RIS325051 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomerverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten (gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
13
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in de beplanting. De bebouwing beschikt niet over invliegopeningen waardoor vogels hier geen nestplaats in kunnen bezetten. De fietsenstalling vormt geen geschikte nestlocatie voor vogels. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, vink, heggemus, roodborst, groenling, houtduif, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, zanglijster en zwartkop. Er zijn geen huismussen en oude nesten van huismussen in het plangebied waargenomen. In het plangebied zijn geen geschikte nestlocaties voor gierzwaluwen waargenomen. Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden dat uilen roofvogels er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Door het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield.
Als gevolg van het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen beplanting tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, egel, eekhoorn en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten bosmuizen en huisspitsmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond. De bebouwing is voor grondgebonden zoogdieren niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om een rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Egels kunnen een (winter)verblijfplaats bezetten in de dichte heesters met een strooisel laag. Een geschikte plek voor steenmarter om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreekt in het plangebied. Er zijn geen takkenbossen in het plangebied aanwezig die het voor steenmarter geschikt maken om een vaste rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Ook zijn geen (blader)nesten van eekhoorns in het plangebied vastgesteld.
Het plangebied wordt niet als potentieel leefgebied van kleine marterachtigen beschouwd.
Dichte vegetatie bieden egels een potentiële rust- en voortplantingsplaats
14
Door het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van beplanting wordt mogelijk een grondgebonden zoogdieren gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen beplanting; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Een deel van de bebouwing beschikt weliswaar over luchtspouw maar er zijn geen invliegopeningen zoals open stootvoegen of ventilatieopeningen aangetroffen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering aangetroffen. In het plangebied zijn geen holenbomen aanwezig. Er zijn in het plangebied geen bomen met loshangend schors. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen beplanting; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;
15
Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker en gewone pad benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder strooisel en bladeren en in holen en gaten in de grond. De bebouwing is voor amfibieën niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om een (winter)rustplaats in te bezetten. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied.
Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder strooisel en bladeren
Door het verwijderen van strooisel en bladeren en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen strooisel en bladeren; - Uitvoeren grondverzet; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
16
6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Verwijderen beplanting buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Er wordt echter geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;
17
• Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde gedood worden; Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieën, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibiesoorten geldt geen vrijstelling. Mits er geen amfibieën (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden; Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
1
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 18
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a
Foerageergebied
Diverse soorten
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 2
Vogels
Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 1
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Vleermuizen
Rust- of voortplantingsplaats Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vleermuizen Vleermuizen
Vliegroute Doden van dieren
Amfibieën
Foerageergebied
Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten
Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing
Geen
Amfibieën
Vaste rustplaats
Diverse soorten
Amfibieën Amfibieën
Voortplantingsplaats Doden van dieren
Niet aanwezig Diverse soorten
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Art. 3.10 lid 1a
Overige soorten
Dieren en overige functies
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Vogels
Vleermuizen
Diverse soorten
Geen Geen dieren doden, of ontheffing aanvragen Geen Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Geen Geen bezette nesten negatief beïnvloeden of ontheffing aanvragen Geen
Geen Geen
Geen Geen Geen dieren doden, of ontheffing aanvragen Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep
Vaste rust- Voortplanplaats tingsplaats
Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied
Wettelijke consequenties
Nader onderzoek vereist
Grondgebonden zoogdieren Vogels
Ja
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Vleermuizen Amfibieën
Nee Ja
Nee Nee
Nee n.v.t.
Nee Nee
Nee Ja
Nee Nee
Ontheffing vereist Nee, tenzij dieren gedood worden Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden Nee Nee, tenzij dieren gedood worden
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
6.5 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
19
HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Zuid-Holland. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. .
20
Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
21
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. 22
Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Flora- en faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.
Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
23
Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan om van de onderstaande soorten de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het opzettelijk doden van onderstaande soorten is niet toegestaan. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.
24
Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.
