen bij dit perspectief expliciet te maken, zoals terrasverwarming en energie-intensieve activiteiten, zodat duidelijk is waarom de gemeente op sommige plekken bijstuurt. In het perspectief inclusiviteit draait het om economische kansen voor alle inwoners. Lee (2018) brengt inclusiviteit terug naar twee vragen: hoe snel groeit de economie en wie profiteert daarvan. In Den Haag krijgt dit een lokale invulling die dicht bij brede welvaart ligt, omdat Manshanden et al. (2025) laten zien dat de economie na corona sneller groeit dan in de jaren ervoor en sneller dan Nederland, terwijl de brede welvaart tegelijk onder het Nederlands gemiddelde ligt en die recente groei dat beeld maar beperkt verandert. Inclusiviteit betekent in die context dat economische ontwikkeling merkbaar wordt in kansen en leefkwaliteit voor inwoners en wijken die nu minder meeprofiteren. Tegelijkertijd beschrijven Van Oort et al.

(2025) dat werkgevers in Den Haag vaker vaardigheden vragen die onvoldoende aanwezig zijn bij een deel van de werkloze en niet-participerende bevolking, waardoor de aansluiting tussen vraag en aanbod lastiger wordt. Programma 11 richt zich binnen deze context op drie onderdelen: het versterken van ondernemerschap en voorzieningen in wijken, het verbinden van economie met onderwijs en arbeidsmarkt, en het steunen van impactbedrijven. De gemeente werkt hier intensief samen met het sociaal domein en onderwijs en treedt vooral op als verbinder. Vooruitgang wordt zichtbaar via arbeidsparticipatie, verschillen tussen wijken, doorstroom van jongeren naar werk en de groei van impactbedrijven. Binnen het perspectief attractiviteit staat Den Haag als herkenbare woon-, werk- en bezoekstad centraal. Economisch beleid kan sturen op levendige gebieden als de binnenstad, de kust en het Central Innovation District, met placemaking, culturele programmering en een gerichte inzet van citymarketing. Attractiviteit is daarbij een instrument voor placemaking en gebiedsontwikkeling: door te investeren in kwaliteit van de openbare ruimte, voorzieningen en programmering ontstaan plekken waar nieuwe bedrijvigheid, werkgelegenheid en private investeringen kunnen landen en doorgroeien.

De gemeente heeft hierin een regierol, naast haar dienstverlenende rol en haar netwerkrol, door per gebied heldere keuzes te maken, partijen te binden, een meerjarige aanpak te organiseren en uitvoering mogelijk te maken. Voortgang is hier daarom eerder te volgen via de ontwikkeling van gebiedsgerichte samenwerking, de totstandkoming en uitvoering van programmering en placemaking, het ontstaan van onderscheidende proposities per gebied, en de mate waarin vervolgstappen, verbreding of opschaling van succesvolle aanpakken tot stand komen. Effecten op woon- en leefkwaliteit, waardering, bezoekers en economische ontwikkeling in deze gebieden zijn daarbij eerder uitkomsten op langere termijn.

Overkoepelend Deze vier perspectieven komen samen in een klein aantal gebieds- en clusterproposities, zoals het CID, de stad aan zee, het profiel van veiligheid, vrede en recht en kansrijke wijken als Zuidwest. Op die plekken kan brede economische bloei concreet worden gemaakt, met duidelijke keuzes in middelen, rol en samenwerking. Zo krijgt de Economische Visie richting 2030 een duidelijker focus en wordt beter zichtbaar waar Den Haag met zijn economisch beleid daadwerkelijk verschil maakt.

TUSSENTIJDSE EVALUATIE ECONOMISCHE VISIE EN BELEID DH+ 2030

14

Referenties Benner, M. J., & Tushman, M. L. (2003). Exploitation, exploration, and process management: The productivity dilemma revisited. Academy of management review, 28(2), 238-256. Dialogic (2024). Versterken van lokaal duurzaam & economisch beleid: Eindrapport (Publicatienummer 2023.1962419). Utrecht: Dialogic. Gemeente Den Haag (2020). Economische uitvoeringsagenda: Voortgangsrapportage 2020. RIS306587. Den Haag: Gemeente Den Haag. Gemeente Den Haag (2021). Economische uitvoeringsagenda: Voortgangsrapportage 2021. RIS310848. Den Haag: Gemeente Den Haag. Gemeente Den Haag (2022). Economische uitvoeringsagenda: Voortgangsrapportage 2022. RIS313230. Den Haag: Gemeente Den Haag. Gemeente Den Haag (2023, RIS315458). Economische Uitvoeringsagenda 2023-2026. RIS315458. Den Haag: Gemeente Den Haag. Gemeente Den Haag (2023, RIS319157). Economische uitvoeringsagenda: Voortgangsrapportage 2023. RIS319157. Den Haag: Gemeente Den Haag. Gemeente Den Haag (2024). Economische uitvoeringsagenda: Voortgangsrapportage 2024. RIS322695. Den Haag: Gemeente Den Haag. Gemeente Den Haag. (2019). Economische visie Den Haag+ 2030: Brede economische bloei in een stad zonder grenzen. Kadernota economisch beleid. RIS303550. Den Haag: Gemeente Den Haag. Lee, N. (2019). Inclusive growth in cities: A sympathetic critique. Regional Studies, 53(3), 424–434. Manshanden, W. J. J., Van Oort, F., De Groot, H.

L. F., & Rienstra, G. (2025). Monitor staat van de Haagse economie 2024: Achtergrondrapport. NEO Observatory. March, J. G. (1991). Exploration and exploitation in organizational learning. Organization Science, 2(1), 71–87. OECD/Eurostat. (2018). Oslo Manual 2018: Guidelines for collecting, reporting and using data on innovation (4th ed.). OECD Publishing. Patton, M. Q. (1994). Developmental evaluation. Evaluation practice, 15(3), 311-319. PBL, CPB & SCP (2018). Verkenning Brede Welvaart. PBL, CPB & SCP: Den Haag. Rekenkamer Den Haag. (2019). Tel uit je winst: Onderzoek naar de kwaliteit van het economisch beleid. RIS302387. Gemeente Den Haag. Van Oort, F., De Groot, H. L. F., Manshanden, W. J. J., & Rienstra, G. (2025). Den Haag: een beknelde wereldstad aan zee (Essay). NEO Observatory. Wennink, P. (2025). De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Rapport Wennink.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16872829/1