25
Bijlage 3. Fotobijlage
26
27
Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/ https://www.ndff.nl/
28
Stikstofberekening Gebruiks- en ontwikkelfase Plein 1813 5 Den Haag
Colofon Stikstofberekening: Gebruiks- en ontwikkelfase Plein 1813 5 Den Haag
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: Versie 2025.0.1_20251007_db4f14956b Database 2025.0.1_ db4f14956b_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 /
Opdrachtgever: Delfgou Projectnummer en versie: 6108 versie 1.0 Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Auteur:
Status: Definitief Datum: 26-01-2026 Ligging projectgebied: Plein 1813 5 Den Haag
1
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING .................................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 3 1.2 Onderzoeksvragen .............................................................................................................................................. 3 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED ........................................................................................................................................... 4 2.1 Ligging van het plangebied ................................................................................................................................. 4 2.2 Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied................................................................. 5 2.3 Voorgenomen activiteiten .................................................................................................................................. 5 2.4 VERKEERSGENERATIE (GEBRUIKS- EN ONTWIKKELFASE)....................................................................................................
6 2.5 Referentiesituatie ............................................................................................................................................... 7 HOOFDSTUK 3 METHODE.................................................................................................................................................... 8 3.1 Algemeen ............................................................................................................................................................ 8 3.2 Ontwikkelfase ..................................................................................................................................................... 9 3.2.1.
Voorbereidende fase ............................................................................................................................... 9
3.2.2.
Bouwfase .............................................................................................................................................. 10
3.2.3.
Afwerkfase ............................................................................................................................................ 12
3.3 Gebruiksfase ..................................................................................................................................................... 15 HOOFDSTUK 4 RESULTATEN EN CONCLUSIE ........................................................................................................................... 16 4.1 Resultaten ontwikkelfase .................................................................................................................................. 16 4.2 Resultaten gebruiksfase .................................................................................................................................... 16 4.3 Conclusie ........................................................................................................................................................... 16 Bijlage 3 Brandstofverbruik per klasse.................................................................................................................... 17
2
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Er zijn concrete plannen om een nieuwe kantoorpand (272 m2) te realiseren aan Plein 1813 5 te Den Haag. Het nieuwe kantoorpand beschikt over een kelderbak zonder paalfundering, een verdiepingsvloer en een kelder. Om dit nieuwe kantoorpand te realiseren dient de noordelijk gelegen bebouwing (88,7 m2) in het plangebied gesloopt te worden. Tevens wordt er 1657 m2 verharding verwijderd en wordt er 1050 m2 halfverharding (rijbaan), 175 m2 grasbetontegels en 450 m2 halfverharding voor tuinpaden en terrassen aangelegd. Het plangebied wordt nadien ingepast, middels aanplant van enkele bomen (o.a. treurberk, blazenboom, gewone magnolia), gazon en heesters. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitatten die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd.
Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Omgevingswet noodzakelijk. Veel Natura 2000-gebied is kwetsbaar voor stikstofdepositie. Een verhoogde stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel een zogeheten AERIUS-berekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase. In de ontwikkelfase wordt het tijdelijk karakter van bouwfase onderzocht. In de gebruiksfase wordt onderzocht of er structurele stikstofemissies zijn op Natura 2000gebied(en). In voorliggend rapport worden de gehanteerde uitgangspunten voor het berekenen van de emissie/depositie tijdens de ontwikkelfase- en gebruiksfase besproken, evenals de berekende depositie in Natura 2000-gebied. Wettelijk kader: Natura 2000 en Omgevingswet Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit Natura 2000-gebied moet samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren.
De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, welke in Nederland zijn door vertaald in de Omgevingswet. Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings-/verbeteringsdoelstellingen zijn. Het is verplicht om plannen en projecten te beoordelen op de gevolgen voor deze instandhoudingsdoelstellingen. Voor projecten geldt een vergunningplicht als het project een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben op een Natura 2000-gebied. Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebied.
1.2 Onderzoeksvragen De AERIUS-berekening is uitgevoerd om antwoord te krijgen op onderstaande onderzoeksvragen: 1. Hoe groot is de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van alle werkzaamheden, die noodzakelijk zijn om tot de realisatie van de gewenste werkzaamheden in het plangebied te komen? 2. Hoe groot is de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van het exploiteren van het nieuwe kantoorpand, in de gebruiksfase?
3
HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is gesitueerd aan Plein 1813 5 te Den Haag. Het ligt in het noordelijke deel van de stad Den Haag en wordt omgeven door stedelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: toptijdreis.nl).
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
4
2.2 Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied Het plangebied ligt op minimaal 2,38 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Westduinpark & Wapendal. Het plangebied ligt op minimaal 2,42 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
2,38 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren 2,9 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).
2.3 Voorgenomen activiteiten Het voornemen bestaat een nieuwe kantoorpand (272 m2) in het plangebied te realiseren. Het nieuwe kantoorpand beschikt over een kelderbak zonder paalfundering, een verdiepingsvloer en een kelder. Om dit nieuwe kantoorpand te realiseren dient de noordelijk gelegen bebouwing (88,7 m2) in het plangebied gesloopt te worden. Tevens wordt er 1657 m2 verharding verwijderd en wordt er 1050 m2 halfverharding (rijbaan), 175 m2 grasbetontegels en 450 m2 halfverharding voor tuinpaden en terrassen aangelegd. Het plangebied wordt nadien ingepast, middels aanplant van enkele bomen (o.a. treurberk, blazenboom, gewone magnolia), gazon en heesters. Op onderstaande afbeelding worden verschillende gevelaanzichten van het wenselijk eindbeeld weergegeven.
Gevelaanzichten van het wenselijk eindbeeld (bron: Delfgou).
5
2.4 VERKEERSGENERATIE (GEBRUIKS- EN ONTWIKKELFASE) Een algemeen criterium voor wegverkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen voor het milieu van dit verkeer niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld1. Verkeer tijdens de gebruiksfase Aangenomen wordt al het verkeer (licht, middel en zwaar) via het zuiden het plangebied benadert. Wanner het verkeer op Plein 1813 rijdt gaat het verkeer over in het heersende verkeersbeeld. Op onderstaande afbeelding wordt deze route op kaart weergegeven.
Route dat het verkeer aflegt van en naar het plangebied tijdens de gebruiksfase (rode lijn).
Verkeer tijdens de ontwikkelfase Aangenomen wordt al het verkeer (licht, middel en zwaar) via het noorden het plangebied benadert. Wanneer het verkeer op Javastraat rijdt gaat het verkeer over in het heersende verkeersbeeld. Op onderstaande afbeelding wordt deze route op kaart weergegeven.
1
Verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersend verkeersbeeld op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.
6
Route dat het verkeer aflegt van en naar het plangebied tijdens de ontwikkelfase (rode lijn).
2.5 Referentiesituatie De referentiesituatie is een bestaand bedrijfskantoor met enkelbestemming ‘’Gemengd’’. Er is geen mogelijkheid voor intern salderen in dit project.
7
HOOFDSTUK 3 METHODE 3.1 Algemeen Voor het project is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie als gevolg van het project. Deze bestaat uit een berekening voor de gebruiks- en ontwikkelfase. Hieronder worden de uitgangspunten toegelicht.
-
-
-
-
-
1 2
De duur van de ontwikkelfase wordt geschat op 1 jaar; gemiddeld 45 werkweken (45 x 5 = 225 werkdagen); De ontwikkelfase vindt plaats in het jaar 2026, vanaf 2027 is het nieuwe kantoorpand operationeel. Er wordt 88,7 m2 gesloopt. De oppervlakte van het nieuwe kantoorpand bedraagt 272 m2. Het nieuwe kantoorpand beschikt over een strokenfundering en een betonnen kelderbak. De materialen voor de begane grondvloer en de verdiepingsvloer worden betonnen breedplaten. Het nieuwe kantoorpand beschikt over een staalconstructie, glazenpuien, aluminiumzetwerk ter plaatse van verdiepingsvloer en het dak, sandwichpanelen, binnenmuren van kalkzandsteen en glas en beschikt deels over een plat dak met kunststof dakbedekking en deels over een sedum dak (er worden tevens PV-panelen geplaatst op het dak). Tevens wordt er 1657 m2 verharding verwijderd en wordt er 1050 m2 halfverharding (rijbaan), 175 m2 grasbetontegels en 450 m2 halfverharding voor tuinpaden en terrassen aangelegd. Voor het aanleveren van de nieuwe beplanting worden 3 zware vrachtwagens ingezet. Voor het modelleren van de koude start, van het verkeer van de werklieden, gedurende de ontwikkelfase is vanuit een worst-case scenario geredeneerd. Hierbij wordt gesteld dat elke auto van de werklieden (fossiele brandstof), die dagelijks arriveren, vertrekt met een koude start.
Er wordt dus gesteld: 1 koude start per auto per dag gedurende de ontwikkelfase. De overige voertuigen (middel- en zwaar) tijdens de ontwikkelfase draaien stationair en worden geladen en gelost, de motor koelt niet af. Tijdens het uitsplitsen van de koude start emissie bleek differentiatie van koude start en warme motor bij mobiele werktuigen geen meerwaarde te hebben1. Voor werktuigen is dus geen koude start gemodelleerd. Voor de werktuigen is voor het brandstofverbruik per stage-klasse een 40% belasting genomen. De meeste werktuigen hebben een belasting tussen de 35-38%. In dit project is er een worst-case scenario genomen van 40% (zie bijlage 2) (bron: TNO 2021-R12305-tab2). Voor alle werktuigen is Stage-V,>=2019 gebruikt (met de daarbij behorende vermogensklassen, diesel, SCR:ja). Er is 6% per liter AD Blue aangehouden voor de in te zetten werktuigen. De uitstoot van het stationair draaien wordt in AERIUS als een vlakborn ingetekend. Er is vanuit een worst-case scenario geredeneerd en deze vlakbron gelijk gemaakt met de vlakbron die gebruikt wordt voor de begrenzing van het plangebied.
Bij12 Handreiking Koude Start; expertiseteam Stikstof en Natura 2000 (24-02-2025). Tabellen bij rapport TNO 2021 R12305 AUB ( 13 december 2021).
8
3.2 Ontwikkelfase De ontwikkelfase wordt onderscheiden in een voorbereidende fase, bouwfase en afwerkfase. 1. Algemeen Er worden twee units geplaatst en gebruikt als schaftkeet en directiekeet. Deze worden geplaatst door een zware vrachtwagen. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 2. Verkeer werklieden De ontwikkelfase duurt 1 jaar. Er wordt 45 weken gewerkt (225 werkdagen). Gedurende de ontwikkelfase arriveren gemiddeld 6 werklieden per dag. Tot deze werklieden behoren bouwvakkers, tegelzetters en stucadoors. Werklieden arriveren dagelijks in 5 lichte voertuigen (auto’s en bedrijfsbusjes). Dit resulteert in 2250 verkeersbewegingen met lichte voertuigen. Dit resulteert in 225*5 = 1125 koude starts in dit rekenjaar. 3.2.1.
Voorbereidende fase
Tot de voorbereidende fase behoort o.a. het slopen van bebouwing, het graven fundering en aanleggen riolering. 3. Aanvoer rupskraan Een rupskraan arriveert en vertrekt éénmalig. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 4. Inzet rupskraan t.b.v. sloop De rupskraan met een vermogen van 200 kW wordt 8 uur ingezet voor het slopen van bebouwing. 5. Afvoer sloopmateriaal Om de totale hoeveelheid sloopmateriaal af te voeren worden er 6 vrachten met zwaar vracht verkeer verwacht. Dit resulteert in 12 verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer. 6. Aanvoer container Er wordt verwacht dat er 2 grote containers vereist is voor het plangebied. Deze worden geleverd en op een later moment opgehaald. Dat resulteert in 4 verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer. 7. Aanvoer (zelfrijdende mobiele kraan) Een mobiele kraan (100 kW) arriveert en vertrekt éénmalig. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 8. Graven fundering Ten behoeve van de bouw van het nieuwe kantoorpand wordt de fundering gegraven. Er wordt 91 m 3 zand afgegraven en afgevoerd. Er wordt een mobiele kraan met een vermogen van 100kW ingezet. Deze kraan is 4 uur bezig. 9. Afvoer zand fundering Er wordt 91 m3 zand afgevoerd door zware vrachtwagen met een laadvermogen van 25m3. Dit resulteert in 4 transporten en 8 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 10.
Aanleveren rioleringsbuizen De rioleringsbuizen worden geleverd in 2 vrachten door een middelzware vrachtwagen. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen met een middelzware vrachtwagen.
9
11. Aanleg riolering Ten behoeve van de riolering wordt een mobiele kraan met een vermogen van 100kW ingezet. Deze kraan is in totaal 8 uur bezig. 12. Transport lichte bouwmaterialen Lichte bouwmaterialen, als t.b.v. de fundering (bekisting) e.d. wordt meegenomen in een aanhanger van de werklieden. Geen extra verkeersbewegingen. 13. Aanvoer beplanting Aangenomen wordt om de totale hoeveelheid beplanting aan te leveren is 3 vrachten met zwaar vrachtverkeer benodigd. Dit resulteert in 6 verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer. 3.2.2.
Bouwfase
14. Kleinafval Klein afval wordt door de werklieden meegenomen. Geen extra verkeersbewegingen. 15. Steigers Alle steigermateriaal wordt in 2 vrachten geleverd door een zware vrachtwagen. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 16. Betonpomp Het beton wordt m.b.v. een betonpomp verwerkt. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 17. Beton Voor de strokenfundering en de betonnen vloeren (begane grond en kelder) is 100 m3 beton vereist; Een betonmixer kan per vracht gemiddeld 15 m3 vervoeren. Dat resulteert in 7 vrachten en in 14 verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer. 18. Betonpomp Het beton wordt met behulp van een betonpomp verpompt. Dit is een vrachtwagen met een vermogen van 100kW. De betonpomp wordt 3 uur ingezet. 19. Kalkzandsteen De binnenmuren van het nieuwe kantoorpand worden deels gebouwd met kalkzandsteen. De totale hoeveelheid kalkzandstenen worden geleverd in 5 vrachten. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 20. Breedplaten Op voorhand is onduidelijk hoeveel breedplaten vereist zijn voor de verdiepingsvloeren van het kantoorpand. Aangenomen wordt dat de totale hoeveelheid breedplaten in maximaal 4 ladingen met zwaar vrachtverkeer geleverd kunnen worden. Dat resulteert in 8 verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer. 21.
Staalconstructie De totale hoeveelheid staal wordt in 4 vrachten met zwaar vrachtverkeer aangeleverd. Dit resulteert in 8 verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer. 22. Sandwichpanelen De totale hoeveelheid sandwichpanelen wordt met 2 vrachten met middelzwaar vrachtverkeer geleverd. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen met een middelzware vrachtwagen.
10
23. Kozijnen De totale hoeveelheid kozijnen wordt met 2 vrachten met middelzwaar vrachtverkeer geleverd. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen met een middelzware vrachtwagen. 24. Glas en scheidingswanden De totale hoeveelheid glas en scheidingswanden worden met 5 vrachten met middelzwaar vrachtverkeer geleverd. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een middelzware vrachtwagen. 25. Isolatiemateriaal & bitumen Alle benodigde isolatiemateriaal en dakleer wordt in 2 vrachten geleverd door een middelzware vrachtwagen. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen met een middelzware vrachtwagen. 26. Vervoer zelfrijdende hijskraan Een zelfrijdende hijskraan wordt 4 dagen ingezet (o.a. plaatsen staalconstructie en breedplaten) en arriveert en vertrekt éénmalig. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 27. Inzet zelfrijdende hijskraan (zwaar) De zelfrijdende hijskraan wordt 32 uur ingezet en heeft een vermogen van 100 kW. 28. Inzet hijskraan (licht) Voor het aanreiken van bitumen, glas en kozijnen wordt een lichte hijskraan ingezet. Deze kraan heeft een vermogen van 20 kW (bouwjaar 2000). In totaal wordt de kraan 5 dagen (6 uur per dag = 30 uur). De kraan werkt effectief maar 50% van de tijd (15 uur). De kraan wordt meegenomen door werklieden tijdens normaal werkverkeer.
Voorbeeld van een lichte, mobiele kraan. Geschikt voor aanreiken van bitumen, glas en kozijnen.
11
3.2.3.
Afwerkfase
29. Aanvoer shovel Een shovel (100 kW) arriveert en vertrekt éénmalig. Dit resulteert in 2 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 30. Inzet shovel Om de aanwezige verharding te verwijderen wordt een shovel 8 uur ingezet. 31. Afvoer verharding (halfverharding en grasbetontegels) Om de totale hoeveelheid verharding te verwijderen worden 6 zware vrachtwagens ingezet. Dit resulteert in 12 verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer. 32. Aanvoer ophoogzand De buitenruimte wordt opgevuld met ophoogzand dat de basis vormt voor de verharding. Op voorhand is onduidelijk hoeveel ophoogzand benodigd is. Aangenomen wordt dat de totale hoeveelheid ophoogzand in maximaal 5 vrachten met zwaar vrachtverkeer geleverd kan worden. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer. 33. Trilplaat Voor het egaliseren van het zand onder de verharding wordt een trilplaat (10 kW) ingezet. Deze trilplaat wordt 8 uur ingezet en wordt meegenomen door werklieden op een aanhanger gedurende normaal werkverkeer. 34. Aanleveren verharding De totale hoeveelheid verharding wordt geleverd in 5 vrachten door een zware vrachtwagen. Dit resulteert in 10 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 35. Aanleg verharding Ten behoeve van het aanbrengen van verharding en het verdelen van het ophoogzand wordt een minishovel in gezet met een vermogen van 60kW (bouwjaar 2019).
Deze shovel wordt gedurende 16 uur ingezet en wordt meegenomen door werklieden op een aanhanger gedurende normaal werkverkeer. 36. Aanleveren beplanting De totale hoeveelheid nieuwe beplanting wordt geleverd in 3 vrachten door een zware vrachtwagen. Dit resulteert in 6 verkeersbewegingen met een zware vrachtwagen. 37. Kabels en leidingen Ten behoeve van de aanleg van alle benodigde kabels en leidingen wordt een minikraan met een vermogen van 40kW ingezet, gedurende 1 werkdag. Dit resulteert in een inzet van 8 uur. De minikraan wordt meegenomen door werklieden op een aanhanger gedurende normaal werkverkeer. 38. Inrichting Ten behoeve van de totale inrichting van het kantoorpand worden 3 vrachten geleverd met een middelzware vrachtwagen. Dit resulteert in 6 verkeersbewegingen met een middelzware vrachtwagen. De lading wordt handmatig gelost.
12
Verkeersbewegingen (totale bouwfase) In onderstaande tabel wordt het totaal aantal verkeersbewegingen gedurende de gehele bouwperiode weergegeven.
Nr.
Verkeersbewegingen zwaar verkeer 4 1 2 2 3 12 5 4 6 2 7 8 9
10 6 13 4 15 2 16 14 17 10 19 8 20 8 21 22 23 24 25 2 26 2 29 12 31 10 32 10 34 6 36 38 126 Tot. Totaal aantal verkeersbewegingen.
Verkeersbewegingen middelzwaar verkeer
Verkeersbewegingen licht verkeer 2250
4
4 4 10 4
6 32
2250
13
Inzet materieel (totaal) Hieronder wordt de totale inzet materieel gedurende de ontwikkelfase in een tabel weergegeven. Tijdsduur (uren) 8
Vermogen (kW) 200
Brandstof Diesel
verbruik/uur 21,4
verbruik totaal 171,2
ad blue 10,272
Mobiele kraan (graven fundering)
4
100
Diesel
10,96
43,84
2,6304
Mobiele kraan (aanleg riolering) Betonpomp Mobiele hijskraan (zwaar) Lichte hijskraan Shovel Trilplaat Minishovel Minikraan (aanleg leidingen en kabels)
8 3 32 15 8 8 16 8
100 100 100 20 100 10 60 40
Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel
10,96 10,96 10,96 2,65 10,96 1,71 6,79 4,7
87,68 32,88 350,72 39,75 87,68 13,68 108,64 37,6
5,2608 1,9728 21,0432 2,385 5,2608 0 6,5184 2,256
973,67
57,5994
nr. Werktuig 4 Rupskraan (slopen bebouwing) 8 11 18 27 28 30 33 35 37
Totaal Totale inzet materieel gedurende ontwikkelfase.
110
Laden en lossen Hieronder wordt dieselverbruik tijdens laden en lossen in een tabel weergegeven.
Nr. 1 5 6 9 10 13 15 17 19 20 21 22 23 24 25 31 32 34 36
Activiteit Algemeen Afvoeren sloopmateriaal Aanvoer container Afvoeren zand fundering Aanleveren rioleringsbuizen Aanvoer beplanting Steigers Beton Bouwmaterialen kalkzandstenen (binnenmuren) Breedplaten Staalconstructie Sandwichpanelen Kozijnen Glas en scheidingswanden Isolatiemateriaal en bitumen Afvoeren verharding (halverharding en grasbetontegels) Aanvoer ophoogzand Aanleveren verharding Aanvoer beplanting
laad/Lostijd per vrachtwagen (minuten) 10 10 10 10 10 10 10 60 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10
N_ vrachtwagens 2 6 2 4 2 3 2 7 5 4 4 2 2 5 2 6 5 5 3
Totale tijdsduur (minuten ) 20 60 20 40 20 30 20 420 50 40 40 20 20 50 20 60 50 50 30
Tijdsduur (uren) 0,333 1 0,333 0,666 0,333 0,5 0,333 7 0,833 0,666 0,666 0,333 0,333 0,833 0,333 1 0,833 0,833 0,5
Totaal
17,661
Totaal brandstofverbruik t.b.v. laden en lossen.
14
Stationair draaien Voor het berekenen van de stationaire emissie van het wegverkeer wordt gebruik gemaakt van Gegevensinvoer voor AERIUS calculator 2024.1 bijlage 1. De waarde stationair NH en NOx worden berekend aan de hand van de categorie zwaar wegverkeer (vrachtauto’s > 20 ton GVW) en middelzwaar wegverkeer. De vrachten voor het aanleveren van de rioleringsbuizen, sandwichpanelen, kozijnen, glas en scheidingswanden, isolatiemateriaal en bitumen worden als middelzwaar vrachtverkeer beschouwd. Alle overige vrachten worden als zwaar wegverkeer beschouwd. De waarde stationair voor middelzwaar vrachtverkeer luiden als volgt. NH3 0,72 g/uur en NOx 62,7792 g/uur. Het aantal uur benodigd voor het aanleveren van de rioleringsbuizen, sandwichpanelen, kozijnen, glas en scheidingswanden, isolatiemateriaal en bitumen bedraagt: 2,17 uur. Dit resulteert in: 2,17*0,72 = 1,5624 g NH3 en 2,17*62,7792 = 136,230864 g NOx. Het aantal uur voor de overige vrachten resulteert in 17,661 – 2,17 = 15,491 uur. De waarde stationair voor zwaar vrachtverkeer luiden als volgt. NH3 0,8976 g/uur en NOx 91,03176 g/uur. Dit resulteert in 15,491*0,8976 = 13,9047216 g NH3 en 15,491*91,03176 = 1.410,17299416 g NOx. Totale NH3: 1,5624 + 13,9047216 = 15,4671216 g = 0,0154671216 kg. Totale NOx: 136,230864 + 1.410,17299416 = 1.546,40385816 g = 1,54640385816 kg.
De uitstoot van het stationair draaien wordt in AERIUS als een vlakborn ingetekend. Er is vanuit een worst-case scenario geredeneerd en deze vlakbron gelijk gemaakt met de vlakbron die gebruikt wordt voor de begrenzing van het plangebied.
3.3 Gebruiksfase Voor het berekenen van de verkeersgeneratie in de gebruiksfase is gebruik gemaakt van de CROW publicatie – 317. Voor 100 m2 BVO kantoorruimte geldt, volgens het CROW, een verkeersgeneratie van 5,3 mvt/etmaal. De oppervlakte van het nieuwe te realiseren kantoorpand bedraagt 272 m2. De verkeersgeneratie geldt: 5,3*2,72 = 14,416 mvt/etmaal met lichte voertuigen. Er is uitgegaan van een worst-case scenario betreffende koude start, waarbij ook 50% van het mvt/etmaal van het kantoorpand gemodelleerd wordt als koude start. De overige 50% worden gemodelleerd als rijdend verkeer. De koude start wordt gemodelleerd als vlakbron op de parkeerplaats voor het kantoorpand. Het rijdende verkeer is gemodelleerd als lijnbron. Gasaansluiting Niet van toepassing, de nieuwbouw wordt gasloos opgeleverd (Emissiefactor = 0 kg/jaar).
15
HOOFDSTUK 4 RESULTATEN EN CONCLUSIE 4.1 Resultaten ontwikkelfase De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 7,3 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,3 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 1 toegevoegd.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de ontwikkelfase.
4.2 Resultaten gebruiksfase De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 0,7 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,1 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 2 toegevoegd.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de gebruiksfase.
4.3 Conclusie Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden.
Bijlage 1 Uitdraai: AERIUS-berekening ontwikkelfase Bijlage 2 Uitdraai: AERIUS-berekening gebruiksfase
16
Bijlage 3 Brandstofverbruik per klasse
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Detailgegevens per emissiebron Resultaten Samenvatting situaties Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Natuurbank Overijssel Plein 1813 nr. 5, 2514 JN Den Haag 6108_Plein 1813 5 Den Haag Stikstofberekening Ontwikkelfase.
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RxBgNPXVPu6Y 26 januari 2026, 12:56 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Ontwikkelfase Plein 1813 5 Den Haag - Beoogd Ontwikkelfase Plein 1813 5 Den Haag - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RxBgNPXVPu6Y (26 januari 2026)
2026 -
0,3 kg/j
7,3 kg/j
2/8
Projectberekening
Ontwikkelfase Plein 1813 5 Den Haag (Beoogd), rekenjaar 2026 Emissiebronnen 2 3 4
Mobiele werktuigen | Inzet werktuigen Verkeer | Koude start: overig | Koude start verkeer werklieden Anders... | Stationair draaien Verkeersnetwerk
RxBgNPXVPu6Y (26 januari 2026)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,2 kg/j 47,9 g/j 15,5 g/j 3,7 g/j
5,4 kg/j 0,3 kg/j 1,5 kg/j 0,1 kg/j
3/8
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RxBgNPXVPu6Y (26 januari 2026)
4/8
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Ontwikkelfase Plein 1813 5 Den Haag" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave.
RxBgNPXVPu6Y (26 januari 2026)
5/8
Projectberekening
Ontwikkelfase Plein 1813 5 Den Haag, Rekenjaar 2026 1 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeersnetwerk Locatie X:80646,03 Y:455959,47 Lengte 96,52 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Maximum snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
RxBgNPXVPu6Y (26 januari 2026)
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ Type scherm - - NO₂ Hoogte - - NH₃ Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
2.250,0 /jaar 32,0 /jaar 126,0 /jaar 0,0 /jaar
0,1 kg/j 23,3 g/j 3,7 g/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
6/8
Projectberekening
2
Mobiele werktuigen
Naam Locatie Oppervlakte
Naam/Stageklasse
Inzet werktuigen X:80714,29 Y:455921,46 0,60 ha
5,4 kg/j 0,2 kg/j
BrandstofDraaiuren Uittreedhoogte/Warmteinhoud Spreiding/Temporele Stof Emissie verbruik/AdBlue variatie verbruik
Rupskraan (slopen 172 l/j bebouwing) 11 l/j Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja Mobiele kraan 44 l/j (graven fundering) 3 l/j Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja Mobiele kraan 88 l/j (aanleg riolering) 6 l/j Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja Betonpomp 33 l/j Stage-V, >= 2019 , 2 l/j 75-560 kW, diesel, SCR: ja Mobiele hijskraan 351 l/j (zwaar) 22 l/j Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja Lichte hijskraan 40 l/j Stage-V, >= 2019 , 0 l/j <= 56 kW, diesel, SCR: nee Shovel 88 l/j Stage-V, >= 2019 , 6 l/j 75-560 kW, diesel, SCR: ja Trilplaat 14 l/j Stage-V, >= 2019 , 0 l/j <= 56 kW, diesel, SCR: nee Minishovel 109 l/j Stage-V, >= 2019 , 7 l/j 56-75 kW, diesel, SCR: ja Minikraan (aanleg 38 l/j leidingen en 0 l/j kabels) Stage-V, >= 2019 , <= 56 kW, diesel, SCR: nee